Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen

vrijdag 3 juli 2026

Afgestoft: Signaleringen (2)

Nu ik wat aan het grasduinen ben in de korte besprekingen die ik schreef voor de rubriek 'Signaleringen' van het tijdschrift Liter valt me op dat die voornamelijk (of misschien wel alleen maar) gaan over gedichtenbundels. In een eerdere bijdrage veegde ik al vijf van deze korte besprekingen bij elkaar en nu heb ik er nog twee. Ze komen uit de derde jaargang Liter (2000), uit nummer 11 en 12. 

Religieuze Gezelle

Als de ziele luistert is een bloemlezing uit de religieuze gedichten van Guido Gezelle. Wie iets van Gezelle weet, zal veel bekends tegenkomen. Van ‘Gij badt op eenen berg alleen’ tot ‘Het schrijverke’ en ‘O! 't ruischen van het ranke riet.’ Dat geeft de poëzie in deze bundel meteen iets vertrouwds en dat is prettig.

Maar in een bundel van meer dan tweehonderd bladzijden staan natuurlijk ook veel gedichten die onbekender zijn, waarmee het aangenaam kennismaken is. Die mix van bekend en volstrekt onbekend maakt deze bloemlezing tot een boek waarin je blijft bladeren en lezen.

De bloemlezing voldoet aan de hoogste eisen die je aan een bloemlezing kunt stellen: een degelijke inleiding met daarin een goede verantwoording van de keuze, een heldere en doordachte opbouw, een goede keuze uit de gedichten en uitgebreide annotaties, die het lezen niet in de weg staan.

Piet Thomas verdeelde de bundel in tweeën: deel 1 (‘Biddenderwijs’) is gebedslyriek, deel 2 (‘Overwegen, mijmeren en belijden’) behelst wat de titel al aangeeft. De delen zijn weer verdeeld in rubrieken als: danken, smeken (deel 1) of De natuur en God en tijd, dood en eeuwigheid (deel 2). Het is maar een greep uit een groot aantal afdelingen.

Bij de keuze van de gedichten heeft Thomas in de eerste plaats naar kwaliteit gekeken. Verder overwoog hij in hoeverre een gedicht thans nog inlevingsmogelijkheden bood. Dat hij op die manier tot een goede keuze kwam, blijkt als je de bundel leest.

In de annotaties toont Thomas zich zeer deskundig. Hij schetst soms de aanleiding tot het gedicht, laat zien in welke context het gefunctioneerd heeft en is goed op de hoogte van de literatuur die erover verschenen is. In noten onder aan de bladzijden zijn woorden verklaard die voor de hedendaagse lezer problemen zouden kunnen opleveren.

Aan de bloemlezing is een cd toegevoegd, waarop Tine Ruysschaert een aantal gedichten leest, afgewisseld met harpmuziek. Dat maakt het helemaal compleet.

Als de ziele luistert is een kwalitatief bijzonder goede bloemlezing. Zo een als Gezelle verdient. 




Maria de Groot

In Brieven uit een hermitage nam Maria de Groot veel gedichten op die geïnspireerd zijn door een reis naar Noorwegen. Dat wordt al duidelijk uit titels als ‘Vikafjell’, ‘Utne’, ‘Het hert van Skjolden’ en ‘Hardangervidda’.

De gedichten geven niet alleen een beschrijving van de bezochte plaatsen, maar ook het verleden klinkt er duidelijk in door. Omdat ook oude Noorse goden als bijvoorbeeld Odin af en toe opduiken en er gerept wordt van onder andere offers en altaren, hebben de gedichten al gauw een mythologische sfeer. Ter illustratie het begin van ‘Rouwsteen’:

Ik gedenk je op de rotsenvidde,
voeg een rouwsteen toe aan de gelaagde
piramide die hier is gestapeld.

Neem mijn offer, schuif het niet terzijde,

[...].


Uit de gedichten spreekt de grote verlatenheid die aan het landschap eigen is. Grond met een geschiedenis, maar zonder de mensen nu. Tegelijkertijd is er een verbondenheid met die grond en is de verlatenheid eerder prettig dan beangstigend.

In de laatste (derde) afdeling is er sprake van een thuiskomst, waarbij het Nederlandse landschap mooi contrasteert met het Noorse:

De geur van nat gras,
de mais zet volle kolven,
nu vlucht de schaduw.


Bij de thuiskomst hoort blijkbaar ook het thuiskomen in het dichterschap, in de taal. De taal neemt zelfs de plaats in van de moeder.

In het slotgedicht vraagt de ‘ik’ zich af of ze in het gedicht zelfs de zoete geuren kan ruiken van ‘eyn sof’, een begrip uit de joodse Kabbala waarmee het Oneindige aangeduid wordt waaruit het geschapene ontvlamt.

Wat vorm betreft, is de bundel nogal divers. Naast vormvaste, bijna klassieke gedichten (sonnetten, een rondeel) staan vrijere verzen en haiku. De eerste soort bevalt mij wat beter dan de tweede, maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Ondanks de diversiteit is het De Groot toch gelukt om van de bundel een eenheid te maken. Ik denk dat dat te maken heeft met de toon die uit de hele bundel spreekt. De stem van de dichteres is in elk gedicht herkenbaar en dat is een verdienste. 

vrijdag 26 juni 2026

Afgestoft: Flitsleemte (Elma van Haren)/De deugende cirkel (Saskia de Jong)

Twee korte besprekingen deze keer, die ooit gepubliceerd zijn in  Liter nr. 59, jaargang 13 (2010) en beide recensies van dichtbundels: Flitsleemte van Elma van Haren en De deugende cirkel van Saskia de Jong. 

Ik zal zoeken naar de oude recensies die ik nog niet afgestoft heb. Dat zullen er een stel uit Nederlands Dagblad zijn, maar ik heb niet tot alles wat ik daarin ooit geschreven heb nog toegang. In Liter heb ik een serie artikelen geschreven in een rubriek 'Onder het mes'. Die heb ik niet gelezen, maar ik vermoed dat dat nogal betweterige stukjes zijn, die misschien maar beter onder het stof kunnen blijven. 

En ik heb nog wel het een en ander geschreven voor de Poëziekrant, maar ik heb de oude nummers van dat blad ooit aan iemand cadeau gedaan, dus die recensies heb ik niet meer en ik weet ook niet hoe die nog te pakken kan krijgen. 



Een dot lukraak geluk

Soms wandel je, handen in de zakken, kop naar de grond, langs de prachtigste dingen zonder ze te zien. Zonde. Van Elma van Haren heb ik de eerste twee bundels in de kast staan: De reis naar het welkom geheten en De wankel. Hoe ik eraan kom, weet ik niet eens meer. Ik heb ze nauwelijks gelezen. Als iemand mij ernaar gevraagd zou hebben, zou ik iets vaags gemompeld hebben als: ‘lange zinnen’ (waarvan ik niet zo houd) en ‘wel eigenzinnig, ja’, en daarmee zou ik niets gezegd hebben.

Maar nu heb ik haar laatste bundel in huis: Flitsleemte. En ik heb hem gelezen en steeds weer gelezen en ik wil iedereen die bundel geven en alle vorige bundels gaan lezen en roepen dat het poëzie is die vonkt en tinkelt, die je het water in de mond laat lopen, die je zachtjes over je arm krabt, die in je nek ademt, die je kietelt, die je een por in je zij geeft.

Poëzie met daarin stukjes zin als ‘een partijtje geurworstelen’, ‘sterk als eigen getrokken kippenbouillon’, ‘een dot lukraak geluk’, ‘levertranen’, ‘klompenlicht’, ‘heupwiegend loof’, ‘het dijende landschap’, ‘niet als gespikkelde eieren zo broos’, ‘zoomzwelgend’.

Bijzonder zinnelijke poëzie is het; een tafel helemaal vol gerechten die er allemaal lekker uitzien en je weet niet waar je moet beginnen te eten. Poëzie die ‘Joehoe’ zegt en ‘Zag je dat?’ en ‘Zul je dit nooit meer flikken?’, alsof ze naast je staat en heel vertrouwd is met je. Maar ook poëzie die afstand weet te bewaren:

Het zijn Uw vleugels, doch het is mijn hooghartigheid!
Op een warme avond dolf ik naar goud, maar vond
in het rode blad van een geranium het kleinste bloedvat boven, 
    de grimas van de geur hartvormig,
    hartstochtelijk in haar verbetenheid.
Zonder U ben ik donkerend hout met een vleug vorst erin.
Doch ik heb zon in mijn zinnen en tong waar U bestaat. 
Ik ga graag op in rauwe dingen,
ik zing hoog en vals, tot 
U blauw de glazen breekt en mij in gruzelementen vallen laat 
en vangen kan 
                        in Uw zingend rood geraniumorgaan.

Die afstand is trouwens niet zo verwonderlijk. Het motto boven het gedicht waaruit dit citaat komt is van Hadewijch: ‘Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade.’ Net als Hadewijch weet Elma van Haren het hogere en tastbare met elkaar te verbinden.

In verbindingen maken is ze trouwens toch goed. Haar gedichten dansen van de associaties. Allemaal dingen die ze even noemt en als lezer ga je ze verbinden en dan gaat er steeds meer meezingen in het gedicht.

Soms legt ze de verbinding expliciet, zoals die tussen verwelkte prei en de oren van een lusteloos hangoorkonijn en nooit meer zal ik het een kunnen zien zonder aan het ander te moeten denken.

En hoewel ik ze al tien keer gelezen heb, zal ik nog vaak terugbladeren naar bijvoorbeeld het Hadewijchgedicht (‘Klompenlicht’) of ‘Klop van het engagement’, waarin de gruwelijkheid van de jacht (‘luid keelgeklop van de fazanten / opgejaagd door de honden. / Hazen en reeën buitelen dwaas tussen / steeds dunner wordend loof’) gecombineerd wordt met gezellig koffie drinken (‘Het is een vrolijke dood hier in de bossen en / vooralsnog drinken wij buiten de koffie.’).

Dreiging en genot, ze zijn er allebei. Zoals ook verder in het gedicht ‘Klop van het engagement’: 
Het zijn dagen waarin vrienden, gekoppeld aan accu's 
van kleine mechanische harten (en zo hun sterven al acht keer 
hebben uitgesteld) elkaar bezoeken en het leven bezingen 
met kasten vol boeken en muren vol kunst. 
Hun hele leven dat hart gevolgd en dus 
geen cent te makken gehad, maar hopelijk, 
als we het halen en mogen van een terugkerend katholicisme, 
zullen we in de toekomst de klop van nieuwe harten volgen, 
in kunst in liefde in hartstocht in het genot.

Zinderende gedichten schrijft Elma van Haren. Ik laat me er graag door bij de keel grijpen.


De godgans gakte


Er is heel wat poëzie speciaal voor kinderen geschreven. Ted van Lieshout, Wiel Kusters en Edward van de Vendel zijn enkele dichters die me zo te binnen schieten en als ik even langer nadenk, kom ik ook nog wel op Bas Rompa, André Sollie en Daniël Billiet. Bij dat rijtje mag nu ook gerust Saskia de Jong aanschuiven, met De deugende cirkel.

De bundel begint met enkele zwarte bladzijden en dan is er het eerste gedicht: ‘en het was licht, de godgans gakte.’ Het begin van de schepping dus. Na de godgans (‘de godganse dag op het water lopend’) volgen in alfabetische volgorde vijfentwintig andere dieren, bezongen in rondelen en elk rondeel vergezeld van een prachtig ‘knipsel’.

De auteur gaat niet op haar hurken zitten om de kinderen toe te spreken, maar vertrouwt erop dat zij ook wel in soms wat lastiger gedichten zullen doordringen. Vaak zijn de gedichten vrolijk of op zijn minst monter. Maar de ernst ontwijkt De Jong niet. Over de olifant dichtte ze: 
daar lag die dode olifant 
we vormden een kring voor het afscheid 
troostten met onze slurf uitgebreid 
en raakten haar aan, zielsverwant 
probeerden haar nog in rechte stand 

het was een hele plechtigheid 
daar lag die dode olifant 
aarde en bladeren op haar gespreid 

zijn wij bij beenderen aanbeland 
dan besnuffelen wij deze geheid 
herinneren ons een vroegere tijd 
dan peutert het aan ons verstand 
daar lag die dode olifant

Het leukst van de bundel is de woordenlijst achterin, waarin werkelijk elk woord dat in de gedichten voorkomt op te zoeken is. Ik vond er verklaringen als ‘dit: wat hier is’, ‘dauw: een vochtig goedje dat 's morgen op de natuur ligt’ en ‘armen: uitsteeksels aan je lichaam waarmee je kunt zwaaien.’

Ik geloof dat het vooral na het lezen van de woordenlijst was, dat ik geen kwaad woord meer over De deugende cirkel wilde horen of zeggen. Een boek dat je zo breed doet grijnzen, kun je alleen maar aanprijzen. Dat doe ik graag.



vrijdag 19 juni 2026

Afgestoft: Martien Beversluis

Al eerder heb ik hier bijdragen geplaatst die ooit verschenen zijn in de serie 'Onder het stof', in het blad Liter. Dit is de laatste uit het rijtje, al verscheen die indertijd als vierde, in Liter nr. 46, jaargang 10 (2007). 

De laatste bijdragen uit die reeks die afgestoft heb, zijn die over Niek Verhaagen  en Justus de Harduwijn. Onder het stuk over die laatste vind je de links naar de andere drie bijdragen, over H.W.J.M. Keuls, Joannes Reddingius en Willem Brandt. 

Met Martien Beversluis heb ik me lang beziggehouden. Ik heb nagenoeg al zijn werk, waaronder enkele manuscripten en een paar brieven. Het is een boeiend figuur, over wie de onvolprezen Lo van Driel een biografie geschreven heeft. Daarin corrigeerde hij wat ik in onderstaand stukje schrijf: het meisje dat daarin voorkomt heette niet Anmuth, maar Almuth. Goed dat hij dat gecorrigeerd heeft. Ik moest vertrouwen op mijn geheugen en dat bleek weer eens niet helemaal nauwkeurig. 

Hier schreef ik over de biografie, Het ongerijmde leven van Martien Beversluis. 

Het portret van Beversluis is gemaakt door Herman Gouwe. Het werd afgedrukt voor in de bundel Canzonen (1925).



Portret van Martien Beversluis door Herman Gouwe



Onder het stof 4
Martien Beversluis (Barendrecht 1894-Veere? 1966)

Het kleine gebed op de binnenplaats

O! Heer! Behoed voor Uw geweld
mijn hart, een scheefstaand cherubijntje,
dat in de schaduw overhelt
op het verlaten binnenpleintje -
De plooien van mijn kleed en beî
mijn vleugels, door het stage droppen
der zeven zonden boven mij
gestort uit even zoveel koppen,
zijn weggewist en afgebrokkeld;
Mijn handen, eens tot vrome nis,
door wind en water grauw betokkeld,
vangen bederf en droefenis.
O Heer, mijn hart half opgericht,
bij 't ingebladerde fonteintje,
hef het weer op en zend het licht
nog eenmaal op dit binnenpleintje.
Amen!


Dit kleine gebed is een van de weinige gedichten van Martien Beversluis die, wat mij betreft, de tijd hebben doorstaan. Veel van wat Beversluis ooit schreef is onleesbaar geworden. Te veel techniek, te weinig bezieling, te veel geronk vooral. En ook in dit gedicht storen mij de drie nadrukkelijke uitroeptekens. Maar verder vind ik het een mooi, ingehouden gedicht.

Het is te vinden aan het slot van de bundel Chimera's, die verscheen in 1937, een tijd dat Beversluis net was gaan staan in de christelijke hoek. Hij zou in zijn leven verscheidene keren van hoek wisselen, alsof het hem niet uitmaakte waar hij bij hoorde; socialist, communist, nationaal socialist. Wie zal zeggen waarom hij zo met alle winden meewaaide? Het zou mij niet verbazen als uiteindelijk alleen de kans op applaus zijn richting bepaalde. Hij was een ijdele man, die zich graag liet bejubelen.

En hij is in zijn leven genoeg bejubeld. Samen met Henriëtte Roland Holst stond hij op het podium van het Concertgebouw om zijn gedichten voor te lezen. Zijn poëzie sloeg beter aan dan die van tante Jet, die voor de arbeiders toch wat moeilijk was. ‘Martien! Martien!’ riepen ze als Beversluis verscheen en dan deed hij zijn armen omhoog. Tenminste, als ik Beversluis' tweede vrouw, Johanna Verstraete, mag geloven.

Achter in de zaal stond politie, die kwam luisteren of Beversluis geen verboden gedichten voorlas. De regering was immers bepaald niet gecharmeerd van de gedichten in bijvoorbeeld de bundel Verzamelen (1935). Het eerste gedicht uit de bundel is rechtstreeks gericht aan de minister van Justitie. Drie bladzijden lang houdt Beversluis een vurige toespraak. Halverwege het gedicht zegt hij:

Minister! Men neemt in de laatste tijd
een loopje hier met de gerechtigheid.
Men houdt met Gestapo en Hitlertrawanten
een drijfjacht op hulploze emigranten.
Men gunt ze geen vrijheid, asiel en verblijf.
Uw dienaren slaan hen en vloeken hen stijf.
Minister van Schaik! Mijnheer Excellentie!
Ik vraag niet uw gunst, noch uw hoge clementie.
Ik eis in de naam der Justitie, die gij zijt,
hun Vrijheid!!


‘Daar komt-ie!’ riep Beversluis, en hij las het gedicht voor, terwijl de arbeiders de politieagenten tegenhielden, die zich naar het podium probeerden te worstelen. Nogmaals: volgens Johanna Verstraete.

Verzamelen is een eenvoudige bundel, maar de gedichten gloeien van het protest dat erin doorklinkt. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het feit dat in verschillende neutrale en christelijke kookscholen in de grote steden cursussen gegeven werden aan de arbeidersvrouwen. Op advies van de geneeskundige dienst werd hun daar geleerd hoe ze van viskoppen nog voedsel konden fabriceren. Het bracht Beversluis tot een woedend gedicht dat eindigde met:

Mis! Mis! Helemaal mis
is de proleet die daar zoet mee is.
Jij slechts de graten, de kop of de staart?
Open de kast waar de kuit is bewaard!
Eeuwenlang nemen de dieven de moten!
Wring ze de hom en de zooi uit de poten!

Vis! Vis! Boter bij de vis!
En de uitvreters naar de verdoemenis.


Het lijkt of er een idealist aan het woord is, een man die ergens voor stáát. Misschien is dat ook wel zo, maar voor hoe lang? Beversluis kon zo'n ‘links’ gedicht schrijven, hij werd ontslagen bij de Vara, onder andere omdat hij niet gematigd genoeg was, hij stapte over naar de communisten, omdat de socialisten hem niet ver genoeg gingen. Maar hij zou net zo gemakkelijk meedraaien in De nieuwe Gids toen die al volstrekt fout was, hij zou met plezier NSB-burgemeester van Veere worden en, wellicht met enige trots, het boek Wij zagen den Führer vertalen, waarin foto's staan waarop Hitler zo leuk met kinderen omgaat.

Tijdens de bezetting ging Beversluis om met SS-officieren. Een ervan had zijn hele gezin naar Zeeland over laten komen. Toen diens dochtertje stierf aan tuberculose, schreef Beversluis gedichten die uitgedeeld werden op de begrafenis: ‘Für Anmuth’. Johanna Verstraete toonde ze mij ooit, maar na haar dood vond ik ze niet terug in de nalatenschap die naar het Letterkundig Museum ging. Blijkbaar achtte de familie het raadzaam de boel te zuiveren.

Noem de naam Beversluis en je krijgt als reactie dat dat een foute dichter was. Terecht natuurlijk. Maar wie kent zijn poëzie nog? In 1920 debuteerde Beversluis met Zwerversweelde en twee jaar later verscheen de bundel Verzen. J.A. Rispens noemde deze gedichten ‘verzen, die door eenvoud, zuiverheid van gevoel en plastische kracht, vermelding verdienen.’ Over gedichten uit de bundel Canzonen schreef hij zelfs: ‘Hier doet Beversluis in genen dele voor de beste dichters der Beweging onder.’

Ach ja, het zijn wel charmante natuurgedichten waarmee Beversluis zijn dichtersloopbaan begon. Maar veel meer dan schouderophalen zal een lezer niet kunnen opbrengen als hij leest:

In de effen schoot der velden
liggen plekkend drom bij drom
bruingedorde bospartijen
in de weggefijnde zije,
nevel van de morgenzon.


Als er nog literatuurgeschiedenis binnen het voortgezet onderwijs zou bestaan, zou een docent het kunnen gebruiken als illustratie bij epigonen van Tachtig, maar dan houdt het wel zo ongeveer op.

De bundels Canzonen (1925) en De bellenblazer (1929) herinnerde ik mij als de beste van Beversluis' hand, maar bij het opnieuw doorbladeren blijkt het toch lastig iets citeerbaars te vinden. Waarschijnlijk zijn het wel de laatste bundels waarin de dichter zijn gedichten schreef om de gedichten en niet met een of ander ‘hoger’ ideaal voor ogen. Na gedichten die het pacifisme uit moesten dragen of die de arbeidersstrijd mee moesten strijden, gedichten die vaderlandsliefde moesten preken en wat al niet meer, keerde hij nog in de oorlog terug naar de natuurlyriek, met bundels als Uit de wijdte en Het zaad (beide 1943).

De eerste bundel opent met ‘Gevallen koren’.

De slaande nanacht drukte diep haar sporen
met loden regen in 't bezwaard gewas.
En wijd en zijd ligt het verstruikeld koren,
gevallen terwe en vervlegeld vlas.


Niet eens een onaardige strofe, maar verderop zakt het gedicht helemaal in en ik heb de verdenking dat ook niet elke zin grammaticaal helemaal klopt. Haastwerk, blijkt uit het manuscript. Beversluis schreef de hele bundel (veertig gedichten) in veertien dagen. Geen wonder dat hij zo'n rij titels op zijn naam kon krijgen. Ik schat zijn werk op zeker een meter kastplank, wat voor een dichter ongewoon veel is.

Na de oorlog stonden de uitgevers natuurlijk niet op Beversluis te wachten, waardoor hij veel in eigen beheer moest uitgeven. Nog steeds had hij een kring bewonderaars. Jonge dichters kwamen bij hem aan huis en misschien hebben ze eerbiedig geluisterd naar wat de meester te vertellen had. Ook in Vlaanderen schijnt hij lang populair gebleven te zijn.

Aan het einde van zijn leven vond Beversluis onderdak bij Callenbach. In de jaren zestig kon hij daar nog drie bundeltjes kwijt: De kinkhoorn, Kruisbogen en Doorzichten. Doorsneepoëzie die je vindt in doorsneebundeltjes in antiquariaten. De gedichten zijn vergeten en dat moet maar zo blijven.

Beversluis stierf in 1966. Zijn weduwe bleef nog jaren wonen in Veere, in het huis dat ze De Veste hadden genoemd. Toen stierf ook zij. Soms kom ik haar schrijversnaam nog tegen als ik in een boekenstalletje ineens Jikkemien van Dignate Robbertz in mijn hand houd. Maar als ik het boek wegleg, is ook de schrijfster weg.

vrijdag 5 juni 2026

Afgestoft: Justus de Harduwijn

Ooit verzorgde ik in Liter een soort vaste rubriek: 'Onder het stof', waarin ik aandacht besteedde aan dichters die min of meer vergeten waren. Enkele afleveringen van die rubriek heb ik al eerder afgestoft. De links vind je onderaan. 

De rubriek heeft niet heel lang bestaan: zes afleveringen lang. Vandaag stof ik er eentje af. Na deze zal ik nog die over Niek Verhaagen en die over Martien Beversluis plaatsen.

Ik mocht de stukken vrij losjes schrijven, al heb ik nooit zomaar wat over de dichters beweerd. Wel had ik mijn bronnen explicieter kunnen maken, denk ik nu. Blijkbaar vond ik dat toen niet zo belangrijk (en de redactie ook niet) en waarschijnlijk hoopte ik alleen maar dat anderen het werk van de vergeten dichters zouden gaan lezen. 

Terwijl ik dit typ, vraag ik me af of dat wel klopt. Toen ik het werk van deze dichters ging herlezen bleef er bij sommigen toch weinig over. Ze waren niet voor niets vergeten. Maar dat was niet het geval bij de eerste in de reeks, Justus de Harduwijn. Het stukje stond in  Liter nr. 37, jaargang 8 (2005). De bundel van De Harduwijn staat in zijn geheel op DBNL.


Een groot deel van onze literatuurgeschiedenis bestaat uit namen. Sommige namen kent bijna iedereen, maar dat wil niet zeggen dat het werk van deze schrijvers ook gelezen wordt. Wie leest nog de sonnetten van Kloos? Wie heeft een bundel Vondel op zijn nachtkastje liggen? Wie kan drie gedichten van Bilderdijk reciteren? Hun werk is vindbaar, maar het wordt nog maar weinig gelezen.

Er zijn dichters die intussen zover onder het stof terechtgekomen zijn, dat zelfs hun namen door velen vergeten zijn. Justus de Harduwijn, Joannes Reddingius, H.W.J.M. Keuls, bijvoorbeeld. Van enkele van die dichters wil ik in deze rubriek het stof af blazen.

Sonnet V

't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,
't en is uw voorhoofd niet zo matig opgerezen,
't en is uw windbrauw niet, noch uwen mond geprezen,
en vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar;

't en zijn uw lipkens niet, die elkeneen voorwaar
wonden als 't hen gelieft, en wederom genezen;
't en zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,
noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar;

't en zijn uw wangen niet, met purperrood begoten;
't en zijn die perels niet, in uwen mond gesloten;
't en is uw tale niet, nochtans als heunig zoet;

maar 'tgene dat mijn jeugd als een blad komt verdrogen,
en jongjarig hert van binnen branden doet,
en is anderszins niet, dan 't raaisel uwer ogen.

Justus de Harduwijn


Eind jaren tachtig fietste ik dagelijks naar en van mijn werk, twee keer een uur. Ik kortte de tijd met lezen tijdens het fietsen. Het is even wennen, maar als je de witte streep van het fietspad onder de punt van je boek door laat glijden, is het te doen. Tijdens die fietstochten las ik veel poëzie; korte zinnen, waarvan je nog eens kunt opkijken. Een van de dichters die ik toen las, was Justus de Harduwijn, die toen al driehonderdvijftig jaar dood was, maar al die jaren vielen weg en zijn stem klonk nog glashelder.  

Justus de Harduwijn werd geboren op 11 april 1582 in Gent, in een intellectuele en kunstzinnige omgeving. Zo was zijn vader (François) bevriend met een van de eerste renaissancedichters uit onze literatuurgeschiedenis, jonker Jan van der Noot. Justus erfde van een oom een rijke bibliotheek, en een andere oom (Maximiliaan de Vriendt) stimuleerde hem en wees hem de weg naar het humanisme. De Vriendt liet hem onder anderen Petrarca lezen en Justus' vader bracht hem op de hoogte van de nieuwe poëziestromingen in Frankrijk (de Pleiadedichters).

Met de elite van de jeugd werd Justus onderwezen door de jezuïeten. In 1600 ging hij naar Leuven om daar de beide rechten te gaan studeren.

In 1607 werd De Harduwijn tot priester gewijd en aan het eind van dat jaar werd hij benoemd tot pastoor van Oudegem en Mespelaar (bij Dendermonde). In 1613 verscheen anoniem zijn eerste bundel: De weerliicke (wereldlijke) Liefden tot Roose-Mond. De gedichten waren waarschijnlijk al een decennium eerder geschreven, maar De Harduwijn had ze tot die tijd niet uit willen geven. De hoogleraar Erycius Puteanus, factor van de rederijkerskamer in Aalst, was ervan overtuigd dat de gedichten van De Harduwijn belangwekkend waren en samen met enkele literaire vrienden van de dichter, kreeg hij hem zover dat hij zijn poëzie uit handen gaf.
             
   
De weerliicke Liefden tot Roosemond
bestaat uit een krans van vijftig sonnetten met daar tussendoor enkele liedjes, oden en elegieën gevlochten. De bundel toont ons de opbloei en het verbloeien van een liefde. Het is de eerste bundel in het Nederlands die op die manier gecomponeerd is.

Wie het bovenstaande gedicht leest, merkt dat De Harduwijns gedicht nog niet in zuivere jamben is geschreven, maar hij hanteert het metrum al veel soepeler dan bijvoorbeeld Van der Noot. In navolging van Petrarca benoemt hij allerlei schone onderdelen van zijn geliefde Rozemond, waarbij vooral het hoofd uitgebreid aandacht krijgt: haar, voorhoofd, wenkbrauw, mond, wangen, tanden. Het mooie is dat De Harduwijn al deze schoonheden noemt, maar ze aan het eind van het gedicht weer relativeert. Al die dingen vallen in het niet bij ‘het raaisel uwer ogen’.

Het stralen van Rozemonds ogen maakt zo'n indruk op de dichter dat de rest erbij verbleekt.

In het sonnet ervoor had hij nog geschreven hoe juist het haar, de tanden, de lippen enzovoort hem duizendmaal per dag deden ‘hersterven en herleven’:

O blond-gestruiveld haar! Haar dat de zon beraait,
dat mijn jongjarig hert houdt zo strange bevangen!
O tanden van ivoor! O sneeuwwittige wangen,
die 't pinseel van Apell' met purper heeft verfraaid!
[...]

Rozemonds ogen moeten iets bijzonders geweest zijn. Maar liefst zesenzestig maal noemt De Harduwijn ze in zijn gedichten. Maar ze laten slechts zijn jeugd verdrogen en zijn hart branden, want blijkbaar moet Rozemond niet veel van de dichter hebben. In een ‘klachtdicht’ schrijft De Harduwijn dan ook ‘Schoonheid zeer zoet in 't oog, bitter nochtans in 't hart.’ Zijn aanbedene zal het geschenk dat hij haar met nieuwjaar aanbood, dan ook niet aangenomen hebben:

Heden, als elk zijn lief met giften gaat vereren,
schenk ik u voor nieuwjaar mijn herte, Rozemond.
(Sonnet XLI)


Velen, vooral uit de omgeving van Harduwijn, hebben gesuggereerd dat het hele Rozemondverhaal maar een literair spel is, misschien om de priester De Harduwijn uit de wind te houden. Het zou liefde zonder liefde zijn, amor sine amor. Ik geloof er niets van. Het hart van de dichter klopt er voor mij nog zo duidelijk hoorbaar in, dat niemand mij wijsmaakt dat het maar papier is, dat het maar letters zijn. Voor mij is het allemaal waar, of het nu echt gebeurd is of niet.

Met de Rozemondbundel liep het bijna even triest af als met de liefde van de dichter. Even als later Luyken zou doen, herriep De Harduwijn zijn bundel, nam exemplaren in en vernietigde ze. Hij nam uitdrukkelijk afstand van zijn ‘Venus gejanksel’. Daarna zou hij nog alleen geestelijke poëzie schrijven (die trouwens ook van hoog niveau zou zijn). Lange tijd waren daardoor de liefdesgedichten onvindbaar. In de zevendelige literatuurgeschiedenis van G. Kalff, waarvan het laatste deel in 1912 verscheen, wordt De Harduwijn niet eens genoemd. Pas in 1913 dook het tot nu toe enige bekende exemplaar van het Rozemondbundeltje op. Nog in 1972 volgde een tweede druk van een heruitgave en Komrij gunde De Harduwijn in zijn bloemlezing acht gedichten, waarvan zeven uit Rozemond. Het heeft niet geholpen, vrees ik.

Eerder plaatste ik hier de afleveringen over:



dinsdag 2 juni 2026

Want ik besta (Jurrian van Dongen / Stien van Kerkckhoven)


Liederen zijn er om gezongen en beluisterd te worden. Maar er zijn in de loop van de eeuwen heel veel liederen gemaakt die we voornamelijk kennen door de tekst, van 'Het lied van heer Halewijn' tot 'Klare, wat heeft er uw hartje verlept'. Liedteksten zijn gebundeld en die bundels werden soms gretig verkocht, bijvoorbeeld het Boertigh, Amoureus en Aendachtigh Groot Lied-Boeck van Gerbrand Adriaansz. Bredero. 

Dat is allemaal wel heel lang geleden, maar ook in de twintigste eeuw werden liedteksten nog veelvuldig gebundeld. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar heeft in de serie Pluche gebundelde liedteksten uitgebracht van onder anderen Lennaert Nijgh, Jules de Corte, Drs. P., Eli Asser en Raymond van het Groenewoud. Daar heb ik vaak uit voorgelezen aan het begin van een les, net als uit bijvoorbeeld Ik zou je het liefste in een doosje willen doen. Oud-leerlingen refereren daar nog wel eens aan. 

Het is dan ook niet zo gek dat nu Want ik besta is verschenen, een bundeling van liedteksten die geschreven zijn voor Het Klokhuis door Jurrian van Dongen. Het Klokhuis heeft, voor zover ik weet, vanaf het begin (1988) liedjes gehad, en altijd geschreven door goede tekstschrijvers, zoals Willem Wilmink en Hans Dorrestijn. Ook die liedteksten zijn indertijd gebundeld. 

Veel van de genoemde bundelingen zijn waarschijnlijk voornamelijk gelezen door volwassenen en soms werd er in de presentatie van de teksten geen onderscheid gemaakt tussen gedichten en liedteksten. Ze zeggen dat de aarde draait (1988) van Willem Wilmink heeft als ondertitel '37 nieuwe gedichten', terwijl je aan de vorm kunt zien dat sommige ervan als lied zijn bedoeld. Wilmink gebruikte vaak drie strofen (coupletten, moet ik eigenlijk zeggen) van zes regels, waarbij de derde en de zesde regel korter zijn dan de andere. Ook het lied waaraan de titel van de bundel ontleend is ('Mijn wetenschap') heeft die vorm. 

Uit Want ik besta leer ik dat bij het Het Klokhuis nog steeds af en toe teksten gegoten worden in een bestaande mal. In de bloemlezing is 'Boeiende groente' opgenomen (over broccoli) en in de aantekening erbij noteert Van Dongen dat er met deze vorm meer dan twintig korte liedjes zijn geschreven. 

Voor kinderen

Aan het eind van de bundel staat bij elke liedtekst een korte aantekening. Deze aantekeningen zijn voor kinderen bedoeld. Soms om de context uit te leggen. Je mag ervan uitgaan dat niet ieder kind weet heeft van Srebrenica en dat je dus moet uitleggen wat daar gebeurd is als een kind het lied 'Meisje in Srebrenica' te lezen krijgt. Er wordt bij een andere tekst ('De ridder met het vastgeroeste harnas') uitgelegd dat het een scèneliedje is, een kort toneelstukje op muziek. 

De hele bundel is bedoeld voor kinderen. Dat merk je niet alleen aan de aantekeningen aan het eind van het boek, maar veel meer nog aan de vormgeving van het boek. Het heeft het formaat van een prentenboek en het heeft ook wel die uitstraling, vooral door de prachtige tekeningen van Stien Van Kerckhoven. Het zijn paginagrote tekeningen en soms beslaan ze twee pagina's. Enkele teksten zijn afgedrukt op een gekleurde achtergrond, zodat ze min of meer in de tekening zijn opgenomen. 

Ziekenhuis

Dat alles zorgt ervoor dat Want ik besta niet alleen een leesboek, maar vooral een kijkboek is. Niet alleen de teksten, maar ook de tekeningen laten je nog even nadenken. In bijvoorbeeld 'Ziekenhuis' gaat het over een vader van wie het kind zich in een ziekenhuis bevindt. In de aantekening is te lezen dat het gaat over het Maxima Centrum, voor kinderen met kanker. Daar zijn gamekamers en hangplekken, en iedereen doet zijn best om het verblijf voor het kind zo fijn mogelijk heeft:

Oké, je hebt een kamer met balkon
Dus je kan veel naar buiten kijken
De kleuren en de gangen doen hun best
Niet op een ziekenhuis te lijken

Een eigen hangplek met de nieuwste games
Al lig je hier niet voor je plezier
Als je toch zo ziek moet zijn
Dan maar hier.

Oké, je noemt het zelf een soort hotel
En alle dokters maken grapjes
Het eten vind je lekkerder dan thuis
Al neem je soms maar kleine hapjes
(...)

Maar het kind is wel ziek en de vader is wanhopig:

(...)
En het hoort niet
Het hoort gewoon niet
Jij hoort hier niet te liggen
ik hoor hier niet zo dom te staan

Met m'n halfzachte beloftes
Van beter worden
En dan weer naar huis toe gaan
(...)

Op de pagina voor de liedtekst is een grote ballon te zien, met een glimlachende zon erop. Ook die ballon doet heel erg zijn best om hoop en optimisme over te brengen en dat wordt na het lezen van de tekst alleen nog maar schrijnender. Het lijkt een eenvoudige tekeningmaar die roept gecompliceerde gevoelens op. 

Want ik besta

De titel van de bundel is ontleend aan de tekst 'Doe gewoon normaal'. Die begint als volgt:

Dat je ons nooit uitzwaait
Als pappa mij komt halen, mam
Weet je wel hoe rot dat voelt?

En pap, dat jij om mamma 
niet naar m'n schooltoneelstuk kwam
Is raar, en ook niet eens voor mij bedoeld.

Doe gewoon normaal
Ik voel me bijna een verrader
Als ik vrolijk bij de één de ander bel
Heel lang getrouwd is niet gelukt
Maar een lieve moeder en een lieve vader
Kan toch nog wel?
(...)
Ik moest daarbij meteen denken aan een tekst van Willem Wilmink. Misschien ook wel doordat de eerste zin met 'Dat' begint. 
Dat ik van mijn vader hou,
doet moeder soms verdriet.
En dat ik van mijn moeder hou,
dat weet mijn vader niet.
Zo draag ik mijn geheimen mee
en loop van hier naar daar.
Nog altijd hou ik van die twee
die hielden van elkaar. 
Bij Wilmink beschrijft het kind vooral de situatie, waarvan het het slachtoffer is. Het kind bij Van Dongen is mondiger. Het spreekt de ouders aan. Het slot:

(...)
Doe gewoon normaal
Doe alsof je niet meer weet
Waarom jullie ooit trouwden
Maar geef elkaar geen duizend trappen na

Er is nog altijd één bewijs
Hoeveel jullie van elkaar hebben gehouden
Want ik besta
Bij Wilmink bladert het kind door het fotoalbum van toen de ouders trouwden, toen alles nog goed was ('Nog niets van de ruzies die komen zouden, / nog niets van de dag dat hij weg zou gaan.') Bij Van Dongen is juist dat gedeelde verleden een grond om op te roepen tot het 'normaal' doen. 

Dat het kind bestaat, dat het een product is van de liefde die er was, doet weer denken aan wat Bette Westera schreef:
Mijn  vader is een lieverd,
mijn moeder is een schat,
maar dat mijn vader ooit iets
met mijn moeder heeft gehad,
dat kan ik niet begrijpen, 
daar kan ik echt niet bij. 
Ze hebben niets, maar dan ook 
niets gemeen, behalve mij. 
Ook bij deze tekst van Van Dongen zijn de tekeningen van Van Kerckhoven weer geweldig. Op de ene pagina een kip en een haan die ruzie maken, zodat de pluisveren in het rond vliegen. Op de andere pagina een lief kuikentje dat je vanuit zijn ooghoeken aankijkt. Het denkt er het zijne of het hare van. 

Dementerend

Over elke tekst is natuurlijk veel te zeggen, maar daarvoor ontbreekt de ruimte. 'Voor ons samen' is gedrukt in een tekening: een oude man, tot halverwege zijn lichaam in het water, op zijn schouders een kleinkind, boven zijn hoofd enkele meeuwen. Je kunt niet goed zien waar het water ophoudt en de lucht begint. De bewolkte lucht zou ook mist kunnen zijn. 

Opa dementeert en kan steeds minder onthouden. Maar de liefdevolle kleindochter zal dan wel zijn geheugen zijn.

(...) 
Soms ben ik bang
Want je wordt vast nooit meer beter
Ook al voel je je niet ziek

Maar dat je vroeger trots en groot en sterk was
En met mij in je moestuin aan het werk was
En alle lieve dingen dingen
Die je ooit tegen me zei
Onthoud ik wel voor ons allebei

En zelfs als je m'n naam straks niet meer weet
Zie ik nog wie je was en wat je deed
Lieve opa, 
Daar kun je op vertrouwen

Ik zal je, tot ik zelf oma wordt, onthouwen
Er zijn intussen veel kinderboeken over grootouders met dementie. Mij schiet meteen Een opa met gaatjes van Wally De Doncker te binnen, maar recenter zijn er ook nog heel wat verschenen. 

Net als in die boeken ligt het perspectief bij het kleinkind. Natuurlijk gaat dit lied over dementie, maar meer nog over de liefde van het kleinkind voor haar opa en hoe ze koestert wat opa voor haar was en is. 

Struisvogel

Voor op het boek staat een jongen op de rug van een struisvogel. In het boek komt nog 'Struisvogels wiegelied' voor, dat meteen doet denken aan 'Stekelvarkentjes wiegelied' van Annie M.G. Schmidt. In de aantekeningen wordt daar ook naar verwezen. 

De moederstruis, zingt een wiegelied voor haar kind: een vogel die niet kan vliegen. Moeder troost het kind en ziet al voor zich hoe het kind, eenmaal volwassen, weer haar kind zal troosten:

(...)
Laat ze lachen, Struisje
Daar raak je aan gewend
En ben je 't moe
M'n schat dan doe je
Of je er niet bent
De lucht is toch al overvol
Antennes, toren en Schiphol
Dat is niks voor jou
Vooruit ga slapen nou

Ooit sta jij stevig en gezond
Met beide benen op de grond
En komt het eens op rennen aan
Dan lach jij in je vuistje
Welterusten, Struisje
Voor op het boek zie je een fiere struisvogel. Daardoor krijgt de titel ook iets zelfverzekerds: 'Ik besta!' 

Twee vaders

Laat ik eindigen met een complete liedtekst: 'Twee vaders'. Ik heb het niet nageteld, maar ik heb de indruk dat Van Dongen meer over vaders en grootvaders schrijft dan over moeders en grootmoeders, maar dat kan ook aan de keuze in deze bundel liggen. 

Twee vaders

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
De één helpt bij m'n huiswerk
Koopt cadeaus en neuriet blij
De ander schreeuwt en drinkt en slaat
M'n moeder en m'n broer
En soms ook mij

Zo vreemd, ik snap er zelf maar weinig van
Dat de handen die me knuffelen en pijn doen
Horen bij dezelfde man

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
En nooit, als ik naar huis ga,
Weet ik wie er op me wacht
De stomme lijkt nooit heel ver weg
Zelfs als de leuke vrolijk naar me lacht

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
Wie zou dat ooit begrijpen?
Hoe hij is, weet ik alleen
Laatst toen de kwade me weer sloeg
Zag ik heel kort 
De lieve er doorheen

Alsof iets in hem zeggen wou:
Ik wil dit niet
Ik hou van jou

En toen hij stil m'n kamer weer verliet
Moest ik huilen omdat ik de rotzak haatte
Maar de lieve vader niet
Want ik besta is een prachtige bundel of moet ik zeggen: een prentenboek van Stien van Kerckhoven met tekst van Jurrian van Dongen?

Voor zover ik weet, heeft Van Dongen intussen al wel heel veel liedteksten geschreven en dan is toch wel een  heel bescheiden keuze. Moet er niet ooit een dikke verzamelbundel komen? Liedjes zijn nogal vluchtig en zeker liedjes voor tv. Het zou toch mooi zijn als we over jaren of eeuwen nog steeds de teksten van Van Dongen, net als die van Bredero, kunnen lezen in zijn Groot Liedboek.

Want ik besta. De mooiste liedteksten uit Het Klokhuis van Jurrian van Dongen met tekeningen van  Stien Van Kerckhoven. Uitg. Blauw gras, 2026; 84 blz. € 18,99 (hardcover)

Twee vaders

vrijdag 29 mei 2026

Afgestoft: interview met Henk van der Waal

Eigenlijk zou ik deze week nog een recensie willen schrijven van de graphic novel Ballade voor Sophie, uitgekomen bij uitgeverij Lauwaert. Maar door de correctiedrukte is daarvoor in mijn hoofd te weinig ruimte en ik wil de uitgave wel recht doen. Je moet dus nog even wachten tot volgende week. 

Voor vandaag heb ik daarom een oude tekst afgestoft, een interview met Henk van der Waal, dat eerder gepubliceerd werd in Liter nr. 18 (jaargang 4, 2001). Voordat ik begon aan het gesprek las ik de twee bundels die Van der Waal toen gepubliceerd had: De windsels van de sfinx (1995) en Schuldsanering (2000). Ik herinner me die als interessante bundels, maar ik vond de gedichten ook moeilijk. 

Het gesprek over die gedichten en over de dichter vind je hieronder. 




Een niet te saneren schuld

In gesprek met Henk van der Waal

Henk van der Waal werd in 1960 geboren in Hilversum, waar hij tot zijn achttiende woonde. Daarna vertrok hij naar Amsterdam om medicijnen te gaan studeren. Na twee jaar stapte hij over naar de studie filosofie. Van 1984 tot 1985 studeerde hij in Parijs en in 1988 studeerde hij in Amsterdam af op een studie over Heidegger. Later vertaalde hij onder andere boeken van de Franse filosofen Maurice Blanchot en François Lyotard.

Intussen heeft hij twee bundels gedichten op zijn naam staan. De windsels van de sfinx (1995) werd in 1996 bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut van dat jaar en onlangs verscheen Schuldsanering. Zijn gedichten vallen op door een weelderig beeldgebruik dat gepaard gaat met een bijna Spartaanse vorm. Hij zet de tekst bijvoorbeeld neer in driehoeken, ruiten en rechthoeken.

Ik sprak met hem vooral over zijn laatste bundel en over de schuld die daarin zo vaak voorkomt, maar ook over Heidegger en over de ontdekking dat Sinterklaas niet bestaat.

Je besteedt bij je gedichten veel aandacht aan de uiterlijke vorm.

Alles wat zeggingskracht kan hebben, gebruik ik. Dus ook de vorm. Tegelijk wil ik laten zien dat de vorm in zekere zin arbitrair is. Je kunt hetzelfde gedicht presenteren als een cirkel, een ruit of een vierkant. Dat maakt wel iets uit, maar ook niet zo gek veel. Misschien gebruik ik de vorm ook wel als een bliksemafleider. Die werkt nog heel goed ook, want elke recensent die iets over mijn gedichten schrijft, focust helemaal op de vorm. Dat is nogal de tendens in de Nederlandse kritiek, die obsessie voor uiterlijke kenmerken. Ik word daar wel eens wat mistroostig van, want ik doe meer dan wat lijntjes trekken op een wit stuk papier. Ik schrijf gedichten die ergens naartoe willen met de lezer.

Is dat gedoe met die vorm meer dan spielerei?
Het is spielerei, absoluut, en ik zou willen dat wat meer mensen dat doorhadden. Maar toch is het ook meer dan dat. Door mezelf beperkingen op te leggen blijf ik bij de les. Voor zo'n gedicht uit de serie ‘Kruisingen’ moet ik letten op de lengte, de opbouw, de overgang in de middenregel. De compositie wordt daardoor heel belangrijk. Ik ontneem me de vrijheid om zomaar wat losse uitspraken achter elkaar te zetten.

Het zijn heel strenge vormen, maar daarbinnen schiet de taal alle kanten op, op het losbandige af.
Klopt. Misschien gebruik ik de vorm ook om me enigszins te beschermen tegen mezelf. Dat het niet te losbandig wordt, dat het niet maar doorgaat.

Vraagt elke cyclus zijn eigen vorm?
Als ik een nieuwe cyclus begin, bepaal ik vaak eerst de vorm. Ik probeer voor elke serie een eigen vormwet te creëren. Daarna tast ik tenminste niet meer helemaal in het duister. Het is net als met een toneelstuk. Dat heeft niet alleen tekst nodig maar ook enscenering. Een gedicht wordt ook ten tonele gevoerd, is dus drama.

Interferenties III

Al uwe baren
en golven zijn over
mij heengegaan, maar
ontzondigd met hysop of witter
dan sneeuw ben ik niet, want de zee
van een andere hand, die al het eeuwige heeft
uitgebannen, likt aan mijn strand, stroomt over
de rots van mijn verlangen en bonkt tegen derzelver
verheffing alleen om mij in mijn verstarren te omarmen,

tot ik vernacht
zal zijn, ook al ben
ik niet verzadigd, want hoe
ook de erosie aan mijn buikwand
met haar hand over hand toeneemt tot ze me
niet meer geweest maakt en ik naar haar kijk en
niets dan de wind en de zee voel in de haardos van
mijn herinnering, verstoken van oneindigheid blijf ik
van eeuwigheid tot eeuwigheid die ik niet ben; hallelu nee -

bewaar me niettemin de blauwe ogen blozend blonde glimlach van mijn kind.

[Dit gedicht interfereert met Psalm 42:8, 51:9, 46:4, 69:17]


Je hebt de cyclus ‘Interferenties’ opgedragen aan God. Zit er een ironische ondertoon in die opdracht?
Het is een knipoog, maar het is ook serieus. In die opdracht zit dezelfde ambivalentie opgesloten die ook in de cyclus zit. Dat merk je pas als je ‘Voor God’ naar het Frans vertaalt. Je krijgt dan Adieu en neemt dus afscheid van iemand. Dat is heel adequaat, want in deze cyclus neem ik op een nogal stevige wijze afscheid van God. Ondanks de hardvochtigheid die in dat afscheid verborgen ligt, kan ik er echter niet omheen zijn hulp in te roepen als er iets mis zou gaan met mijn dochter. Misschien is deze cyclus eigenlijk wel opgedragen aan deze ambivalentie zelf. Aan dat niet bestaan van God en het tegelijk niet zonder kunnen.

Heb je een religieuze achtergrond?
Ik kom uit een gereformeerd gezin. Ik ben altijd naar de kerk gegaan en aan tafel lazen we uit de Bijbel. Je ziet dat ik voor deze cyclus de statenvertaling heb genomen. Die anachronismen mag ik graag gebruiken. Het bijbellezen zal ook zeker mijn taalgevoel gevormd hebben, dat kan bijna niet anders. Dat is de enige reden waarom ik mijn kinderen soms uit de Bijbel zou willen voorlezen.

Zegt het jou inhoudelijk nog iets? Is het meer dan een herinnering?
Mijn religieuze opvoeding heeft me enorm gemarkeerd. Daar doet mijn huidige status van ongelovige niet zo veel aan af. De cyclus ‘Interferenties’ laat ook zien dat ik heel wat te stellen heb met dat geloof. Het is een soort protestsong tegen de christelijke God. Maar omdat ik weet dat die wraakzuchtig is, kan ik het niet laten om me in te dekken als het gaat om het dierbaarste wat ik heb: mocht U er zijn, pak me mijn kind dan niet af. Met andere woorden: bezoek mijn zondigheid niet aan mijn kinderen.
Pas hoorde ik op tv een liedje van Maarten van Roozendaal, ‘Red mij niet’. Dat kon ik heel goed meevoelen. Maar ik heb zijn gedachte eigenlijk een stapje verder gevoerd. Als het om je kind gaat, kantelen sommige zaken, dan wil je toch wel een God als hoeder. Dat komt steeds terug in die laatste, eenregelige strofe.

Ook in de vorige bundel schreef je over je kind. Verandert het hebben van een kind in dit soort dingen het perspectief?
Het perspectief wijzigt bijna per definitie. Nu ik kinderen heb, kan ik me niet meer puur en alleen wentelen in mijn eigen besognes. Er zit ineens iets aan me geklonken, waar ik van afhankelijk ben, maar dat toch een heel eigen weg gaat. Met alle risico's van dien. Me volledig op mezelf laten terugwerpen is een luxe die ik me niet meer kan veroorloven.

Omdat de verantwoordelijkheid groter is?
Ja. Ik moet voorzichtiger zijn, ook in geloofszaken. Daarom staat er: ‘bewaar me niettemin’. Verdoem mij maar, of weet ik veel wat, maar bewaar me mijn kind.

De toon wordt in de loop van de cyclus milder, zeker in het laatste gedicht.
Het protest gaat inderdaad over in een ingekeerde houding.

Waar wil je tegen protesteren?
Tegen alle beperkingen die het geloof mee heeft gebracht, tegen alle verboden, de verdoeming van het lichaam, de poging om mensen klein te maken door te dreigen met hel en verdoemenis, tegen dat grote verhaal dat is geweven.
Op een gegeven moment merkte ik dat Sinterklaas niet bestond. Dat is voor mij de katalysator geweest. Ik geloofde heilig in Sinterklaas! Toen die niet bleek te bestaan, moest ik ook wel gaan twijfelen aan het bestaan van de andere man met de baard. Toen mijn zusje het me vertelde, viel echt de grond onder mijn voeten weg. Met Sinterklaas is dat hele tere bouwwerk van het geloof gaan verzakken, om in mijn puberteit definitief in te storten.

Verlang je wel eens terug naar het wereldbeeld uit je jeugd?
In het begin misschien wel, want het is leuk om uit het niets cadeautjes te krijgen en 's avonds voor het naar bed gaan te kunnen regelen dat je de volgende dag een voldoende krijgt. Maar nu ben ik blij voor de openheid van geest die ik kan betrachten.

Praatte je er thuis over toen je geloof begon te wankelen?
Nee, natuurlijk heb ik het daar thuis niet over gehad. Geloofskwesties heb ik nauwelijks besproken. Zij wilden wel, maar ik niet. Ik heb me nooit vrij gevoeld te twijfelen, ben waarschijnlijk heel erg bang geweest mijn ouders en met name mijn vader teleur te stellen. Maar er is meer aan de hand. Waarschijnlijk gunde ik hun geen macht over mijn gevoelsleven en ben ik daarom alle discussie uit de weg gegaan: dat gaf me de meeste zekerheid op zelfstandigheid.

Richt je kritiek zich op de kerk of op hoe het er in jullie gezin aan toe ging?
Ik weet niet of ik in staat ben dat uit elkaar te houden. Via het ene protesteer ik tegen het andere en ongetwijfeld ook omgekeerd. Over mijn gezin en de mores die daar heersten ben ik in de loop van de tijd wat milder gaan denken. Ik betrap me er soms zelfs op dat het in mijn geval om een echte haat-liefdeverhouding gaat. Als andere mensen een sneer geven naar het christendom heb ik bijvoorbeeld de neiging een licht verdedigende houding aan te nemen. Er zijn immers weinig religies die de menselijke existentie zo diep hebben weten te beroeren. De muziek en schilderkunst die dat heeft opgeleverd, zijn onovertroffen. En de gevoelens die daarmee gepaard gaan werken zeker door in mijn gedichten.

Als je schrijft ‘Al uwe baren en golven zijn over mij heengegaan’, waar doel je dan op?
Dan bedoel ik dat de traditie, de dominee, mijn ouders, de verhalen, de bijbel, dat ze allemaal heel erg hebben geprobeerd om mij erbij te trekken, mij tot de hunnen te maken, maar dat het, jammer maar helaas, niet is gelukt. Waarom niet lees je verderop in het gedicht.

Het is niet gelukt, maar je voelt je wel schuldig.
Ja, absoluut. Zoals elke religie verstaat ook het christendom de kunst om zelfs afvalligen nog met huid en haar te binden. Ik denk overigens niet maar alleen negatief over die schuld. Daarom is de titel ook licht ironisch. Het gaat hier om een schuld die eigenlijk niet gesaneerd kan worden. Waarom niet? Omdat wij zelf een product zijn van die schuld aan God, aan de medemens, aan het eigen menselijk tekort. Dat tekort maakt ons nederig, maar geeft ons ook bewustzijn. Soms denk ik dat het hele bewustzijn het resultaat is van schuldbesef. Bewustzijn kan nooit ontstaan zonder dat je iemand inperkt, zonder dat je iemand laat zien dat hij een grens overschrijdt. Pas dan kun je hem tot zichzelf bepalen. Vroeger deed men dat in naam van God. Nu doen we dat in naam van een vaag soort humanisme.

Dat is de positieve bijwerking van de schuld.
Inderdaad. Zonder schuldgevoel kan het individu en de maatschappij niet functioneren, maar je wilt die schuld natuurlijk wel eens van je afwerpen.

De schuld zit ook in het schrijven. In de cyclus ‘Schuldsanering’ schrijf je: Wie schuldig gaat, moet de medeplichtigen met zich dragen. Dan noem je ook het potlood als medeplichtige.
Ja, als ik schrijf heb ik altijd het gevoel dat ik mijn eigen aanklacht aan het schrijven ben. Nog sterker dan voor wie spreekt, geldt dat alles wat je schrijft tegen je kan worden gebruikt. Vroeger dacht ik dat schrijven nabijheid kon brengen. Dat is niet zo. Schrijven vereenzaamt, houdt de mensen op afstand. Dat neemt niet weg dat, eenmaal begonnen, je niet meer op kunt houden met schrijven. In de poging schuld te lenigen, wordt die alleen maar groter. Alsof de existentiële schuld alleen maar uit te wissen is door hem groter te maken. Net een inktvlek op een broek die je probeert weg te poetsen. Alles wat je doet, alle sporen die je achterlaat en waarmee je die achterlaat, vergroten de schuld. Elke positiviteit die je neerzet, is schuld, belasting van de wereld, van anderen.

Is het schuld omdat je tekortschiet?
Ook, maar vooral omdat je belast. Het hoeft niet altijd erg te zijn, maar het is wel schuld.

Tegenover wie?
Dat ligt volledig in het ongewisse. Maar om het zekere voor het onzekere te nemen zeg ik maar: tegenover iedereen. Met die psalmencyclus heb ik misschien een paar mensen inzicht gegeven in hun eigen strijd met hun geloof, maar anderen heb ik er ongetwijfeld pijn mee gedaan. Wie een positie inneemt, schopt altijd mensen tegen de schenen.

Het alternatief is dan: in een hoekje gaan zitten en niet meer bewegen.
Die neiging heb ik inderdaad. Die eerste cyclus (‘Schuldsanering’) heeft dat ook duidelijk in zich en mijn vorige bundel, De windsels van de sfinx, nog meer. Daarin ligt een verlangen om egaal te worden, volledig neutraal.

Is dat een dagelijks verlangen voor je?
Je gelooft het misschien niet, maar eigenlijk wel. Het kan me enorm benauwen wat je allemaal niet fout kunt doen. Je zegt iets verkeerds of kijkt op straat niet goed uit en rijdt bijna tegen iemand aan. Vaak heb ik een verlangen om van die dagelijkse besognes waarmee het huis- tuin en keukengeweten vol zit, verlost te zijn.
Soms denk ik dat ik niets goeds kan doen. Dat had ik vroeger nog veel sterker. Vooral als ik dingen vergeet. Dan doe je iets fout dat per definitie geen opzet is. Maar je wordt er wel zwaar op afgerekend. Ik voel me dan onschuldig, terwijl ik weet dat ik bijna nog schuldiger ben dan als ik het met opzet niet had gedaan.

Heeft de godsdienst van je jeugd een rol gespeeld in dit aankoeken van je schuldbesef?
Dat lijkt me duidelijk ja.

Is dat ook een van de redenen voor je geweest om daarvan weg te willen?
O zeker. Ik heb me van heel wat ketenen willen bevrijden. Heb me er zelfs in geoefend om alle gedachten en gevoelens toe te laten waarop een doem rustte. Wedergeboorte wordt zoiets wel genoemd.

Terwijl je tegelijkertijd op een ander vlak dat schuldgevoel weer meeneemt.
Ja, goed, laten we ons geen illusies maken. Ik ben ook gek genoeg geen atheïst geworden. De gedichten die ik schrijf, zijn niet puur a-religieus. Maar wel op een andere manier dan het binnen de christelijke visie kan.

Hoe religieus ben je?
Ik ben geen logo-positivist. Laat ik het zo zeggen: ik probeer mezelf ertegen te beschermen er een te worden. Als je het goed bekijkt, en ik zeg dit niet zonder een dosis ironie, is de opdracht veelomvattend en zwaar. Mijn hele leven heb ik al het gevoel in een sterfhuisconstructie te leven. Toen ik jong was, ging Sinterklaas in rook op, toen ik in de puberteit zat begaf het christendom het op nationale schaal, toen ik ging studeren liep het oude idealisme van de studentenvakbonden ten einde en nam het nihilisme en egoïsme van de kraakbeweging het heft in handen. In die afbraak probeer ik iets vast te houden. Om het in bijbels jargon te zeggen: aren te lezen. En wie weet kan ik daar op een gegeven moment weer brood van bakken. Maar of er ook krenten in zullen zitten?

Door te dichten bouw je aan een eigen metafysica?
Nu moet ik voorzichtig zijn. Op de een of andere manier. Laat ik zeggen: op een andere manier.

Gaat dat beter met dichten dan met denken?
Dichten is de voorpost van het denken.

Kun je dat uitleggen?
Denken heeft een afzetpunt nodig om op gang te komen. Als dat er eenmaal is, kom je via verschillende stappen en onderscheidingen altijd wel ergens uit. Het is naar mijn idee aan het dichten om dat afzetpunt, hoe vaag soms ook, neer te leggen. Het dichten zet zich niet af, heeft geen fundament nodig. Dichten reikt naar iets wat nog niet omlijnd is. Daarom heeft dichten ook meer toekomst in zich dan denken, al klinkt dat een beetje soft. Het laat meer mogelijkheden open, zit minder vast aan logica en tradities.

Heeft je studie filosofie je poëzie beïnvloed?
Soms voel ik mijn studie filosofie als een ballast. Er zijn zoveel mensen die zo diepzinnig zijn geweest, dat beneemt me soms de adem. Het meeste wat je zelf bedenkt, heeft een ander al beter of mooier of treffender bedacht. Toch ben ik, na alles wat ik heb gelezen en heb moeten bestuderen, altijd een lacune blijven voelen. Ik vroeg me wel eens af, diep onder de indruk van een traktaat: ‘Is dit het nou? Is hier nu geraakt wat ik aan wil raken of, als je wilt, wat mij aanraakt?’ Dan moest ik die vraag altijd ontkennend beantwoorden en dat doe ik nog. Ik voel dat als de rechtvaardiging van mijn schrijven en dichten. Zolang ik die lacune voel, heb ik recht van spreken, wat helemaal niet betekent dat ik hem zelf kan dichten. Waarschijnlijk is die lacune ook helemaal niet te dichten en kan ik hem hoogstens een beetje verplaatsen of indrukken of vervormen.

Je hebt je onder meer met Nietzsche beziggehouden.
Voor ik filosofie ging studeren, probeerde ik al op alle mogelijke manieren mijn leef- en denkwereld open te breken. Een aantal filosofen zorgde ervoor dat dat proces in een stroomversnelling kwam. Het bleek zomaar dat ik niet helemaal alleen stond in al mijn overpeinzingen. Dat stimuleerde me enorm, anderen hadden met resultaat de grenzen van hun wereld verlegd, dus waarom zou ik niet hetzelfde doen? Dat dat laatste ietwat stoutmoedig is, weet ik wel, toch heb ik nooit die ambitie verloren. Wie zoiets heeft, kan bijna niet buiten Nietzsche, en ik dus ook niet. Die dringt zo direct en nietsontziend door tot het hart van de zaak en dat ook nog eens met een behoorlijke dosis humor, dat is fenomenaal. Het is bovendien een medicijn dat iedereen die een christelijke opvoeding heeft gehad, moet slikken. Niemand is zo goed in staat een door geloof en dogma's vernauwde blik weer vrij en open te maken als Nietzsche.

Kon je Nietzsche gebruiken voor het afbreken en Heidegger voor het opbouwen?
Nietzsche is inderdaad niet het hele verhaal. Hij breekt open en af, maar verzuimt om je gevoelig te maken voor, laat ik het maar het poëtische van het bestaan noemen. Heidegger is daar ondanks een zekere oubolligheid van zijn latere werk wel op een hele bijzondere en genuanceerde manier toe in staat. Voor het eerst was er een filosoof die het over stemmingen en over het dichterlijke van het denken had. Zelfs nu is dat nog redelijk ongehoord. Door velen ongeweten en waarschijnlijk nauwelijks toegegeven heeft hij dan ook een hele grote invloed op de poëzie gehad, ook in Nederland. Wat nu, met een woord dat meer misverstanden wekt dan inzicht schept, autonome poëzie heet, wordt overkoepeld door Heideggers formule ‘Die Sprache spricht’. De meesten interpreteren die zin als een vrijbrief voor taalkunstenaars en andere charlatans die niets van het echte leven weten, maar achter die uitspraak gaat een hele andere ambitie schuil. Als je hem namelijk koppelt aan een andere stelling van Heidegger: ‘De taal is het huis van het zijn’, dan heeft de ‘autonome’ poëzie altijd de pretentie in zich het ‘zijn’ of het ‘bestaan’ zelf aan de oppervlakte te laten komen. Dichters als Faverey en Kouwenaar hebben die kunst op exemplarische wijze verstaan. En in hun kielzog probeert een hele sliert dichters dat na te doen.

Jouw poëzie is wel in verband gebracht met die van Faverey.
Dat ik op grond van mijn eerste bundel met Faverey in verband ben gebracht, heb ik wel begrepen, maar ook als nogal kortzichtig ervaren. Dat komt omdat ook Heidegger weer wat steekjes heeft laten vallen. Steekjes die zijn opgepakt door filosofen als Emmanuel Levinas en Maurice Blanchot en in het dichterlijke bereik door iemand als Paul Celan. De ander, de vreemdeling, de geliefde, was buiten beeld geraakt bij Heidegger en ook bij de dichters die opereren binnen zijn invloedssfeer. Ik ben onder invloed van die kritiek gaan beseffen dat mijn zorgvuldig gekoesterde zelfstandigheid alleen kan bestaan en leefbaar is bij gratie van de inbreuken erop door anderen. De hoop van mijn verzen is, eigenlijk tegen beter weten in, dat het kloofdichtsels zijn, dat ze de intermenselijke eenzaamheid iets draaglijker maken. Ze zijn dan ook verre van autonoom. Als je in die terminologie wilt blijven, kun je beter spreken van alteronoom: bepaald door de inbreuk van de ander.

We hebben het even gehad over het bouwen aan een eigen metafysica. Van Heidegger kennen we juist de metafysicakritiek.
Metafysica is door Heidegger een besmet woord geworden. Ook Kant had al niet zoveel op met metafysica. De overgeleverde metafysica had alles zo strak ingedeeld en bepaalde zozeer de manier waarop we geacht werden de wereld te interpreteren, dat er iets moest gebeuren als we verder wilden komen. Daarom heeft Heidegger zijn destructie uitgevoerd: afbreken die handel om ruimte te scheppen voor een denken dat oor en oog heeft voor de lotgevallen van het ‘zijn’. Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk, want voor je het weet zit je met nieuwe interpretatiekaders die weer gaan werken als een metafysica. Dat lijkt een beetje op Nietzsche: de waarheid bestaat niet, maar je hebt hem wel nodig. Dat soort frases geeft altijd van die duizelingen in je hoofd. Een tijdlang ben je er zeer van onder de indruk en helpt het om het een en ander te relativeren, maar toch blijft zoiets in zekere zin een lege uitspraak of meta-uitspraak. In mijn poëzie probeer ik, hoe gek het misschien ook klinkt, dit soort meta-uitspraken te vermijden.

Waarom?
Omdat een wijsheid uiteindelijk altijd een semi-wijsheid blijkt te zijn.
Ik ga nog niet gebukt onder Nietzscheaanse doemscenario's, maar wel geloof ik dat er nauwelijks enig besef is van de mate waarin ons overgeleverde gedachtegoed is aangetast. De grote woorden hebben het veld moeten ruimen, maar daarmee ook een hele reeks kleinere. Zoals mens, ratio, gevoel, wil, individualiteit, depressie, genegenheid etc. Iedereen gebruikt die woorden nog, maar eigenlijk zijn ze al lang in rook opgegaan. Dat is aan één kant een enorme kans, omdat alles wat achter zo'n woord is weggestopt dan tevoorschijn kan komen. Maar aan de andere kant is het een gevaarlijke situatie.

Wat is er gevaarlijk aan?
Het hele terrein dat daarachter ligt, is voor je het weet geannexeerd door een nieuwe overheersende visie. En die visie is, het zal niet verbazen, die van de wetenschap en technologie. Het kind kolkt zo in razend tempo met het badwater weg. Ik voel aan mijzelf hoezeer het wetenschappelijk en technologisch denken de macht over probeert te nemen in mijn hoofd. Ik vind dat beangstigend. Ik merk om mij heen dat er een soort vrolijke acceptatie is van deze feitjes producerende instantie. Ik ben niet geneigd daaraan mee te doen, voel het zelfs een beetje als mijn taak om die andere kant, die het christendom de laatste eeuw eigenlijk ontglipt is, open te houden met nieuwe invullingen, probeersels, woorden. Het woord metafysica kan daar gelukkig nog niet op van toepassing zijn.

*
mij buitenstaander de schraping van zandgestengelde handen onder de laffe schemer van je bewimperde zicht dat uitdrukking loost in de matte gelieving die ondanks terging net boven de haatheid uitlaaft en wegdraagt naar wezende armen aan polsen om ijzer, naar barsten op lip lezende loosheid, naar monden in gaping en ogen van sneeuw, naar goudloze tanden, naar schreeuwen uit bijtende stilte - zestig vermiljoen vingers me je dood in duwen


De cyclus ‘Rasterwerk’ lijkt qua uiterlijke vorm meer op proza dan op poëzie.
Zoals we in het begin zeiden, vorm is altijd ook spielerei. Deze cyclus grijpt terug op oorlogsslachtoffers en ik vond het niet kies om daarbij spielerei te betrachten. Daarom heb ik de tekst als blokken neergezet. Bewust. Daarmee wordt het voor mij geen proza. Het zijn geen verhaaltjes. Die blokken zijn tralies...

Wat wil je met de cyclus?
‘Rasterwerk’ is voor mij een heel belangrijke cyclus, om meerdere redenen. Ik heb mijn gedichten net kloofdichtsels genoemd. ‘Rasterwerk’ is de ultieme poging daarvan die tegelijk gedoemd is geweest te mislukken. Op allerlei niveaus overschrijd ik ongeschreven wetten en regels.

Noem er eens een paar.
Het meest in het oog springend zijn die van de taal. Er staan veel neologismen in en ook de grammatica wordt hier en daar geweld aangedaan. Die overschrijdingen van de grenzen die de taal normalerwijs stelt, had ik nodig om een gebied te betreden waar mijn generatie ofwel met desinteresse, ofwel met veel politieke correctheid omheen loopt. Hoe kan ik mij, eigenlijk als volstrekte buitenstaander, verhouden tot de slachtoffers van oorlogsgeweld, meer in het bijzonder tot de slachtoffers van de holocaust? Normaal gesproken betracht ik een gepast stilzwijgen daarover en meng ik me nauwelijks in discussies dienaangaande. Maar tegelijk voel ik een beroep dat op me gedaan wordt, het stille verwijt van de gebruskeerden. Daar heb ik in deze reeks op willen antwoorden zonder enige terughouding te betrachten. Alsof je bij voorbaat al over de schreef bent gegaan als je daarover schrijft.



*





De cyclus ‘Kruisingen’ bestaat uit precies tien gedichten. Voor mij verwezen ze daardoor naar de tien geboden.
Ja, ze zijn ook geschreven in een soort gebiedende taal. En die middenregel natuurlijk.

Interfereer je hier met de tien geboden?
Dat ‘opdat ge niet...’ is eigenlijk de conclusie van een gebod en verwijst naar het gebod ervoor. ‘Opdat uw dagen verlengd worden...’, je kent het wel. Dat is een van de vele kruisingen die erin zitten, die van gebod en ervaring. Dat zijn eigenlijk twee werelden die dwars op elkaar staan, die nauwelijks met elkaar te verenigen zijn, maar wel met elkaar te maken hebben.

Kun je dat uitleggen?
Het is een oud verhaal. De ervaring, de liefde, het genot, maar ook de agressie en het geweld, ze hebben grenzen nodig en worden daarom gesanctioneerd door wetten. Dat leidt tot orde en welvaart, maar ook tot tragedies en ellende en zoiets als fundamentalisme. Maar te rijmen met elkaar vallen ze niet. De ervaring is zogezegd niet in de wet te vertalen en andersom gaat het ook niet. Ze congrueren niet. Het zijn twee verschillende bereiken die elkaar nodig hebben maar elkaar ook bestrijden en inperken en doorsnijden, maar vooral ook uithollen. Om dat te laten zien heb ik in de cyclus ‘Kruisingen’ twee idiomen gebruikt en twee lettertypes en een aparte opmaak.

Ik stelde mij dat kruisen ook heel lichamelijk voor.
Ja, het heeft een erotische component, maar het gaat ook over het voorgeslacht, dat dwars staat op een nieuwe liefde.

Het voorgeslacht dat mij gekruist heeft.
Ja, natuurlijk ook letterlijk. De kruising kruisigt, spijkert je vast op je genetische structuur.

Als je het zo verwoordt, krijgt het ook iets als een last.
Dat is het ook.

Omdat het zo determinerend is?
Ja, het is de grootste vrijheidsberoving die er is. Bij voorbaat een gevangene, een veroordeelde. Je bent schuldig omdat je het leven gekregen hebt, en daar zit je mooi mee opgescheept.

Lijkt dat ook op iets als de erfzonde?
Ik heb nooit uit de voeten gekund met het begrip erfzonde. Misschien moet ik beter uitleggen wat ik hierboven zei: het woord vrijheidsberoving impliceert schuld en overtreding, binnen ons rechtsstelsel althans. Tenzij je het als een gijzeling ziet: gegijzeld door je genetisch materiaal. Ook een reële optie. Maar laten we even bij de eerste optie blijven, dan komt het mooier uit. Wie schuld heeft, heeft namelijk ook iets goed te maken, iets te saneren. In die zin is het leven in een overgeërfde genetische structuur schuldsanering. Blijft open de vraag wie de goede gever van de schuld is, want laten we wel wezen, juist door die genetische determinatie kun je de mens zijn die je bent, in plaats van een ongedefinieerde berg modder. Het pijnlijke is dat degene die het schuldig heeft uitgesproken, niet te achterhalen is, of beter gezegd opgaat in een oneindige reeks van ouders en grootouders en overgrootouders. Die reeks heeft jou bepaald, heeft het oordeel uitgesproken: leef! Ik zie dat los van iets als erfzonde. Schuld kan je proberen te lenigen. Voor zonde ben je aangewezen op vergeving. En wie moet dat doen?

Dan krijg je ook te maken met het verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid.
Maar dat is sowieso een probleem wanneer je er een deterministische visie op na houdt. Daarom is natuurlijk ook de vrijheid uitgevonden, want die geeft je de verantwoordelijkheid terug. In die gedichten probeer ik ook dwars op het voorgeslacht en de genetische en sociale determinatie die daarmee gepaard gaat, vrijheid te verwerven.

Binnen grenzen die al gesteld zijn.
Niet per se. Maar op een gegeven moment ben je wel zo verstandig dat je ze accepteert of er in ieder geval mee om kunt gaan zonder telkens je hoofd te stoten.

Maar zoals je voorgeslacht jouw vrijheid beperkt, geef jij die beperking weer door aan het volgende geslacht.
Daar hebben deze gedichten het niet over, maar het is wel waar. Het is een ketting die maar doorgegeven wordt, Schopenhauer ten voeten uit. Maar bij mij gaat het om het moment van het uitbreken en van de liefde die daar een soort pauze in is, een cesuur mee vormt.

De liefde heft die beperkingen niet op.
De liefde komt wel een heel eind, maar helemaal opheffen? Soms ben ik wat somber gestemd. In de wetenschap wordt er met man en macht aan gewerkt om ons voor 99,9% gedetermineerd te maken. Ik word ook een beetje meegenomen op die stroom. Maar tegelijk mag ik toch ook graag een tegengeluid laten horen. Dat zit vervlochten in de ervaring van liefde en schoonheid, in iets dat men wel kunst pleegt te noemen.

Omdat de mens daarbij boven zichzelf uit getild wordt?
Dat is het niet helemaal. Je kan jezelf heel gedetermineerd voelen. Dan denk je: Ja, zo deed mijn vader dat ook, of mijn moeder, en tegelijkertijd daarbinnen toch een vrijheid ervaren, zonder dat je nu meteen boven jezelf uit springt. Ik ervaar het meer impliciet dan transcendentaal.

Bestaat die vrijheid dan uit de variatie binnen de grenzen?
Ik ben er een beetje huiverig voor om het zo te zeggen. ‘Kruising’ is wel het goede woord: vrijheid is iets wat dwars op de determinatie staat. Ze kunnen determineren wat ze willen, er blijft iets existentieels dat niet helemaal in te dammen is.

donderdag 28 mei 2026

Afgestoft: Kilroy (Harmen Wind)

Maar weer eens een recensie van gedichtenbundel afgestoft. Er moeten er nog veel meer zijn, maar ik heb niet alles meer beschikbaar. Alle besprekingen die ik voor de Poëziekrant geschreven heb, heb ik niet bewaard, zo te zien. 

Deze keer een recensie van een bundel van Harmen Wind, Kilroy, die eerder gepubliceerd is in Liter nr. 58 (jaargang 13, 2010). Ik heb hier al eerder recensies van het werk van Wind afgestoft. Links vind je onderaan. 

Mijn indruk is dat de poëzie van Wind een beetje in de vergetelheid raakt en dat is jammer. En zijn roman Het verzet is ook nog altijd het lezen waard. 

Nog even kort over wat je kunt verwachten op mijn weblog: ik probeer drie recensies in de week te plaatsen (vaak om en om over literatuur en over strips), maar ik weet niet of ik het helemaal red, door de examencorrectie. Volgende week is het gelukkig al rustiger. Dat zeg ik tenminste tegen mezelf. 


Een zoen als een vuistslag


‘Kilroy was here.’ In de Tweede Wereldoorlog en daarna dook deze tekst op de meest vreemde plaatsen op, op stoepen, muren en hekken. Er wordt zelfs verteld dat tijdens de conferentie van Potsdam in 1945 iemand hem in de badkamer van Stalin op de muur gekalkt had.

Er zijn veel theorieën over de betekenis van de kreet. Zo zou die verwijzen naar een werkelijk bestaand hebbende James Kilroy, maar bewijs is daar eigenlijk niet voor.

Harmen Wind noemde zijn nieuwe bundel Kilroy en hij opent met ‘Kilroy was here’: 
Kilroy was here
Hoe listig ik hem ook trachtte te ontlopen, 
steeds weer bleek ik hem te volgen: in
al mijn toevluchten ging hij mij voor. 

De vloek van zijn geurvlag, de spot 
van zijn prent, joegen mij keer op keer 
de deur uit. Waar ik ook arriveerde, 

ik vond er zijn tekens, nooit trof ik 
hemzelf. Pas toen ik het opgaf, liet 
de boodschap zich lezen ik zag 

dat ik het was, de man die schrijft 
er overal altijd geweest te zijn, 
welk heenkomen hij ook kiest.


De eerste regel draait al meteen de zaken om: de Amerikaanse soldaten troffen ‘Kilroy was here’ als tekst op een muur aan. Kilroy was hun dus voor geweest. Hij was alweer verdwenen. Maar bij Wind is Kilroy degene die achtervolgt. De ik probeert hem te ontkomen, maar merkt dat hij hem alleen maar achterna loopt.

Wind houdt van dat soort omkeringen. Hij schrijft bijvoorbeeld ook: Op de vlucht voor de vader van onze / gedachten maken wij mee wat wij willen / ontgaan’; ‘Zie in het gaan de gave om te komen’; ‘Snel raakt zijn spoor hem bijster’; ‘Alleen in wat verloren gaat kom je tot / jezelf’ en ‘o licht / dat mij ontgaat - draag mij, laat mij niet los’.

Het woord ‘toevluchten’ in de eerste strofe deed mij meteen denken aan ‘God is een toevlucht t' allen tijde’, waardoor de alomtegenwoordigheid van Kilroy voor mij ook een religieuze component kreeg.

Het woord ‘heenkomen’ in de laatste strofe is een synoniem van ‘toevlucht’, waardoor het gedicht onnadrukkelijk ‘rond’ wordt gemaakt. Bovendien heet de laatste afdeling van de bundel ‘Heenkomens’.

Zo spant Wind zijn lijntjes van het eerste gedicht naar de rest van de bundel.

De koortsigheid waarmee de ‘ik’ op Kilroy jaagt dan wel hem probeert te ontlopen, wordt duidelijk in de beeldspraak in de tweede strofe, die aan de jacht ontleend is. Ook hier preludeert Wind al op een gedicht verderop in de bundel: ‘Ik, jouw verleden, raak / tussen passanten, meute op / het haarwild, achterhaalde prent.’ De ik jaagt op een onbekende, maar juist als hij het zoeken opgeeft, vindt hij. Zichzelf, de dichter. De man die tekens nalaat, maar zelf onvindbaar blijft. We hebben zijn gedichten; daar zullen we het mee moeten doen.

Dit gedicht lijkt van alles uit te leggen, maar door erbij te zeggen dat het maar een gedicht is, dat het maar tekens zijn en niet meer dan dat, zet Wind het ook meteen weer op losse schroeven. Daarmee wordt het gedicht, wat mij betreft, gered.

Wind heeft wel vaker de neiging uitleggerig te zijn. Een gedicht als ‘Correctie’ zakt erdoor in elkaar. Alles wordt verklaard en voor de lezer blijft er niets meer te genieten over.

Op die momenten verdwijnt de zeggingskracht en jammer genoeg heeft Wind verschillende keren in de bundel zo'n moment. ‘Ooit valt mijn adem stil, trekt mijn zijn / zich terug onder de tekens van een / naam’, lezen we dan, zoals we het zo vaak op zoveel plaatsen hebben gelezen, maar dan misschien zonder dat lelijke ‘mijn zijn’.

Of ‘Dat wit van tanden, blinkend in zacht rood’ of ‘zon / op golvend haar’ of ‘Ademloos strekt de / kust zich uit’. Zulke zinnen of zinsgedeelten doen bijna gemakzuchtig aan. Ik aarzel om zo'n zin te tikken, omdat gemakzucht gewoonlijk het laatste is waarvan ik Wind verdenk. Toch lijkt het alsof hij bij sommige gedichten in deze bundel te weinig kritisch is geweest, alsof ze niet lang genoeg ‘kelder’ hebben gehad, zoals Paul van Ostaijen ooit schreef.

Gelukkig laat Harmen Wind in deze bundel ook zien dat hij veel beter kan. Een zin ‘als een vuist raakte haar mond / mijn lippen’ is bijzonder krachtig, doordat hier twee dingen met elkaar vergeleken worden die wij als tegengesteld ervaren. Ook als lezer word je gezoend door zo'n zin, terwijl je daar alleen van kunt genieten door tegelijk de vuistslag te ontvangen.

In datzelfde gedicht laat Wind de lucht naar adem snakken en mos van dijen kruimelen. Zo lees ik Wind graag. Ik vergeef hem er met plezier de hele afdeling ‘Confrontaties’ voor, waarin ik weinig te beleven had.

Op het moment dat je als lezer aan het werk gezet wordt, kun je ook wel wat voor lief nemen. Zoals bijvoorbeeld in het gedicht ‘Wollegras’: 
Wollegras

Wij merkten wel hoe groot 
het water was geworden. Een 
schuimbekkend monster joeg 
met zijn razende stormloop over 
de vlakte ons ontzetting aan. 

Wij zagen het wel komen door 
het zolderraam, wij voelden wel
het radeloze beven van het huis, 
wij vreesden wel het rauwe brullen 
van dat grote water in de tuin - 

Maar ik rook ook je haren, want het was 
maar een smal dakvenster - en boven dat 
enorme water spiegelde, te midden van zacht 
wollegras, ons kleine wiel, net toen wij wel 
beseften dat de draagmuur het begaf.

Op dit gedicht is van alles aan te merken. Er zijn nogal wat zware woorden in de eerste twee strofen en het zijn niet de meest originele: ‘schuimbekkend monster’, ‘razende stormloop’, ‘ontzetting’, ‘radeloze’, ‘rauwe brullen’. De dichter vertelt het ons expliciet, terwijl hij het beter aan ons had kunnen laten zien, zodat dergelijke woorden als vanzelf in ons opgekomen zouden zijn. En dan is er natuurlijk nog de herhaling van dat grote water dat zelfs ‘dat enorme water’ wordt.

Maar daarnaast blijft dit een intrigerend gedicht, waarin de woestheid van het water gepaard kan gaan met de geur van haren en met zacht wollegras. Dat blijkt zelfs het belangrijkste te zijn, ook als de draagmuur het begeeft.

Laten wij het dan ook maar niet zo erg vinden als sommige muren van dit gedicht wankelen. Er waait een geur van haar doorheen en ergens zien we ‘ons kleine wiel’ en we kunnen ons nog lang afvragen wat de dichter daar nou mee wil. Voor dit soort passages wil ik Wind wel blijven lezen, maar ik hoop ze in zijn volgende bundel wel veelvuldiger aan te treffen.

Eerder schreef ik over Harmen Wind: