Posts tonen met het label Dante. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dante. Alle posts tonen

vrijdag 25 oktober 2024

Reünie



(column, voorgelezen in Cultureel Café Dante)

Afgelopen zaterdag was ik op de reünie van Het Streek. Ik gaf daar les van 1988 tot 1999. Voor die tijd kende ik Ede ook al een beetje. Vanaf zo ongeveer mijn zestiende fietste ik elk jaar op de laatste zaterdag van november vanuit de Betuwe naar Ede. Als ik over het fietspad langs de Tooroplaan reed en ik keek naar het zuiden, zag ik toen nog voornamelijk weilanden, met hier en daar een boerderij. 

Elf jaar lang gaf ik les op Het Streek, met veel plezier. Ik werd inwoner van Ede en intussen voel ik mij een Edenaar. 

En zaterdag was ik dus terug op school, te midden van het gewoel van een paar duizend mensen. Collega’s – oud geworden, leerlingen – veranderd en toch hetzelfde gebleven. Ze praten nog net zo, ze kijken nog net zo uit hun ogen. En dan nog degenen die er niet meer zijn. Ze zijn soms ineens in de gesprekken nadrukkelijk aanwezig. 

Een reünie is vooral veel: al die mensen die je aanschieten en die herinneringen ophalen. Veel leerlingen blijken van mij onthouden te hebben dat ik muziek draaide tijdens de leswisselingen, dat ik mijn lessen begon met het voorlezen van gedichten en dat ik las tijdens het fietsen. Voor dat laatste zou ik tegenwoordig bekeurd worden, vrees ik.  

Er zijn mensen die principieel niet naar een reünie gaan: ze zeggen die tijd achter zich gelaten te hebben. Nu zijn ze ergens anders in hun leven en ze willen niet achteruitkijken, maar vooruit. 

Het zal mijn neiging tot melancholie wel zijn, maar ik kijk graag achterom. Zonder de weg die ik ooit afgelegd heb, was ik immers niet, wie ik nu ben. En ik hou ervan om die mensen te spreken. Ooit kwamen onze levenspaden bij elkaar, we liepen een tijdje samen op en toen gingen we weer uiteen. Het was maar een paar jaar, maar het is wel belangrijk. Voor mij, althans. En blijkbaar ook voor de anderen die allemaal de moeite hadden gedaan om te komen. 

Ida Gerhardt schreef ooit de cyclus ‘Sonnetten van een leraar’. Het laatste gedicht heet ‘Karakter’. De eerste strofe luidt:

Wanneer ik eenmaal mijn pensioen zal halen
en ’t stadje làten, waar ik leraar was,
dan zal, als ze mijn gage uitbetalen,
mijn hart zijn overstempeld als een pas. 

Dat had ze goed gezien, net als wat ze in de laatste strofe vertelt: dat een docent wel een stempel op een klas kan drukken, ‘maar het is hij die duizend stempels heeft.’

Sommige van die stempels waren in de loop van de jaren vervaagd, maar ze kleurden ineens weer bij, soms al na een paar zinnen. En toen ik na afloop naar huis fietste, duizelde mijn hoofd en het duizelt nog een beetje na. 

En nu ben ik voor een avondje weer terug bij Dante en dat voelt ook een beetje als een reünie, vooral omdat Willem aangekondigd had dat we ook zouden terugblikken op meer dan vijfentwintig jaar Dante, waarvan ik er achttien van dichtbij heb meegemaakt. In september 2001 las ik een column voor waarin ik vooruitblikte op een reünie van Dante. Die column eindigde als volgt:

En over twintig jaar, bij de reünie van Dante, ben ik er weer en ik zeg tegen René Hazeleger: Wat was dat toch een mooie tijd toen Dante net begon: we konden nog lopen zonder stok en drinken zonder morsen en als we buiten plasten, spatte het grind op. We waren volmaakt gelukkig. 

Maar ook aan elke reünie komt een einde. We schudden een keer met ons hoofd om de duizeling kwijt te raken, we rechten onze rug, voor zover dat nog kan, en richten onze blik op de toekomst. Wie weet wat voor moois er om te hoek op ons ligt te wachten. 

vrijdag 3 juni 2022

Collecteren

Je kunt op allerlei manieren kennismaken de de samenleving. Als je dat via Twitter doet, kom je bijvoorbeeld mensen tegen die zich boos maken over iemand op tv of die dagelijks een foto tonen van zichzelf in de outfit van de dag of die interessante weetjes verspreiden. 

Als je de samenleving wilt leren kennen via deelname aan het verkeer, kom je mensen tegen die haast hebben, die zich lomp gedragen of die zich keurig aanpassen aan hun omgeving. 

Natuurlijk heb ik dat ook allemaal ervaren en zo heb ik enig zicht gekregen op de wereld waarin ik leef, maar onlangs leerde ik andere kanten van onze maatschappij kennen, toen ik ging collecteren voor een goed doel. Dat biedt nieuw zicht op je eigen wijk. 

Bordjes en stickers

Opvallend is de grote verscheidenheid van bordjes en stickers, die allemaal het doel hebben om te voorkomen dat mensen aanbellen. De stickers proberen bijvoorbeeld verkopers en geloofsovertuigers te weren. En al die stickers brengen mensen aan bij hun deur. Ze zien er niet allemaal hetzelfde uit en ze zijn ook niet altijd aangebracht op een handige plek. Soms had ik al aangebeld voor ik het bordje ontdekte. 

Aanvankelijk vond ik die afwerend bordjes onvriendelijk, maar na verloop van tijd zag ik het stickerwoud als service: het voorkomt tevergeefs aanbellen. 

Soms wordt expliciet vermeld dat collectanten welkom zijn. Dat betekent overigens niet dat er dan altijd gereageerd wordt op je bellen en ook niet dat mensen die opendoen bij voorbaat wat geven, maar je staat wel hoopvoller te wachten op een reactie op je gebel.

Liever kloppen 

Steeds vaker las ik het verzoek: ''s Avonds liever kloppen!' Dat heeft dan te maken met slapende kindren, die anders wakker zouden worden van het geluid van de bel. Dat verzoek heb ik steeds gehonoreerd, maar kloppen klinkt zachter dan bellen en als het mooi weer is, zitten mensen in de tuin, zodat ik verschillende keren tevergeefs heb staan kloppen. 

Bij sommige huizen hangt er geen klopverzoek, maar gaan de bewoners er toch van uit dat je niet aanbelt. In mijn eigen straat deed een vrouw open, telefoon aan haar oor, terwijl ze zei: 'Nu heb ik weer een huilend kind. Ik ga echt een bordje ophangen, ik ben er helemaal klaar mee!' Daarna ging de deur weer dicht. 

Camera

Veel huizen hebben een bel met een camera. Het kan gebeuren dat je aanbelt en een stem hoort die vraagt wat je komt doen. Ik vertelde dat ik kwam collecteren. De stem zei: 'Ik kan niet opendoen, want ik ben op een feestje in Wassenaar.' Waarom zou iemand die op een feestje in Wassenaar is, willen weten wie er in Ede aan de deur is?

Blijkbaar willen we, in deze digitale wereld, voortdurend van werkelijk alles op de hoogte zijn. Misschien zijn we bang dat we iets missen, the Fear Of Missing Out. Het lijkt me vooral veel onrust te geven als je voortdurend meldingen krijgt van wat er om je huis gebeurt. 

Misschien is het gewoon angst. Er wordt maar weinig ingebroken, maar de verkopers van cameradeurbellen hebben het gevaar natuurlijk heel groot gemaakt en angst is weliswaar een slechte raadgever, maar wel eentje waarnaar gretig geluisterd wordt. Ik vermoed dat het bezit van zo'n camera de angst alleen maar vergroot, bijvoorbeeld als je wel weet dat er is aangebeld is, maar niet wie de aanbeller is. Wat doet die duistere figuur bij mijn huis?

Controle

Het lijkt me dat onze voordeuren laten zien dat wij de controle willen houden. We willen voorkomen dat er zomaar mensen aanbellen, we willen weten wie er voor de deur staat en als we de stickers geplakt hebben en de camera geïnstalleerd hebben, hebben we gedaan wat we kunnen. Dit deel van het leven hebben we een beetje onder controle. 

Ik geloof niet dat we daar gelukkiger van worden. Misschien voorkomt het hier en daar een onaangename verrassing, maar misschien ontzeggen we ons zo ook de aangename verrassingen. 

In het leven zijn veel zaken waarover we geen controle hebben en eigenlijk geeft dat ook niet. Als we altijd leven met de angst voor wat er zou kunnen gebeuren, komen we aan het leven zelf niet meer toe. 

Daarom laat ik stickers en camera bij mijn huis nog maar even achterwege. Soms zal er aangebeld worden op een onhandig moment, maar wie weet welke verrassing het leven juist dan voor me in petto heeft. 

donderdag 24 september 2020

Zacht zijn voor elkaar


(Column vandaag voorgelezen in Cultureel Café Dante)

De herfst is eigenlijk een nazomer, er wordt met enige vertraging weer gesport, er is weer een Prinsjesdag geweest, we kunnen uit eten en naar het theater en zelfs naar het cultureel café. Het lijkt een gewone september in een gewoon jaar.

Maar dat is het niet. En nu bedoel ik niet dat elke dag bijzonder is en dat in het leven niets gewoon is, als je er maar aandacht voor hebt. Nee, ik bedoel dat het wel 2020 is en dat het een raar jaar is. We zitten met mondkapjes op in de trein, we slalommen in de winkelstraat om elkaar heen om afstand te houden, we volgen of geven colleges via een computerscherm en op onze verjaardagen komen alleen de meest nabijen op bezoek, bij voorkeur in de tuin en op ruime afstand. Het is een tijd waarin we op onze hoede moeten zijn: de anderen zijn een potentieel gevaar voor ons en wij zijn dat voor anderen.

Dat is niet prettig, want het doet onnatuurlijk aan. Het leven dient niet in allenigheid, maar in gezamenlijkheid geleefd te worden en daarom is het niet vreemd dat de afzondering ons tegenstaat, dat we er ongelukkig van worden en dat we de nabijheid van onze omgeving missen.

Er zijn mensen die zeggen dat ze dat allemaal niet meer willen, dat ze zich niet meer willen houden aan de maatregelen die afgekondigd zijn. Want die komen voort uit complotten of ze werken niet of er zijn andere redenen, die eigenlijk altijd te ingewikkeld of te simpel zijn.

Maar als je een tijdje meesurft met de suggesties die het algoritme van YouTube je geeft en als je op de sociale media alleen mensen ontmoet die net als jij denken dat er een verborgen agenda is of dat de ziekte niet bestaat of dat een pedofielennetwerk via 5G het allemaal bekokstoofd heeft, dan denk je dat alle anderen gek zijn en dat alleen jouw gemeenschapje de wijsheid in pacht heeft.

En al je meningen daarover moeten meteen openbaar gemaakt worden en liefst op een kwade toon. Anderen zullen weer boos op die meningen reageren of juichend hun instemming betuigen. Zo werkt het blijkbaar.

Van mij mogen alle mensen een mening hebben, maar ik zou het prettig vinden als ze die vaker voor zichzelf zouden houden. Laat iedereen in de beslotenheid van zijn huiskamer zijn mening op schoot nemen, haar strelen als een kat, haar koesteren, van haar genieten.

En als we naar buiten gaan, laten we onze mening in het mandje voor de kachel en zeggen we dat we het domweg niet weten. Wetenschappers die hun hele leven zich al bezighouden met deze materie hebben ook hun twijfels. Dat is inherent aan de wetenschap. Die bedrijf je omdat er dingen zijn waarvan je nog niet zeker bent.

En wij, als niet-wetenschappers op dit gebied, zijn dus leken. We weten het niet. Ook niet als we iets opgezocht hebben op Wikipedia of als we elke avond een talkshow hebben bekeken. We weten het niet en dat geeft niet. De anderen weten het ook niet.

En laten we maar niet proberen om mensen te overtuigen: daar krijgen we maar een slecht humeur van. Of die mensen het nu juist erg eens of erg oneens zijn met het regeringsbeleid, dat maakt niet uit. Mensen zijn boos, mensen zijn bang en dan roepen ze soms rare dingen. In andere tijden zou ik zeggen dat we ze zouden moeten omarmen totdat hun woede zakt of totdat ze niet meer bang zijn.

Dat kan nu niet. Maar we kunnen elkaar in de ogen kijken en zeggen: ik zie jou. Je bent niet alleen een mening, je bent geen tegenstander, maar je bent een medemens die het ook niet weet en zich daarom vastklampt aan een overtuiging, een stuk drijfhout om het hoofd boven water te houden.

We ploeteren allemaal. Hou vol. En laat al die meningen op tv en op internet maar een beetje. Er is vast nog een mooie roman te lezen, een film te zien, muziek te beluisteren. Er zijn geliefden om te omarmen, buren om mee te lachen. Laten we zacht zijn voor elkaar. En voor onszelf.


(Illustraties zijn geknipt uit advertenties tegen geluidsoverlast. De campagne daartegen, die halverwege de  jaren zeventig begon, had de slogan 'Laten we zacht zijn voor elkaar.') 

 Foto: Edwin Nieuwstraten


dinsdag 26 maart 2019

Afgestoft: Column 'Gelukkig!'


Veel van wat ik ooit schreef, ben ik kwijt en vergeten. Verloren geraakt op oude computers, zoekgeraakt tussen papieren, gedeletet om ruimte te maken. Heel soms vind ik iets terug, waarvan ik al niet meer wist dat ik het geschreven had. 

Onderstaande column schreef ik voor het Cultureel Café Dante en ik las het stukje voor op 26 mei 2011, nog voor Bunt Blogt bestond. Sommige dingen waarnaar verwezen wordt ontgaan mij nu: wat hebben hoofddoeken met de fiscus te maken? 

Blijkbaar was er, vlak voor ik de column schreef een onderzoek gedaan naar geluk. Dat is onlangs weer gebeurd, lees ik hier, en ook nu scoren de Nederlanders weer hoog. We zijn gelukkig! Indertijd schreef ik er dit over:

Gelukkig!


Wij zijn gelukkig. Niet alleen u en ik en de dames achter de bar, maar de Nederlanders. Goed, er zal nog wel ergens een mopperpot zijn die op dit moment sikkeneurig in zijn koffie staart, maar gemiddeld genomen zijn de Nederlanders gelukkig. Ik las het vanochtend in mijn krant en ik heb het nog eens nagekeken op internet.

Ik was meteen gerustgesteld. Over geluk hoef ik dus niet meer in te zitten; dat is binnen.

Dat wij zo gelukkig zijn, vind je terug op de Better Life Index van de OESO. We staan daarop vierde, achter Denemarken, Canada en Noorwegen.

Nu verbaast het mij niet dat wij gelukkiger zijn dan bijvoorbeeld mensen uit Griekenland. Die moeten al op hun eenenzestigste met pensioen, in de zomer sterft het er van de toeristen en dan heb je ook nog heel vaak hetzelfde weer: zon en anders niks.

Of je zult inwoner van IJsland zijn. Dan zijn er steeds mensen boos op je. Omdat ze hun geld niet terugkrijgen, bijvoorbeeld. Of omdat er weer een aswolkje ontsnapt is, waar jij als eenvoudige IJslander ook niets aan kunt doen. Dat lijkt een beetje op een verjaardag waar iedereen je boos aankijkt, terwijl volgens jou de ontglipte wind van iemand anders was.

Toch had ik niet verwacht dat ons land zo hoog zou eindigen op de geluksindex. Per slot van rekening wordt er heel wat afgeklaagd in dit land en we hebben zelfs een politieke partij die alleen maar dankzij dat geklaag bestaat.

Zo gauw de leider van die partij zijn mond opentrekt, komt er een tsunami van geklaag over je heen. Om het niet te hoeven horen, had ik een dubbel geïsoleerde hoofddoek omgedaan, maar dat bleek fiscaal weer niet handig te zijn.

En, laten we dat hier ook maar een keer hardop zeggen, we hebben toch eigenlijk ook wel redenen om te klagen. We hebben bijvoorbeeld alweer het Eurovisie songfestival niet gewonnen. Sterker nog, we hebben de finale niet eens gehaald.

Ik zal het wel weer niet mogen zeggen, maar volgens mij komt dat niet door de autochtone Nederlanders. Die stonden allemaal als één man achter de artistiek hoogbegaafde musici die wij afgevaardigd hadden. Hoe ze heten weet ik eigenlijk niet. Je schrijft 3JS, maar ze zeggen zelf de 3 j’s. Aan de Nederlanders (en onze premier zegt dan altijd: de hardwerkende Nederlanders) heeft het niet gelegen. Het zijn natuurlijk weer de buitenlanders die ons buiten de finale hebben gehouden.

Het zijn die onbetrouwbare Grieken, die hun rekeningen niet betalen, die IJslandse luchtvervuilers, die Belgen zonder regering, de Turken natuurlijk en de Marokkanen, want die zitten in alle Europese landen. Die drie j’s komen uit Volendam en daar stemt iedereen PVV, dus de link is gauw gelegd.

Reden genoeg dus om te mopperen. Maar we doen het niet. We laten snotverdorie ons geluk niet verpesten door dit soort kleinigheden. We lachen erom. 'Wij zijn gelukkig!' roepen we en als ze niet willen luisteren roepen we het nog iets harder: 'Wij zijn hartstikke gelukkig!'

En nu ook nog de pauze aanbreekt en de columnist zijn mond houdt, vallen we elkaar om de hals. We kunnen ons geluk niet op.

donderdag 24 januari 2019

Column: Honderd jaar radio

Wij zeiden het vroeger vaak genoeg: Hallo, hallo, wie stinkt er zo? Het mannetje van de radio!

2019 is een jubileumjaar. Misschien is het u ontgaan, maar honderd jaar geleden was de eerste radio-uitzending ter wereld te beluisteren, verzorgd door ingenieur Hanso Idzerda, een Nederlander. In het begin zag men er niet veel in: radio, dat zou nooit wat worden.

Maar de radio leefde door en groeide, en in mijn jeugd was die alomtegenwoordig. Er was natuurlijk al tv, maar dat wereldse ding kwam ons christelijke gezin niet binnen. Nou ja, af en toe mocht ik bij de buren naar Swiebertje kijken.

De radio werd bij ons thuis dagelijks beluisterd. Om de mededelingen voor land- en tuinbouw te horen en de waterstanden, als de koeien al in de uiterwaarden liepen en het water alsnog steeg. Maar mijn vader was ook een fan van Biels en Co, een radiostrip, met Ko van Dijk. En later zou hij altijd naar het begin van Met het oog op morgenluisteren, voordat hij in bed stapte. Soms werd het gezin om de radio verenigd voor een hoorspel.

De kinderen luisterden naar Kleutertje luister, waarin presentatrice Lily Petersen ons begroette met: ‘Hallo kindertjes uit het hele land!’ We probeerden te antwoorden op vragen in kwissen als Centenkwestie en Hersengymastiek en we zongen mee met de Boertjes van buut’n.

Ik vrees dat de radio mij behoorlijk bepaald heeft. Natuurlijk luisterde ik als puber naar de zeezenders, waarbij ik vaak Radio Mi Amigo opzocht. Toen in 1974 Veronica en Noordzee moesten stoppen, vertrok Mi Amigo naar Spanje en ging door met de uitzendingen. Nog steeds word ik week als ik het middengolfgeluid terughoor.

En dan de radioreclames uit die tijd! Ik weet nog precies waarom het jongetje bij Japie z’n moeder ging eten: Japie z’n moeder heeft lekker King Corn. Het was verpakt brood: het enige wat je weggooit, is de verpakking.

Witte Reus waste een berg en kostte een beetje, Persil had twee witmakers, als je Supra opendeed, kwam het aroma je tegemoet en met Danclan kon je in dertig seconden je kunstgebit schoonmaken. Bona was de enige margarine in een kuipje en die was dus altijd smeerbaar: Bona mee, in de arreslee, door de sneeuw. California soep, die was pas lekker en iedereen was in zijn sas met Badedas.

Mijn moeder citeerde wel eens reclames die waarschijnlijk nog ouder zijn, zoals
Al kon ik je hartje niet winnen,
toch blijf ik je altijd beminnen,
want van jou, lieve schat,
heb ik zegels gehad
van de Vivo en dus ben ik binnen.

Zelf zing ik in een uitgelaten bui nog wel eens over de goudhaantjes van Herman Kramer en ook:
Eén, twee, drie, je proeft het zo:
het is ijs van Caraco.
Mexicaantje, oranje hoed,
Caraco-ijs, geweldig goed.

Er was nog geen cultureel café, maar er was de radio en de radio is weer helemaal terug, in die zin dat er steeds meer naar podcasts geluisterd wordt. Iedereen is tegenwoordig zijn eigen radiomaker.

Laten we daarom het jubileumjaar vieren door radioherinneringen te delen. ‘Mag ik Paul Vlaanderen van jou, dan krijg je van mij Sprong in het heelal’en wie zingt er mee met ‘Cha cha cha, wat zullen we eten?’

En misschien moeten we enkele radiotradities in ere herstellen. ’s Morgens vroeg het hanengekraai van de VARA, af en toe het gebimbam van de Big Ben en om twaalf uur springt iedereen in de houding, want dan wordt het Wilhelmus gespeeld.

En daarna is het stil. De radio zwijgt, de televisie is al lang op het testbeeld gesprongen en wij gaan met een hoofd vol herinneringen naar bed.


Column voorgelezen bij Cultureel café Dante.

Eerder schreef ik over de podcast Hallo, hier Hilversum!

donderdag 25 januari 2018

Nepnieuws


De Europese Unie gaat nepnieuws aanpakken. Er komt een site waarop niet-kloppende berichten verzameld worden en er wordt een commissie gevormd die het allemaal gaat onderzoeken. Ook Facebook wil iets gaan doen tegen nepnieuws: het gaat een samenwerking aan met de site Nu.nl en met de NieuwsCheckers van de Universiteit Leiden. Nederland is immers een doelwit voor het verspreiden van misleidende berichten, liet minister Olongren weten. Het CPB oppert het plan om te gaan werken met een vergunningenstelsel voor digitale platforms: verspreid je niet het echte nieuws, dan kun je je vergunning kwijtraken.

Voor de goede orde: wat ik zonet verteld heb, is door mij gecheckt en juist bevonden.

Wat is waarheid? Pilatus vroeg het zich al af en het lijkt wel of steeds meer mensen ernaar op zoek zijn. In bijna alle kranten wordt er van berichten of uitspraken gecontroleerd of ze wel kloppen. Daarna komt er een stempel op: ‘klopt helemaal’, ‘klopt grotendeels’, ‘niet te controleren’, ‘grotendeels onwaar’ of ‘er klopt geen zak van’. Zo weten we of we wel goed geïnformeerd zijn.

Vroeger liep men het gevaar misleid te worden door te weinig informatie, nu is eerder een teveel aan informatie er de oorzaak van dat onze burgers niet meer weten hoe het echt zit. Vandaar dat veel mensen op zoek zijn naar de waarheid. Pas als ze de werkelijke feiten boven water hebben, voelen ze zich gerustgesteld.

Ik vind het legitiem dat mensen houvast zoeken. Dat ze willen weten waar ze aan toe zijn. Zoals het ook niet zo vreemd is dat mensen zoeken naar de zin van het leven of denken in causale verbanden. Maar je kunt het ook loslaten: bedenken dat er niet voor alles een logische oorzaak te vinden is, dat het leven wellicht niet per definitie zin heeft en dat we nooit zullen weten wat waarheid is.

Daarom wil ik hier graag een goed woordje doen voor nepnieuws. Het staat in een kwade reuk, maar het levert vaak mooie verhalen op. Zoals het verhaal dat de lengte van de marathon gelijk is aan de afstand tussen Marathon en Athene. Daarom heeft de huidige hardloopwedstrijd zo’n vreemde lengte: 42 kilometer en 195 meter. We zien de boodschapper zich de longen uit het lijf lopen om het nieuws naar Athene te brengen dat de Perzen verslagen zijn. In sommige varianten van het verhaal valt hij ook nog dood neer na het brengen van de boodschap.

Maar klopt het wel? Of heeft de marathon pas zijn huidige lengte gekregen toen de hardloopwedstrijd op de Olympische Spelen van 1908 verlengd moest worden omdat anders de lopers niet pal voor de koninklijke tribune finishten? Het zijn twee mooie verhalen en het is zonde om ze kapot te checken.

Misschien moeten we aanvaarden dat we van veel dingen domweg niet zullen weten hoe het zit. Laten we daarom genieten van de verhalen, of ze nu verspreid worden door Poetin, door Trump, door Kim Jung Un of door de buurvrouw.

Laten we genieten van de verbeelding die onze omgeving kleurt. En laten we vooral ook elkaar verhalen vertellen. Het verhaal van de liefde die niet overgaat; de parabel van de politicus die het beste voorheeft met het land; de legende van de ideale maatschappij; het sprookje van het geluk dat voor het grijpen ligt. En laten we daar vooral ook in geloven.

Van de waarheid wordt niemand gelukkiger.

(afbeelding gestolen van deze site)
Column voorgelezen bij Cultureel Café Dante

donderdag 26 mei 2016

Genoeg meningen


De wereld gonst van de meningen. Je ziet het al in de dagbladen, waarin dagelijks aardig wat columns verschijnen en in het weekend is het helemaal raak: cohorten columnisten mogen dan hun mening geven. Niet alleen bij de kranten; er is geen periodiekje meer of er staat een column in. Kijk het maar na: het verenigingsblad van de spruitjeskwekers, het teamkrantje van de zwerkclub, de nieuwsbrief van de basisschool op boeddhistische grondslag of het contactorgaan van de sekswerkers – overal groeit het onkruid van de column.

Columns zijn er niet alleen in gedrukte vorm: bij bijeenkomsten van meer dan zeventien mensen komt er vaak een columnist opdraven. Die mag de mensen vermaken met zijn o zo originele gedachten, hij mag een mening verkondigen die bij de toehoorders ook al leefde en hij mag zelfs uitvaren tegen het publiek. Het is amusement, dus hij hoeft niet serieus genomen te worden. Men applaudisseert toch wel. Uit waardering, of omdat men blij is dat het afgelopen is.

Een column moet persoonlijk zijn. De columnist kan dus zijn particuliere mening ventileren en hij kan vooral ook blijk geven van zijn emoties, want meningen en emoties gaan tegenwoordig goed samen.

De trend om meningen en emoties op de eerste plaats te zetten heeft zich ook doorgezet buiten de columns, bij de nieuwsberichten bijvoorbeeld. Je verwacht feiten, waarheidsvinding, analyse, duiding, maar blijkbaar is die manier van verslaggeving niet sappig genoeg. Zo komen er bij het journaal altijd mensen in beeld die even mogen vertellen hoe verschrikkelijk het ontslag van honderd werknemers is of hoe blij ze zijn dat een coureur gewonnen heeft. Ze mogen in de microfoon roepen dat het schandalig is dat er in Ede Veldhuizen auto’s in brand worden gestoken. Die mensen blijken dan ook altijd te weten wat de juiste aanpak is. Die varieert van 'Opknopen die relschoppers!'  tot 'De burgemeester moet oprotten!'

Natuurlijk zijn er nog wel feiten te vinden, maar vaak staan de meningen erbij. Wie een hotel boekt, krijgt niet alleen te lezen welke kamers nog beschikbaar zijn en hoeveel een overnachting kost, maar ook beoordelingen, die elkaar overigens vaak tegenspreken: het personeel was vriendelijk en behulpzaam of juist honds; de kamer keek uit op de vallei of op de snelweg; het ontbijt veroorzaakte diarree op of juist constipatie.

De grootste concentratie meningen treffen we aan op de sociale media, altijd en over elk onderwerp. Als er een piek is in bijvoorbeeld de grofheid van de reacties, wordt daar weer een nieuwsbericht over gemaakt. Zo berichtte het journaal over de racistische en anderszins kwetsende reacties op het toetreden van Sylvana Simons tot de politieke partij DENK.

De hele tijd was het woord ‘Rascisme’ in beeld, met ‘sc’ dus in plaats van met een ‘c’. Ik merkte dat me dat stoorde. Ik ergerde me zo, dat misschien wel een deel van het nieuwsitem aan me voorbijging. Daar schaam ik me voor, maar het gebeurde wel.

Nu iedereen overal en altijd zijn mening kwijt kan, is eigenlijk iedereen columnistje geworden. Goed, je bent daarmee niet meteen een Bas Heijne of een Frits Abrahams, maar je kunt je toch eventjes verwant voelen als je bijdrage likes krijgt op Facebook of geretweet wordt op Twitter. Zoals een jogger zich vergelijkbaar kan voelen met Dafne Schippers, en een middelbare man op de fiets die soepel een heuveltje neemt, voelt zich misschien even Steven Kruijswijk.

Wij hebben allemaal onze mening over bijna alles en we tetteren die vrolijk (of juist boos) rond. Dat recht wil ik niemand ontzeggen. Niet alleen omdat ik niet vergeleken wil worden met Erdogan of Poetin, maar ook omdat ik denk dat het goed is dat mensen laten weten wat er leeft in hen en in hun biotoop.

Maar ik word weleens moe van al die meningen en ik hoef ze niet altijd te lezen of te horen. En eigenlijk hoef ik zo’n mening ook niet altijd te geven. Af en toe kan ik die natuurlijk toch niet voor me houden en dan plaats ik een stukje op mijn weblog. Maar ik ben er na vanavond niet meer maandelijks toe verplicht.

Daarom voelt het ook als een opluchting dat er nu een einde komt aan de reeks columns voor Dante, hoewel ik ze altijd met plezier heb geschreven en voorgelezen. U hebt intussen wel genoeg meningen gehoord.

Het is alleen jammer dat ik het zelfs in mijn laatste bijdrage voor Dante niet kon laten om meningen te verkondigen. Ik weet eigenlijk niet of ik daarmee de strekking van mijn stukje ondersteun of ontkracht. Maar ik ga me daar geen zorgen over maken: mijn columnvakantie is aangebroken.

Foto: Edwin Nieuwstraten

donderdag 28 april 2016

Wij en zij


We denken graag in tegenstellingen: wie niet voor ons is, is tegen ons; je verdedigt Erdogan of de vrijheid van meningsuiting; je wilt alle asielzoekers tegenhouden of zoveel mogelijk vluchtelingen toelaten; je bent voor Ajax of voor Feyenoord; je vindt Geert Wilders een held of je verafschuwt hem.

In dat tweedelingsschema past het niet dat je ook wel eens ergens je schouders over ophaalt, of dat je nog niet zeker weet wat je ergens van moet denken. Als je mee wilt spelen, moet je kiezen bij welk team je gaat staan en welke kant je op wilt voetballen. Hoor je bij ons of bij hen?

Tegelijkertijd gaan er stemmen op van mensen die vinden dat we dat wij/zij-denken nu eens achter ons moeten laten. Dat is uitsluitingsdenken en dat leidt tot niets goeds. Als je mensen uitsluit, gaan ze wraakgevoelens koesteren en gaan ze radicaliseren. We zijn allemaal mensen en als we dat nu maar in de gaten houden, komt alles goed. Bang voor de asielzoekers? Ze zijn banger dan wij.

Let maar eens op, zeggen deze mensen. Zo gauw je anderen niet meer als anders ziet, veroorzaken ze geen problemen meer. In de jaren zeventig was er bijvoorbeeld een groepje Molukkers bijzonder gewelddadig. Er werden treinen gekaapt, er werden schoolkinderen gegijzeld, er werd een consulaat bezet. En nu? Geen enkel probleem meer. Niemand heeft het meer over Molukkers als aparte bevolkingsgroep. Ze horen erbij en zijn nu Nederlanders zoals wij.

Graag zou ik die mensen gelijkgeven. Ik zou graag geloven dat er ten diepste geen verschillen zijn tussen mensen. Dat het niet uitmaakt of je puber of bejaarde bent, links- of rechtshandig, Marokkaan of Fries, man of vrouw. Dat er geen ‘zij’ bestaat, dat iedereen tot ‘wij’ behoort. Maar ik twijfel.

Er is een groep mensen die al tijden tussen ons leeft, maar die nog steeds erg afwijkt van mensen zoals ik. Leden van die groep kunnen voor een kast met kleren staan en toch zeggen dat ze niets hebben om aan te trekken. Of ze gaan in korte tijd allemaal hetzelfde drinken: verse-muntthee of prosecco.

U snapt het al: ik heb het over vrouwen. Vrouwen en mannen, dat zijn gescheiden werelden. Vrouwen lezen hun eigen tijdschriften, kijken hun eigen tv-series en vinden shoppen en chocola belangrijker dan seks. Bomans dichtte er al over:
Meisjes, dat is niets voor mij.
Als zij lief doen, moet ik lachen.
Als ik lief doe, lachen zij.
Een vrouwelijke collega vertelde dat ze op dagen dat ze zich kwetsbaar voelt, mascara opdoet die niet watervast is. Dan weet ze zeker dat ze niet gaat huilen op haar werk. De gedachte dat je mascara uitloopt, is immers afschrikwekkender dan welk verdriet dan ook. Dat had ik niet zelf kunnen verzinnen.

Eigenlijk mag je niet zeggen dat vrouwen en mannen verschillen. Dat is weer wij/zij-denken en als je daarmee bezig bent, begeef je je op een hellend vlak. De schaker Donner schreef ooit dat vrouwen niet kunnen schaken. Meteen kreeg hij een ingezonden brief: ‘Het zal wel niet lang meer duren voordat meneer Donner gaat beweren dat negers niet kunnen schaken.’ Donner antwoordde: Nee, mevrouw, u hebt het niet goed begrepen. Negers kunnen wel schaken, negerinnen niet.

Vrouwen en mannen verschillen en wie dat beweert, zal wel een wij/zij-denker zijn. Maar is dat erg? Met de meeste vrouwen heb ik geen problemen; ik heb zelfs vrouwen onder mijn beste vrienden. Ze zijn anders, maar dat is alleen maar prettig.

Ik wil daarom een pleidooi houden voor het wij/zij-denken. Laten we erkennen dat een Syrische vluchteling, een Marokkaan die al jaren in Nederland woont, een fan van Geert Wilders, een boze burger, een veganist, een complotdenker, een museummijder of een hondenbezitter anders is dan wijzelf. Daar hoeven we geen oordeel over te hebben. We kunnen elkaar ontmoeten en ons verbazen over de ander en over onszelf.

Als een man en een vrouw, ondanks de verschillen, vreedzaam en zelfs liefdevol kunnen samenleven, is er geen gelukzoeker, PSV-fan, Priusrijder, onbespoten-fruiteter, orthodoxe moslim of tubaspeler die niet past in onze samenleving.

Foto: Edwin Nieuwstraten

donderdag 25 februari 2016

Varkenskopmuts


Vorige week zaterdag werd de Pegidavoorman Edwin Wagensveld in Ede gearresteerd, omdat hij een muts in de vorm van een varkenskop opzette. Dat hij dat niet deed omdat hij koude oren had, is duidelijk. Het varken is in de visie van verschillende godsdiensten een onrein dier: moslims en joden mogen het niet eten. Als je aanhangers van deze religies wilt jennen, kun je het varken dus gebruiken.

Daarom ook zijn er dode varkens neergelegd in Lunteren op een plek waar mogelijk een AZC komt. Wat de boodschap ervan is, is niet helemaal duidelijk. Misschien vinden de varkensdroppers het goed dat er een asielzoekerscentrum komt, behalve als er joden of moslims in opgenomen worden. Aangezien er, voor zover ik weet, geen joodse vluchtelingen zijn, zal de actie vooral tegen moslimvluchtelingen gericht zijn. Het varken wordt gebruikt als symbool voor het verzet tegen de islam.

Pegida heeft overigens afstand genomen van wat er gebeurd is in Lunteren, uit respect voor de dieren. Het verbaast mij wel dat een organisatie die bepaald geen respect heeft voor sommige groepen van mensen in nood wel begaan blijkt met dieren.

Met het opzetten van de varkensmuts onderstreepte Wagensveld zijn afkeer van de islam en daarop werd hij gearresteerd. Dat is vreemd. De enige reden kan zijn, lijkt me, dat hij op die manier de openbare orde verstoorde, maar dat was nauwelijks het geval. Er waren maar zeventig protesteerders waarvan een groot deel van buiten Ede kwam. Zo’n wanorde geeft dat niet, vooral niet als er veel politie op de been is.

De kans dat hij door het opzetten van een muts ineens wel veel Edenaren tot opstand zou aanzetten lijkt me ook klein. In Ede hebben immers alle gemeenteraadsleden op twee na voor de komst van nieuwe asielzoekers gestemd. Je mag ervan uitgaan dat de raad een redelijke afspiegeling is van de Edese bevolking en dat de overgrote meerderheid dan ook geen bezwaar heeft tegen de komst van een paar honderd vluchtelingen, wier geloof daarbij geen rol zal spelen.

Er is intussen ook een petitie gestart tegen de komst van een asielzoekerscentrum in het Horapark. Het zou me niet verbazen als die wel getekend wordt, maar voornamelijk door mensen die daar helemaal niet in de buurt wonen. De asielzoekers die al in Ede zijn, zorgen namelijk niet in het minst voor overlast.

Met die openbare orde viel het bij de demonstratie dus wel mee. Maar waarom werd de varkenskopmutsdrager dan opgepakt? Omdat hij liet zien dat hij niet gediend was van moslims? Het is inderdaad niet fijnzinnig om dat op die manier te uiten en ik kan mij goed voorstellen dat veel mensen zo’n provocatie als kwetsend ervaren. Maar we leven in een land waar we vrijheid van meningsuiting hebben en die is ervoor bedoeld om mensen het recht te verschaffen om ook onaangename meningen naar voren te brengen.

Met Pegida en met de tegenstanders van AZC’s in Ede ben ik het hartgrondig oneens. Maar ze hebben wel het recht om met hun varkenskoppen in het openbaar te verschijnen en overal hun geknor te laten horen. Intussen gaat iedereen verder met wassen van het varkentje. Het is al op een oor na gevild.

(foto gejat van de edestad.nl)

donderdag 26 november 2015

Oorlog


Aangezien ik nauwelijks tv-programma’s kijk, heb ik het niet met eigen ogen gezien. Wel heb ik het een paar keer bevestigd gekregen in berichten op internet: onze minister-president, Mark Rutte, zou gezegd hebben dat we in oorlog zijn.

Ik wist dat dus niet en ik deed de volgende dag gewoon mijn boodschappen. Aan de andere supermarktklanten merkte ik niets. Er werd niet op grote schaal koffie, wc-papier of rijst ingeslagen, er waren geen verontruste gesprekken bij de broodafdeling en niemand keek alert naar verdachte boodschappentassen. Het leek een zaterdag als elke andere.

Net als de heer Rutte heb ik de oorlog niet meegemaakt. Ik ken die uit kinderboeken, documentaires en de verhalen van mijn ouders. De sfeer die ik daaruit onthouden heb, was die van dreiging en angst. In de Emté was daar twee zaterdagen terug niets van te bespeuren.

En ook nu merk ik nog steeds niets van een oorlogssfeer. Ik ga dagelijks met de trein, die niet meer vertraging heeft dan gewoonlijk; de kinderen gaan braaf naar school; de winkels zijn op de normale tijden open; de meeste voetbalwedstrijden gaan door; mensen gaan zonder angst naar een concert, een toneelstuk of een cultureel café.

Dat kan twee dingen betekenen. Ten eerste dat het geen oorlog is: ten opzichte van drie weken of drie maanden geleden, toen het blijkbaar vrede was, is er in het dagelijks leven immers niets veranderd. De tweede mogelijkheid is dat het begrip oorlog een nieuwe invulling heeft gekregen.

Dat zou kunnen. Voor velen, ook voor mij, is de Tweede Wereldoorlog het ijkpunt. Die heeft ons beeld bepaald van wat een oorlog is. Toekomstige oorlogen zullen van dat beeld afwijken. Maar hoe je oorlog ook definieert, een oorlog waarvan je niets merkt, is er geen, lijkt me.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden er twee treinen gekaapt, een school met kinderen gegijzeld, een aanslag op koningin Juliana verijdeld, een provinciehuis en een consulaat bezet, twee KLM-toestellen gekaapt, een koor gegijzeld, net als de Franse ambassadeur, de Britse ambassadeur werd doodgeschoten. Allemaal in Nederland. Niemand heeft indertijd gezegd dat het oorlog was, voor zover ik mij herinner. In ieder geval staat die tijd niet in onze geschiedenisboekjes als oorlogstijd.

