Posts tonen met het label Literair Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literair Nederland. Alle posts tonen

donderdag 6 september 2018

Exodus (Jasper Rietman)



Een boek dat je kunt lezen als één lange, doorlopende tekening, waarbij je de weg van vluchtelingen kunt volgen. Dat is Exodus van Jasper Rietman. Ik schreef daar onlangs over op Literair Nederland:


Kijken naar vluchtelingen en naar jezelf

Het is altijd prettig als een boek afwijkt van wat gebruikelijk is. Het roept dan een frissere blik op, verhindert de lezer om op de automatische piloot het boek tot zich te nemen. Exodus van Jasper Rietman is zo’n boek.

Rietman maakt illustraties voor kranten als The New York Times, The Guardian en The Washington Post, en, dichter bij huis, voor De Standaard en de Volkskrant. Zijn stijl is ‘de klare lijn’, wat aan zijn tekeningen helderheid geeft. Exodus is zijn eerste boek. Het is gedrukt op oblongformaat, wat het gevolg heeft dat de bladzijden eruitzien als een strook. Daar komt nog bij dat alle bladzijden op elkaar aansluiten, zodat je ze aan elkaar zou kunnen leggen tot één lange strook. Er is geen tekst, de tekeningen vertellen het verhaal.

Als we het boek openen, vallen we meteen in een oorlogssituatie. Het ziet eruit als een burgeroorloog in een land dat niet exact te duiden is, maar het zou ergens in het oosten kunnen liggen. Bij het doorbladeren van het boek verplaatst de lezer zich, niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd. In het begin is er chaos, verwoesting, geweld, daarna komt er een vluchtelingenstroom op gang. Via allerlei voertuigen komen de vluchtelingen bij de kust terecht, waar ze in een boot stappen.

Uiteindelijk arriveren ze in het land aan de overzijde van het water waar ze worden opgevangen in een vluchtelingenkamp. De voertuigen bij dat kamp zijn enigszins futuristisch en boven het kamp vliegen drone-achtige luchtvaartuigen. Daardoor verschuift het boek van realistisch naar meer fictioneel.

Wat wil het verhaal zeggen over de huidige toestand in de wereld waarin vluchtelingen per boot de oversteek wagen naar Fort Europa? Er wordt in ieder geval duidelijk gemaakt hoe chaotisch en beangstigend het land is dat achtergelaten wordt en dat mensen uit puur lijfsbehoud de wijk nemen naar een voor hen onbekend land.

De mensen die geld verdienen aan het vluchten blijven buiten beeld, de overtocht verloopt gladjes en het opvangkamp ziet er niet al te ellendig uit. Maar er staan wel mensen met geweren in het kamp en je kunt je afvragen in hoeverre de vluchtelingen iets opgeschoten zijn met hun vlucht. Pas achter de muur die het kamp afsluit van de rest van het land, begint het groene gras.

Rietman heeft een vrij ‘cleane’ manier van tekenen, waarin de afstand ingebouwd is. Dat ook de lezer op afstand blijft, heeft te maken met het perspectief: je ziet de personen altijd schuin van boven, alsof je in een helikopter boven ze vliegt. De lezer kan zich alleen betrokken voelen als hij langzaam ‘leest’ en oog heeft voor de individuen op de tekening.

De kleuren zijn helder en bij een andere thematiek zouden die zelfs iets vrolijks aan de afbeeldingen kunnen geven. Het werkt goed. Als ook de inkleuring dreiging zou oproepen, ligt het gevaar van effectbejag op de loer. Nu heeft de inkleuring iets bedrieglijks; pas bij nauwkeuriger beschouwing dringt de omvang van de ellende door.

De rest van deze bijdrage is te lezen op Literair Nederland.


maandag 4 december 2017

Zoals het is (Floris Tilanus)



We zijn geneigd de teksten die we horen of lezen op maar een enkele manier uit te leggen. Vaak is dat voldoende, maar soms lopen we daarmee vast. Floris Tilanus schrijft niet alleen, maar tekent ook. De teksten vertellen ons een ander verhaal dan de tekeningen, op het eerste gezicht. Maar het is hetzelfde verhaal.

Voor de site van Literair Nederland schreef ik daarover:

Weten we wel hoe het is?


Zoals het is, van Floris Tilanus, ziet eruit als een prentenboek: op de rechterpagina een paginagrote pentekening, op de linkerpagina een stukje tekst, nooit langer dan vijf regels. En net als bij een prentenboek, zou de tekst eigenlijk voorgelezen moeten worden, liefst zonder dat de toehoorder de plaatjes ziet. Die kan dan luisteren naar ‘Het leven van professor Joachim Schwarz’, zoals de ondertitel luidt. Schwarz lijkt een man met een geslaagd leven: hij gaat, na een licht ontbijt, naar de universiteit, kijkt even rond bij een antiquariaat, wandelt naar een koffietentje, praat in het park met een oude vriend, eet ’s avonds in een restaurant en gaat uiteindelijk tevreden slapen: ‘En als hij aan het eind van de dag zijn hoofd in een schoon kussensloop laat zakken, denkt hij geregeld: het leven is zo slecht nog niet.’

Wie daarna de tekeningen bekijkt, krijgt een andere indruk van het leven van Schwarz. Zo gaat de professor wel naar de universiteit, maar niet om college te geven. Hij praat wat met de studenten die buiten zitten. En die vriend die hij in het park spreekt, is het standbeeld van Goethe. Uiteindelijk overnacht hij bij het Leger des Heils.

Bij Zoals het is trekken tekst en tekeningen je een verschillende kant op. De tekst lijkt de tekst van de hoofdpersoon. Het is voor te stellen dat hij op deze manier over zijn eigen leven praat. Hij vertelt daarbij geen leugens, maar door zijn woordkeuze laat hij de werkelijkheid fraaier schijnen dan die is.

De tekeningen tonen ons onopgesmukt het leven van Schwarz. Er spreekt een zekere gelijkmoedigheid uit, maar ook een triestheid. Tegelijkertijd probeert Schwartz er het beste van te maken: hij geniet van de kleine dingen: een muntje van twintig cent dat hij tussen de bladeren vindt, een gratis boekje bij een antiquariaat, een gesprek met zijn broer. Misschien zou hij net als ‘De gelatene’ van J.C. Bloem kunnen zeggen: ‘En dan: ’t had zoveel slechter kunnen zijn.’

Lees hier verder.

Dit is ook van Floris Tilanus:


donderdag 16 november 2017

Waarom ik mensen niet in mootjes hak (Renske de Greef)


Op de site van Literair Nederland bespreek ik Waarom ik mensen niet in mootjes hak van Renske de Greef, een bundel getekende en geschreven columns. 'Renske stript' staat er op het titelblad, dus wellicht kunnen we het boek ook als een stripboek lezen.

Een portret in stukjes

Columns zijn overal: in zo’n beetje alle kranten en tijdschriften in verschillende radioprogramma’s, op aardig wat sites. En dan zijn er nog bijeenkomsten waar columnisten opdraven om, bijvoorbeeld als intermezzo, hun column voor te lezen. Sommige columnisten hebben een eigen vorm (altijd uitgaan van een foto bijvoorbeeld), andere hebben hun eigen onderwerp (nieuwtjes in de wetenschap, jeugdschaak, kantoortaal) en vele hebben hun eigen toon.

Renske de Greef maakt wekelijks een column voor NRC Handelsblad. Ze schrijft en tekent die. Het is een vorm die bijvoorbeeld ook onze stripmaker des vaderlands, Margreet de Heer, wel hanteert. Het gevolg is dat een strip van De Greef meteen herkenbaar is, door de lettering en de tekeningen: haar mensen hebben altijd grote ogen, wat ze al bij voorbaat iets sympathieks geeft. Er loopt vaak een figuurtje rond dat verwijst naar de ‘ik’ in de columns, waarbij zo’n ik-personage natuurlijk nooit helemaal samenvalt met de auteur, al wordt wel de indruk gewekt dat De Greef vrij dicht bij zichzelf blijft.

Een aantal columns is nu verzameld in de bundel Waarom ik mensen niet in mootjes hak. De tekeningen hebben meestal een enkele steunkleur. Af en toe worden er meer kleuren gebruikt en regelmatig is er een volledig gekleurde dubbele pagina. Dat ‘leest’ een beetje als het begin van een nieuw hoofdstuk, al is er inhoudelijk geen sprake van hoofdstukken. Toch is een dergelijke segmentering prettig: je krijgt de indruk dat je niet zomaar een ongestructureerde hoeveelheid stukjes voor je hebt.

Vaak gaat De Greef uit van een waarneming of een vraag. Die overdenkt of onderzoekt ze en vaak komt ze uit op een conclusie of een advies. Ze heeft een zoekende instelling, die veel lezers prettig zullen vinden. Je leeft nu eenmaal gemakkelijker mee met iemand die ook niet meteen weet hoe het zit.

Lees de rest van het stuk hier.


woensdag 8 november 2017

Wol (Aart Taminiau)


Aart Taminiau tekende en schreef een beeldroman over de neergang van een textielfamilie in Tilburg. Het boek bestaat uit louter pentekeningen, zonder het gebruik van een steunkleur. Ik schreef daarover voor Literair Nederland.

De dreiging van het duister

De graphic novel Wol van Aart Taminiau geeft al bij de eerste keer doorbladeren een fraaie aanblik: een kloek, gebonden boek met fijne pentekeningen. Bij dat doorbladeren valt ook op dat de rechterkant van elke dubbele bladzijde een zwarte achtergrond heeft. Ook de tekeningen zijn in dat gedeelte donker. In de loop van het boek neemt het zwart een steeds groter deel van de pagina in beslag.

Het verhaal behelst de nadagen van de Van Mergaerts, een aanzienlijke familie in Tilburg, die een positie heeft in de wolhandel. Zoals de pater familias in het boek zegt tijdens een toespraak: ‘Onze familie is het bedrijf en het bedrijf is onze familie.’

De wol komt van een schapensoort met een zwarte kop, de Scottish Blackface. Dat geeft de Van Mergaerts een voorsprong. En als op dat moment (we bevinden ons in de industriële revolutie) er een machtige machine in gebruik wordt genomen, de zogeheten totaalmachine, is het optimisme enorm.

We kijken als lezer mee met neef Alphons, die terugkeert in de familie. Zijn vader heeft met de familie gebroken en als Alphons terugkeert, stapt hij vanuit het duister in het licht. Maar zo licht blijkt de oude en tegelijkertijd nieuwe omgeving niet te zijn.

De totaalmachine wordt met veel tamtam in gebruik genomen, maar de tekeningen van het binnenste van de machine bevinden zich steeds in het donkere gedeelte van de bladzijde. Van daaruit wordt het donkere deel al snel groter.

Het spel met licht en donker speelt Taminiau geraffineerd. Hoe duister de tekeningen in het donkere gedeelte ook zijn, Taminiau is wel blijven tekenen met zijn pennetje. Hij gebruikt niet een penseel om zwarte vlakken aan te brengen, maar beperkt zich tot dichter wordende arceringen. De zwarte randen om de kaders bepalen voor een groot deel het zwarte van die passages.

De rest van de recensie lees je hier.

zondag 29 januari 2017

Sprookjes van Grimm zonder woorden (Frank Flöthmann)



(Onderstaande recensie schreef ik voor Literair Nederland)

Sprookjes hebben geen woorden nodig


De Bijbel, de Griekse en Romeinse mythen en sagen, en de sprookjes van Grimm en Andersen – dat zijn de verhalen die steeds weer opduiken. Blijkbaar hebben die zich zo verankerd in onze cultuur dat we er niet omheen kunnen of willen.

Al vroeg komen we ermee in aanraking. Van veel van deze verhalen zijn tekenfilms gemaakt en er zijn boekjes voor heel jonge kinderen die het verhaal op eenvoudige wijze vertellen. Omdat de kennis ervan breed verspreid is, kunnen we ook spelen met de inhoud en erop variëren. Hans Teeuwen maakte bijvoorbeeld in zijn eerste show een hutspot van allerlei Bijbelverhalen en er zijn talloze varianten van sprookjes, ook door auteurs die hun sporen in de literatuur hebben verdiend, zoals Louis Paul Boon en Rudy Kousbroek.

De tekenaar Frank Flöthmann is zich bewust is van de traditie. Zo hervertelde hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus. De enige woorden in dat filmpje vormen de zin in de inleiding: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

Voor sprookjes geldt dat ook en van Flöthmann is nu  een sprookjesboek verschenen in een Nederlandse uitgave: Sprookjes van Grimm zonder woorden. De tekenaar heeft een uitgekiende manier van vertellen gevonden. De tekeningen zijn bijzonder strak. Elementen eruit doen denken aan pictogrammen. Daarbij gebruikt hij naast wit en zwart slechts twee kleuren: rood en groen. Het gebruik van deze complementaire kleuren, geeft helderheid. Het heeft ook iets hards: er is geen nuance. Maar ook dat past bij de vertellingen.

Het ‘lezen’ van de tekeningen vergt enige inspanning, maar de lezer wordt daar rijk voor beloond. Ten eerste is de manier van vertellen uitermate geestig. De keuze van de symbolen is zo verrassend, dat lach geregeld op de loer ligt. Als de prinses in ‘De kikkerkoning’ tegen haar ouders vertelt dat ze met de bal gaat spelen, zien we in een beeldballontje een pictogram van een voetballer. De paardenstaart en het kroontje bij het poppetje maken duidelijk dat het om het meisje zelf gaat.

Lees hier het vervolg.

De trailer van Stille Nacht

donderdag 22 september 2016

Jheronimus Bosch (Griffo)



Op de site Literair Nederland besprak ik het album Jheronimus Bosch van Griffo, waarin de vreemde wezens op de doeken van Jeroen Bosch worden gezien als vastgelegde demonen.

Hoe lang kun je demonen bedwingen?


Jeroen Bosch is hot dit jaar, niet alleen in de kunstwereld, maar ook in de stripwereld. Zo verscheen er een stripbiografie door Marcel Ruijters en Suske en Wiske gingen met de tijdmachine terug naar de tijd van de schilder. Evi Nijs schreef en tekende Alex, en het geheim van Jeroen Bosch. Ook Griffo (Werner Goelen) sluit zich aan bij dit rijtje, met zijn album Jheronimus Bosch.

Griffo neemt ons mee naar de jonge Bosch, die bezocht wordt door demonen. Hij schildert ze, maar demonen laten zich niet zo gemakkelijk vastleggen. Daar heeft hij een demonicide voor nodig. Zo gauw hij dat heeft, kan hij de demonen vangen in zijn schilderijen en daardoor onschadelijk maken.

Daarnaast lezen we het verhaal van Mathilde de Vlaeminck, die in de huidige tijd belast is met de restauratie van een schilderij van Bosch. Zullen de demonen vrijkomen als zij met het schilderij aan de slag gaat?

Lees de rest van de recensie hier.


woensdag 31 augustus 2016

Spotters (Michiel van de Pol)



Het is alweer vier jaar geleden dat ik schreef over Scherpschutters van Michiel van de Pol, een mooi en ontroerend boek over een vader en een zoon. Intussen heeft Van de Pol een nieuwe beeldroman geschreven en getekend: Spotters. Ik recenseerde die voor Literair Nederland.


Een vliegtuigspotter wordt vader


Frank leidt een overzichtelijk leven. Hij houdt zich voornamelijk bezig met vliegtuigen. Hij bouwt al vanaf zijn jeugd modelvliegtuigjes en van tijd tot tijd gaat hij met zijn camera op stap om bijzondere vliegtuigen te spotten. Daarbij ontmoet hij andere spotters. Maar dan komt de liefde op zijn pad, die zijn rustige leventje aardige overhoop gooit.

Julia is heel anders dan Frank. Ze is impulsiever en ondernemender en ze schrijft aan een boek over een man wiens been geamputeerd is. Hij wil geen afstand doen van dat been en heeft in zijn hoofd gezet dat hij een schemerlamp maakt van het been.

De levens van Julia en Frank kruisen elkaar in het nieuwste boek van Michiel van de Pol, Spotters. In het vorige boek, Scherpschutters (2012), onderzocht Van de Pol de relatie met zijn vader. Uiteindelijk vonden die twee elkaar in hun lichamelijke kwetsbaarheid: vader had een hartaandoening, de zoon had epilepsie.

Herkenbare thema’s

Enkele thema’s uit het vorige boek komen terug inSpotters. Franks hele wereld draait om de vliegtuigen en de vader uit Scherpschutters lijkt vooral aandacht te hebben voor zijn porseleinverzameling.

Ook de lichamelijke kwetsbaarheid komt terug. Frank en Julia ontmoeten elkaar bij het spotten van vliegtuigen. Julia duwt de rolstoel van haar broer. Ze schrijft een boek over een man wiens been afgezet wordt en later komt het allemaal nog dichterbij als Julia, die intussen zwanger is, ongeneeslijk ziek blijkt.

Frank is eenzelvig. Je zou kunnen zeggen dat hij bij de groep vliegtuigspotters hoort, maar ook daar is hij een buitenstaander. De spotters zijn gericht op het scoren van nummers, Frank gaat het om de schoonheid van de vliegtuigen. Julia lijkt hem uit zijn isolement te dwingen, met een tempo dat Frank amper bij kan houden. Door haar ziekte dreigt hij weer alleen te komen staan, maar hij wordt vader en moet zijn verantwoordelijkheid nemen.

Het boek dat Julia schrijft, ontwikkelt zich steeds meer tot een autobiografisch boek. De man met het afgezette been is natuurlijk iemand die geen afscheid wil nemen. Uit wat hij verliest wil hij iets nieuws scheppen en eigenlijk zijn alle personen in dit boek daarmee bezig.

Michiel van de Pol heeft een heftig thema bij de kop genomen en het is heel gemakkelijk om daarvan een pathetisch of sentimenteel boek te maken. Dat heeft Van de Pol niet gedaan. Ongetwijfeld is het een gevoelig en zelfs een emotioneel boek, maar hij weet die emotionaliteit vorm te geven.

De rest van de recensie is te lezen op de site van Literair Nederland




Titel: Spotters
Tekst en tekeningen: Michiel van de Pol
Uitgever: Scratchbooks
Amsterdam, 2016, hardcover, 180 blz. € 27,90


dinsdag 10 mei 2016

Toch een geluk (Barbara Stok)


Tweemaal eerder kwam Barbara Stok hier ter sprake. Ik schreef over Lang zal ze leven! en over Vincent. In mijn jaarlijstjes kreeg het eerstgenoemde boek een eervolle vermelding, het tweede kwam bij de beste tien terecht.

Over Barbara Stok hoef ik eigenlijk niets introducerends meer te zeggen. Velen kennen haar werk en houden ervan. Ik ben ook zo iemand. Het werk van Stok komt dicht bij de lezer, doordat het zo menselijk is. Ze neemt zichzelf als personage, een mens die net zo onvolmaakt is als wijzelf zijn. Helden zijn er om te bewonderen, de personages van Stok zijn er om te herkennen. Het zijn spiegels voor ons.

Het personage Barbara Stok heeft natuurlijk haar zorgen, maar ze heeft ook iets blijmoedigs, getuige ook de titel, die terugkomt bij een tekening waarin Barbara met Ricky (waarschijnlijk) door de regen lopen: 'Toch een geluk dat we onze regenjassen mee hebben.' Ook in andere plaatjes of verhaaltjes blijft ze, ondanks tegenslagen haar optimisme behouden. Ze blijft de positieve kant zien. Ook blijkt herhaaldelijk hoe ze geniet van kleine dingen.

Ze probeert te leven als goed mens en natuurlijk schiet ze daarin tekort. Als ze een kras op haar auto ontdekt, probeert ze geen woede of teleurstelling te voelen. Het is immers maar een kras. Maar de woede is sterker dan haar rationalisaties.

In afwijking van veel van haar andere boeken komt er ook onversneden proza voor in Toch een geluk. Daar begint het boek al min of meer mee: een stukje waarin de mens met het dier wordt vergeleken. Het deed mij te veel aan als een dagsluiting: te zoet, te deugdzaam en ook te weinig origineel. Het is een van de weinige tegenvallers in het boek.

Veel proza wordt gebruikt als Stok vertelt over haar Vincentproject: hoe ze daarin dook en hoe ze zich groef in Vincents wereld. Dat het boek zo succesvol werd. Dat was heel prettig, maar het bracht ook veel drukte met zich mee. In brokjes, verspreid over het boek, vertelt ze het verhaal. Het is een succesverhaal en tegelijkertijd laat ze zien hoe de twijfel bij haar toeslaat. Het is een mooie blik in de keuken van de tekenaar.

Het wordt Stok duidelijk welk beeld ze van Vincent wil schetsen: niet alleen maar een tragisch figuur. Ze denkt aan de publiciteit, maar hoort dan dat er nog iemand met een stripboek bezig is. Dat zal het boek van Teun Berserik zijn geweest. Zijn boek besprak ik hier: mooi getekend, maar te braaf, te uitleggerig. Ik vond het indertijd onbegrijpelijk dat dit boek een penning kreeg en het boek van Stok niet. Ik heb het vaker geschreven, maar het kan geen kwaad het te herhalen.

De drukte rond Vincent valt Stok zwaar, net als het niet meer hoeven werken aan het boek. In een mooie scène praat ze erover met Van Gogh.

Verder in het boek het gebruikelijke 'kleine' werk: losse tekeningen, korte verhaaltjes en ook een tekening met de betreurde Peter Pontiac. Het aardige is dat Stok geen ingenieuze plots nodig heeft. In haar werk hangt een sfeer, waarin je gemakkelijk meegaat. Je leest haar om haar manier van vertellen, om haar stem, waarnaar je graag luistert.

De tekeningen zijn eenvoudig en daardoor ingenieus: ze zijn teruggebracht tot de essentie. Met minieme middelen weet Stok de emoties van haar personage duidelijk te maken. De decors zijn vaak sober, waardoor je meteen de kern van een tekening meekrijgt.

In een kort verhaal is haar timing uitstekend: rustig genoeg en net genoeg vaart.

Maar haar werk is meer dan een goede techniek. Ik denk dat het vooral aankomt, doordat het compromisloos eerlijk is. Stok durft te kijken naar de wereld en naar zichzelf, zonder afstand te nemen. Haar blik is mild, maar scherp. Haar observaties zijn raak, of je het nu eens bent met de conclusies die ze daaruit trekt of niet. Doordat het werk zo geloofwaardig is, heb je als lezer geen enkele reserve. En omdat Stok je geregeld breed laat glimlachen of grijnzen, is het lezen van haar werk een heel prettige bezigheid.


Over dit boek schreef ik ook op Literair Nederland.

donderdag 17 maart 2016

Hier (Richard McGuire)


Richard Mc Guire maakte een bijzonder boek: hij nam een locatie (een hoek van een kamer in een landhuis) en liet die zien door de eeuwen heen, van miljoenen jaren voor onze jaartelling tot eeuwen na de huidige. Ook laat hij in één afbeelding die tijden door elkaar lopen.

Hier is een bijzonder boek, dat ik besprak voor Literair Nederland. De recensie, met de titel 'Door de tijd reizen in een hoek van de kamer' kunt u hier lezen. Ik eindig de bespreking met:

De lezer wordt klein bij het doorkijken van Hier. Een broodkruimel op de rok van het universum, schreef Lucebert al. Alle tijd valt weg, er is alleen nog plaats: de grond waarop je je bevindt en die er nog zal zijn als jij en je hele soort verdwenen zullen zijn.
Hier kent nauwelijks tekst: het verhaal wordt voornamelijk verteld door de afbeeldingen. Of misschien is juist de gedachte achter de structuur van het boek datgene wat ons het verhaal vertelt. Zoals plaats triomfeert over tijd, is het beeld het woord de baas. Hier had een geschiedenisboek kunnen zijn, met enkele honderden bladzijden tekst. Het is een beeldroman geworden die voornamelijk uit afbeeldingen zonder tekst bestaat. De vertelling is er alleen maar indringender op geworden.

donderdag 18 februari 2016

Ontsla me van alles wat ik liefheb (Lucas Hirsch)


De nieuwe dichtbundel van Lucas Hirsch, Ontsla me van alles wat ik liefheb bevat nog geen dertig gedichten, waarvan de meeste nogal kort zijn. Daar is niet zoveel mis mee; een bundel kan klein maar fijn zijn, maar bedenkelijker is dat te veel gedichten uit de bundel kwalitatief aan de magere kant zijn.

Qua structuur zijn er wel wat aardigheidjes: in het titelgedicht zijn de titels van de volgende afdelingen opgenomen en in de ‘Brief aan Ilja Leonard Pfeijffer’ wordt een groot deel van het gedicht ‘21 mei 2014 – 2:37 uur’ herhaald. In het slotgedicht komen Hans en Grietje voor, net als in bovengenoemde ‘Brief aan Ilja’ en ook hazen, net als in het gedicht ‘Pels’. Het zijn deze verwijzingen die de bundel bij elkaar houden, maar ze lijken meer puzzeltjes voor de lezer dan noodzaak.

Zo begint mijn recensie op Literair Nederland. Daar kunt u de rest van de recensie lezen. Zoals gezegd, over veel van de gedichten was ik minder te spreken. Maar een dichter heeft het recht om beoordeeld te worden op zijn beste werk en dit gedicht stond ook in de bundel:
In een storm ben je niemand
dus probeer ik met moeder te vieren
dat het vandaag is
Niet veel later
waait mijn vader
langs het keukenraam
Hem doen halt houden
kan alleen de dood
weet moeder
Ik weet van niets
Ik ben immers niemand
als ik storm
Ook niet als ik naast moeder staand
vanachter glas naar vader brul
dat de laatste grote oorlog
niet door hem gedragen hoeft
te worden

woensdag 19 augustus 2015

Suikerschedel (Charles Burns)



In sommige strips is het leven simpel: er is een probleem en dat moet opgelost worden. Je krijgt wat aanwijzingen en uiteindelijk lukt het of lukt het niet. Soms komen er in de loop van het verhaal problemen bij, zodat het verhaal onvoorspelbaar is, maar in principe is de wereld overzichtelijk.
Charles Burns maakt andere strips. Met Zwart gat schreef hij al een verontrustend boek over een samenleving die in de greep is van een geheimzinnige ziekte. De wereld is nog duisterder geworden in zijn trilogie X, De korf  en Suikerschedel.

Deel 1 begint met de jongeman Doug, die wakker wordt. Hij heeft een hoofdwond. In ieder geval heeft hij een pleister op de zijkant van zijn hoofd. Zijn haar is weggeschoren op een kuifje na.
Doug gaat zijn kat Dropje achterna, door een gat in de muur en komt in een wereld met vreemde wezens terecht. Hij probeert zich te oriënteren, maar krijgt niet goed grip op de situatie. Gelukkig heeft hij een gids, zoals Dante die had op zijn tocht door hel, louteringsberg en paradijs.

Als je goed kijkt, zie je dat het eigenlijk niet Doug is die op pad gaat, maar een alter ego. Doug heeft wel eens opgetreden met een masker dat wat doet denken aan Kuifje. Er zijn in de drie boeken van Burns meer verwijzingen naar Kuifje, zoals de stijl van tekenen en de roodgevlekte eieren. Het personage dat Doug toen speelde, is een deel van hem en is tot leven gekomen.

Lees de rest op Literair Nederland
Auteur: Charles Burns
Vertaald door: Arend Jan van Oudheusden
Verschenen bij: Uitgeverij Oog & Blik
Aantal pagina’s:
Prijs: € 21,95

Recensie De korfRecensie Zwart gat

woensdag 4 maart 2015

Wachtkamers (Saskia Stehouwer)


Het duurt even voor je vat krijgt op de poëzie van Saskia Stehouwer. Misschien omdat de aandacht meer door een deel dan door het geheel wordt getrokken: de strofe in plaats van het gedicht, het gedicht in plaats van de afdeling of de hele bundel.
Misschien zit het verstand er teveel tussen. Met beredeneren kom je niet zo heel ver in de gedichten van Stehouwer. Vaak zijn er momenten waarop de lezer de weg kwijtraakt. Toch zijn haar gedichten niet warrig. Dat je al lezende soms verdwaalt in de gedichten is misschien wel de bedoeling. De onzekerheid die het oplevert past wel bij een thema waarin veel onzekerheid woelt. Weliswaar wordt er vaak op een stellige manier vooruit gewezen naar een toekomst, maar misschien gebeurt dat alleen om die onzekerheid te bezweren.
morgen ontmoet hij een jongen
die een helder beeld heeft van zijn toekomst
morgen zal hij iets kwijtraken en in een hotel gaan wonen
om het terug te vinden

Het lijken zinnen die iemand zegt om zichzelf gerust te stellen: morgen wordt het beter.

Lees de rest hier, op de site van Literair Nederland. 

woensdag 22 oktober 2014

De terugkeer van de wespendief (Aimée de Jongh)


Heeft het magisch realisme bestaan in de Nederlandse literatuur? Er waren zo weinig schrijvers die zich ermee bezighielden, dat je nauwelijks van een stroming kunt spreken en die schrijvers kwamen uit Vlaanderen, niet uit Nederland: Johan Daisne en Hubert Lampo. Ik heb niet het idee dat iemand hun werk nog leest en dat is jammer. Vooral Daisne heeft veel goeds geschreven.

In Nederland worden volgens mij alleen Bordewijk en Belcampo wel eens met het magisch realisme in verband gebracht, maar altijd met voorbehoud. Ik heb in verband met hen ook wel eens de term 'fantastisch realisme' gelezen.

In de schilderkunst zijn de magisch realisten wel goed vertegenwoordigd. Ik denk dat Carel Willink de bekendste vertegenwoordiger was, maar we kunnen ook namen noemen als Raoul Hynckes, Pyke Koch, M.C. Escher.

De beeldroman, of graphic novel, heeft iets weg van zowel de beeldende kunst als de literatuur: er wordt verteld in beelden en woorden; voor het vertellen van het verhaal gebruikt de beeldromancier literaire technieken. Aimée de Jongh heeft met De terugkeer van de wespendief een beeldroman gemaakt die een literaire manier van lezen vereist: ze weeft de thema's (bijvoorbeeld dat van de wespendief) knap door het verhaal en maakt vaak gebruik van flashbacks. Ze laat nadrukkelijk zien dat ze een tik heeft meegekregen van het magisch realisme.

Dat deed ze ook al in haar prachtige film One past two, die een moderne versie lijkt van De trein der traagheid (1950) van Johan Daisne: twee studenten wachten op de bus, die eigenlijk de veerboot van Charon is. Een andere link met de literatuur is Een gouden beker (1982) van Alfred Kossmann, dat zich ook in zo'n tussenland afspeelt.


In De terugkeer van de wespendief verwijst De Jongh wel erg duidelijk naar het magisch realisme. De hoofdpersoon, Simon Antonisse, ontmoet een meisje, Regina,  dat een werkstuk over het magisch realisme moet maken. En aan het eind houdt Simon het boek Magisch realisme in de literatuur en schilderkunst in handen. Dat had ook best subtieler gekund.

Simon heeft een boekenzaakje, dat op sterven na dood is. Hij houdt het draaiende, omdat hij dat zijn overleden vader beloofd heeft, maar hij weet dat het een aflopende zaak is. Op een dag is hij getuige van een zelfmoord: een vrouw laat zich overrijden door een trein. Die gebeurtenis roept een verleden wakker waaraan hij misschien liever niet had willen terugdenken. Een oude vogelgids had hem al eerder teruggeplaatst in zijn jeugd.

De jeugdherinneringen betreffen vooral het gepeste jongetje Ralph, dat voor eens en voor altijd een eind wilde maken aan het gepest en een wapen mee naar school bracht. Dat kwamen we al eerder tegen in One past two: de twee studenten die op het randje van de dood balanceren waren slachtoffers van een 'school shooting'.

De eerste tekening in het boek is er een van een wespendief, een havikachtige vogel. Als die zijn partner verliest, begint hij gewoon weer opnieuw: nieuwe partner, nieuw nest. Als vogelliefhebber kent Simon de wespendief al uit zijn jeugd. Er moet heel wat gebeuren voor Simon inziet dat je het verleden niet kunt veranderen en dat je niet altijd de last ervan met je mee hoeft te dragen. Net als de wespendief kun je opnieuw beginnen. Of, zoals Simon het tegen Regina zegt: 'Soms is een nieuw begin nodig om te overleven'.

Het meisje Regina helpt hem om dat in te zien. Haar bestaan is raadselachtig. Zo is ze na een gesprek ineens verdwenen. Net als in One past two brengt Aimée de Jongh een omslagpunt in het verhaal aan, dat we als nogal plotseling ervaren, maar dat bij nader inzien goed is voorbereid. Omwille van de plot kan ik daar verder niets over zeggen.

Aimée de Jongh heeft voor dit boek alleen in inkt gewerkt. Haar tekenstijl is soepel en haar tekeningen zijn altijd helder. Bij het perspectief van boven (bijvoorbeeld in een klaslokaal) heeft ze de neiging de verkortingen net iets te veel door te voeren) en het interieur van een auto krijgt soms net iets meer ruimte dan aannemelijk is. Maar dat zijn kleinigheden.

Bovenal wil De Jongh een verhaal vertellen en je in dat verhaal meenemen. Dat is haar goed gelukt. Subtiel laat ze het verhaal uit het verleden (over Simon en Ralph) samenvloeien met het verhaal uit het verleden. Al die jaren heeft Simon dat verhaal met zich meegesjouwd en pas nu hij in een nieuwe crisis belandt kan hij er verder mee.

De terugkeer van de wespendief is een troostend boek. Als dat er te dik op ligt, kan het zoet of week worden. Daar is bij De Jongh geen sprake van. Ze geeft ons een helder, maar gelaagd verhaal, krachtig verteld, en daarbij krijgen we ook nog een stevige duw in onze rug. Veel meer mag je van een boek niet verwachten.

De terugkeer van de wespendief
Auteur: Aimée de Jongh
Verschenen bij: Uitgeverij Oog & Blik / De Bezige Bij (2014)
Aantal pagina’s: 160
Prijs: € 24,90


Voor mijn bespreking op literairnederland.nl zie hier






maandag 17 februari 2014

DSM. De Sigmund Methode


Je zit als therapeut achter je bureau. Tegenover je zit iemand met klachten. Je hoort het aan en bedenkt waaraan deze patiënt zou kunnen lijden. Misschien weet je meteen dat dit iemand is met liefdesverdriet, het Stockholmsyndroom, penisnijd of een slaapstoornis, maar het kan ook zijn dat je het even moet opzoeken. Dan gebruik je de DSM, het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. 

Een doorsneeburger als u en ik krijgen zo'n indrukwekkend naslagwerk natuurlijk nooit te zien. Daarom is het goed dat er nu ook een versie is voor iedereen: De Sigmund Methode, geschreven door Peter de Wit, de schepper van de bekende stripfiguur Sigmund. In dit boek laat hij Sigmund uitgebreid uitleggen wat de beste aanpak is van al die stoornissen en afwijkingen. 

Sigmund vertelt ons bijvoorbeeld dat werken de beste remedie is voor een burn-out, dat het geen zin heeft om iemand met de Johan Cruijf-persoonlijkheidsstoornis tegen te spreken en dat bij iemand die kritische stemmetjes in zijn hoofd heeft, die stemmetjes getransformeerd moeten worden naar een enthousiaste applausmachine. Sigmund voegt daaraan toe: 'Het stemmetje van de therapeut in mij zegt dat zoiets nog niet zo eenvoudig is. Maar voor geld kan natuurlijk een hoop.'

Waarschijnlijk is De Sigmund Methode minder dik dan de officiële DSM, maar er staan ook zaken in waar andere handboeken over zwijgen. Sigmund besteedt bijvoorbeeld ook aandacht aan facturering, geluk, gammamanie (compulsie rebuilding), halaltherapie en merkenverslaving. Hij legt uit hoe de therapeut om moet gaan met vrouwen, kinderen en allochtonen en hij wijst op praktische kanten: behandel patiënten met pleinvrees met voorrang; zij moeten immers je praktijk kunnen bereiken.

Tussen de stukken tekst door staan er stripjes, zoals we die ook kennen uit de Volkskrant. Verder zijn er grappige advertenties opgenomen. Succesvolle therapeuten dienen natuurlijk horloges te dragen van het merk Pseiko, er blijkt een diagnoseapp te bestaan (Gekke Appie) en bij Rip Farmaceutials is een Allerlaatstewilpil te koop.

Dit 'definitief diagnostisch naslagwerk om iedereen gek te verklaren' is een heerlijk blader- en grasduinboek. Op de voorkant staat met grote letters dat dit al de derde druk is, 'wegens krankzinnig succes'. Het boek is uitgegeven door De Harmonie, telt 146 bladzijden en kost € 17,50. Of wat de gek ervoor geeft. 


dinsdag 31 december 2013

Nu in handige meeneemverpakking





In 2011 publiceerde Ted van Lieshout een prachtboek voor kinderen: Driedelig paard. In het boek stonden teksten die als een blok op de pagina stonden: de regels uitgevuld en de hele pagina benut. Geen titel, geen verdeling in alinea's.

En dan waren het ook nog eens goede teksten. In de eerste afdeling stonden verhalen waarin sprookjesmotieven voorkwamen, bijvoorbeeld een kabouter of een zeemeermin, en er waren heel wat verhalen over ouders en kinderen. Verschillende keren beklaagden ouders zich over kinderen of andersom. Een moeder had kritiek op de tekening die ze voor Moederdag had gekregen; die was zo slecht, dat ze hem niet eens op de koelkast wilde hangen. En een kind uitte het vermoeden dat zijn ouders alleen een kind wilde, omdat dat klusjes voor hen op zou kunnen knappen. Als tegenwicht stond in het midden van het boek het titelverhaal: een mooi, broos verhaal over een vader en een kind.

Ook in Nu in handige meeneemverpakking staan de verhalen als blokken afgedrukt. Het thema ouders en kinderen speelt een minder belangrijke rol, maar het is er nog steeds. Een kind beklaagt zich erover dat moeder het grappig vindt als het ongelukkige bewoordingen heeft gekozen en dat ze dat verder vertelt. Verder vraagt een kind of het gezellig was met oom Marcel (een naam die verschillende keren in het boek terugkomt), terwijl moeder ontkent dat oom Marcel is blijven slapen.

Qua thematiek sluit Van Lieshout in enkele teksten ook aan bij Mijn meneer uit 2012. Eerlijk gezegd heb ik dat boek niet gelezen, maar ik heb er wel over gelezen. In dat boek beschrijft Van Lieshout hoe hij als jongetje van elf benaderd werd door een pedofiel en hoe de relatie met die meneer zich ontwikkelde. Van Lieshout praat wat de meneer gedaan heeft niet goed, maar hij nuanceert wel het beeld dat er van pedofielen bestaat. Deze meneer is bijvoorbeeld geen verkrachter.

In Nu in handige meeneemverpakking staat een tekst over de veertienjarige Nancy, die seksueel contact met een volwassene uitlokt, 'omdat zij van mening is dat zij alleen een gezonde seksuele ontwikkeling kan doormaken als zij daarbij hulp krijgt van iemand die daarin meer ervaring heeft.' Ook is er een tekst waarin iemand  betoogt 'dat het strelen door een volwassene van de penis van een kind door de maatschappij abjecter gevonden wordt dan het 'mutuleren' van een kind doordat een volwassene ongevraagd de penis van dat kind aanraakt om de voorhuid te kunnen wegsnijden'.

Verder veel teksten over consumentenleed: iemand van wie het bonuspasje niet gescand is, iemand die zich ergert aan de kreet 'Nu met meer inhoud', een ander die de leus 'vers van de plank' misleidend vindt en een telefonische hulplijn die iemand van het kastje naar de muur stuurt.

Opvallend veel teksten spelen zich af in de zorg, in allerlei inrichtingen. Vaak gedragen patiënten (tegenwoordig heten die cliënten, geloof ik) zo, dat het personeel er geen raad mee weet. Ze vragen hun collega's dan om advies. De zakelijke toon waarop die brieven gesteld zijn, is soms grappig, soms schrijnend.

Nu in handige meeneemverpakking is een vermakelijk boek. Het zijn wel erg veel teksten (zo'n honderd) en het is niet raadzaam om die allemaal na elkaar te lezen. Daarvoor varieert de toon te weinig. Ik was minder verrast dan door de teksten in Driedelig paard, maar misschien komt dat ook doordat het nieuwtje er nu af is.

Visueel werken de 'blokken' goed. In het voorwoord schrijft Van Lieshout dat hij de vormkenmerken van de verschillende genres heeft weggepoetst, zodat de tekst het echt moet hebben van de woorden. Soms blijkt hij toch niet helemaal zonder de vorm te kunnen. Bij een dialoog kun je de sprekers alleen uit elkaar houden, doordat van de een de tekst cursief gedrukt is. Vaak lees je door de vorm (of het gebrek eraan) heen: na een paar regels heb je wel in de gaten met wat soort tekst je te maken hebt. Noodzakelijk is de blokvorm dan ook niet. Mooi wel.

In het filmpje: de eerste versie van Nu in handige meeneemverpakking



'Stiefmoeder', tekst uit Nu in handige meeneemverpakking


Illustratie uit Nu in handige meeneemverpakking

donderdag 12 december 2013

Door zonder familie


Een 'graphic memoir' noemde iemand laatst Door zonder familie van Gerrit de Jager. Het is een wat vreemde term, maar ik snap wel wat ermee bedoeld wordt: het zijn memoires in stripvorm. Waarschijnlijk is 'memoires' ook een wat betere term dan 'autobiogrie'. Een autobiografie veronderstelt degelijkheid, systematische aanpak; memoires mogen wat losser zijn.

Gerrit de Jager vertelt in Door zonder familie over de jaren tachtig, de beginperiode van de strip De familie Doorzon die hij toen nog samen met Wim Stevenhagen schreef en tekende. Het succes van de strip groeide snel, maar niet alles ging van een leien dakje. Het huwelijk van De Jager strandde bijvoorbeeld. De Jager woonde met vrouw en dochtertje in een doorzonwoning in Lelystad, een huis dat vergelijkbaar is met dat in de strip.

De Jager bleef er wonen en in de weekends kwam zijn dochtertje, dat toen nog erg klein was, op bezoek. Vooral in het begin vond hij het moeilijk om werk en vaderschap te combineren.

Later stopte ook nog de samenwerking met Wim Stevenhagen. De strips die ze samen maakten verdeelden ze: Doorzon en Roel en zijn beestenboel kwamen bij De Jager terecht, de andere drie bij Stevenhagen. Later kregen de twee tekenaars toch weer met elkaar te maken, toen bleek dat hun uitgever Fer Gevelflut (= Ger van Wulften) een wurgcontract had opgesteld en bovendien niet uitbetaalde. Uiteindelijk had het tweetal bijna twee ton van Gevelflut tegoed.

Door zonder familie geef een aardig inkijkje in het leven van De Jager, zowel wat zijn persoonlijke als zijn zakelijke besognes betreft. Daarnaast geeft het een beeld van de jaren tachtig. Zijdelings maken we een krakersrel mee, cocaïne is altijd beschikbaar, al gebruikt De Jager daar maar weinig van en door het beeld lopen enkele bekende Nederlanders (Herman Brood, Theo van Gogh).

Aardig, aardig. Maar meer ook niet. Het verhaal kabbelt voort, met zijn vrolijke en zijn pijnlijke momenten. Bij alle beschrijvingen is De Jager mild gebleven. Er ontstond een breuk tussen Stevenhagen en De Jager, maar dat betekent niet dat Stevenhagen een trap nakrijgt. In het boek is hij een principiële, wat stroeve man.

Zelf Fer Gevelflut, wiens wandaden niet verdoezeld worden, behoudt enige sympathie. De Jager kan eigenlijk niet boos op hem worden, al heeft hij er alle reden toe. Ook daar wordt het boek gelijkmatiger van. De Jager zal het zo gewild hebben, maar ik had het mooi gevonden als hij af en toe wat dieper gepeild had, net iets minder afstand gehouden had.

Toch zal bijna iedereen Door zonder familie met plezier lezen. Het verteltempo is in orde en het verhaal neemt je makkelijk mee. De plaatjes zijn met inkt getekend, met weinig arceringen. Dat kun je intussen wel aan De Jager overlaten. Hij is een ervaren tekenaar die in principe kan tekenen wat hij wil: lichaamshoudingen, gezichtsuitdrukkingen - De Jager heeft maar weinig nodig om de juiste suggestie te wekken. Het boek zal zijn publiek dan ook wel vinden.



dinsdag 19 november 2013

Elsie en Mairi. Engelen van Flanders Fields



Eind vorig jaar maakte ik een lijstje van de beste strips die ik in 2012 las. Dat was een bijna onmogelijke opgave. Ten eerste vergat ik een boek dat beslist bij de beste tien hoorde en ten tweede waren er een paar die niet meer in het lijstje pasten, en die ik toen maar in een soort naschrift heb genoemd. Eén daarvan was Afspraak in Nieuwpoort van Ivan Petrus Adriaenssens, een fraai boek over de Eerste Wereldoorlog.

Blijkbaar was Adriaenssens nog niet uitgeschreven over die oorlog, want intussen is er een nieuw boek: Elsie en Mairi. Engelen van Flanders Fields. Net als bij zijn vorige boek heeft Adreaenssens zich uitstekend gedocumenteerd. Achter in het boek verantwoordt hij zich: hij vertelt over de historische achtergrond en geeft aan waar hij fictie nodig gehad heeft om er een goed verhaal van te maken. Over zijn weergave van het leven van de hoofdpersonen is Adriaenssens helder: 'Alle feiten over Elsie en Mairi zijn juist en alle data kloppen.'

Elsie (Elisabeth) Knocker en haar vriendin Mairi Chrisholm meldden zich aan het begin van de Eerste Wereldoorlog aan bij Dr. Hector Munro's Flying Ambulance Corps, omdat ze wilden helpen. Ze kenden elkaar van een motorclub. Mairi was toen nog maar achttien jaar oud, Elsie was twaalf jaar ouder. Ze vertrokken naar Flanders Fields, waar ze op verschillende plaatsen werkzaam waren.

Niet het feit dat zij als verpleegsters in de oorlog gewerkt hebben is bijzonder. Wel dat ze zelf de ambulance bestuurden en meer nog dat ze aan het front aanwezig waren. Omdat veel gewonden stierven op weg naar het hospitaal, wilden de vrouwen ze dichterbij opvangen. In Pervijze was dat op slechts vijftig meter van het front.

Het had  wel tot gevolg dat ze uit het korps van Dr. Hector Munro moesten vertrekken, waardoor ze zelf moesten zorgen voor de financiering van hun hulpacties. Daarom keerden ze van tijd tot tijd terug naar Engeland om spreekbeurten te vervullen en fondsen aan te boren. Op basis van hun dagboeken werd nog tijdens de oorlog een boek geschreven, dat ook weer geld op moest brengen.

Ivan Adriaenssens tekent en vertelt niet alleen over de lotgevallen van de beide vrouwen, maar ook over de schrijfster die van hun aantekeningen een boek moet maken. Op die manier kan hij afwisselend de vrouwen dicht op de huid zitten en een beetje afstand van hen nemen.

Elsie en Mairi is een fraai boek geworden. We krijgen een beeld van twee individuen in ongewone omstandigheden. Tegelijk krijgen we een beeld van de oorlog: zowel van de gruwelijkheden als van de dagelijkse besognes. Adriaenssens heeft een goede manier gevonden om de geschiedenis levend te houden: door ons te laten zien hoe twee mensen toen leefden. Met hen kunnen we ons, na zoveel jaren, alsnog identificeren en voor even wordt de afstand van een eeuw overbrugd.