Posts tonen met het label Jeugdliteratuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jeugdliteratuur. Alle posts tonen

woensdag 19 augustus 2026

Nachtbezorger (Lucas de Waard)


Andrecht was een kuststad. Of misschien vormde het wel een schiereiland. Maar op een dag kwamen de graafmachines en werd Andrecht losgemaakt van Het Land. Wie in de stad zit, zit daar vast. In de verwarring die ontstaat is er een man die het voortouw neemt: Leander Winkelman, een 'zonnebankbruine' volkszanger met een voorliefde voor Frankrijk. Hij zorgt er eigenhandig voor dat er weer stroom komt en hij neemt de leiding van de stad over. Maar hij trekt wel erg veel macht naar zich toe. Zo zorgt hij voor de verdeling van het voedsel en het is niet de bedoeling dat mensen zelf in hun voeding voorzien: er komt een verbod op moestuintjes. Zijn Gendarmerie houdt alles in de gaten. 

In deze bijzondere stad leeft Amy, die post bezorgt. Dat is een illegale bezigheid, want inwoners van Andrecht mogen geen contact meer hebben met Het Land. Daarom bezorgt ze de post in de nacht. Daarnaar verwijst dan ook de titel van de roman van Lucas de Waard: Nachtbezorger. 

De mensen die de brieven krijgen, moeten daarvoor betalen. Maar als een van de ontvangers, Ben, geen geld genoeg heeft, besluit Amy dat hij niet hoeft te betalen. 

Vertellers

Er zijn verschillende vertellers in Nachtbezorger: Amy, ex-profboksster, ooit beschuldigd van het gebruik van doping. Ze trok zich terug in Atrecht, bij een vriendin, Zara, vlak voor de graafmachines kwamen. Verder is er Ben, kleermaker, die zich probeert te redden in de halfdode stad. Hij krijgt af en toe post van zijn dochter Samira. En hij kent uit zijn verleden de jongen die later hoofd van de Gendarmerie werd, een reus van een vent, half dierlijk: De Beer. En dan is er nog Jona, uitbater van café Mingus. Hij hoort niet en hij spreekt niet, al zou hij dat laatste misschien wel kunnen. 

Het verhaal komt op gang als Amy een bijzondere opdracht krijgt: ze moet een brief van Leander Winkelman bezorgen bij diens moeder, die ergens in Het Land woont. Ze besluit samen met Jona de brief open te maken en de inhoud ervan blijkt compromitterend voor Winkelman te zijn. Vanaf dat moment is ze haar leven niet meer zeker. 

Wat er daarna gebeurt, is spannend beschreven door Lucas de Waard. Er zit vaart in het verhaal en je leeft heel erg mee met Amy, van wie je steeds meer te weten komt. Je wilt dat ze het redt, maar je weet ook dat de kans daarop erg klein is, want de macht is goed georganiseerd. 

Als je je maar mee laat voeren met het verhaal, leest het lekker weg. Het heeft een beetje de sfeer van young-adultroman, voor mijn gevoel. Er zijn best wat raadselachtige dingen in Atrecht, maar De Waard houdt er wel van om dingen uit te leggen in plaats van ze te laten zien. Je krijgt dan zinsneden als 'was het bokkige antwoord' en 'Ze grinnikt bitter'. Als lezer hoef je niet al te veel zelf te bedenken. 

Vragen stellen

Als je je vragen gaat stellen, gaat het verhaal aan het wankelen. Hoe worden de mensen bijvoorbeeld gevoed? Voor zover mij duidelijk werd, is er geen landbouw in Atrecht (op wat subversieve moestuintjes na) en als er een voedingsindustrie zou zijn, is het niet duidelijk hoe die aan grondstoffen zou moeten komen. En hoe zit het met de economie van de stad? Zijn er banken? Heeft Atrecht zijn eigen geld? Verdienen mensen eigenlijk wel geld? Hoe komen ze dan aan wat ze nodig hebben?

Maar de belangrijkste vraag is natuurlijk: waarom besluit Leander Winkelman, die alle macht heeft, dat juist Amy de brief moet bezorgen. Hij weet wat erin staat en hij weet dat hij een enorm risico neemt. Hij zal ook de macht hebben om te zorgen dat er toch iemand het kanaal oversteekt om de brief te bezorgen. Daar heeft hij Amy helemaal niet voor nodig. 

Compositie

Het verhaal wordt afwisselend verteld door Amy, Ben en Jona. Amy en Jona komen al gauw samen en ze spannen samen tegen Winkelman. Het verhaal van Ben geeft wel een inkijkje in het leven in Atrecht, maar zeker in de eerste helft van het boek voegt het niet heel veel toe. Pas aan het eind, als blijkt dat Ben en De Beer elkaar kennen, gaat die lijn iets meer betekenen. Verder zijn er twee hoofdstukjes, 'Ballon' en 'Dochters', die De Waard blijkbaar nodig had om een deel van het verhaal te vertellen. Dat maakt de compositie minder strak. 

Op een gegeven moment bevinden Amy en Jona zich in een tram, waarvan het verhaal gaat dat er wonderlijke dingen gebeuren en die gebeuren er dan ook. Maar waarom eigenlijk? Het lijkt een ideetje dat in de roman gepropt is, maar dat ook achterwege gelaten had kunnen worden. En zo gaat het met meer verhaalelementen. Wat mij betreft had de redacteur hier en daar best wat strenger mogen zijn. 

 Eigenlijk was ik nogal teleurgesteld door Nachtbezorger, maar dat heeft mogelijk te maken met mijn verwachtingen. Ik ken uitgeverij De Geus als een uitgever van literatuur (Esther Gerritsen, Jaap Robben, Jannah Loontjens, Kristien Hemmerechts, Robert Haasnoot). Pas nadat ik Nachtbezorger uit had, las ik dat er een boek van De Waard ooit genomineerd was voor de Gouden Strop Schaduwprijs, een prijs voor thrillers. Van thrillers weet ik eigenlijk niets, maar ik kan me voorstellen dat daarbij de spanning het belangrijkst is. 

Dat ik het boek ook gelezen heb als een young-adultroman zal te maken hebben met Amy, die al een heel verleden heeft, maar toch overkomt als een jongere. En ook bij dat soort romans ligt de nadruk vaak op de actie, is mijn indruk. 

Nachtbezorger leest wel lekker door, maar het bood me te weinig. Dat je meeleeft met iemand die zich verzet tegen de macht, ligt nogal voor de hand. Dan sta je als lezer automatisch aan de goede kant en dat is misschien wel een net te gemakkelijke positie. Hoewel er nuances aangebracht worden, is redelijk duidelijk wie er deugt en wie niet. Ook al zijn de gebeurtenissen niet voorspelbaar, de roman is wel voorspelbaar in zijn strekking en dat heeft ervoor gezorgd dat ik me toch een beetje verveeld heb bij het lezen. 

Maar misschien is dit gewoon geen roman voor mij en moet ik mij maar bij de literatuur houden. Wie tijdens een vakantie onbekommerd wil lezen, zal Nachtbezorger een prima boek vinden. 

Lucas de Waard, Nachtbezorger, Roman. Uitg. De Geus 2026; 224 blz. €20,99

vrijdag 26 juni 2026

Afgestoft: Flitsleemte (Elma van Haren)/De deugende cirkel (Saskia de Jong)

Twee korte besprekingen deze keer, die ooit gepubliceerd zijn in  Liter nr. 59, jaargang 13 (2010) en beide recensies van dichtbundels: Flitsleemte van Elma van Haren en De deugende cirkel van Saskia de Jong. 

Ik zal zoeken naar de oude recensies die ik nog niet afgestoft heb. Dat zullen er een stel uit Nederlands Dagblad zijn, maar ik heb niet tot alles wat ik daarin ooit geschreven heb nog toegang. In Liter heb ik een serie artikelen geschreven in een rubriek 'Onder het mes'. Die heb ik niet gelezen, maar ik vermoed dat dat nogal betweterige stukjes zijn, die misschien maar beter onder het stof kunnen blijven. 

En ik heb nog wel het een en ander geschreven voor de Poëziekrant, maar ik heb de oude nummers van dat blad ooit aan iemand cadeau gedaan, dus die recensies heb ik niet meer en ik weet ook niet hoe die nog te pakken kan krijgen. 



Een dot lukraak geluk

Soms wandel je, handen in de zakken, kop naar de grond, langs de prachtigste dingen zonder ze te zien. Zonde. Van Elma van Haren heb ik de eerste twee bundels in de kast staan: De reis naar het welkom geheten en De wankel. Hoe ik eraan kom, weet ik niet eens meer. Ik heb ze nauwelijks gelezen. Als iemand mij ernaar gevraagd zou hebben, zou ik iets vaags gemompeld hebben als: ‘lange zinnen’ (waarvan ik niet zo houd) en ‘wel eigenzinnig, ja’, en daarmee zou ik niets gezegd hebben.

Maar nu heb ik haar laatste bundel in huis: Flitsleemte. En ik heb hem gelezen en steeds weer gelezen en ik wil iedereen die bundel geven en alle vorige bundels gaan lezen en roepen dat het poëzie is die vonkt en tinkelt, die je het water in de mond laat lopen, die je zachtjes over je arm krabt, die in je nek ademt, die je kietelt, die je een por in je zij geeft.

Poëzie met daarin stukjes zin als ‘een partijtje geurworstelen’, ‘sterk als eigen getrokken kippenbouillon’, ‘een dot lukraak geluk’, ‘levertranen’, ‘klompenlicht’, ‘heupwiegend loof’, ‘het dijende landschap’, ‘niet als gespikkelde eieren zo broos’, ‘zoomzwelgend’.

Bijzonder zinnelijke poëzie is het; een tafel helemaal vol gerechten die er allemaal lekker uitzien en je weet niet waar je moet beginnen te eten. Poëzie die ‘Joehoe’ zegt en ‘Zag je dat?’ en ‘Zul je dit nooit meer flikken?’, alsof ze naast je staat en heel vertrouwd is met je. Maar ook poëzie die afstand weet te bewaren:

Het zijn Uw vleugels, doch het is mijn hooghartigheid!
Op een warme avond dolf ik naar goud, maar vond
in het rode blad van een geranium het kleinste bloedvat boven, 
    de grimas van de geur hartvormig,
    hartstochtelijk in haar verbetenheid.
Zonder U ben ik donkerend hout met een vleug vorst erin.
Doch ik heb zon in mijn zinnen en tong waar U bestaat. 
Ik ga graag op in rauwe dingen,
ik zing hoog en vals, tot 
U blauw de glazen breekt en mij in gruzelementen vallen laat 
en vangen kan 
                        in Uw zingend rood geraniumorgaan.

Die afstand is trouwens niet zo verwonderlijk. Het motto boven het gedicht waaruit dit citaat komt is van Hadewijch: ‘Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade.’ Net als Hadewijch weet Elma van Haren het hogere en tastbare met elkaar te verbinden.

In verbindingen maken is ze trouwens toch goed. Haar gedichten dansen van de associaties. Allemaal dingen die ze even noemt en als lezer ga je ze verbinden en dan gaat er steeds meer meezingen in het gedicht.

Soms legt ze de verbinding expliciet, zoals die tussen verwelkte prei en de oren van een lusteloos hangoorkonijn en nooit meer zal ik het een kunnen zien zonder aan het ander te moeten denken.

En hoewel ik ze al tien keer gelezen heb, zal ik nog vaak terugbladeren naar bijvoorbeeld het Hadewijchgedicht (‘Klompenlicht’) of ‘Klop van het engagement’, waarin de gruwelijkheid van de jacht (‘luid keelgeklop van de fazanten / opgejaagd door de honden. / Hazen en reeën buitelen dwaas tussen / steeds dunner wordend loof’) gecombineerd wordt met gezellig koffie drinken (‘Het is een vrolijke dood hier in de bossen en / vooralsnog drinken wij buiten de koffie.’).

Dreiging en genot, ze zijn er allebei. Zoals ook verder in het gedicht ‘Klop van het engagement’: 
Het zijn dagen waarin vrienden, gekoppeld aan accu's 
van kleine mechanische harten (en zo hun sterven al acht keer 
hebben uitgesteld) elkaar bezoeken en het leven bezingen 
met kasten vol boeken en muren vol kunst. 
Hun hele leven dat hart gevolgd en dus 
geen cent te makken gehad, maar hopelijk, 
als we het halen en mogen van een terugkerend katholicisme, 
zullen we in de toekomst de klop van nieuwe harten volgen, 
in kunst in liefde in hartstocht in het genot.

Zinderende gedichten schrijft Elma van Haren. Ik laat me er graag door bij de keel grijpen.


De godgans gakte


Er is heel wat poëzie speciaal voor kinderen geschreven. Ted van Lieshout, Wiel Kusters en Edward van de Vendel zijn enkele dichters die me zo te binnen schieten en als ik even langer nadenk, kom ik ook nog wel op Bas Rompa, André Sollie en Daniël Billiet. Bij dat rijtje mag nu ook gerust Saskia de Jong aanschuiven, met De deugende cirkel.

De bundel begint met enkele zwarte bladzijden en dan is er het eerste gedicht: ‘en het was licht, de godgans gakte.’ Het begin van de schepping dus. Na de godgans (‘de godganse dag op het water lopend’) volgen in alfabetische volgorde vijfentwintig andere dieren, bezongen in rondelen en elk rondeel vergezeld van een prachtig ‘knipsel’.

De auteur gaat niet op haar hurken zitten om de kinderen toe te spreken, maar vertrouwt erop dat zij ook wel in soms wat lastiger gedichten zullen doordringen. Vaak zijn de gedichten vrolijk of op zijn minst monter. Maar de ernst ontwijkt De Jong niet. Over de olifant dichtte ze: 
daar lag die dode olifant 
we vormden een kring voor het afscheid 
troostten met onze slurf uitgebreid 
en raakten haar aan, zielsverwant 
probeerden haar nog in rechte stand 

het was een hele plechtigheid 
daar lag die dode olifant 
aarde en bladeren op haar gespreid 

zijn wij bij beenderen aanbeland 
dan besnuffelen wij deze geheid 
herinneren ons een vroegere tijd 
dan peutert het aan ons verstand 
daar lag die dode olifant

Het leukst van de bundel is de woordenlijst achterin, waarin werkelijk elk woord dat in de gedichten voorkomt op te zoeken is. Ik vond er verklaringen als ‘dit: wat hier is’, ‘dauw: een vochtig goedje dat 's morgen op de natuur ligt’ en ‘armen: uitsteeksels aan je lichaam waarmee je kunt zwaaien.’

Ik geloof dat het vooral na het lezen van de woordenlijst was, dat ik geen kwaad woord meer over De deugende cirkel wilde horen of zeggen. Een boek dat je zo breed doet grijnzen, kun je alleen maar aanprijzen. Dat doe ik graag.



dinsdag 2 juni 2026

Want ik besta (Jurrian van Dongen / Stien van Kerkckhoven)


Liederen zijn er om gezongen en beluisterd te worden. Maar er zijn in de loop van de eeuwen heel veel liederen gemaakt die we voornamelijk kennen door de tekst, van 'Het lied van heer Halewijn' tot 'Klare, wat heeft er uw hartje verlept'. Liedteksten zijn gebundeld en die bundels werden soms gretig verkocht, bijvoorbeeld het Boertigh, Amoureus en Aendachtigh Groot Lied-Boeck van Gerbrand Adriaansz. Bredero. 

Dat is allemaal wel heel lang geleden, maar ook in de twintigste eeuw werden liedteksten nog veelvuldig gebundeld. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar heeft in de serie Pluche gebundelde liedteksten uitgebracht van onder anderen Lennaert Nijgh, Jules de Corte, Drs. P., Eli Asser en Raymond van het Groenewoud. Daar heb ik vaak uit voorgelezen aan het begin van een les, net als uit bijvoorbeeld Ik zou je het liefste in een doosje willen doen. Oud-leerlingen refereren daar nog wel eens aan. 

Het is dan ook niet zo gek dat nu Want ik besta is verschenen, een bundeling van liedteksten die geschreven zijn voor Het Klokhuis door Jurrian van Dongen. Het Klokhuis heeft, voor zover ik weet, vanaf het begin (1988) liedjes gehad, en altijd geschreven door goede tekstschrijvers, zoals Willem Wilmink en Hans Dorrestijn. Ook die liedteksten zijn indertijd gebundeld. 

Veel van de genoemde bundelingen zijn waarschijnlijk voornamelijk gelezen door volwassenen en soms werd er in de presentatie van de teksten geen onderscheid gemaakt tussen gedichten en liedteksten. Ze zeggen dat de aarde draait (1988) van Willem Wilmink heeft als ondertitel '37 nieuwe gedichten', terwijl je aan de vorm kunt zien dat sommige ervan als lied zijn bedoeld. Wilmink gebruikte vaak drie strofen (coupletten, moet ik eigenlijk zeggen) van zes regels, waarbij de derde en de zesde regel korter zijn dan de andere. Ook het lied waaraan de titel van de bundel ontleend is ('Mijn wetenschap') heeft die vorm. 

Uit Want ik besta leer ik dat bij het Het Klokhuis nog steeds af en toe teksten gegoten worden in een bestaande mal. In de bloemlezing is 'Boeiende groente' opgenomen (over broccoli) en in de aantekening erbij noteert Van Dongen dat er met deze vorm meer dan twintig korte liedjes zijn geschreven. 

Voor kinderen

Aan het eind van de bundel staat bij elke liedtekst een korte aantekening. Deze aantekeningen zijn voor kinderen bedoeld. Soms om de context uit te leggen. Je mag ervan uitgaan dat niet ieder kind weet heeft van Srebrenica en dat je dus moet uitleggen wat daar gebeurd is als een kind het lied 'Meisje in Srebrenica' te lezen krijgt. Er wordt bij een andere tekst ('De ridder met het vastgeroeste harnas') uitgelegd dat het een scèneliedje is, een kort toneelstukje op muziek. 

De hele bundel is bedoeld voor kinderen. Dat merk je niet alleen aan de aantekeningen aan het eind van het boek, maar veel meer nog aan de vormgeving van het boek. Het heeft het formaat van een prentenboek en het heeft ook wel die uitstraling, vooral door de prachtige tekeningen van Stien Van Kerckhoven. Het zijn paginagrote tekeningen en soms beslaan ze twee pagina's. Enkele teksten zijn afgedrukt op een gekleurde achtergrond, zodat ze min of meer in de tekening zijn opgenomen. 

Ziekenhuis

Dat alles zorgt ervoor dat Want ik besta niet alleen een leesboek, maar vooral een kijkboek is. Niet alleen de teksten, maar ook de tekeningen laten je nog even nadenken. In bijvoorbeeld 'Ziekenhuis' gaat het over een vader van wie het kind zich in een ziekenhuis bevindt. In de aantekening is te lezen dat het gaat over het Maxima Centrum, voor kinderen met kanker. Daar zijn gamekamers en hangplekken, en iedereen doet zijn best om het verblijf voor het kind zo fijn mogelijk heeft:

Oké, je hebt een kamer met balkon
Dus je kan veel naar buiten kijken
De kleuren en de gangen doen hun best
Niet op een ziekenhuis te lijken

Een eigen hangplek met de nieuwste games
Al lig je hier niet voor je plezier
Als je toch zo ziek moet zijn
Dan maar hier.

Oké, je noemt het zelf een soort hotel
En alle dokters maken grapjes
Het eten vind je lekkerder dan thuis
Al neem je soms maar kleine hapjes
(...)

Maar het kind is wel ziek en de vader is wanhopig:

(...)
En het hoort niet
Het hoort gewoon niet
Jij hoort hier niet te liggen
ik hoor hier niet zo dom te staan

Met m'n halfzachte beloftes
Van beter worden
En dan weer naar huis toe gaan
(...)

Op de pagina voor de liedtekst is een grote ballon te zien, met een glimlachende zon erop. Ook die ballon doet heel erg zijn best om hoop en optimisme over te brengen en dat wordt na het lezen van de tekst alleen nog maar schrijnender. Het lijkt een eenvoudige tekeningmaar die roept gecompliceerde gevoelens op. 

Want ik besta

De titel van de bundel is ontleend aan de tekst 'Doe gewoon normaal'. Die begint als volgt:

Dat je ons nooit uitzwaait
Als pappa mij komt halen, mam
Weet je wel hoe rot dat voelt?

En pap, dat jij om mamma 
niet naar m'n schooltoneelstuk kwam
Is raar, en ook niet eens voor mij bedoeld.

Doe gewoon normaal
Ik voel me bijna een verrader
Als ik vrolijk bij de één de ander bel
Heel lang getrouwd is niet gelukt
Maar een lieve moeder en een lieve vader
Kan toch nog wel?
(...)
Ik moest daarbij meteen denken aan een tekst van Willem Wilmink. Misschien ook wel doordat de eerste zin met 'Dat' begint. 
Dat ik van mijn vader hou,
doet moeder soms verdriet.
En dat ik van mijn moeder hou,
dat weet mijn vader niet.
Zo draag ik mijn geheimen mee
en loop van hier naar daar.
Nog altijd hou ik van die twee
die hielden van elkaar. 
Bij Wilmink beschrijft het kind vooral de situatie, waarvan het het slachtoffer is. Het kind bij Van Dongen is mondiger. Het spreekt de ouders aan. Het slot:

(...)
Doe gewoon normaal
Doe alsof je niet meer weet
Waarom jullie ooit trouwden
Maar geef elkaar geen duizend trappen na

Er is nog altijd één bewijs
Hoeveel jullie van elkaar hebben gehouden
Want ik besta
Bij Wilmink bladert het kind door het fotoalbum van toen de ouders trouwden, toen alles nog goed was ('Nog niets van de ruzies die komen zouden, / nog niets van de dag dat hij weg zou gaan.') Bij Van Dongen is juist dat gedeelde verleden een grond om op te roepen tot het 'normaal' doen. 

Dat het kind bestaat, dat het een product is van de liefde die er was, doet weer denken aan wat Bette Westera schreef:
Mijn  vader is een lieverd,
mijn moeder is een schat,
maar dat mijn vader ooit iets
met mijn moeder heeft gehad,
dat kan ik niet begrijpen, 
daar kan ik echt niet bij. 
Ze hebben niets, maar dan ook 
niets gemeen, behalve mij. 
Ook bij deze tekst van Van Dongen zijn de tekeningen van Van Kerckhoven weer geweldig. Op de ene pagina een kip en een haan die ruzie maken, zodat de pluisveren in het rond vliegen. Op de andere pagina een lief kuikentje dat je vanuit zijn ooghoeken aankijkt. Het denkt er het zijne of het hare van. 

Dementerend

Over elke tekst is natuurlijk veel te zeggen, maar daarvoor ontbreekt de ruimte. 'Voor ons samen' is gedrukt in een tekening: een oude man, tot halverwege zijn lichaam in het water, op zijn schouders een kleinkind, boven zijn hoofd enkele meeuwen. Je kunt niet goed zien waar het water ophoudt en de lucht begint. De bewolkte lucht zou ook mist kunnen zijn. 

Opa dementeert en kan steeds minder onthouden. Maar de liefdevolle kleindochter zal dan wel zijn geheugen zijn.

(...) 
Soms ben ik bang
Want je wordt vast nooit meer beter
Ook al voel je je niet ziek

Maar dat je vroeger trots en groot en sterk was
En met mij in je moestuin aan het werk was
En alle lieve dingen dingen
Die je ooit tegen me zei
Onthoud ik wel voor ons allebei

En zelfs als je m'n naam straks niet meer weet
Zie ik nog wie je was en wat je deed
Lieve opa, 
Daar kun je op vertrouwen

Ik zal je, tot ik zelf oma wordt, onthouwen
Er zijn intussen veel kinderboeken over grootouders met dementie. Mij schiet meteen Een opa met gaatjes van Wally De Doncker te binnen, maar recenter zijn er ook nog heel wat verschenen. 

Net als in die boeken ligt het perspectief bij het kleinkind. Natuurlijk gaat dit lied over dementie, maar meer nog over de liefde van het kleinkind voor haar opa en hoe ze koestert wat opa voor haar was en is. 

Struisvogel

Voor op het boek staat een jongen op de rug van een struisvogel. In het boek komt nog 'Struisvogels wiegelied' voor, dat meteen doet denken aan 'Stekelvarkentjes wiegelied' van Annie M.G. Schmidt. In de aantekeningen wordt daar ook naar verwezen. 

De moederstruis, zingt een wiegelied voor haar kind: een vogel die niet kan vliegen. Moeder troost het kind en ziet al voor zich hoe het kind, eenmaal volwassen, weer haar kind zal troosten:

(...)
Laat ze lachen, Struisje
Daar raak je aan gewend
En ben je 't moe
M'n schat dan doe je
Of je er niet bent
De lucht is toch al overvol
Antennes, toren en Schiphol
Dat is niks voor jou
Vooruit ga slapen nou

Ooit sta jij stevig en gezond
Met beide benen op de grond
En komt het eens op rennen aan
Dan lach jij in je vuistje
Welterusten, Struisje
Voor op het boek zie je een fiere struisvogel. Daardoor krijgt de titel ook iets zelfverzekerds: 'Ik besta!' 

Twee vaders

Laat ik eindigen met een complete liedtekst: 'Twee vaders'. Ik heb het niet nageteld, maar ik heb de indruk dat Van Dongen meer over vaders en grootvaders schrijft dan over moeders en grootmoeders, maar dat kan ook aan de keuze in deze bundel liggen. 

Twee vaders

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
De één helpt bij m'n huiswerk
Koopt cadeaus en neuriet blij
De ander schreeuwt en drinkt en slaat
M'n moeder en m'n broer
En soms ook mij

Zo vreemd, ik snap er zelf maar weinig van
Dat de handen die me knuffelen en pijn doen
Horen bij dezelfde man

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
En nooit, als ik naar huis ga,
Weet ik wie er op me wacht
De stomme lijkt nooit heel ver weg
Zelfs als de leuke vrolijk naar me lacht

Ik heb één vader
Maar eigenlijk zijn het er twee
Wie zou dat ooit begrijpen?
Hoe hij is, weet ik alleen
Laatst toen de kwade me weer sloeg
Zag ik heel kort 
De lieve er doorheen

Alsof iets in hem zeggen wou:
Ik wil dit niet
Ik hou van jou

En toen hij stil m'n kamer weer verliet
Moest ik huilen omdat ik de rotzak haatte
Maar de lieve vader niet
Want ik besta is een prachtige bundel of moet ik zeggen: een prentenboek van Stien van Kerckhoven met tekst van Jurrian van Dongen?

Voor zover ik weet, heeft Van Dongen intussen al wel heel veel liedteksten geschreven en dan is toch wel een  heel bescheiden keuze. Moet er niet ooit een dikke verzamelbundel komen? Liedjes zijn nogal vluchtig en zeker liedjes voor tv. Het zou toch mooi zijn als we over jaren of eeuwen nog steeds de teksten van Van Dongen, net als die van Bredero, kunnen lezen in zijn Groot Liedboek.

Want ik besta. De mooiste liedteksten uit Het Klokhuis van Jurrian van Dongen met tekeningen van  Stien Van Kerckhoven. Uitg. Blauw gras, 2026; 84 blz. € 18,99 (hardcover)

Twee vaders

maandag 30 maart 2026

Oude teksten voor jonge lezers (Joke Brasser)


Van sommige van mijn docenten Nederlands weet ik nog haarscherp op welke boeken ze me hebben gewezen. Toen ik in de derde klas van de mavo zat, vertelde Ewoud Kouwenhoven ons de verhalen  Karel ende Elegast, Floris end Blancefloer, Van den vos Reynaerde, Beatrijs, Mariken van Nieumeghen en Gysbreght van Aemstel, Bram Maljaars leerde me de gedichten van Gerrit Achterberg en Martinus Nijhoff lezen toen ik in de bovenbouw van de havo zat en bij mijn MO-studie Nederlands bracht José Boyens mij de liefde bij voor Paul van Ostaijen en Het leven en de dood in den ast van Streuvels. Wat zou ik nu gelezen hebben als deze mensen mij niet enthousiast hadden gemaakt voor boeken die ik zelf misschien niet gekozen had?

Docenten Nederlands hebben de kans om boeken onder de aandacht van leerlingen te brengen en dat is wat anders dan 'lees maar wat je leuk vindt'. Dat je leerlingen 'gewoon' moet laten lezen en dat dan het plezier vanzelf komt is een mooie wens, maar het is maar de vraag wat die oplevert. Het leesplezier ligt bovendien buiten de macht van de docent. 

Dat betoogt ook Joke Brasser in haar boek Oude teksten voor jonge lezers, waarin ze een pleidooi houdt voor het werken met oudere literatuur door jonge kinderen, laten we zeggen in de onderbouw van de middelbare school. 

Brasser ken je misschien (zou je moeten kennen) van Klassiekers in de klas, een website met veel lesideeën waarin de oude literatuur centraal staat. Dat heeft uiteindelijk een boek opgeleverd en dat leest toch anders dan wanneer je hier en daar een artikel leest van een website. Die site vond ik al mooi, maar in het boek brengt Brasser haar ideeën bij elkaar en dan zie je de lijnen die ze volgt. Ik werd daar heel erg enthousiast van. 

Verbindend lezen

Dat de oude teksten waarde hebben in zichzelf is een van de uitgangspunten. Andere zijn dat teksten altijd verbindingen aangaan met andere teksten en dus nooit op zichzelf staan en dat leerlingen geen onbeschreven bladen zijn: ze komen binnen met een vracht aan kennis en het werkt heel goed als je die kunt activeren. 

zeeridder
Dat laatste werkt niet alleen zo bij de leerlingen, maar bij iedereen. Tijdens het lezen van het boek van Brasser schoten mij constant titels te binnen. Die invallen zijn niet altijd terecht, wellicht en ook niet altijd bruikbaar, maar het is goed om je er bewust van te zijn en om ze zo nodig te gebruiken. Als Brasser schrijft over de 'madwoman in the attic' en dat dat in Lampje juist een jongen is, denk ik aan Boven is het stil van Gerbrand Bakker en Het hemelse gerecht van Renate Dorrestein; als het gaat over de meermin in Lampje, vraag ik mij af waarom eigenlijk de hoofdpersoon van Voor alles een dame (ook van Renate Dorrestein) mevrouw Meermin heet. En de jongen met de vissenstaart doet ook denken aan de zeeridder (zitiron) in Der naturen bloeme. 

Ik kende het sprookje Het meisje zonder handen (Grimm) niet, waarnaar Brasser verwijst in verband met het sluiten van een pact met de duivel (Mariken van Nieumeghen). Een molenaar belooft te schenken 'wat achter de molen staat' in ruil voor oneindige rijkdom. Het blijkt zijn dochter te zijn, wat me meteen doet denken aan het Bijbelverhaal over Jefta (waarover Vondel Jeptha schreef). En als we het toch hebben over het verkopen van je ziel: wie denkt daarbij niet aan het verhaal over Robert Johnson?

Kennis activeren

Als docent is het goed om al die kennis te activeren. In Oude teksten voor jonge lezers gebeurt dat bijvoorbeeld bij het duiken in Van den vos Reynaerde. Welke vossen en wolven kennen de leerlingen al en wat voor beeld levert dat op van vossen en wolven? En bij de dieren uit Der naturen bloeme zullen leerlingen je van alles kunnen vertellen over eenhoorns, draken en griffioenen. 

Brasser neemt de leerlingen serieus, inclusief de kennis die ze hebben. Die brengen ze namelijk mee als ze aan de slag gaan met de teksten. Die mogen best lastig zijn (al moet je dat tegenwoordig 'uitdagend' noemen), maar je kunt ze toegang verschaffen door een juiste hertaling te gebruiken. Dat zal in de praktijk niet altijd goed gaan. Ook daarover vertelt Brasser. Bij De reis van sint Brandaan liep ze wat te ver voor de troepen uit. Dat bracht leverde haar wel inzichten op. 

Hoofdstukken

Ik ben meteen enthousiast aan het kletsen gegaan over zaken in het boek van Joke Brasser, maar laat ik vooral ook vertellen wat ze in de verschillende hoofdstukken behandelt. 

Ze begint met Lampje en ze eindigt met het lezen van jeugdliteratuur in de bovenbouw. Juist omdat teksten met andere teksten verbonden zijn, vormen ook jeugdboeken een goede ingang. Van Annie M.G. Schmidt kun je bijvoorbeeld een lijn trekken naar Mary Dorna. 

Er verder zijn er hoofdstukken over sprookjes, Van den vos Reynaerde, Der naturen bloeme, Moriaen, De reis van Sint Brandaan en Mariken van Nieumeghen. Al die teksten worden verbonden met andere teksten en leerlingen moeten er flink mee aan het werk en dat blijken ze ook te kunnen. Alles in het boek is namelijk uitgebreid getest in de praktijk en die praktijkervaringen hebben ervoor gezorgd dat nu duidelijk is wat waarschijnlijk wel werkt en wat voor problemen kan zorgen. Daarmee is Oude teksten voor jonge lezers een heel praktisch boek. 

Verder helpt Brasser de docenten Nederlands door steeds te wijzen op hoe de lessen aansluiten bij de eisen die aan het onderwijs gesteld worden. Ik ben blij dat ik niets meer met eindtermen en kerndoelen te maken heb, maar lesideeën in dit boek helpen de docenten te bereiken wat van hen verwacht wordt. 

Liefde voor literatuur en voor kinderen

Ik heb Oude teksten voor jonge mensen als zeer enthousiasmerend ervaren. Het is een boek naar mijn hart, omdat het geschreven is met overstelpend veel liefde voor de oude literatuur, maar ook voor de leerlingen die je graag zulke waardevolle en interessante teksten gunt. En dat gunnende spreekt uit het hele boek. Wie de kinderen deze teksten onthoudt, doet hun tekort. 

Dat Brasser een heldere stijl heeft en precies weet uit te leggen wat ze bedoelt, helpt ook heel erg. Het is geen dor handboek, maar het is geschreven in een soepele, levendige stijl, die lekker leest, zodat je door het boek heen glijdt. 

Verwonderen

Bovenal heb ik het idee dat Joke Brasser ons bepaalt bij waar het in ons onderwijs om dient te gaan. Dat we de leerlingen prima uit kunnen leggen welke argumentatiestructuren er bestaan en welke soorten argumenten er zijn, maar dat we ze met literatuur kunnen raken en echt wat kunnen meegeven en dat is van een andere orde. Brasser:
Ook ons curriculum lijdt onder kapitalistische ideeën van efficiëntie en productiviteit. Alles uit de les halen. Met weinig tijd zo veel mogelijk leerwinst boeken. Maar door onze tekstkeuzes en onze didactiek kunnen we ruimte maken voor 'zachte' en inefficiënte leerdoelen zoals je verwonderen of verbazen. In de ruimte die dan ontstaat wordt er een beroep gedaan op leerlingen om als persoon aanwezig [te] zijn, en niet als leerling. 
Daarvoor is het niet genoeg dat een docent enthousiast is (al helpt dat natuurlijk wel), maar zij/hij moet de teksten op een goede manier aanbieden en de leerling door uitgekiende opdrachten dichter bij de tekst brengen. Daarbij helpt dit boek enorm, net als de site Klassiekers in de klas. 

En als je geen docent Nederlands bent? Dan moet je toch Oude teksten voor jonge lezers kopen. Om weer of nog meer enthousiast te worden over teksten die je al lang dacht te kennen, om hoopvol te worden of te blijven ons literatuuronderwijs en om heel veel leessuggesties te krijgen, zodat je weer flink door kunt gaan lezen, want dat is een van de leukste dingen die er zijn. 

Historische klassiekers

Ongetwijfeld gaan we nog veel van Joke Brasser horen. Onlangs schreef ze, samen met Marie-José Klaver, lesbrieven bij de podcast Historische klassiekers van Fixdit, waarin werk van (veelal later veronachtzaamde) vrouwelijke schrijvers uit het verleden hertaald is en voor een nieuw publiek toegankelijk is gemaakt. Ook daarmee kun je zo aan de slag. Eerlijk gezegd heb ik niet van al die auteurs wat gelezen. Tot nu toe betreft het: Anna Bijns, Anna Roemers, Tesselschade Roemers, Johanna Hobius en Katharine Lescailje. 

Lees haar boek, volg Klassiekers in de klas en blijf lezen en vertel erover!

Oude teksten voor jonge lezers is verschenen bij Uitgeverij kleine Uil Educatief. 

maandag 23 maart 2026

De Wind in de Wilgen (Michel Plessix)


Toen mijn kinderen klein waren, was er op tv een tekenfilmserie: De Wind in de Wilgen. Tenminste, zo had mijn geheugen het opgeslagen. Maar mijn kinderen herinneren zich er niets van, dus het zal wel niet kloppen. Als ik indertijd gekeken heb, wat dus nog maar de vraag is, is er mij niet veel van bijgebleven. Dat de personages dieren waren. Dat is het zo ongeveer. 

De Wind in de Wilgen is een klassieker, zoals Alice in Wonderland en Winnie the Pooh. De auteur, Kenneth Grahame (1859 - 1932), vertelde de verhalen aan zijn enige kind en schreef ze later in brieven. Het boek kwam uit in 1908. Dat boek is in 1996 verstript door Michel Plessix. In 2014 zou hij er ook nog een vervolg op maken, De wind in de woestijn. Daarover zal ik over een tijdje schrijven. 

Bij Silvester Strips is De wind in de wilgen nu compleet uitgegeven, in een kloek boek, groot formaat, meer dan 125 blz. dik. Het is een mooie hardcover, met een leeslint en een stofomslag (waarop aan de binnenkant een grote tekening staat). Fraai gedaan. 

Plessix moest in zijn adaptatie het een en ander weglaten, maar over het algemeen volgt hij het boek. Het enige hoofdstuk dat hij overgeslagen heeft, is 'Wayfares all', hoofdstuk 9, waarschijnlijk omdat hoofdstuk 10 aansluit bij hoofdstuk 8. Je mist dat negende hoofdstuk niet. 

Voor wie het verhaal in proza wil lezen: een vertaling in het Nederlands vind je hier. 

Mol, Rat, Das en Pad

De wind in de wilgen begint met Mol, die zijn huisje aan het schoonmaken is. Net als bij de dierenverhalen van Toon Tellegen hebben de dieren geen andere naam dan de soort waartoe ze behoren: Mol, Rat, Das, Pad. Ze dragen kleren, zodat ze er menselijk uitzien. In het eerste hoofdstuk verlaat Mol zijn huis en gaat op pad met Rat. De twee zullen lang samen zijn. 

Ze gaan op bezoek bij Pad, die duidelijk van een hogere stand is en een veel luxere woning heeft. Pad heeft zo zijn obsessies, die vaak met snelheid te maken hebben (auto's en vliegtuigen). Hij komt daardoor verschillende keren in de problemen. Zo komt hij in de gevangenis terecht en zijn landhuis wordt een keer gekraakt (maar het wordt heroverd). 

Het Wilde Woud

Rat vertelt over Das en Mol wil graag Das bezoeken, maar die woont in het Wilde Woud en het is gevaarlijk om naar hem toe te gaan. Als Rat de boot te lang afhoudt, gaat Mol in zijn eentje op pad. Als hij in het woud is, slaat de angst toe en het is maar goed dat Rat naar hem op zoek gaat en hem vindt. Als het ook nog gaat sneeuwen lijken ze verloren, maar ze vinden gelukkig op tijd het huis van Das. 

Het zijn lieve verhalen: de dieren steunen elkaar en voelen zich voor elkaar verantwoordelijk. Er zijn spannende passages, maar uiteindelijk zal alles goedkomen. Dat is een geruststellende gedachte voor de jonge lezertjes. 

In een strip, waarin er niet alleen over de personages wordt verteld, maar waarin je ze ook ziet, kun je gemakkelijk meeleven met de hoofdfiguren. Vooral ook omdat het interessante karakters, met verschillende kanten. Mol is soms wat mopperig, soms wat angstig, maar hij is ook ondernemend en hij maakt tekeningen en je kunt zeker op hem bouwen. Hij heeft een groot hart. 

Volwassenen

De wind in de wilgen is vooral een kinderboek, maar het kan uitstekend door volwassenen gelezen worden. Sommige passages, zoals de tocht door het Wilde Woud kun je ook opvatten. Al in de Divina Commedia van Dante is de hoofdpersoon verdwaald in een woud, zoals we allemaal wel eens zijn, al is er geen boom in de buurt. 

De volwassenen zullen ook oog hebben voor de maatschappelijke positie van de verschillende dieren (Pad is heel erg rijk, maar de andere drie hoeven ook niet te werken) en ze zullen de verwijzingen naar andere literatuur zien. Het laatste hoofdstuk, 'The Return of Ulysses' heet bij Michel Plessix 'Terug op Ithaka'. De terugkeer van Odysseus ging met nogal wat geweld gepaard, net als de herovering van het huis van Pad. 

Tekeningen

Volwassenen en kinderen zullen beiden kunnen genieten van het tekenwerk van Plessix, dat bijzonder sfeervol is. Op verschillende tekeningen is ook lekker veel te zien, zodat je er lang naar kunt kijken zonder je te vervelen. Er zit een zekere knusheid in de verhalen en de tekeningen dragen er sterk aan bij. 

Met deze verstripping is De Wind in de Wilgen toegankelijk voor een groot publiek. Degenen die het boek al kennen, zullen het leuk vinden om de strip te lezen en voor degenen die het boek niet kennen, is de strip een goede introductie. 

Titel: De Wind in de Wilgen
Tekst en tekeningen: Michel Plessix
Naar de roman van Kenneth Grahame
Vertaling: Mariella Manfré
Uitgever: Silvester Strips
2025, 128 blz. € 39,95 (gebonden, stofomslag, leeslint)


vrijdag 20 maart 2026

Afgestoft: Boeken voor de katholieke jeugd

Intussen lig ik weer aardig op schema wat betreft het posten van nieuwe bijdragen. Ik heb bij het schrijven nog wel een achterstand op mijn lezen, maar dat komt wel goed. Deze week is overigens wel druk, want ik loop in de avonden rond met de collectebus. Aangezien er in onze wijk weinig collectanten zijn, neem ik dertien straten voor mijn rekening en daar ben ik wel drie avonden aan kwijt. 

Voor vandaag een stukje dat eerder verschenen is in Liter nr. 65, jaargang 15 (2012). In die tijd plaatste ik wat ik in een krant of een tijdschrift publiceerde niet op mijn weblog. Het blijkt dat ik indertijd toch een stukje  online gezet heb en dat komt voor een deel (het lange citaat) overeen met wat ik in Liter schreef. Maar dat is allemaal alweer lang geleden, dus ik vind dat ik met een gerust hart het Literstukje hier kan plaatsen. Dat was, zoals je kunt zien, een niet zo lange bespreking. 

In de loop der jaren heb ik geregeld oude jeugdboeken gekocht en die heb ik nog lang niet allemaal gelezen. Mijn voornemen is om dat wel te gaan doen. Om mijn herinnering te controleren, als het boeken betreft die ik al in mijn jeugd las, maar vooral om te kijken wat voor wereldbeeld erin naar voren komt. Onder het label Zwart en wit heb ik verschillende boeken besproken die met inclusie en exclusie te maken hebben, waaronder ook een stel oudere kinderboeken. Over dit soort boeken wil ik in ieder geval nog gaan schrijven. 



Boeken voor de katholieke jeugd


Als kind las ik alles wat ik te pakken kreeg, althans zo herinner ik het mij. De boeken uit de kast van mijn ouders (Goof Bonk, Hotse Hiddes); de Sjors van mijn vriendje Joekie Bil, die eigenlijk anders heette; de pockets uit de boekenrekjes van nicht Aantje en neef Teunis (auteurs als A.G. Eggebeen, P. de Zeeuw JGzn). En af en toe kwam er een man aan de deur met een zwarte hoed op, een zwarte jas aan en een grote koffer bij zich. Daarin zaten boeken en dan mochten alle kinderen uit ons gezin een boek uitzoeken. Zo kwam ik aan Luyt Lievensz, de liedjeszanger van H. te Merwe en Het hol op de hei van G. van Essen. Op verjaardagen kreeg ik deeltjes van De Kameleon, Pietje Bell en later ook wel van Arendsoog.

Ha, Arendsoog! En zijn betrouwbare vriend Witte Veder en zijn paard Lightfeet, waarover in elk deel werd verteld dat hij zo hard liep als hij nog nooit gelopen had. Jaren later vertelde iemand mij dat en ik vond het verhaal te mooi om te controleren. Natuurlijk hield ik van een held als Bob Stanhope, zoals Arendsoog in werkelijkheid heette. Ik was immers even moedig en even slim, alleen had ik geen paard en er waren geen boeven in de buurt met wie ik moest afrekenen.

Arendsoog was een cowboy, zoals Old Shatterhand, die ik uit Sjors kende en Buffalo Bill, over wie ik een reeks pockets kocht bij Warenhuis Houpst, dat gerund werd door een stel bejaarde zussen, die je altijd van alles wilden aansmeren. ‘We hebben nog heel goedkope agenda's, van vorig jaar. Je hoeft alleen maar de datum door te strepen.’ Als wraak heb ik ze eens een kwartier laten zoeken naar plastic geheugensteuntjes. Buffalo Bill was net zo heldhaftig als Arendsoog, maar ik vond de boekjes grappiger, wat waarschijnlijk kwam door het personage Scot Oliver.

Buffalo Bill was niet christelijk, net zo min als de karakters uit Sjors, Pietje Bell of De kameleon. Er werd bijvoorbeeld niet in gebeden. In Arendsoog ook niet.

Dacht ik.

Maar nu heb ik een boek in huis dat Boeken voor de katholieke jeugd heet en het omslag staat vol Arendsogen. Hè? Is Arendsoog Rooms? Nooit wat van gemerkt.

Het eerste boek dat ik van Arendsoog kocht, was deel 38, Arendsoog en de Duncandollars. Het boek blijkt uit 1969 te zijn. Zou ik het voor mijn tiende verjaardag hebben gekregen? P. Nowee schreef het, maar er waren ook deeltjes waarop J. Nowee stond. Ook die vroege delen las ik, later. Ik geloof niet dat ik toen verschil merkte.

Toch moeten die delen anders geweest zijn. Dat schrijft in ieder geval Karen Ghonem-Woets in haar boek. Arendsoog verraadde in de eerste delen nog wel de katholieke geest van vader Nowee; zo deed de cowboy geregeld een beroep op de Voorzienigheid. Dat is mij ontgaan. Maar misschien was ik al aan zoveel godsdienst in jeugdboeken gewend, dat een schietgebedje mij helemaal niet opviel.

In Boeken voor de katholieke jeugd beschrijft Karen Ghonem-Woets de geschiedenis van de katholieke uitgeverijen Zwijssen en Malmberg, die zich zowel op de markt van de schoolboeken als van de leesboeken begaven. Ze doet dat degelijk en redelijk prettig leesbaar.

In het begin (van de oprichting in de negentiende eeuw tot ongeveer 1945) zijn de uitgeverijen katholiek, zowel wat de lesmethoden als de jeugdboeken betreft. Onder de auteurs bevinden zich ook geestelijken.

Frater Sigebertus Rombouts formuleerde in 1925 richtlijnen waaraan een goed katholiek boek zou moeten voldoen. Het godsdienstige stond natuurlijk voorop. Verder: 

2. Te veroordelen is ieder boek met een heidense, anti- of onroomse sfeer. Dus ook het neutrale boek. 
3. Boeken moeten worden afgekeurd als: a. Een of andere hartstocht, b.v. haat, afgunst, gierigheid, eerzucht er sterk in spreekt en later niet door goede leiding of flinkheid van eigen karakter wordt overwonnen. b. Als ze verruwend werken door het milieu, door platte of onbehoorlijke woorden en uitdrukkingen. Onder deze categorie vallen schrijvers als Kievit (Dik Trom) en Van Abcoude (Pietje Bell, Kruimeltje). Het gezag van ouders, opvoeders en politie mag nooit bespottelijk worden gemaakt. c. Als ze meer of minder duidelijk enige “voorlichting” geven, of dingen aanroeren waarmee een kind niets te maken heeft. d. Als de illustraties in zedelijk opzicht niet deugen. Plaatjes die de sexuele verbeelding prikkelen, maar ook illustraties met daarop personen die niet volgens de kerkelijke richtlijnen gekleed zijn. 
4. Het verhaal moet geen tastbare onmogelijkheden of doldwaze dingen bevatten.

Een uitgebreid citaat, maar ik vond het zo fraai dat ik niet kon laten het over te tikken.

In de loop van de decennia worden de boeken van Malmberg en Zwijsen steeds minder katholiek. Al toen ik op de lagere school zat, die toch goed Hervormd was, kregen wij op school de Taptoe en de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie). Blijkbaar was in de jaren zestig van de vorige eeuw het katholieke al niet meer te herkennen.

Bob Stanhope, alias Arendsoog, was rond die tijd ook al van zijn geloof gevallen en toen hij nog wel van het houtje was, viel het mij niet op. Karen Ghonem-Woets behandelt Arendsoog uitvoerig, evenals Puk en Muk. Dat doet ze goed, maar eigenlijk had ik voor ik begon te lezen gehoopt op een ander boek. Een boek waarin iemand mij vertelt hoe zijn moeder de prentenboeken uit de serie Voor Roomsche kleuters voorlas; of hoe hij de missieverhalen las, stiekem in bed, want hij moest eigenlijk al slapen; of hoe hij las over Damiaan en zelf ook wel melaats wilde worden als dat nodig was om mensen te helpen. Misschien moet iemand als Ton van Reen zo'n boek schrijven. Dat zal ik dan met plezier lezen. Nu loop ik eerst maar eens naar de zolder om te kijken in welke doos Buffalo Bill en Arendsoog opgeborgen zitten. Ik ruik de kruitlucht al.

Karen Ghonem-Woets, Boeken voor de katholieke jeugd. Verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg. Walburg Pers, Zutphen 2011, 256 blz., €39,50.

donderdag 19 maart 2026

Mijn eerste boeken (Herinneringen)

Weer een stukje uit een dagboek. Ik heb wel zin om er achteraf van alles in te veranderen, maar dat heb ik niet gedaan. Eigenlijk had ik op dit onderwerp in het dagboek veel uitgebreider in moeten gaan. Helemaal aan het eind van deze bijdrage geef ik nog enkele aanvullingen. 

Die aantekeningen in mijn dagboek zijn nogal ongericht, soms gaan ze alle kanten uit. Ik plaats hier maar een stukje van wat ik noteerde op 20 mei 2023. Daarom houdt dit gedeelte ook zo plotseling op. 

Voor degenen die het gemist hebben: in mijn dagboeken richt ik mij steeds tot een nog niet geboren kleinkind. In dit deel noem ik 'je moeder'. Dat is mijn oudste dochter. 



Ik geloof (maar ik heb het niet teruggelezen) dat ik een keer geschreven had dat ik het over lezen zou hebben. Mijn moeder heeft mij lezen geleerd voordat ik naar school ging. Je ging indertijd naar school als je zes jaar oud was. Dan kwam je in de eerste klas. Nu is dat groep 3. Daarvoor kon je nog twee jaar naar de kleuterschool, maar daar zagen mijn ouders het nut niet van in. Ik denk dat ze het ook te druk hadden om mij elke keer te brengen.

Het boekje, Leer lezen in een wip (deel 2) heb ik lang gehad, maar het was in een niet te beste staat en ik heb later een beter exemplaar gekocht. Dat was zo’n beetje mijn leerboek. Vanaf die tijd heb ik zoveel mogelijk gelezen. Dat werd ook erg gestimuleerd.

Mijn moeder zong veel voor en met mij en vertelde verhalen. Uit de Bijbel, maar ook alle sprookjes. En ze had altijd gedichtjes, die ze bij gelegenheid op kon zeggen. Die talige omgeving heeft mij zeker geholpen. Mijn moeder kon trouwens ook erg goed tekenen. Voor mijn gevoel kon ze tekenen wat ze wilde. Ik heb nog ergens een oud schriftje van haar liggen, met prachtige tekeningen.

Op school hadden we het vak lezen en dan lazen we uit de boekjes van Jaap en Gerdientje. Die waren toen eigenlijk al een beetje ouderwets, maar ik hield erg van die verhalen. Ik denk dat ik de meeste deeltjes een keer heb aangeschaft. Ik heb ook een voorleesboek met korte verhalen over die twee (of is dat een verhalenbundel van W.G. van de Hulst?) en daaruit wilde Thomas altijd voorgelezen worden als hij logeerde bij mijn ouders in Dodewaard.

Mijn ouders hadden wel wat kinder- en jeugdboeken, maar niet zoveel. De boeken van mijn vader waren voor een deel verloren gegaan in de oorlog. Maar gelukkig had ik een oudere nicht en neef (Aantje en Teunis) en die hadden veel leesstof. Al die boeken heb ik geleend en gelezen. Later leende ik ook wel boeken van andere neven en nichten. Ik weet nog wie welke boeken had. Joop, die jonger is dan ik, had bijvoorbeeld de serie Bakkertje deeg en ook Pinkeltje.

Af en toe kwam er een boekhandelaar met verantwoorde boeken langs de deur, met een grote koffer. Dan mocht ik altijd wel een boek uitzoeken en ik kreeg ook wel boeken op mijn verjaardag. Wat de series betreft: ik las de boeken van de Kameleon, van Arendsoog en vooral die van Buffalo Bill. Ik had ook wat deeltjes van Biggles (een piloot in de Eerste Wereldoorlog), maar ik weet niet hoe ik eraan kwam. Ze waren niet nieuw, maar er was geen tweedehandsboekenzaak in Herveld.

Daar was ook geen bibliotheek en ook geen boekhandel. Op school was er wel in elk lokaal een bibliotheekje, maar ik weet niet of we die boeken mee naar huis mochten nemen. Als je eerder klaar was met je werk, mocht je wel gaan lezen. Ik herinner me nog dat er nieuwe boeken aangeschaft werden toen ik in de vijfde klas (nu groep zeven) zat. Die waren niet met het bruine, gestreepte papier gekaft, zoals de andere boeken, maar die hadden kleurige voorkanten. Prachtig vond ik het. Ik was waarschijnlijk gewoon blij dat er nieuwe boeken waren.

Er waren in mijn jeugd veel boeken over de Tachtigjarige Oorlog, waarin elke katholiek een schurk en elke protestant een held was. Ik overdrijf, dat weet ik wel, maar het was wel de teneur. Ik las ook boeken over de Tweede Oorlog en over de Boerenoorlog. Ook die zullen behoorlijk ongenuanceerd zijn geweest, vrees ik.

Toen ik naar de mavo ging, kon ik naar hartenlust lezen, want daar was een goede bibliotheek. Later, toen ik op die school ging werken, in 1980, zou ik die zelf gaan beheren. Met veel plezier. De eerste week van de vakantie zat ik vaak nog boeken te repareren.

Wat heb ik daar geleend? Zo’n beetje alles van Toon Kortooms: humoristische boeken met titels als Help, de dokter verzuipt! Beekman en Beekman en Mijn kinderen eten turf. Verder veel boeken van W. Schippers, Tragedie in Toulouse van J. Overduin en het mooist vond ik De adelaar van het negende van Rosemary Sutcliff. Een boek over de Romeinen in Engeland.

En ik kwam in contact met de literatuur! Onze docent, Ewout Kouwenhoven, behandelde de literatuur uit de Middeleeuwen en dat vond ik geweldige verhalen. Wat ik op mijn lijst zette, was niet zo heel veel soeps, denk ik. Bartje van Anne de Vries, Mensen zonder geld van Jan Mens, De zwarte ruiter van Simon Vestdijk (dat is wel een goed boek, al weet ik er niet veel meer van) en verder weet ik het eigenlijk niet meer. Maar het vuur was wel aangestoken.

Na de mavo ging ik naar Gouda. Ik werd lid van de bibliotheek en las alles wat los en vast zat, ook buitenlandse literatuur. Ik heb werk van Dostojevski, Tolstoj, De Maupassant, Stendhal, Edgar Allen Poe, de zusjes Brontë en nog veel meer gelezen. Er was ook een groot boek van Margriet (het vrouwenblad) met heel veel verhalen uit de wereldliteratuur. Allemaal gelezen, van A tot Z.

Ik leende ook gedichten en ik las veel, ook over literatuur, en eigenlijk ben ik dat altijd blijven doen. De hoeveelheid literatuur die ik toen tot me nam, is zo groot, dat ik niet goed weet, hoe ik die moet beschrijven.

Wat ik nog vergat: mijn vader had de verzamelde gedichten van Jacob Cats aangeschaft en die las hij ook wel voor. Die heb ik ook met veel plezier gelezen.

Verder heb ik steeds veel tweedehands boeken gekocht. Er waren toen nog antiquariaten die om de zoveel maanden een catalogus rondstuurden en daar kon je boeken van bestellen. Toen ik op de P.A. (Pedagogische Academie) in Gouda zat, had ik les van L.J.M. Hage, die altijd een koffer met boeken bij zich had. Die verkocht hij voor een prikkie aan studenten. Daar heb ik veel van aangeschaft. Jarenlang heb ik hem nog bezocht om boeken bij hem te halen. Je moeder heeft nog gespeeld met zijn kleindochter, die ook op de Peuterbrink zat.

Lezen is, ook vandaag nog, de snelste manier om informatie tot je te nemen. Ik kijk bijna geen tv, omdat het veel tijd kost en weinig oplevert. Nog steeds heb ik de gretigheid om veel te willen weten. Ik luister ook wel naar podcasts over wetenschap. Dan gaat het bijvoorbeeld over de ontwikkeling dat wij in de toekomst koolzaad zullen kunnen eten. Dat kan al, maar het is niet lekker. Maar ze hebben ontdekt hoe ze de bitterheid kunnen voorkomen en de eiwitten in koolzaad zijn hoogwaardig. Ze zijn te vergelijken met die in soja. Dat soort dingen vind ik interessant.

Tegenwoordig hoef je niet meer te zoeken naar leesvoer, want dat is er overal. En bij mij op zolder heb ik sowieso kinderboeken. Het is wel goed als je daar ooit mee begint. Wie meer leest, weet meer. En als je meer weet, besef je ook dat je heel veel dingen niet weet en dat maakt weer bescheiden. Alles wat je weet, geeft je een kader voor de nieuwe informatie die je opdoet, of voor wat je hoort of ziet in de actualiteit.

Aanvullingen

Ik had hier nog de boeken kunnen noemen die we bij het kerstfeest kregen, samen met een sinaasappel, verpakt in een vloeipapiertje. In klas 1 kreeg ik Tippeltje van W.G. van de Hulst jr. en in de tweede Hertevoet en Zilveroog. 

Van de jeugdboeken die mijn vader bezat, herinner ik mij Goof Bonk, Het jonge boerenknechtje en iets over een jonge bakker, van wie ik nog weet dat hij Herman heette. Mijn moeder had een trilogie (geloof ik) over Simon Gieke en het boek Geus met God. Verder herinner ik mij titels als De Franse koopmanszoon, Keteltje in de Lorzie en de bundel Zoutkorreltjes. Natuurlijk alles onder voorbehoud. Het kan zomaar zijn dat mijn geheugen mij bedriegt. 

Over de boekverkoper die met zijn koffer vol boeken langs de deur ging, schreef ik hier al eerder. Over oude jeugdboeken die ik pas op latere leeftijd las, heb ik ook wel geschreven, maar dat is al weer een tijdje geleden. Zo schreef ik over enkele boeken van Johanna Breevoort.

Aan mr. Hage heb ik veel te danken. Van hem kocht ik bijvoorbeeld de verzamelde gedichten van P.A. de Génestet, Daniël Sils van J.J. Cremer, verschillende boeken van Justus van Maurik, de brieven van Multatuli en het verzameld werk van Bilderdijk. Voor de schrijvers uit de negentiende eeuw heb ik altijd belangstelling gehouden en van tijd tot tijd lees ik nog boeken uit die tijd, bijvoorbeeld Waarheid en droomen van Jonathan (J.P. Hasebroek). 

maandag 9 maart 2026

De dagen van de bluegrassliefde (Edward van de Vendel)


Vaak stel ik mij voor ogen wat ik allemaal nog niet gelezen heb. Het kan zijn dat je vindt dat ik niet moet zeuren omdat ik heel veel ook wel gelezen of dat ik koketteer met de gaten in mijn kennis, maar ik klaag niet alleen over de ongelezen boeken - ik vind het ook heerlijk dat ik nog veel kan ontdekken in de tijd die ik nog heb. Zo zijn er klassiekers die ik dit jaar wil lezen en waarop ik me ook echt verheug, zoals De berg van licht van Couperus en De ziener van Vestdijk. 

Van Edward van de Vendel ken ik vooral zijn poëzie voor kinderen, die ik veel voorgelezen heb. De beginregels van het titelgedicht van Superguppie (2003) zijn bijvoorbeeld heerlijk: 'Alle guppies die ik had / zwemmen nu / in onze kat'.

Verder heb ik verschillende interviews met hem beluisterd en ook een lezing, als ik het mij goed herinner. Ik zal zijn Kinderboekenweekgeschenk (Wat rijmt er op puree - 2005) gelezen hebben (maar daar heb ik weinig herinneringen aan). En dat is het dan. Terwijl Van de Vendel juist heel veel geschreven heeft. Er zijn jaren dat hij wel drie of vier boeken uitbracht en de lijst van bekroningen is bijna net zo lang als die van zijn boeken. 

Recent uitgekomen boeken haal ik bij de plaatselijke boekhandel, maar oudere boeken kom ik tegen bij de kringloop en bij minibiebs en daar vind ik blijkbaar weinig van Van de Vendel. Of misschien zie ik dan tegelijkertijd boeken die ik nog liever wil hebben. 

Tycho en Oliver

Een tijdje terug liep ik dan toch aan tegen De dagen van de bluegrassliefde (1999) en ik nam het mee. De hoofdpersoon van het boek is de achttienjarige Tycho Zeling. 

Tycho woonde al jaren in zijn etui. De dagen  openden en sloten zich als zijn boekentas. Hij was de gezichtloze leerling uit 6A, de zoon waar zijn ouders ieder de helft van hun karakter in herkenden, de cd'tjes kopende jongen met het schuwe lachje boven een open portemonnee. Hij keek twee keer in de spiegel, één keer 's ochtends, één keer 's avonds, en de tijd daartussenin dacht hij niet aan zichzelf. 

In de zomervakantie vertrekt Tycho naar Amerika (Knoxville) om te fungeren als 'junior assistant' bij een zomerkamp van het idealistische Little World Organization. Behalve Tycho zijn er nog meer hulpjes: Oliver Kjelsberg uit Gjøvik (Noorwegen) en nog twee meisjes uit de Verenigde Staten. Tycho deelt een klein kamertje (beschreven als een voorraadkast) met Oliver. 

Tycho wordt verliefd op Oliver en dat is best ingewikkeld. De meisjes om de twee heen hebben al veel eerder in de gaten wat Tycho voor Oliver voelt dan dat Tycho dat wil toegeven en dat hij het ook wil laten merken aan Oliver. Uiteindelijk blijkt de liefde wederzijds. 

En zo zou Tycho het zich later ook herinneren: al die eerste nachten begonnen met opdrogende zinnen en daarna volgde het voelen van elkaars contouren. Buitenkant op buitenkant. Daarna ging het tasten langzaam over in een gevoel van warme sneeuw, van smelten, vloeistof met een naam. Totdat tenslotte uit hen samen iemand overbleef die Tycho was én Oliver: een derde lichaam. Een derde lichaam dat hun allebei hetzelfde liet denken, voelen, weten. Dat in slaap viel en weer wakker werd in de ochtend erna, hier een hand -van wie?- en daar een been, een voet, een teen. Een derde lichaam, dat uiteindelijk weer Tycho werd en Oliver, maar pa na 'goeiemorgen' en 'godmorn'. 

Het derde lichaam uit bovenstaand citaat komt terug in de titel van een volgend boek, Ons derde lichaam (2006). Er zal ook nog een derde boek volgen: Oliver (2015), dat zich twee jaar eerder afspeelt. 

Bij een uitje met de leiding van het kamp maken Tycho en Oliver een concert mee van de Marc Mc Kinley Bluegrass Band mee. De band bestaat uit oudere mannen, maar ze spelen met zoveel vuur dat Tycho er helemaal in opgaat. Als ze terug zijn, zegt Oliver: 'laat ze maar kletsen - let's make bluegrasslove...'

Opbouw

Oliver is voetballer, wat ook tot uiting komt in de opbouw van het boek: Eerste helft, Rust, Tweede helft. In de eerste helft leren Tycho en Oliver elkaar kennen, worden ze verliefd op elkaar en leren ze genieten van hun liefde. 

De leiding vindt dat ze niet te handhaven zijn waarna Oliver teruggaat naar Noorwegen. Tycho gaat met hem mee. Rust. 

En dan komt de tweede helft. Oliver vindt het lastig om te beseffen dat de buitenwereld anders naar hem zal kijken als hij een relatie met Tycho heeft. Daarover heeft hij het al op het kamp:

Hij was zijn veters aan het strikken. Hij keek op en zei: 'Luister goed! Ik heb geen zin om gay te zijn! Tenminste niet op die manier. Ik ben gewoon Oliver Kjelsberg uit Noorwegen en dat is alles. En Tycho Zeling uit Nederland is degene bij wie ik wil zijn, en al is dat elke minuut van mijn leven, dan nog wil ik dat niemand daar over loopt te zeiken en als ze dat wel doen dan kunnen ze maar beter oppassen, want dan weet ik nog wel een paar manieren om die shit uit hun koppen te trappen!'

Dat klinkt heel stoer, maar als hij terug is in Noorwegen wil hij eigenlijk toch zijn voetballeven en zijn leven met Tycho gescheiden houden, terwijl Tycho daar juist andere ideeën over heeft. Hoe dat afloopt, laat ik even in het midden, voor het geval dat je dit boek nog gaat lezen, want dan moet je nog wel wat te ontdekken hebben. 

Complex

De dagen van de bluegrassliefde is een mooi jeugdboek. Natuurlijk is het een liefdesgeschiedenis, maar het is ook het verhaal van Tycho die gedwongen wordt om over zichzelf na te denken en die erachter komt dat het verhaal van een liefde niet eindigt met 'en ze leefden nog lang en gelukkig', maar dat er een tweede helft is en dat die complex is, omdat je niet alleen met elkaar te maken hebt, maar ook met een buitenwereld en vooral ook met jezelf. Dat je zelf nog moet ontdekken wat je eigenlijk wilt, van de ander, van jezelf, van het leven, en dat dat complex kan zijn. 

Van de Vendel doet recht aan die complexiteit met zijn boek. Niet op een zware manier, maar wel zonder versimpelingen, zonder relativering. Dat is al knap. Maar hij doet het ook nog in een taal die nergens dof is, die overal fonkelt, die steeds weer de aandacht vraagt en toch niet afleidt van wat er in die taal verteld wordt. Hopelijk blijkt dat uit de citaten die ik gegeven heb. 

In aflevering 21 van de podcast Romanreuzen praat Edward van de Vendel over zijn favoriete boek van eigen hand. Dat blijkt Oliver te zijn. En hij praat over Barend Wels van Theo Thijssen. Het is meer dan veertig jaar geleden dat ik dat boek las. 

In de twee andere boeken van deze trilogie heb ik eigenlijk ook wel zin gekregen. Ik moet in de kringlopen maar eens goed opletten bij de schappen met jeugdboeken. 

dinsdag 17 februari 2026

Wie niet weg is wordt gezien (Ida Vos)

De naam van Ida Vos (1931 - 20006) kende ik en ik wist dat ze jeugdboeken over de oorlog had geschreven. Het was een vaag besef. Nooit had ik iets van haar gelezen, nooit echt iets over haar gelezen. Ik denk dat ik pas geïnteresseerd raakte na het lezen van Onbevrijd gevoel van Ellen Krol, een bundeling van essays over hoe de tijd net na de oorlog terugkomt in de literatuur: hoe ging men om met Joodse Nederlanders die de oorlog overleefd hadden. Daarin noemt ze ook Ida Vos. 

Vlak na het lezen van dat boek vond ik Wie niet weg is wordt gezien (1981) van Ida Vos in een kringloop en ik kocht het. Het lag nog een tijdje op een stapel, maar ik heb het nu toch gelezen. Ik moest me wel echt zetten tot het lezen, naar dat heeft te maken met de vormgeving van het boek: alle letters zijn vetgedrukt. Erg lelijk, vind ik, maar toen ik aan het lezen was, had ik er gek genoeg geen last meer van.

Het boek is duidelijk bedoeld voor kinderen. Bij Auschwitz staat er bijvoorbeeld een voetnoot: 'concentratiekamp in Polen', de ondergrondse krijgt de uitleg 'verzetsbeweging' en Führer is het Duitse woord voor leider en zo werd Hitler vaak genoemd. De aanname is dat het publiek niets weet over de oorlog en waarschijnlijk is dat terecht.

Hoofdpersoon in het boek is Rachel Hartog. Voor haar stond Ida Vos zelf model. Achter in het boek legt ze uit dat ze de gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk heeft weergegeven, maar dat ze de onderduikadressen beperkt heeft tot vier, om het voor de lezer behapbaar te maken. 

De anderen

Het verhaal begint al voor de oorlog. Als er een vriendinnetje bij Rachel komt spelen, ziet ze daar Hebreeuwse boeken. Daarna komt ze nooit meer: ze mag geen jodenboeken lezen. Het laat zien dat joden blijkbaar gezien werden als de anderen en dat er Nederlanders waren die daar duidelijk niets mee te maken wilden hebben. Dat gevoel bleek er na de oorlog nog steeds te zijn. 

Al voor de inval van de Duitsers is er een oefening met het verduisteren van de ramen van woningen. Dat was me onbekend. Dat het in de oorlog gebeurde, wist ik wel. Rachel registreert het vooral, net als de meeste dingen die in de oorlog gebeuren. Ze lijkt veel dingen te accepteren, omdat die nu eenmaal zo zijn. 

In het boek werkt dat heel goed. Het is niet Rachel die ontzet is over wat er gebeurt, maar de lezer. En je ziet vooral hoe de oorlog doorwerkt in de gewone dagelijkse dingen. Bij het verstoppertje spelen, verbergen de kinderen zich in het park, want daar mag Rachel niet komen. 

Zij kan niet meer meedoen. Verstoppertje spelen mag ze niet van de moffen. Alleen niet-joodse kinderen mogen dat.

Boodschappen doen mag alleen maar tussen drie en vijf, op een bankje zitten is verboden, net als zwemmen. 

Nieuwe namen

Uiteindelijk moeten Rachel, haar ouders en haar zusje Esther onderduiken. Ze krijgen nieuwe namen. Maar als ze een poëziealbum op haar verjaardag krijgt, schrijft ze er voorin: 

Dit album is van mij
Zolang ik hoop te leven
Rachel is mijn naam
Door mijn ouders mij gegeven.
Hartog is mijn van, 
Mijn vaderlijke stam, 
Groningen is ...

'Ria, in godsnaam. Wat doe je? Laat dat!'
Moeder staat achter haar. Ze trekt het album van de tafel. Ze begint de eerste bladzij eruit te scheuren. 
'Niet doen mamma!' roept ze. 'Niet scheuren!'
Moeder scheurt toch. 
'Laat dat mamma!'
Met twee vuisten slaat ze tegen mamma's hoofd. Ze schreeuwt, ze huilt. Ze wil niet meer stil zijn, nooit meer. Ze voelt dat moeder haar op schoot trekt. Ze voelt dat moeder haar kusjes geeft en lieve woordjes in haar oor fluistert. 
'Kindje kindje wat wil je toch? vraagt moeder. 
'Niks,' snikt ze. 'Niks, alleen maar Ria Hartog zijn.'

Getraumatiseerd

Twee grootouders overleven de oorlog niet. Twee andere wel, maar opa is getraumatiseerd door het kamp. Hij is nog steeds op zoek naar brood in vuilniszakken. 
Vanuit de kamer hoort ze de harde stem van oma: 'Verdomme. Laat dat toch! Je bent niet meer in het kamp. We zijn terug in Holland. Hier hoef je geen beschimmeld brood meer te eten.'

Tante Jetje, die het kamp overleefd heeft, komt na de oorlog mensen tegen die haar naar andere mensen vragen, die in de oorlog vermoord zijn. Ze heeft geen zin dat elke keer te vertellen en breekt het gesprek af, waarop ene mevrouw Van Dalen zegt: 'Weer één te weinig vergast. Kale kakmadam.'

Dat was, als ik het mij goed herinner, een passage die Ellen Krol citeerde. Er wordt slechts weergegeven wat er gebeurde en daarom is het zo schokkend. 

Het Parool 1 april 1980

Krantenberichten

Door het hele boek zijn er sobere illustraties opgenomen, bijvoorbeeld een grijze pagina met een Jodenster en verschillende keren staat er op de grijze pagina een krantenbericht, waarin we kunnen lezen welke maatregelen er tegen de Joden zijn afgekondigd. 

Achter in het boek wordt verteld dat er 100.000 Nederlandse Joden in de oorlog vermoord zijn en dan volgt er een lange lijst van mensen uit het boek die de oorlog niet hebben overleefd. 

Toen Ida Vos in 1981 Wie niet weg is wordt gezien publiceerde had ze al drie dichtbundels op haar naam staan: 35 tranen (1976), Schiereiland (1979) en Miniaturen. 35 tranen is een gedichtenbundel over de kinderen in haar klas. Slechts vier van hen overleefden de oorlog, onder wie Ida. 

Het kinderboek Wie niet weg is wordt gezien verscheen in het najaar van 1981. Het eerste exemplaar werd in het Anne Frankhuis overhandigd aan haar onderduikouders, Oom Jaap en tante Nel de Lange. Ida zat bij hen in Venhuizen (in de buurt van Hoorn) een deel van de oorlog ondergedoken. 

Het boek wordt genoemd en gerecenseerd, vaak in combinatie met andere boeken. Alle besprekingen zijn positief, maar meestal is de omvang ervan beperkt. Blijkbaar werd er niet uitgebreid geschreven over jeugdliteratuur in die tijd. Alleen in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 29 januari 1982 wordt een groot artikel aan  het boek besteed. 

Wie niet weg is wordt gezien was het prozadebuut van Ida Vos. Daarna zou ze nog verschillende boeken schrijven, waaronder Anna is er nog (1986) en Witte zwanen zwarte zwanen (1992).

Overhandiging van het eerste exemplaar (Nieuwsblad van het Noorden 27 november 1981)