Net als in de jaren zeventig, zal er in de verre of nabije toekomst wat gebeuren. Er zal hier en daar een aanslag komen en, ja, daar zullen ook mensen bij omkomen. Is het niet door een IS-strijder, dan is het wel door een andere gek, zoals de man die vier jaar geleden in Alphen aan de Rijn zes mensen doodschoot in een winkelcentrum. Dat is nu eenmaal niet te voorkomen. Voorlopig is het verkeer gevaarlijker dan het terrorisme.

Op internet circuleert een cartoon: op tv vraagt een man zich af hoe we de angst voor het terrorisme kunnen verminderen. In het tweede plaatje staat de oplossing: de tv uitzetten. Dat lijkt me een goed idee. Doe de tv uit, zodat je de oorlogsretoriek niet meer hoort. Zet muziek op, drink goede wijn, lees boeken, leg je lichaam tegen dat van degene die je lief is. Dan duurt het niet lang of het is vrede.

(Column, voorgelezen in Cultureel Café Dante)

donderdag 22 oktober 2015

'Ik ben woedend'


In de nacht van 28 op 29 mei 1993 werd in Solingen, Duitsland, een aanslag gepleegd op een huis waarin een Turkse familie woonde. Vier Duitse jongeren stichtten brand, waarschijnlijk mede omdat drie van hen door Turkse bezoekers uit een verenigingsgebouw gezet waren wegens dronkenschap. De familie werd verrast in haar slaap. Vijf mensen kwamen om.

Vanuit Nederland werd er massaal actie gevoerd. Maar liefst 1,2 miljoen kaartjes werden naar bondskanselier Kohl gestuurd, met daarop de tekst ‘Ik ben woedend!’ En verder stond erop: ‘Vijf onschuldige vrouwen en meisjes zijn levend verbrand, alleen maar omdat ze buitenlander zijn. Via deze briefkaart wil ik laten weten dat ik verbijsterd ben.’

Op die kaartenactie is wel kritiek te leveren. Helmut Kohl kreeg de kaartjes, maar het was natuurlijk niet de schuld van de Duitse regering dat vier jongeren, die extreem rechts werden genoemd, deze aanslag pleegden. Bovendien waren er ook in Duitsland volop protesten.

In de actie is wel wat zelfgenoegzaamheid te proeven. Duitsland werd gezien als een barbaars land, waarin dit soort aanslagen mogelijk zijn. In Nederland gingen wij gelukkig heel anders om met mensen die niet oorspronkelijk uit ons land komen.

Aan dat opschrift ‘Ik ben woedend’ heb ik de laatste tijd nogal eens moeten denken. Er zijn in Nederland veel mensen boos zijn en misschien wel woedend.

Woede is een nuttige emotie. Wanneer je over iemands grens gaat, wordt hij boos. Woede helpt dus om die grens te markeren. Blijkbaar hebben tegenwoordig veel mensen het idee dat anderen over hun grenzen gaan. Ze plaatsen teksten op internet, ze werpen zich voor de auto van een staatssecretaris en ze bestormen, met bivakmutsen over hun hoofd, een noodopvangcentrum met vluchtelingen.

Op de kaartjes in 1993 werd gesproken over de verbijstering om wat met anderen gebeurt. Die mis ik in de acties van tegenwoordig. Ik heb het idee dat de woede van nu meer voortkomt uit het bewaken van het eigen domein.

Je zou kunnen zeggen dat mensen handelen uit eigenbelang, maar ik vermoed dat het eerder bezorgdheid is en misschien moet je die wel angst noemen. Angst om wat er zal gebeuren met veiligheid, huisvesting, werkgelegenheid.

Voor een deel zijn die angsten irrationeel, wat wil zeggen dat rationele argumenten ertegen vaak niet zullen helpen. We kunnen vertellen dat het aantal vluchtelingen dat Nederland opneemt, gering is in vergelijking met bijvoorbeeld de tijd van de Eerste Wereldoorlog. Zo’n 135.000 Belgen bleven tot het eind van de oorlog in Nederland wonen. Maar dat zal niet helpen.

Een kind dat bang is voor de krokodil onder zijn bed, zal niet luisteren naar de redenering dat het onmogelijk is voor zo’n dier om in huis te komen. Er moet een vader of moeder aan te pas komen, iemand die blindelings vertrouwd wordt door het kind. Die moet gaan kijken en als die verzekert dat er geen krokodil is, zal het kind gerustgesteld kunnen gaan slapen.

Maar wie wordt er tegenwoordig nog in die rol geaccepteerd? Wie kan een hand leggen op het haar van de boze mensen om hun angst weg te strelen? Wel zien we allerlei mensen die roepen dat er overal krokodillen zijn en dat ze ook onder jouw bed kunnen liggen.

Daarom zijn veel mensen bang. En ze uiten dat door hun woede. Ze plaatsen berichten op internet, ze demonstreren, ze roepen het luidkeels uit: ‘Ik ben woedend’.

We zullen hen lang door het haar moeten strijken en vaderlijk of moederlijk toe moeten spreken, voor ze gerustgesteld zijn. We zullen ze zo lang moeten omarmen tot het bloed niet meer zo snel door hun aderen jaagt en hun hart niet zo razend meer klopt. Dan pas zullen de krokodillen, al dan niet bestaand, wegsluipen van onder hun bed. 

Foto: Edwin Nieuwstraten

donderdag 24 september 2015

De goede kant



Bij discussies sta je altijd aan de goede kant. Dat idee heb je tenminste. Niemand gaat immers uit vrije keus aan de verkeerde kant staan.

Voor een deel maak je de keuze op je gevoel: je gaat staan bij de mensen bij wie je wilt horen. Wilders roept iets en omdat je bij hem wilt horen, begin je meteen te knikken dat hij gelijk heeft. Of je roept meteen ‘Schande!’ omdat je juist niet met hem geassocieerd wilt worden.

De keuze maak je natuurlijk niet alleen op je gevoel, je hebt ook argumenten om aan te tonen dat jouw kant de goede is. Je bent voor het behoud van Zwarte Piet, want Zwarte Piet hoort bij ons culturele erfgoed en niemand bedoelt er immers iets verkeerds mee. Of je vindt dat het tijd wordt dat Zwarte Piet wordt afgeschaft, omdat mensen hem als kwetsend ervaren en omdat Piet racistische trekken heeft.

Je bent ervoor dat Nederland zoveel mogelijk vluchtelingen opvangt, omdat je vindt dat we mensen moeten helpen die het minder hebben getroffen dan wij, of je vindt dat we de grenzen dicht moeten houden, omdat we hier in Nederland al problemen genoeg hebben.

Je kiest een kant, je weet wat je van het onderwerp vindt, je weet dat heel veel anderen er net zo over denken. Dat is comfortabel. De anderen hebben een andere mening, die je afkeurt en andere argumenten, die je zwakker vindt of niet geldig. Zo werkt het blijkbaar. Jij staat aan de goede kant, de anderen aan de verkeerde; jij ziet hoe het werkelijk in elkaar zit, de anderen zijn dom. Of racistisch. Of naïef.

In een discussie weet je al gauw van iemand aan welke kant hij staat. Het wordt pas lastig als iemand niet zo gemakkelijk in te delen is. In de discussie over vluchtelingen is er veelvuldig een foto gebruikt van een verdronken Syrische peuter, Aylan. Natuurlijk wisten we al langer dat er ook kinderen verdrinken bij hun overtocht naar Europa, maar nu was er dit ene kind, dat al snel uitgroeide tot een symbool: kinderen als Aylan moeten we niet laten verdrinken. Ook in dit geval kun je aan de andere kant gaan staan: Ja, het is erg dat er kinderen verdrinken, maar nu worden emoties gebruikt om het debat te sturen en daar moeten we niet in trappen.

Maar toen kwam het blad Charlie Hebdo met een cartoon. Aan de vloedlijn weer het verdronken kind, met links daarboven de tekst: ‘Zo dicht bij het doel…’. Tot zover is er nog niets aan de hand. Maar op de kust staat een bord met reclame voor McDonald’s: ‘Twee kindermenu’s voor de prijs van één’. Naast de tekst de lachende kop van de McDonaldsclown. Veel mensen reageerden verontwaardigd.

Er is net een kind verdronken en laten we nu een clown gekke bekken trekken? Vinden we dat om te lachen? Doet het er in dit geval nog toe of we twee menu’s of eentje moeten betalen? Harteloos, concludeerden sommigen. Bij dit soort mensen willen we niet horen. Mensen die een tijdje terug nog ‘je suis Charlie’ op hun Facebookpagina plakten, namen uitdrukkelijk afstand.

De cartoonist van Charlie Hebdo is niet voor of tegen het opnemen van zoveel mogelijk vluchtelingen. Je kunt niet zomaar bepalen bij welke groep hij hoort en je weet dus ook niet of hij aan jouw kant staat. Daarbij voelen mensen zich ongemakkelijk.

Wat wil de cartoonist zeggen? Dat de vluchtelingen op weg waren naar een consumptiesamenleving om zoveel mogelijk te consumeren? Dat wij in een McDonaldsmaatschappij leven en ons onthand voelen als er ineens andere zaken meespelen? Dat de manier waarop wij leven ervoor zorgt dat mensen levensgevaarlijke overtochten moeten maken? In ieder geval stemt de tekening tot nadenken en als een cartoonist dat kan bereiken, is hij volgens mij in zijn opzet geslaagd.

Iemand die de discussie zo kan ontregelen, staat voor mij op voorhand aan de goede kant, of ik het nu met hem eens ben of niet.

(column, voorgelezen in cultureel café Dante)

donderdag 23 april 2015

Ambtsgebed


In Ede is er gedoe over het ambtsgebed. Dat is een kort gebed, dat de burgemeester uitspreekt meteen na aanvang van de raadsvergadering. Elke keer is het hetzelfde, zodat het waarschijnlijk een soort formule geworden is. In bijna vijfentachtig procent van de gemeenten is dat gebed afgeschaft, maar Ede heeft het nog.

Een meerderheid van de gemeenteraad is voor afschaffing. Als die raad een goede afspiegeling is van de Edese bevolking, betekent dat dat voor een kleine meerderheid van de burgers zo’n gebed niet hoeft. Op 16 april werd er gestemd, maar de stemmen staakten, omdat er een raadslid afwezig was.

Op 30 april wordt er opnieuw gestemd, maar nu al is duidelijk dat ook dan de raad niet compleet zal zijn. Als de stemmen opnieuw staken, moet het voorstel ingetrokken worden.

De indieners van het initiatiefraadsvoorstel om niet meer te bidden aan het begin van de vergadering hebben wel een punt. Als een groot deel van de bevolking niet christelijk is, is zo’n gebed niet meer zo logisch. De burgemeester bidt namens de raad, maar minstens de helft van de raadsleden neemt daar inmiddels afstand van.

Voor zover ik weet, hebben degenen die tegen het gebed zijn, zich altijd netjes gedragen onder het bidden. Er zijn gemeenten waar raadsleden zich vlak voor het gebed demonstratief verwijderden; dat is tot nu toe hier niet gebeurd. Blijkbaar hebben de niet-bidders altijd begrip gehad voor de bidders.

Het zou mooi zijn als de voorstanders van het gebed nu ook eens begrip zouden kunnen opbrengen voor de tegenstanders. Als ze willen bidden, is dat hun goed recht, maar dat kunnen ze ook vooraf doen, in de fractiekamer.

Een ander alternatief is dat er geen openbaar gebed plaatsvindt, maar dat er een moment van stilte in acht genomen wordt. Ieder kan dan dat stiltemoment gebruiken zoals hij wil: een stil gebed tot de christelijke, islamitische of welke andere god dan ook, een mindfulnessoefening, het in gedachten herhalen van een mantra of het denken aan de hond die nog uitgelaten moet worden.

Dat lijkt me beter dan mensen een gebed opdringen. De zin daarvan ontgaat mij.

De voorstanders van het gebed weten dat zij een achterhoedegevecht leveren, maar blijkbaar vinden zij het belangrijk genoeg om dat gevecht aan te gaan. Het kan in het uiterste geval nog enkele raadsperioden duren, maar uiteindelijk verdwijnt het gebed natuurlijk, net als in bijna alle andere gemeenteraden. Dat dat alleen al uit oogpunt van traditie voor een deel van de raad moeilijk te verteren is, snap ik wel. Misschien hebben die raadsleden gewoon wat tijd nodig om te wennen aan het idee dat de secularisering ook Ede niet voorbijgaat en misschien moeten we ze die tijd dan ook maar gunnen.

Intussen mogen we best van ze verlangen dat ze meedenken over een oplossing waar de gehele raad zich in kan vinden, ook als op 30 april de stemmen weer zullen staken. Met alleen maar het afwijzen van het standpunt van een groot gedeelte van de raad, wordt de kwestie niet opgelost. Het lijkt me in niemands belang dat het ambtsgebed een slepende kwestie wordt, ofwel een gebed zonder eind. We snakken naar een amen.


Foto: Edwin Nieuwstraten. Zie ook hier.

donderdag 26 maart 2015

Zelfacceptatie


De gemeente Ede heeft een cadeautje gekregen: een beeld. Ik heb er geen foto van gezien, maar het is ‘een mensvorm met veelkleurige vlakken op romp en gezicht’, lees ik op de site van De Gelderlander. De Commissie Beeldende Kunsten Ede vond het niks en adviseerde de gemeente om het cadeautje niet te accepteren. B en W namen het advies over, ook met het oog op de onderhoudskosten.

De schenker is de Stichting Zelfacceptatie. Eerlijk gezegd had ik daar nog nooit van gehoord. Het is een organisatie die het opneemt voor mensen die het lastig vinden om zichzelf te accepteren. Ze zetelt in Ede.

Op de website van de stichting lees ik dat kwaliteit en volledigheid van de informatieverstrekking als prioriteit gelden, maar over het beeld, de schenking en de weigering is er niets te lezen. Wel over wat de stichting doet en beoogt.

‘Bij uitvoering van taken en activiteiten wordt altijd een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kwaliteit en kwantiteit’, lees ik op de site. ‘In eerste instantie zal kwaliteit de voorkeur genieten.’ Zou de Stichting ook bij het beeld zo’n afweging gemaakt hebben tussen kwaliteit en kwantiteit? Over de kwaliteit heeft de Commissie Beeldende Kunsten een oordeel geveld: die was niet best. Maar misschien was het wel een heel erg groot beeld en heeft de Stichting deze keer toch voor de kwantiteit gekozen. We weten het niet.

Op de site vond ik ook het ‘schema zelfacceptatie’. Bij sommige mensen gaat het accepteren van zichzelf min of meer ongemerkt. Anderen gebruiken blijkbaar een schema om tot zelfacceptatie te komen. Ik heb het eens bekeken.

Het schema begint bij ‘Geen zelfacceptatie’; dat is fase 1. Via Fase twee, (‘Niet lekker in je vel zitten. Ontevreden zijn. Onzeker zijn.’) komen we in de laatste fase, die eindigt met ‘Werkgerelateerde problemen’, ‘Financiële problemen’ ‘Gezondheidsproblemen’, ‘Relationele problemen’ en ‘Sociale problemen’. Als handleiding belooft het schema weinig goeds.

Terug naar het beeld. Het beeld was bedoeld als Nationaal Zelfacceptatiemonument. Hoe de Stichting het voor zich had gezien, weet ik niet. Was het de bedoeling dat er elk jaar een herdenkingsmoment zou zijn, compleet met het leggen van bloemen en daarna een stuk muziek door Kunst na Arbeid? Was het beeld bedoeld als bedevaartsoord voor iedereen die moeite heeft met zijn dikke buik, zijn flaporen of zijn voorkeur voor de PVV? Zou zo iemand dan een foto van zichzelf aan de voet van het beeld neer moeten leggen? Ik kan het mij maar moeilijk voorstellen.

Voor de Stichting Zelfacceptatie is de afwijzing door de gemeente natuurlijk een tegenvaller. Of was dat ingecalculeerd en was het beroerde beeld alleen maar een manier om gratis publiciteit te verkrijgen? Dat ik dat denk, getuigt natuurlijk van mijn slechte karakter, maar dat heb ik geaccepteerd.

En hoe moet dat nu met het monument? Dat komt er dus niet, maar gelukkig hebben we heel wat beelden in de gemeente die wel kwaliteit hebben. Op het Raadhuisplein staan twee meer dan levensgrote mensvormen met gekleurde vlakken op romp en gezicht. Daar moeten we maar veel naar kijken. Ze zijn een prima medicijn voor iedereen die zich niet zo prettig voelt.


Foto van Teunis Bunt: Edwin Nieuwstraten. Kijk eens op zijn site. 


donderdag 26 februari 2015

Supportersgeweld


Vorige week was het Nederlandse voetbal uitvoerig in het nieuws. Eigenlijk niet het voetbal, maar het gedoe eromheen: fans van Feyenoord zorgden voor rellen op een plein in Rome. Ze lieten veel troep achter en vernielden voor duizenden euro’s. Er werden meer dan dertig supporters opgepakt. Sommigen werden veroordeeld tot celstraffen, anderen troffen een schikking en kregen een boete.

Natuurlijk was er verontwaardiging, zowel in Italië als in Nederland, maar niemand was verbaasd. We zijn er intussen wel aan gewend dat supporters agressief reageren. Elk weekend zijn er honderden politieagenten op de been om te zorgen dat de voetballiefhebbers elkaar niet in de haren vliegen.

Nooit hoor je dat dat nodig is bij tennis, schermen of schaken. Bij tennis worden er rake klappen uitgedeeld op de baan, bij schermen gaat men elkaar te lijf met een steekwapen en op het schaakbord worden paarden en dames geslagen, maar de supporters zijn vriendelijk en wellevend. Ze zitten niet in aparte vakken en vernielen niets. Voor zover ik weet, tenminste.

Misschien komt het doordat het hier individuele sporten betreft. Ook bij andere individuele sporten, zoals schaatsen en wielrennen, komt het wel voor dat er geapplaudisseerd wordt voor de tegenstander als die het goed gedaan heeft. Dat zul je bij voetbal nooit meemaken.

Supporters identificeren zich blijkbaar gemakkelijker met een club dan met een individu. Ook als je zelf niet meespeelt, kun je bij een teamsport de illusie hebben dat je deel uitmaakt van de club. Bij Feyenoord wordt de aanhang, het legioen, ook wel aangeduid als de twaalfde man: je staat niet op het veld, maar hebt toch invloed op wat daar gebeurt. Als het team wint, heb jij dus ook gewonnen.

Winnen is belangrijk. Blijkbaar ook buiten de wedstrijd. Maar niet bij elke teamsport gedragen supporters zich agressief. Bij bijvoorbeeld hockey, korfbal en volleybal zijn er nooit supporters die zich misdragen. Aan de bevolkingsgroep waaruit de spelers en supporters gerekruteerd worden, kan het ook niet liggen: korfbal is net zo volks als voetbal.

Je kunt denken dat supportersgeweld typisch is voor het voetbal. Wie voorbeelden wil, hoeft niet lang te zoeken. In Griekenland is afgelopen week de voetbalcompetitie voor onbepaalde tijd stilgelegd, na rellen tussen supporters van Panathinaikos en Olympiakos en een paar weken geleden staakten in Peru de spelers van Alianza Lima de eerste twintig seconden van de wedstrijd uit protest tegen het gedrag van de supporters. Ze bleven stokstijf op hun plaats staan. De tegenstanders respecteerden dat en scoorden niet in die tijd.

Maar het supportersgeweld kwam al voor toen het voetbal nog niet bestond. Al in de oudheid gingen hooligans elkaar te lijf, bijvoorbeeld bij de wagenrennen in Constantinopel. Het ergst was het bij het Nika-oproer in 532. De vernielingen in de stad waren heel wat forser dan die van afgelopen week in Rome. Veel gebouwen gingen in brand en de rellen hielden dagenlang aan.

Keizer Justinianus greep wel in. Hij las in de arena voor uit de evangeliën, maar dat hielp niet. Daarna ging hij bidden uit de heilige boeken, maar ook dat had geen resultaat. Ten slotte zette hij het leger in. Dat doodde dertigduizend man, waarna de rust weerkeerde. Tien jaar lang waren er geen wagenrennen en daarna ging alles weer zijn gewone gang.

In het licht van de geschiedenis valt alles mee. Of we iets van de geschiedenis kunnen leren, is nog maar de vraag. Vanavond zijn de Romeinen in Rotterdam. Wat moeten we doen als ze agressief worden? Voorlezen uit de evangeliën en bidden helpt niet, maar het inzetten van het leger heeft ook zo zijn nadelen.

Dat verbod op wagenrennen dat Justinianus uitvaardigde heeft echter wel wat. Tien jaar lang geen voetbal meer! Geen overlast meer door supporters, enorme bezuinigingen doordat de politie niet elk weekend bij wedstrijden ingezet hoeft te worden en elke avond op tv kijken naar korfbal, schaken en cricket. De eerste stap naar de wereldvrede is gezet.

Column, voorgelezen bij Cultureel Café Dante.
Foto Edwin Nieuwstrate
Informatie over het Nika-oproer vind je hier. 

donderdag 22 januari 2015

Ils sont Charlie


Vorige week zondag liepen in Frankrijk miljoenen mensen mee in de Mars van de Republiek. Ook in Nederland werd er gedemonstreerd. In verschillende steden en dorpen gingen mensen de straat op, potlood of pen in de vuist of een bord voor de borst met ‘Je suis Charlie’. Het is mooi dat zoveel mensen hun medeleven betuigden met de nabestaanden van de slachtoffers en dat ze het belang van de vrijheid van meningsuiting onderstreepten.

Cartoonisten protesteerden op hun eigen manier: ze tekenden cartoons. Veel van die tekeningen kwamen op hetzelfde neer: het potlood neemt het op tegen het automatische wapen en het wint. Dat is een troostende gedachte, maar klopt die ook?

Wel als bedoeld is dat een aanslag het tekenen niet kan stoppen en dat zo’n terreurdaad het vuur bij de cartoonisten misschien zelfs aanwakkert. Of, zoals men ten tijde van de inquisitie zei: het bloed der martelaren is het zaad van de kerk.

Maar zal een potlood ooit een wapen het zwijgen opleggen? Zal niet alleen de vrije tekening, maar ook het vrije woord sterker blijken dan de onderdrukking? Natuurlijk wil ik dat graag geloven, maar ik twijfel wel.

Er zijn tekenaars gedood en we krijgen ze met geen honderd cartoons terug; er zit een blogger in de gevangenis, waar hij stokslagen krijgt, ondanks alle protesten; op verdachte wijze vinden journalisten de dood, ondanks kritische reportages.

Natuurlijk vind ik dat we vinnige tekeningen moeten maken, dat we protest moeten aantekenen, dat we scherpe stukken moeten schrijven. We moeten het doen in de overtuiging dat het water de steen zal uithollen, dat het verstand zal zegevieren over de domheid, dat het kwaad het uiteindelijk niet redt. En we moeten maar op de koop toe nemen dat we keer op keer teleurgesteld worden.

Voor de vrijheid van meningsuiting wil ik wel mijn vuist omhoog steken, ik wil best roepen dat we die met hand en tand moeten verdedigen. Maar dat is een overtuiging die mij niets kost. Ik kan beweren dat de prijs voor het vrije woord zelfs niet te hoog is als die bestaat uit mensenlevens, maar zou ik dat ook zeggen als het om mijn eigen leven ging of, nog erger, het leven van mijn kinderen en andere geliefden? Dan ben ik ineens niet zo zeker en zo dapper meer. Ik ben Charlie niet.

De makers van Charlie Hebdo hebben de prijs betaald, of ze dat nu wilden of niet. En ze gingen door. Ze brachten een nieuw nummer uit, met voorop weer een afbeelding van de profeet, een traan in zijn oog, het intussen bekende bord in zijn handen. Het is een tekening die gemaakt is met een scherpe pen en met een groot hart. Het is een tekening die niet bralt over de oorlog tussen de islam en het westen, maar die Mohammed laat huilen. Zo had hij niet bedoeld. Hij pakt een bord en gaat aan de andere kant staan.

Ik vond het een ontroerende reactie op al het geweld. Zo doen de tekenaars dat dus. Ils sont Charlie. Alleen zij.

donderdag 27 november 2014

Klussen


Toen mijn ouders gingen trouwen, zei mijn opa van vaderskant tegen mijn moeder: 'Wim kan goed timmeren: met een moker en vijfduimers.' Opa achtte dus mijn vader alleen geschikt voor het grove kluswerk. Toch heb ik pa heel wat zien maken: hij metselde, timmerde, zaagde en laste. Het was misschien niet altijd even subtiel, maar hij zorgde ervoor dat hij de klus klaarde. Tenminste op het bedrijf.

In huis hanteerde mijn moeder het gereedschap. Het kon gebeuren dat wij thuiskwamen uit school en dan de centrifuge op de keukentafel zagen liggen: ma was die aan het repareren. Ze verving de koolborstels van de stofzuiger, schaafde aan een deur die klemde, plakte banden, verving bougies en timmerde erop los als dat nodig was. Je moest jezelf kunnen redden, vond ze.

Veel mensen vinden klussen leuk. Ik heb wel eens gehoord dat er tv-programma’s zijn, waarin krotten omgetoverd worden tot landhuizen, waarin een klassiek interieur veranderd wordt in een modern of omgekeerd en waarin hopeloze tuinen in korte tijd lusthoven worden. De presentator geeft technische details: zo zaag je zo’n plank, met deze boor van die dikte boor je dat gat, zo stut je handig je gevel.

Tenminste dat denk ik, want ik heb nog nooit zo’n programma gezien. Aan mij is dat niet besteed. Ik kan een band plakken, omdat mijn moeder me dat geleerd heeft, met de mattenklopper in haar hand. Dan wil je wel. Verder mis ik elke praktische handigheid.

Op de middelbare school vond ik handvaardigheid het ergste vak. In de vijfde klas heb ik die lessen een paar maanden kunnen ontlopen: mijn klasgenoten hadden bij het begin van het schooljaar aan de docent verteld dat ik naar een andere school overgestapt was. Maar bij het kerstrapport viel ik door de mand en ik moest alsnog al die verschrikkelijke lessen inhalen. Misselijk van afkeer heb ik gekleid en geplakt en geknutseld, tot ik genoeg boete had gedaan.

Later heb ik nog wel eens wat geprobeerd. Zo kocht ik een rolgordijntje voor de badkamer, maar ik kreeg het ding niet bevestigd en zo ging het bij alle zaken die ik aanpakte: schroeven gingen scheef, spijkers bogen zich na enkele slagen tot krammen, een plank was na drie keer zagen nog te kort en nooit kwam iets terecht op de plek waar het behoorde. Zo gauw ik gereedschap aanraak, krijgt het een eigen wil, die geen enkele keer overeenkomt met de mijne.

Binnenkort ga ik verhuizen en dan moet er weer geklust worden. Ik trof mijzelf aan achter een wagentje in zo’n grote klussupermarkt. Altijd bevinden die zaken zich in oneindig hoge hallen, waar je je automatisch nietig voelt. Om me heen zag ik allerlei voorwerpen waarvan ik het bestaan niet had kunnen vermoeden, laat staan dat ik wist waarvoor ze dienden.

Ik hield me vast aan het winkelwagentje, steeds de neiging onderdrukkend om naar buiten te vluchten. Sterk had ik de verwachting dat ik betrapt zou worden. Iedereen zou aan me kunnen zien dat ik hier eigenlijk niet hoorde. Ik voelde me een pastoor in een seksshop en dat zei ik ook tegen mijn lief, die op dit gebied veel daadkrachtiger is. Zij weet dat er lichtdoorlatende en verduisterende rolgordijnen zijn, dat er vochtbestendige lampen zijn en lampen die alleen in droge ruimten opgehangen mogen worden. Ik weet dat allemaal niet.

Het is me gelukt om in de afgelopen twee weken één enkele lamp op te hangen. Het ding brandt, al weet ik niet of het op de goede manier vastgeschroefd is. Misschien moet ik het daar maar bij laten en de rest overlaten aan kwieke mannen en vrouwen die niet beginnen te trillen bij de aanblik van een boor of een spanningzoeker.

Met weemoed denk ik terug aan een tijd voor de mijne. Toen kon je nog timmeren met een moker en vijfduimers. Maar dat zou me ongetwijfeld ook niet gelukt zijn. Mistroostig stop ik mijn twee linkerhanden diep in mijn broekzakken.

Foto: Edwin Nieuwstraten

vrijdag 24 oktober 2014

Zwarte Piet en verdraagzaamheid


Vorige week zag ik op Facebook een afbeelding van een traditionele Zwarte Piet. Op de foto was een tekst geplaatst: ‘Zo ziet onze Zwarte Piet eruit. Problemen ermee? Paspoort inleveren en wegwezen!’

Het is duidelijk een bericht van iemand die niets moet hebben van een Regenboogpiet of van een Piet met zwarte vegen op zijn wangen. Het moet de ouderwetse Pieterman zijn: met een zwartgemaakte huid, rode lippen en een zwarte krullenpruik.

Degene die de tekst geschreven heeft, duldt geen tegenspraak; hij wil niet met je in discussie. Hij is bereid de vrijheid van meningsuiting in te leveren voor de Pietenkwestie. Wie het niet met hem eens is, mag dat niet zeggen. Hij mag alleen maar zijn paspoort inleveren en maken dat hij wegkomt. De grens over, denk ik.

Van een Zwarte Piet naar een Piet met zwarte vegen is niet zo’n grote verandering. Waarom reageren de verdedigers van de oude Zwarte Piet dan zo fel?

Die woede zal wel voortkomen uit angst. We leven in economisch onzekere tijden, waarin veel mensen vasthouden aan hun zekerheden. En ze voelen zich bedreigd als iemand aan die zekerheden komt.

Voor velen is het geloof een zekerheid, en blijkbaar kan dat ook het geloof in Sinterklaas zijn. Zoals er mensen zijn die niet meer in God geloven, maar met Kerst nog wel naar de kerk gaan, uit een soort nostalgie, zo zijn er ook mensen die niet meer in Sinterklaas geloven, maar nog wel vasthouden aan de riten die horen bij dat geloof.

Het vreemde is alleen dat juist Zwarte Piet nu zo belangrijk gemaakt wordt. In de loop der jaren is er immers al heel wat veranderd aan het sinterklaasfeest. Het dreigen met de roe in je schoen is verdwenen, het gevaar dat je in de zak moet en mee moet naar Spanje is er niet meer, Sinterklaas heeft geen kruis meer op zijn mijter en hij komt ook niet meer aanvaren op een stoomboot. Geen kind heeft er minder hard om gezongen.

Zo gaat dat immers: tradities veranderen. In mijn jeugd kende ik geen enkel gezin dat met Kerstmis aan cadeautjes deed - over dat gebruik las ik alleen in de Donald Duck. Nu liggen er in een groot deel van de gezinnen pakjes onder de kerstboom. Ooit hoorden er in die boom trouwens kaarsjes; nu doet niemand meer moeilijk over de lampjes.

Over tien jaar is de Roetveegpiet net zo gewoon als de lampjes in de kerstboom. Er zullen nog steeds mensen zijn die met nostalgie terugdenken aan de druipende kaarsen en aan de Zwarte Piet, maar niemand zeurt er nog over.

Maar nu is het nog niet zo ver. De komende paar jaren zullen voorstanders en tegenstanders van verandering nog met de ruggen naar elkaar toe staan. Ik hoop van harte dat Sinterklaas dit jaar bij beide groepen een groot cadeau in de schoen doet: verdraagzaamheid.

vrijdag 26 september 2014

Goed en fout


Eerlijk gezegd ben ik een slordig volger van het nieuws. De crisis heeft mij genoodzaakt mijn dagelijkse krant op te zeggen, naar de televisie kijk ik nauwelijks en ook het radionieuws beluister ik maar weinig. Wel zie ik op internet af en toe wat voorbijkomen en in het weekend is er nog steeds een krant die mij bijpraat.

In het weinige nieuws dat tot mij komt, gaat het af en toe over jihadgangers. Die hebben geen beste naam, blijkt uit de berichtgeving. Ze worden daarom soms al gearresteerd voordat ze daadwerkelijk naar het front kunnen vertrekken en het is ook voorgekomen dat ze tijdelijk uit de ouderlijke macht werden ontzet.

Hoe zat het ook alweer? In 2011 begonnen in Syrië protesten tegen Assad. We spraken indertijd over de Arabische lente, waarin ook in landen als Tunesië, Libië en Egypte grote groepen in opstand kwamen tegen het bewind in hun land.

Uit die tijd is me bijgebleven dat Assad ‘fout’ is. Hij is immers een dictator. De opstandelingen van het begin waren voornamelijk moslims. Dat ze ‘goed’ waren gaat misschien te ver, maar ze streden in ieder geval tegen de foute en hadden onze sympathie. Wel vroegen we ons af wat er zou gebeuren als de versnipperde groepen zouden winnen van Assad. Daar zou het land niet stabieler van worden.

In Nederland voelden veel mensen zich betrokken bij de strijd in Syrië. Sommige moslims vonden zelfs dat ze naar Syrië moesten om hun geloofsbroeders te steunen. Dat vind ik nogal wat. Je laat een comfortabel leven achter je, om een hoger ideaal te dienen, in zeer onzekere omstandigheden. Je leven loopt zelfs gevaar.

Over het algemeen kunnen de jihadgangers op weinig sympathie rekenen. In Nederland is er de laatste jaren zoveel gescholden op moslims en ze zijn zo vaak verdacht gemaakt, dat we ze al snel met gevaar associëren. We vragen ons bijvoorbeeld af hoe ze zich zullen gedragen als ze weer terug zijn in Nederland.

Het is opmerkelijk dat we ons bij andere groepen in vreemde krijgsdienst daar geen zorgen over maken. Van tijd tot tijd komt het voor dat Joodse Nederlanders dienen bij de Israëlische strijdkrachten. Daar heeft niemand het over. En de Engelandvaarders die zich indertijd aanmeldden bij de geallieerden vonden we ook niet gevaarlijk toen ze weer terug waren in Nederland.

Daar komt bij dat het onderscheid tussen goed en fout niet zo helder meer is. In het begin waren de opstandelingen tegen Assad de goeden. Sinds IS zich met de strijd in Syrië bemoeit, staan ze aan de foute kant. Stel je voor dat IS verslagen kan worden. Wordt Assad dan weer fout en strijden de opstandelingen dan weer voor een rechtvaardige zaak?

Zoals gezegd: de laatste tijd volg ik het nieuws niet meer zo nauwkeurig. De vraag is of het überhaupt nog wel te volgen is. Ik weet in ieder geval niet meer wat nu goed is of fout. Het is het simpelst om te zeggen dat iedereen die geweld gebruikt, aan de foute kant staat, maar in een oorlogssituatie gebruiken alle partijen geweld.

Nu gaat Nederland zich met de oorlog in Irak bemoeien. We zijn al snel geneigd om onszelf, onze partij, ons land tot de goeden te rekenen. Dat gebeurde ook bij onze laatste oorlog, die wij vriendelijk ‘de politionele acties noemden’. Ik denk dat niemand meer zal zeggen dat Nederland toen onverdeeld goed was.

IS is fout, daarvan ben ik wel overtuigd. Maar maakt dat de Nederlandse strijd automatisch goed? Ik wou dat het zo was.

donderdag 22 mei 2014

Eurovisieverkiezingen


Enkele weken geleden was er het Eurovisie Songfestival. Ook als je het nieuws erover niet volgde, kon je dat niet ontgaan: overal gonsde het. ‘Onze artiesten’ deden het goed in de polls en ze zouden niet alleen een gevaarlijke outsider zijn, maar werkelijk kans maken. Een groot deel van het land leefde mee.

Op de avond van finale was bijna heel Nederland in spanning. De uitzending was een succes. Op hetzelfde moment keken miljoenen Europeanen naar hetzelfde programma en velen brachten hun stem uit. Na afloop was er volop discussie: had Oostenrijk gewonnen vanwege het lied, of vanwege de opmerkelijke zangeres? En wilde die zangeres een statement maken of was ze toch een aanstelster? Was Nederland vooral zo hoog geëindigd vanwege het uitstekende camerawerk? Je kon er gemakkelijk enkele talkshows mee vullen en dat gebeurde dan ook. Eurovisie leefde.

Vandaag is er weer een Europese gebeurtenis en weer gaat het om wie de meeste stemmen krijgt. De belangstelling voor de Europese verkiezingen is echter een stuk minder is dan voor het songfestival. Wat dat betreft kan de politiek nog iets leren van de muziek.

Bij het songfestival is heel Europa het publiek. Je moet dus artiesten afvaardigen en een lied inzenden dat zo goed is, dat je kunt verwachten dat allerlei Europeanen er de kwaliteit van inzien. Dus niet de Toppers op laten treden, die buiten onze landsgrenzen alleen maar gêne oproepen, maar artiesten die hun sporen internationaal hebben verdiend.

Ook voor het Europese parlement zouden wij mensen kandidaat moeten stellen die hebben bewezen dat ze het vak beheersen. België doet dat. Het vaardigde ooit de ex-premiers Jean-Luc Dehaene en Guy Verhofstadt af. Dat zijn toch andere namen dan onze toppers Paul Tang, Esther de Lange en Bas Eickhout.

De verkiezingen zijn Europees, maar we horen meer over de landelijke dan over de Europese partijen. VVD en D66 zitten in het Europese parlement in dezelfde fractie, maar ze voeren niet gezamenlijk campagne. Dat hadden Ilse de Lange en Waylon beter begrepen: als je toch op dezelfde lijn zit, kun je maar beter de krachten bundelen. Als ze elk afzonderlijk hun liedje hadden gezongen, was het niks geworden.

Ook het stemmen zouden we kunnen doen op de Eurovisiemanier: we organiseren een verkiezingsavond en die zenden we rechtstreeks uit in alle EU-landen. De leiders van de zeven fracties van het Europese parlement zijn aanwezig. Zij mogen een kwartier lang het beleid van hun partij presenteren. Tussendoor worden filmpjes vertoond waarin we de fractievoorzitter van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten het woord zien voeren tijdens een debat, of waarin we de leider van de Europese Conservatieven en Hervormers iets zien hervormen of zich conservatief zien verzetten tegen een hervorming.

Aan het eind komen de sms-codes in beeld en kunnen we stemmen. Je kunt niet op je eigen land stemmen, je stemt op de Europese fracties. Aan het eind van de avond maken we een rondje langs de landen en wordt de uitslag van de stemming bekend gemaakt. De puntentelling is vergelijkbaar met die van het songfestival.

Omdat we weten hoeveel punten er in totaal te verdelen zijn, is meteen duidelijk bij welk puntenaantal je partij een zetel heeft. In de Green Room zien we de fractieleiders juichen bij elke zetel die wordt binnengehaald. Aan het eind komt de complete winnende fractie op het podium om de bloemen in ontvangst te nemen.

Ja, dat gaat heel anders dan met een rood potloodje in een stemhokje, maar is dat erg? Als we bij het songfestival allemaal naar een stembureau hadden gemoeten om het hokje van Wit Rusland of Zweden in te kleuren, was de opkomst bedroevend geweest. In talkshows en columns zouden mensen beweerd hebben dat we bij deze geringe belangstelling zouden moeten overwegen om uit Eurovisie te stappen. Maar daar heb je bij het mobiel stemmen geen last van: omdat de drempel zo laag is, is de opkomst is groot. Bovendien kost het de overheid geen cent.

Natuurlijk zullen er mensen twee keer stemmen en er zullen ook jongeren stemmen van wie we nu nog vinden dat ze de kiesgerechtigde leeftijd niet hebben, maar is dat dan erg?

Bij het songfestival heb ik niemand horen klagen over het gebrek aan controle op de stemmen. Als iemand vijf keer op Polen of Zwitserland wilde stemmen, was dat geen probleem en niemand zeurde over het feit dat ook mensen onder de achttien meestemden. De uitslag werd geaccepteerd.

Het lijkt me dat de Europese Verkiezingen heel wat kunnen leren van het Eurovisie songfestival. Het zal wel wennen zijn en het zal ook wel ophef geven, maar uiteindelijk wordt het ‘Calm after the Storm’. De verkiezingen, waar nu maar weinig leven in lijkt te zitten, zullen ‘Rise like a Phoenix’.