vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste. 

donderdag 2 juli 2026

De schoolfotograaf

Weer een fragment uit een dagboek, deze keer van woensdag 2 augustus 2023. Het gaat alle kanten op: van de schoolfotograaf tot het zingen in de klas en van de politie op school tot de sportdag. Het is een beetje een rommeltje, maar blijkbaar vond ik dat niet erg en ik laat het nu ook maar zo. 

Ik plaats er een paar foto's bij die op school gemaakt zijn. De oudste van Lientje en mij is al in kleur, zie ik. Een paar jaar (?) later is er toch weer een foto in zwart-wit gemaakt. 

Er is ook een foto gemaakt van de eerste en tweede klas, samen met juffrouw De Graaf. Toen zat ik al in de tweede en een foto van alle leerlingen, toen ik in de vijfde klas zat. Misschien bestond de school toen 95 jaar. Zeker weet ik het niet meer. 



Soms komt de schoolfotograaf op school. Iedere twee jaar, schat ik. De fotograaf zet me samen met Lientje in de bank. Lientje draagt altijd vlechten en iemand maakt die vlechten los, zodat ze met los haar op de foto staat. Achter ons een schoolplaat. Ik moet een pen in mijn hand houden.

Ik draag een sweater. Dat spreken wij thuis uit als zwieter. Bij Joekie noemen ze het zwetter en dat vind ik maar raar. Het kan niet kloppen. Onder de sweater draag ik een blouse. Als de foto klaar is, krijg ik hem mee naar huis. Mijn moeder ziet meteen dat er een kraagpunt van het blouse over de sweater zit en eentje eronder. Ze neemt de foto toch.



 
Als ik in een hogere klas zit, komen er foto’s in kleur. Ze worden buiten gemaakt. Ik moet met Lientje op het muurtje zitten van een brugje. Blijkbaar ligt daar een duiker onder het pad door. Het is naast de school. Je kunt tussen de school en het meestershuis (waar Hent en Jo dan al wonen) door naar een boomgaard en daarin staat het huis van Dinie Toone (of Dinie Tonen). Eigenlijk weet ik niet hoe je haar naam schrijft. Er loopt een sloot achter de school langs en achter het huis van Hent en Jo door. Het pad van de straat naar de boomgaard met daarin het huis van Dinie en haar kinderen loopt gewoon door. Je merkt niet dat de sloot eronderdoor gaat. 

Maar goed, ik zit op dat muurtje, met een boek op mijn knieën. Ik ben netjes aangekleed: ik heb een stropdasje om.

Even over Dinie. Die woont alleen; ze is gescheiden. Dat komt weinig voor. Ze heeft drie kinderen: Wim, Gerrit en Jan. Wim is vrij dik en kan niet goed leren. Voor kinderen die niet goed kunnen leren, is er geen extra programma. Ze blijven gewoon zitten aan het eind van het jaar en doen het jaar erop alles nog een keer. Wim is zeker twee keer blijven zitten.

Ik gok dat hij van mijn leeftijd is, maar misschien is hij een jaar jonger. Hij heeft ook nog bij Lientje in de klas gezeten. Gerrit slist een beetje en hij kan goed voetballen. Jan is bevriend met mijn kleine broertje Marinus. Een goede, vriendelijke jongen.

Waar Dinie van leeft, weet ik eigenlijk niet. We zien haar soms lopen op het kerkpad, dat tussen ons huis in de Schoolstraat en dat van buurman Piet Frentz door loopt. Ze gaat dan naar haar vader. Is ze de dochter van de smid?

Dinie is best dik. Het verhaal gaat dat ze soms op twee stoelen zit, wat best kan, want ze is heel breed. Bij het kerstfeest in het CVC-gebouw is ze er ook. Voor haar zit een man die een harde wind laat. Hij draait zich om en zegt tegen haar: ‘Nou, Dinie, dat was vlak achter mij.’ Dinie krijgt een rood hoofd en iedereen denkt dat zij de scheet liet. Dat vertelt mijn ome Ab tenminste. 

Ik ken Dinie als een vrolijke, vriendelijke vrouw.   

Voor zover ik weet, wordt maar een enkele keer een foto van alle leerlingen samen genomen. Ik zit dan in klas vijf, als ik het goed heb. Als ik mijn best doe, ken ik jaren later nog de namen van bijna alle kinderen.

Ik ga graag naar school. Het komt bijna nooit voor dat ik ziek ben. Over het algemeen verzuimen leerlingen weinig. Maar als ik in een van de lagere klassen zit, voel ik mij misselijk. Het gaat duidelijk niet goed met me. Een meisje uit de hoogste klas moet me naar huis brengen. Het is Corrie Frentz, een oudere zus van mijn vriendje Dikkie Frentz. Voor mijn gevoel zijn de meisjes uit de zesde klas al bijna volwassen. Ik vind het dan ook een heel plechtig moment als Corrie met mij meefietst naar de Merkenhorststraat.

Het is winter, de kachel in de keuken is aan. Er staat een haardbankje bij. Eigenlijk zijn het vier vierkante klossen die met een plankje verbonden zijn. Het geheel vormt een U die om de kachel geschoven kan worden.

Blijkbaar is het niet druk, want mijn ouders hebben het ontbijt nog op tafel staan en mijn vader heeft een van zijn voeten op het haardbankje gezet. Ik weet niet zeker of het bankje zo heet, maar ik noem het maar even zo. Mijn ouders zijn verwonderd dat ik thuisgebracht word. Corrie wordt bedankt en waarschijnlijk word ik in bed gelegd. Dat zal wel het bed van mijn ouders zijn geweest. Ik voel me niet goed, maar ik vind het ook wel gezellig dat ik nu thuis ben. 

Zingen

Op school is muziek niet echt een vak, maar we zingen wel veel. Als we in een van de hogere klassen zitten, komt er een platenspeler in de klas. Wij noemen dat een pick-up, wat we trouwens uitspreken als piekup.

De liedjes zijn vrij modern en wij moeten meezingen met de plaat. Met Sinterklaas zijn het niet alleen de traditionele liedjes als 'Zie ginds komt de stoomboot' en 'Zie, de maan schijnt door de bomen', maar ook Piet op het dak:

Piet op het dak
Piet op het dak
Piet met de zak op het dak
En een storm, zeg, enorm!


Piet is maar een heel schriel ventje (‘Wie had gedacht dat hij zo weinig woog?’) en hij gaat met zak en al de lucht in.

Er is ook lied over een verdrietig jongetje:

Wat is er toch met Woutertje, met Wouter, aan de hand?
Hij is de laatste dagen toch zo stil.
Als anderen gaan spelen dan staat Wouter aan de kant.
En niemand weet wat Woutertje nu wil.


Het blijkt dat zijn konijn ziek is en dat hij zich daar zorgen over maakt. Maar aan het eind speelt hij weer gewoon mee, want ‘morgen komt de dokter bij ‘t konijn.’

En ook het lied over het paard van de waard in Bolsward:

Het paard van de waard in Bolsward,
in Bolsward, in Bolsward,
het paard van de waard in Bolsward,
dat heeft maar ene tand.

Daarom kan het beest niet eten,
niet eten, niet eten.
Daarom kan het beest niet eten,
niet eten met die tand.

Geef hem pap van haver
of gemalen klaver
of verrotte stokvis
als de honger erg is.


In de lagere klassen zingen we ook: 'De kop van de kat is jarig', 'Hoofd, schouders, knie en teen', 'Advocaatje ging op reis', 'Ik stond laatst voor een poppenkraam'. Ik hou erg van een lied waarbij we naast de bank mogen staan: En mijn één been staat en de ander moet marcheren. / En mijn één been staat en de ander is soldaat.

Zingen vind ik leuk. Mijn moeder zingt ook veel en ik zing ook. Soms zelfs als ik op mijn fiets zit. Anderen vinden dat af en toe raar, maar dat kan me weer niet zoveel schelen. Een van mijn vriendjes is Bert van Binsbergen. Hij zingt altijd hetzelfde lied, van 'bladie merrie'. Later leer ik dat het gaat om Bloody Mary. Ik zing wel eens met hem mee, want intussen ken ik het ook.

Als ik onder de koe zit, tijdens het melken, zing ik de hele tijd. Mijn vader zegt dat ik dan wel door moet blijven melken.

Sportdag

Eén keer per jaar is er een sportdag. Ik denk dat ik dan al wel in klas vier zit als dat begint. Zo’n beetje alle scholen uit de buurt zijn er dan. In ieder geval de Willibrordusschool, de katholieke school uit Herveld, de school uit Andelst en uit Zetten twee scholen: de Lammerts van Buerenschool en de Ds. Van Lingenschool.

Je moet allerlei onderdelen doen: gooien met de tennisbal en met de grote bal, verspringen, hoogspringen, 60 meter hardlopen. Je resultaten worden opgeschreven en aan het eind van de dag krijg je een diploma. Als je er weinig van terecht hebt gebracht, zit daar een A op geplakt, bij iets minder slecht krijg je een B, C is gemiddeld. Als je het goed doet, krijg je een D en misschien is er ook nog een E voor de heel goede. Ik weet niet of ik twee of drie keer een sportdag meemaak. Ik haal de ene keer een C (of haal ik die twee keer?) en een keer D. Verspringen gaat altijd beter dan gooien.

Politie op school

Gooien brengt me nog een keer in de problemen. Ik ga altijd met mijn vader mee koeien melken. Vaak zijn er meer kinderen op ‘de polder’, die eigenlijk geen polder is maar de uiterwaard. We zeggen ook wel de wèrd.

Vaak gaan we na het melken meteen naar huis. Maar soms gaat mijn vader bij een andere boer praten of komt die bij hem praten. Af en toe zit er een heel groepje te kletsen. Dat kan lang duren en dan moppert mama dat we laat thuis zijn. De kinderen hebben dan wel veel tijd om samen te spelen.

We zijn met een stel kinderen bij de dijk, onze vaders zitten beneden op de uiterwaard te kletsen. Op de dijk is een tijdje terug geteerd. Op de vloeibare teer is puntig grind gestrooid. In het begin ligt er dan nog veel los grind. Je hoort het als je er met de auto overheen rijdt. Nu is het meeste grind al in de teer gereden. Er ligt nog wel wat los langs de kant. Wij maken daarvan heuveltjes op de weg. Daarna duiken we de berm in. We liggen langs de dijk en wachten tot er een auto aankomt. Als die door de bergjes heen rijdt, maakt dat een rammelend geluid.

Ik stel voor om bij de volgende auto met een steentje te gooien. Mogelijk wordt zo’n steentje dan teruggekaatst door de band van de auto. De volgende auto is een sportwagen. Tenminste, zo noemen we het. Het is een laag model, zoals er dan wel meer zijn. Is het een Ford Capri of een Ford Mustang? Zoiets, misschien. De auto stopt en we maken dat wegkomen.

De volgende dag komt de politie op school en ik word uit het lokaal gehaald. Er wordt gevraagd of ik met steentjes op een auto heb gegooid. Ik ontken; het was volgens mij ook maar een enkel steentje. Maar de agent heeft al met meer leerlingen gepraat en Theo Lijbers heeft mijn naam genoemd.

Het blijkt dat ik de voorruit van de auto heb geraakt. Dat is niet best, want het kost mijn ouders een hoop geld en geld is soms een probleem.

Nou ja, we zitten wel altijd netjes in de kleren, al kopen we niet veel nieuw. Meestal krijgen we de kleren van mensen die kinderen hebben die net iets ouder zijn dan wij. En we eten altijd goed. 'Een boer verhongeren en een vis verzuipen - dat valt niet mee', zegt mijn vader altijd.

