woensdag 13 mei 2026

Naar de mart

Als kind mocht ik vaak met mijn vader mee. Op dinsdag 23 augustus 2023 schreef ik de herinneringen daaraan in het dagboek Jungske. Het begint met uitstapjes dicht bij huis en loopt uit op wat ik indertijd als een hoogtepunt ervoer: het bezoek aan de veemarkt ('de mart') in Den Bosch. 

Ik heb geen foto van mijn vader op de veemarkt. Er heeft ooit een foto in het blad Boerderij gestaan van de mart, waarop mijn ome Wout te zien is. Die foto bezit ik niet. Daarom een willekeurige foto van de veemarkt. 

Met mijn kinderen ben ik ook ooit naar de veemarkt geweest. Daar zouden wel foto's van moeten zijn, maar mijn foto's zijn zo ongeordend dat ik geen zin heb om ze op te zoeken. 

Het gebouw van de veemarkthal stamt uit 1931 en het staat er nog steeds. De markt is gehouden tot 2001. Toen brak er een golf uit van besmettingen met mond- en klauwzeer (MKZ). Het zou het einde van de markt betekenen. 

Ook dit dagboekfragment is niet mooi gecomponeerd en houdt vrij plotseling op. Zoals elke keer tot nu toe laat ik dat maar zo. 

foto uit 1931


In het begin heeft mijn vader alleen de beschikking over een fiets. Later koopt hij een trekker, tweedehands natuurlijk. Een Farmal, waarbij je de lange stuurstang helemaal naar voren ziet doorlopen aan de zijkant van de motor van de trekker. Zit het stuur niet in het midden? Dat zal toch niet kunnen kloppen. Hij koopt de trekker van WD, een halfbroer van mijn opa. Hij heet eigenlijk Wim, maar zo noemt niemand hem. Zeker niet als hij er niet bij is.

Nog weer later neemt mijn vader het Volkswagenbusje van Ome Wout over. Het is blauw en heeft alleen ramen voorin, voor de bestuurder en de medepassagier. Achterin zitten geen ramen (behalve eentje in de achterklep). Blijkbaar is het busje niet bedoeld voor personenvervoer. Als pa de richtingaanwijzer aanzet, klapt er uit de zijkant van de auto, net achter het portier, een soort oranje lepel omhoog, alsof de auto zijn hand uitsteekt als hij de hoek om gaat. Ik mag met papa mee als hij het busje gaat halen bij Ome Wout.

Als hij weggaat met de auto mag ik vaak met hem mee, bijvoorbeeld naar de fruitveiling. Soms krijgt mijn vader vragen over mij als hij met een andere fruitteler praat. Hij vertelt dan vol trots dat ik zijn oudste kind ben.

We gaan ook wel naar de Boerenbond, al weet ik na zoveel jaar niet meer wat we daar kopen. Kunstmest? Dat zou kunnen. Het gebouw staat in de Bredestraat in Herveld. Als we nieuwe palen moeten hebben, om een heining te maken, halen we die bij Blijderveen, in de Rozenstraat. Die palen hebben een lekkere, doordringende geur.

De bank is aan de Wageningsestraat, net over het spoor, vlak bij station Zetten-Andelst. Het lijkt een gewoon woonhuis. Er staat niet met grote letters Boerenleenbank op. Geregeld haalt mijn vader daar geld. Als hij in 1958 een huis wil kopen, gaat hij ook naar de bank. Die bank is een eenmansbedrijfje, van meneer Van Hal. Als mijn vader vraagt of hij geld kan lenen, moet Van Hal lachen: ‘Bunt, een bank is om geld te brengen, niet om te halen.’ Via de notaris krijgt mijn vader toch een hypotheek geregeld. Een verzekeringsmaatschappij wil wel geld verstrekken.

Mijn ouders hebben principiële bezwaren tegen verzekeringen: ze hebben geen ziektekostenverzekering, geen brandverzekering, geen levensverzekering. Blijkbaar gaan hun bezwaren niet zo ver dat ze het geld van zo’n maatschappij weigeren.

Zijn eigen geld kan mijn vader natuurlijk wel bij de bank ophalen. Buiten bij de deur trekt hij zijn klompen uit en hij gaat op zijn sokken naar binnen. Ik trek mijn laarzen of mijn klompen ook uit en loop met hem mee.

Het is het mooist als ik mee mag naar ‘de mart’, we zeggen ook wel naar Den Bosch. Daar is de veemarkt, in de Brabanthallen. In het begin ben ik nog te klein. Mijn vader moet heel vroeg op. Hij moet eerst de koeien melken en die moet hij dan al om een uur of zes uit hebben. Dan rijdt hij naar Den Bosch.   
foto uit 1931



Hij verhandelt soms zelf een koe of een kalf. Maar hij gaat niet zo vaak. Als er toch iets verkocht moet worden, doet Ome Wout dat. Die gaat elke woensdag. Hij verkoopt vee voor de boeren. De kalveren laadt hij achter in zijn volkswagenbusje, de koeien worden door de veerijder opgehaald. In de zomer moet dan de koe de dag ervoor uit de wei gehaald worden en op stal gezet, zodat hij gemakkelijk mee te nemen is.