Sportdag en schaatsen

Terug naar de sportdag. Ik denk dat er ook wel wedstrijden zijn tussen schoolteams, in voetbal en slagbal. Op onze school zitten een paar heel goede voetballers: Sjaak Verwaayen, Karel Grimm en Hans Jansen, die heel snel is. En Elbert Moed en Reinier de Zeeuw kunnen het ook wel. Ik ben er niet zo goed in, al vind ik het wel leuk.

Als ik net in de eerste klas zit en mee mag doen op het plein, weet ik nog niets van voetbal af. Een van de leerlingen zegt dat ik ‘vliegende kiep’ ben, wat ik heel grappig vind. Wat ‘kiepen’ zijn weet ik wel, we hebben zelf een hok vol. Maar het blijkt dat ik keeper moet zijn. Er wordt mij uitgelegd wat die doet, want dat weet ik dan nog niet. Maar ik hoef niet in het doel te blijven, want ik ben vliegende keep en mag gewoon meevoetballen.

Soms, als er ijs ligt, gaan we met de hele school schaatsen. Er zijn leerlingen die dat geweldig kunnen. Die hebben dan ook ‘hoge noren’ en sommige meisjes hebben ‘kunstschaatsen’. Elbert Moed heeft nog weer andere schaatsen en dat blijken ijshockeyschaatsen te zijn.

Ik heb ‘houtjes’, houten schaatsen. Krijgertjes natuurlijk. Ze zijn nooit geslepen, maar dat is niet zo erg. Ik ben geen goede schaatser, maar uiteindelijk kan ik er redelijk mee uit de voeten. Ik ga dan ook wel eens met sommige jongens schaatsen. Meestal schaats ik op een slootje dicht bij huis. Een beetje krabbelen, meer kun je daar niet.

Als er weer een wedstrijd gehouden wordt, steeds met zijn tweeën tegen elkaar, kan ik aardig meekomen, denk ik. Bij de echte snelle jongens heb ik niets te zoeken, maar bij de krabbelaars heb ik een kans. Ik moet tegen Karel Grimm, die er ook niet zoveel van kan.

Toch wint Karel. Hij heeft zijn schaatsen heel los ondergebonden en tijdens de wedstrijd schuift hij ze naar de zijkant van zijn voeten, zodat hij gewoon kan lopen. Zo wint hij alsnog. Dat had hij slim bekeken. 




Schoolfoto van mijn moeder met haar broertjes Ab en Henk

woensdag 1 juli 2026

Het waren toch mijn ouders (Annemieke Waaldijk / Robert Vinkenborg)


Nog voor het boek Het waren toch mijn ouders verscheen, was het nieuws. Het boek is geschreven door Annemieke Waaldijk en Robert Vinkenborg en het gaat over het leven van Annemieke (wat niet haar echte naam is). De ondertitel luidt: Een jeugd vol misbruik

Omdat Annemieke gedetailleerd verslag doet van wat er thuis gebeurde, probeerden haar zussen de publicatie van het boek tegen te houden. Ze hadden delen van het boek vooraf mogen lezen, voor zover ze er zelf in voorkwamen. Ook de zussen hadden overigens aangifte gedaan van misbruik. De rechter oordeelde dat het boek mocht verschijnen. Het verscheen op 4 juni 2026. 

In de pers was toen al gemeld dat het boek handelt over seksueel misbruik binnen een reformatorisch gezin. Door de publiciteit vooraf was het extra druk bij het landelijke Meldpunt Seksueel Misbruik Reformatorische Kerken. Mensen als ambtsdragers (die een functie bekleden in de kerk) en leerkrachten vroegen in groten getale advies over hoe te handelen bij signalen. 

Er komt meer openheid over seksueel misbruik in kerkelijke kringen. Zo verhuisde het Meldpunt Misbruik in Kerkelijke Relaties afgelopen maand naar een pand in Zwolle. Voorheen werkten de medewerkers uit huis. Ook hier was de groeiende vraag naar advies de oorzaak. 

Annemieke groeide op in een groot gezin dat kerkte in een reformatorische kerk. De meisjes in het gezin werden vanaf jonge leeftijd misbruikt door vader. Moeder was daar niet alleen van op de hoogte, maar ze maakte het ook mogelijk. Uiteindelijk werden de ouders veroordeeld: vader tot zestien jaar gevangenisstraf, moeder tot tien maanden. 

Kindermishandeling door falsificatie

Daarnaast had Annemieke erg te lijden onder hoe haar moeder haar aanpraatte dat ze ziek was en haar ook als zodanig liet behandelen. Dat noemen we tegenwoordig kindermishandeling door falsificatie, maar in Het waren toch mijn ouders wordt het nog genoemd bij de oude (en bekendere naam) Münchhausen by Proxy. 

Eerder schreef ik over de graphic novel Jij gaat dood van Nina Blom en Margreet de Heer, die over hetzelfde onderwerp gaat. 

Annemieke Waaldijk maakt bijzonder goed duidelijk hoe een kind zich daaronder voelt. Het kind is loyaal met de moeder en bevestigt wat de moeder gezegd heeft. Het kind wil ook graag geloven wat de moeder zegt, omdat het alternatief, de gedachte dat moeder doelbewust iets doet wat niet goed voor je is, onverdraaglijk is. 

Het kind wordt daardoor in hoge mate afhankelijk van de moeder. Annemieke Waaldijk schrijft:

Mijn wereld draait om haar. Zonder haar weet ik niet wie ik ben of hoe ik moet leven. (...)
Voor een kind is dat bijna niet te begrijpen. Dat je degene van wie je houdt ook associeert met angst. Dat je veiligheid zoekt bij iemand die je onveilig maakt. 
Tegelijkertijd is het heel verwarrend dat de werkelijkheid die je ervaart anders is dan hoe erover gepraat wordt. 

Mama zegt dat ik pijn heb, en dingen niet kan, maar ik voel iets anders. Mama heeft toch gelijk? Maar waarom voel ik dan niet die vreselijke pijn waar zij het steeds over heeft?

Seksueel misbruik

Overdag is er het ziek gehouden worden door moeder en in de nacht komt vader de trap op zijn dochters seksueel te misbruiken. Het is van een gruwelijkheid die je je liever niet voor wilt stellen, maar die wel de realiteit van Annemieke is. Op haar vijftiende jaar lukt het haar eindelijk om haar ouderlijk huist te ontvluchten. 

De meisjes in het gezin zijn allen slachtoffer van seksueel misbruik, de jongens van lichamelijk geweld. De jongens zullen later daar overigens geen aangifte van doen. 

Hulpverlening

Als Annemieke uit huis is, krijgt ze te maken met de hulpverlening (pleeggezinnen, inrichtingen) en dat is een lang en moeizaam proces. Ook daarbij gaat er veel mis. Als ze in behandeling is voor haar eetproblemen, is de dwangvoeding niet minder dan traumatiserend. En de aanpak van de andere problemen gaat ook vaak niet goed, getuigt vaak van onbegrip, sluit vaak niet aan bij wat Annemieke nodig heeft. 

Annemieke beschrijft al die gebeurtenissen en het wordt een lange rij. Intussen heeft Annemieke het ronduit zwaar door alles wat ze meegemaakt heeft. De herbelevingen zijn bijvoorbeeld heftig en Annemieke is suïcidaal. 

Tussen het moment dat Annemieke het gezin ontvlucht en de veroordeling zit een periode van tien jaar. Die veroordeling was in 2025. Dat ze nu met het verhaal in boekvorm naar buiten komt, is te danken aan de journalist Robert Vinkenborg. Het kostte Waaldijk moeite om gesprekken te voeren over wat haar is aangedaan. Vaak ging de communicatie via gesproken en geschreven berichten en ging er tijd overheen tot er een antwoord kwam. Uiteindelijk leidde dat tot een artikel op 27 oktober 2025 in De telegraaf. 

Op 1 december 2025 verschijnt er een artikel over het vonnis onder de titel 'Vader horrorgezin Apeldoorn 16 jaar achter tralies voor jarenlang verkrachten van vier minderjarige dochters.' Die artikelen zijn opgenomen in het boek. 

Ook tussendoor zijn er in Het waren toch mijn ouders steeds bijdragen van Vinkenborg geplaatst, die goed herkenbaar zijn, omdat ze op een grijze ondergrond zijn afgedrukt. Daarin vat hij dingen samen, beziet hij wat er gebeurt van een afstandje. Dat leest prettig. Doordat er wat meer afstand is, krijgt de lezer wat meer ademruimte. 

Streng gelovig

Verschillende keren wordt er gemeld dat het gezin waarin Annemieke opgroeide 'strenggelovig' was. In het verslag van Annemieke komt dat wel voor, maar heel vaak ook niet, zodat je je kunt afvragen in hoeverre het van belang is. Dat belang is er zeker. 

Dat blijkt ook uit een fragment uit een interview met godsdienstpsycholoog Hanneke Schaap-Jonker in het Reformatorisch Dagblad. Een datum wordt door Vinkenborg niet vermeld, zoals de vermelding van de bronnen over het algemeen weinig exact is, maar het stond op 2 december 2025 in het RD.

De oorzaak van het misbruik ligt niet in het geloof, maar doordat de kinderen geleerd is dat ze hun vader en moeder moeten eren is voor hen de situatie nog verwarrender. Soms maakt een gezin deel uit van een hechte kerkelijke gemeenschap. Rinke Verkerk benadrukt in haar boek Het hele dorp wist het de rol van de omstanders en Hanneke Schaap-Jonker noemt die ook:
Als zij wegkijken of iemands leed bagatelliseren, is dat voor een slachtoffer minstens zo erg als het misbruik zelf. 

Dat de ouders voor de buitenwereld heel andere mensen zijn dan voor het gezin is ook moeilijk:

Ik werd als de moeilijke puber gezien, en mijn vader en moeder als de lieve, zorgzame ouders. 

Een lamp voor mijn voet

Ook Liesbeth Labeur heeft geschreven over seksueel misbruik in een bevindelijk gereformeerd gezin in Een lamp voor mijn voet. Als de vader van Neeltje overleden is, wordt hij door gemeenschap zo'n beetje de hemel in geprezen. Neeltje weet dat ze nu nooit meer over het misbruik kan beginnen. 

Het gezin is een besloten gemeenschap en ook de kerkelijke schil daaromheen is dat. Maar ook de inhoud van het geloof speelt mee. De kinderen uit het gezin van Annemieke werden geslagen, soms ook met de Bijbel. En er werd ingespeeld op hun zondigheid, op een mogelijke straf van God. 

Jarenlang is, voor zover ik weet, seksueel misbruik geen gespreksonderwerp geweest binnen de reformatorische gemeenschap. Liesbeth Labeur heeft met Een lamp voor mijn voet een forse poging gedaan om de stilte te verbreken, maar het duurde nog best een tijd voordat het gesprek op gang kwam, voordat er artikelen verschenen in het Reformatorisch Dagblad en er een Meldpunt werd opgericht. Goed dat dat gebeurd is. 

Met Het waren toch mijn ouders lijkt Annemieke Waaldijk nog veel meer het onderwerp uit de taboesfeer te halen. Daar zal de rechtszaak zeker ook aan meegeholpen hebben. Het zou mooi zijn als er uit zoiets naars en verdrietigs toch nog iets goeds kan voortkomen. 

Of het met Annemieke nog goedkomt, weten we niet. Ze heeft al een heel lange weg afgelegd en mogelijk heeft ze nog een lange weg te gaan. Hopelijk helpt het uitbrengen van dit boek haar. 

Annemieke Waaldijk en Robert Vinkenborg, Het waren toch mijn ouders. Een jeugd vol misbruik. Uitg. De Kring. 288 blz. € 23,50