Als pa terugkomt van de veemarkt, brengt hij altijd iets lekkers mee. Meestal is dat voor de kinderen een Mars en voor mijn moeder een Mekka, een brede chocoladereep met noten en rozijnen. Vaak is er ook nog wel een zakje Treets, pinda’s in chocola. Met zo’n Mars kunnen we heel lang doen. Met een aardappelschilmesje snijden we er elke keer een klein plakje af en dan duurt het altijd meer dan een week voordat de Mars op is. En soms kun je er langer dan een maand mee doen.

Later mag ik mee. Mijn vader trekt naar de markt zijn manchester jasje aan en daaroverheen doet hij zijn ‘martjas’, een beige stofjas. Soms doet hij een nette pet op, soms een hoedje, van ribstof. Hij neemt ook zijn ‘martstok’ mee, een wandelstok van bamboe, zoals bijna iedereen op de mart heeft.

Als ik voor het eerst mee mag, kijk ik mijn ogen uit. Het is heel ver met de auto, voor mijn gevoel. Mijn vader parkeert zijn auto en ik loop achter hem aan naar de hallen. In elke hal is wat anders te koop. Er is een hal met konijnen en andere kleine dieren en met kalveren. Of zitten die kalveren in een andere hal? Dat zou kunnen. Er zijn hokken gemaakt van een soort dranghekken en daarin zitten de kalveren. Er worden ook geiten en schapen verkocht, maar in welke hal?

In een andere hal zitten varkens en in nog een andere hal staan koeien. Sommige zijn helemaal schoongespoten. Bij een enkele koe is het uier rood geverfd, alsof er een vorm van make-up is aangebracht. Je moet goed uitkijken, want er zijn altijd handelaren die met een paar koeien door het gangpad lopen en dat gaat best snel. Ze roepen hard. Als een koe niet wil doorlopen, krijgt hij met een martstok een tik op zijn billen.

Gelukkig heb ik mijn laarzen aan, want overal ligt poep. Het zijn geen hoopjes, maar alle poep is intussen vertrapt tot een soort papje.

Elke hal ruikt anders. De kalveren ruiken het lekkerst. Die liggen in het stro. Sommige kalveren hebben een teken op hun rug. Elke koper heeft een buisje met een soort vetkrijt bij zich, waarmee hij een merkteken kan zetten op elk dier dat hij koopt. Mijn vader heeft bijna altijd blauw krijt, maar rood en groen zie je ook wel.

Het is heel erg druk op de veemarkt en ik ben bang dat ik mijn vader kwijtraak, al heeft hij mij verzekerd dat hij niet naar huis gaat zonder mij. Ik hou hem voortdurend in het oog.

De boeren zijn over het algemeen goed gehumeurd. We zoeken Ome Wout op, die druk is met het verkopen van een koe. Handjeklap. Verkoper en koper slaan elkaar voortdurend op de opengehouden hand. De een houdt de hand op, de ander geeft er een klap op draait zijn hand om, zodat hij er een klap op kan krijgen.

De twee boeren praten constant met elkaar, terwijl het klappen doorgaat. Als er een bod komt, wordt er extra hard geslagen. Tussendoor maken ze grapjes. Als een bod te laag blijft, zegt mijn oom: ‘Doe eens netjes een bod,’ of ‘Ge spot ermee’. En dan laat hij soms zijn hand zakken als teken dat hij niet verder onderhandelt.

Bij elke hal is er een kantine. Daar eten pa en ik ons brood op. Pa neemt koffie en ik krijg limonade. Het is een wonderlijk gezicht: al die boeren die in de kantine hun klompen aanhouden en vrij hard met elkaar praten. Ze hebben dikke portefeuilles, want alle betalingen gaan contant. Heb ik daarvoor al wel eens briefjes van duizend gezien? Hier zijn ze heel gewoon.

Als ik iets groter ben, ga ik ook wel eens met Ome Wout mee naar de mart. In de kantine is het zo druk, dat je altijd ook met wildvreemden aan een tafeltje zit. Aan de andere kant van de tafel zit een boer die uit zijn broek gescheurd is: de naad aan de binnenkant van zijn been is bij zijn dij uitgetornd. Ome Wout wijst me erop.

In de kantine ligt ook gewoon de koeienpoep. Klodders die van laarzen en klompen zijn gevallen. Ome Wout pakt zijn martstok en haalt er een klodder poep van de vloer mee omhoog. Die smeert hij aan het blote bovenbeen van de boer tegenover hem. Die slaakt een krachtterm maar moet toch lachen. Blijkbaar moet je dit soort grapjes kunnen verdragen.

Buiten de hallen is er ook een markt met kraampjes. Daar ga ik met mijn vader heen voordat we weer naar huis gaan. Hij haalt daar de Marsen en de Mekka voor mijn moeder. Je kunt er ook koerepen (touwen) kopen of halsters, die wij helsters noemen. Er is ook iemand die Bossche bollen verkoopt. Pa koopt er voor ons allebei eentje. We eten zo’n bol gewoon uit de hand, wat niet zo makkelijk is. Het is wel een verrassing. Ik heb het idee dat ik een enorme traktatie heb gehad. Zoiets eet je anders toch alleen maar op een verjaardag of een bruiloft.

(bron van de foto's)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten