Posts tonen met het label aan de deur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label aan de deur. Alle posts tonen

maandag 29 februari 2016

De aanzegger (Aan de deur 15)


Als er iemand in het dorp overleden was, kwam de aanzegger. Dat was in ons dorp 'Hent van Mie', als ik het mij goed herinner. Indertijd zal ik zijn echte achternaam ook wel geweten hebben, maar die is mij nu ontschoten. Hij woonde bij ons in de straat, de Merkenhorststraat. In 1969 verhuisden we naar een straat verderop, de Schoolstraat. Ook daar is hij nog aan de deur geweest. Het aanzeggen is dus in ieder geval doorgegaan tot eind jaren zestig en misschien wel jaren tot in de jaren zeventig.

Hent belde aan en mijn moeder deed open. Misschien had Hent dan zijn hoed al af en anders zette hij hem af. Het was zo'n kachelpijp, die wij een 'hoge zije' noemden. Mijn vader had er ook zo een, in een doos in de kast. Hent legde zijn hoed op zijn arm en dan vertelde hij dat een bepaalde familie liet weten dat die en die overleden was.

Soms zullen we al van het overlijden op de hoogte geweest zijn, soms zal het werkelijk nieuws geweest zijn. Ik herinner me niet dat mijn moeder nog lang stond te praten met de aanzegger: hij bracht zijn boodschap, zette de hoge zije weer op en liep naar het volgende huis.

Als er iemand in de straat overleden was, ging mijn moeder naar buiten en deed bij elk raam een luik dicht. Dat was, als je voor het huis stond, met je gezicht ernaartoe, steeds het linker luik. Misschien was dat een ongeschreven regel. Misschien moest je het luik dichtdoen aan de kant waar de overledene woonde, maar aangezien wij aan het eind van de straat woonden, was dat dus altijd hetzelfde luik. Bij het huis van de overledene zaten voor elk raam beide luiken dicht en als er geen luiken waren, waren de gordijnen dichtgeschoven.

Veel later hoorde ik wel verhalen, uit andere delen van het land, overigens, waarin de aanzegger een borrel kreeg. Als hij bij het laatste adres aankwam, kon hij dus al behoorlijk teut zijn. Dat heb ik nooit meegemaakt. Hent bracht zijn boodschap ingetogen en vervolgde daarna zijn weg.

Achter het huis in de Merkenhorststraat lag onze boomgaard, die wij trouwens 'bongerd' noemden. Er liep een sloot door, zodat we een voorste en een achterste bongerd hadden, verbonden door een brug van balken die me achteraf doen denken aan spoorbielzen.

Aan de achterste bongerd grensde het kerkhof. Tussen de bongerd en het kerkhof stond een muur, hier en daar onderbroken door een vierkante zuil. De bovenkant van de muur had een scherpe rand, zoals bij de muur hiernaast. De muur was niet hoog: we konden eroverheen kijken en we konden ook gemakkelijk op de muur klimmen, waarna we er schrijlings op gingen zitten. Zo konden we toekijken bij begrafenissen. Daarbij waren we stil, zodat niemand last van ons hand.

Naast het kerkhof was een gangetje waarin kerkhofafval werd gedumpt. We vonden er een keer een metalen krans van bladeren (klimopbladeren?) en namen die mee. We zetten die neer in huis, maar ik weet niet meer waar. Op de kast in de slaapkamer van mijn ouders? Daarna haalden we mijn moeder om haar te laten zien dat we iets heel moois voor haar hadden. Ma vond het lief, maar zei dat we de krans toch maar weer terug moesten brengen. Blijkbaar was het nog te vroeg voor een grafkrans.

Bij begrafenissen was Hent van Mie de uitvaartleider. Hij liep voorop. Ik herinner me dat hij dan een steek droeg, maar ik weet niet meer of dat bij alle begrafenissen het geval was. Moest de familie extra betalen voor de steek? Het zou kunnen. Voor op zijn lange, zwarte jas, hingen zilverkleurige tressen, die ik erg indrukwekkend vond. Terwijl ik dit typ, vraag ik mij af of mijn geheugen mij niet bedriegt. Waren die tressen niet gewoon wit? Ook dat is mogelijk.

Het aanzeggen is al oud. De aanzegger werd ook wel aanspreker of doodbidder genoemd. In Leiden was er in de zeventiende eeuw een doodbiddersgilde lees ik hier. Op de site van Museum Boerhave vond ik de afbeelding hiernaast, met als tijdsaanduiding 1725 - 1825.

Informatief is de pagina die Ben Hartman heeft aangemaakt. Daarop staat dat er in streken waarin bijen gehouden werden, de bijenvolken het te horen kregen als de imker was overleden. Dat is ook te lezen in een gedicht van Anton Ent. Op de pagina van Hartman staat ook een mooie foto van een aanzegger met zijn fiets (zie hiernaast). Jammer genoeg zonder bronvermelding.

In 1979 publiceerde Maarten 't Hart de roman De aansprekers. Ik herinner me dat het boek gaat over de dood van zijn vader, maar niet dat er ook daadwerkelijk een aanspreker in voorkomt die langs de huizen gaat. In 1979 zal dat niet meer gebeurd zijn, maar het boek speelt in het verleden.

Verder kennen we de aanzegger natuurlijk uit de immortelle van Piet Paaltjens:
Als ik een bidder zie lopen,
Dan slaat mij ’t hart zo blij,
Dan denk ik, hoe hij weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.
In dorpen en stadswijken is de sociale cohesie in de loop van de jaren minder geworden. Vaak weten we niet meer wie er bij ons in de straat woont. Daarmee heeft ook de aanzegger zijn functie verloren: wij zouden niet weten over wie het had, als hij ons vertelde dat er iemand van een straat verderop is overleden.

De afbeelding hierboven en die helemaal bovenaan, haalde ik van deze site.

Naschrift: mijn moeder wist te vertellen dat Hent van Mie eigenlijk Hent van Schaik heette en ook dat hij in zijn hoed een briefje had geplakt waarop stond hij wat hij moest zeggen. Als hij in zijn hoed moest kijken, zal hij dus niet zijn hoed op zijn arm hebben gehad, zoals ik mij meende te herinneren.

De luiken gingen inderdaad dicht aan de kant waar de overledene woonde en voor de steek moest inderdaad bijbetaald worden. Aldus mijn moeder.

woensdag 6 mei 2015

De stomerij (Aan de deur 14)

De Telegraaf, 7 februari 1970

Bij degenen die aan de deur kwamen, behoorde ook de man van de stomerij. Voor onze verhuizing naar de Schoolstraat, in 1969, zal hij ongetwijfeld ook al bij ons aangekomen zijn, maar daar heb ik geen herinneringen aan.

De stomerij heette Grashoff. Mijn moeder heeft waarschijnlijk nog heel wat kleerhangertjes waarop die naam staat. In het logo was de naam van de stomerij verwerkt; ik blijk het makkelijk terug te kunnen vinden op internet. Blijkbaar is het in al die jaren niet veranderd. Ik herinner me die grote 'G' die als een mond de rest van de naam lijkt op te happen. Pas nu zie ik dat de hele naam opgesloten is in een 'D'. Stond er op de kleerhangers 'D. Grashoff' of alleen maar 'Grashoff'?

Er is een foto te vinden op internet, maar die is zo klein dat je niet kunt zien wat er precies op het hangertje staat. Gelukkig staat het erbij: 'Chem. Reinigen “Grashoff” Elst Tel. 679 Tapijtreinigen.' In het bijgevoegde artikel wordt ook nog verteld dat Grashoff nog steeds in Elst (Gld) te vinden is.

Als mijn moeder iets te stomen had, moest ze een kaart, ter grootte van het deksel van een schoenendoos, voor het raam zetten. Wekelijks reed het witte bestelbusje van Grashoff zijn ronde. De chauffeur moest bij elk huis kijken of er een kaart stond. Als dat het geval was, moest hij aanbellen en kreeg hij het te stomen goed mee.

Het vrije volk, 15 juni 1960
Achteraf lijkt het me nogal lastig voor de man in het busje om elke kaart te signaleren. Bij ons stonden vier grote taxusbomen voor het huis. Daar moest de stomerijman tussendoor kijken. Gelukkig was het verkeer niet zo druk, anders zou het ook nogal gevaarlijk zijn geweest, zo'n chauffeur die meer let op de huizen dan op de weg.

Ik probeer uit mijn herinnering naar boven te hengelen hoe de man eruit zag. Ik zie iemand in pak, maar ook wel in een regenjas. Ik weet niet in hoeverre dat klopt. De man had sluik, donker haar, dat met een lok over zijn voorhoofd viel. Zijn neus was spits. In ieder geval zo spits, dat ik mij die neus herinner (weer: voor zover mijn geheugen mij niet bedriegt).
Limburgsch Dagblad, 13 februari 1974

Wij hadden een trekbel met een helder klingelend geluid. Als er gebeld werd, veegde mijn moeder haar handen af aan haar schort en haastte zich naar de deur. Je moest mensen niet laten wachten. Als ze erg druk bezig was, stuurde ze een van haar kinderen, die dan op een holletje naar de deur ging.

De man van de stomerij zei op een bijzonder opgewekte toon: 'De stomerij!' Wij deden dat wel eens na als hij weer vertrokken was. Op een goedmoedige manier; we vonden de man, die we steeds maar hoogstens een paar minuten zagen, een aardige man.

Het kind dat opendeed, rende dan door de lange gang terug naar de keuken of hij riep over zijn schouder: 'Stomerij!' of ook wel: 'Grashoff', waarna mijn moeder alsnog kwam.

Wat liet mijn moeder eigenlijk stomen? Het moeten zaken zijn geweest die ze zelf niet kon wassen. De 'pakken' van man en zonen natuurlijk. Waarschijnlijk ook wel eens een mantelpakje of een jas (de zondagse mantel). Dekens? Die zal mijn moeder wel gewassen hebben, vermoed ik.

Na een week werd de gestoomde kleding teruggebracht. Aan een hangertje van Grashoff en met een dunne plastic hoes eromheen. Die kon je gemakkelijk kapot trekken. Mijn moeder zal wel contant betaald hebben, maar ik heb er geen beeld van. Had de stomerijman een geldtas, zoals de bakker en de kruidenier? Of trok hij zijn portefeuille? Ik weet het niet meer.

Nu mijn gedachten cirkelen rond alles wat met de stomerij te maken heeft, vraag ik mij af of ik de chauffeur van het stomerijbusje aanzag voor 'meneer Grashoff'. Dat vermoed ik namelijk, maar zeker weet ik het niet. Ik vermoed dat ik dacht er één meneer was die kleren ophaalde en ze stoomde. Een eenmansbedrijfje, zoals de mulder en de kolenboer.

Wat stomen was, wist ik niet en ik herinner me niet dat ik het me ooit heb afgevraagd. Bij ons thuis moest ook wel eens iemand stomen, als hij heel erg verkouden was: met je hoofd onder een handdoek boven een bak kokend water, waarin eucalyptus was opgelost. Hoe het stomen van kleren ging, wist ik niet. Ze kwamen altijd keurig terug en dat was het belangrijkste.

Stomerijen zijn er nog steeds, al zullen ze wel niet meer met een busje langs de deuren gaan. Tegenwoordig kun je zelfs je kleren laten stomen bij Albert Heijn. Ooit reed ik achter een auto van een stomerij met daarop een fraai rijm: 'Eén der weinigen die goed reinigen'. Blijkbaar waren er ook knoeiers in het stomerijvak.

Bladerend in oude kranten (maar op internet blader je eigenlijk niet) kwam ik ook nog een paar cartoons tegen waarin de stomerij een rol speelt. Ik vermoed dat stomerijen toen bekender waren dan nu. Zouden mijn kinderen weten wat een stomerij is? Ik zal het ze eens vragen.

De Tijd De Maabode, 8 september 1965

De Telegraaf, 25 mei 1967

zaterdag 28 februari 2015

De berenboer (Aan de deur 13)



In 1969 verhuisden we naar de Schoolstraat in Herveld. Het was een boerderij die ingesteld was op akkerbouw, terwijl mijn vader fruitteler was, die ook koeien molk en varkens fokte. Er waren koeienstallen in het gebouw, maar varkenshokken waren er niet. Die metselde mijn vader eigenhandig, met hulp van een broer van mijn moeder, die door ons 'de dikke ome Henk' genoemd werd. We hadden namelijk vier ooms die Henk heetten en we moesten ze van elkaar kunnen onderscheiden. 

De ruimten waarin de varkenshokken gebouwd werden, bleven hun oude namen houden: bietenhok, korenkamer, pèrdstal, hoge schuur. Mijn vader had een aantal fokzeugen en daarbij kregen we biggen. Later zullen we zelf wellicht ook een beer, een mannetjesvarken, gehad hebben. Zeker ben ik daar niet meer van. In het begin kwam die beer van buitenaf.

Als mijn vader vermoedde dat een zeug berig was, ging hij het hok in. Hij ging naast de zeug staan en duwde met twee handen op haar rug. Als de zeug stil bleef staan, was ze rijp voor de beer. Ik zeg nu 'ze', maar bij ons werden alle dieren aangesproken met 'hij'. Mijn vader kon dan ook na zo'n test naar binnen lopen en tegen mijn moeder zeggen: 'Bel Berns d'n berenboer mar op. Hij stee al.'

Daarna kwam Berns. Hij had een auto met daarachter een karretje waarvan de neergelaten klep als loopplank diende. Zo'n voertuig zal tegenwoordig wel een trailer heten. In mijn herinnering had Berns altijd een pet op. Hij droeg een grove ribbroek, die wij indertijd een manchesterse broek noemden, klompen en bretels over zijn overhemd. Soms had hij een manchesters jasje aan. Als mijn geheugen mij tenminste niet bedriegt. Corrigeer me als ik het fout heb. 

Als ik het goed heb, was Berns katholiek. Daar werd bij ons thuis niet veel over gesproken en toch wisten we het. Misschien weet ik het ook omdat Berns uit Valburg kwam. Daar zullen meer katholieken geweest zijn dan bij ons. Wij woonden in Herveld-Zuid, dat gegroepeerd is rond de hervormde kerk. De katholieke kerk staat in Herveld-Noord. We zullen op weg naar school wel katholieke kinderen gezien hebben, maar van ruzies was nooit sprake. Ik herinner het me tenminste niet. 

Berns liet de beer de loopplank af lopen en leidde hem naar het varkenshok. Dat ging altijd gemoedelijk: af en toe een klapje op de rug om het dier aan te sporen, alsof de beer al vooraf een schouderklopje kreeg. Berns had de 'martstok' in zijn hand, waarmee hij de beer zo nodig bijstuurde: tikje tegen de wang. 

Als de beer in het hok bij de zeug was, werd er gesnuffeld, gesnoven en gekwijld. Door de beer, natuurlijk, niet door Berns. Na een tijdje sprong de beer op de zeug en als die goed berig was, bleef ze inderdaad staan. 

Soms wat het zo gepiept, soms duurde het langer. Vlak voor de beer sprong, kwam zijn penis te voorschijn, roze, op het rode af. Hij leek een beetje op een schroef. Een neef vertelde ooit een grapje over een varken dat maar niet gedekt kon worden: ze bleek een 'Ingelse droad' te hebben. Of het klopt, weet ik niet, maar we gingen ervan uit dat in Engeland alles anders was: ze reden daar aan de linker kant van de weg en de schroefdraad zou dan ook wel precies andersom zijn. 

Als de beer de vagijn (wij zeiden 'de klink') van de zeug miste, stuurde Berns met zijn hand bij. Ook dan kon het nog een tijdje duren voor de beer zover was. Soms begon intussen het varken een paar stappen te zetten, waarbij de beer trippelend op zijn achterpoten het vrouwtje moest bijhouden. Als hij een soort sprongetje maakte, was het gebeurd, wisten wij. Daarna kon Berns de beer weer terug naar de kar leiden. 

Zo'n berenboer zal wel niet meer bestaan. Net als bij de koeien heeft bij de varkens de kunstmatige inseminatie haar intrede gedaan. Voortplanting heeft weinig ambachtelijks meer. 


zaterdag 13 september 2014

De melkrijder (Aan de deur 12)


Omdat wij koeien hadden, kwam de melkboer niet bij ons aan de deur. Mogelijk schrijf ik toch nog over hem, want ik heb hem wel meegemaakt, bij mijn tante. De melkrijder kwam wel: elke ochtend en elke avond kwam hij de melkbussen vol melk ophalen en bracht ze naar de fabriek.

Kwam de melkrijder ook op zondag? In ieder geval niet twee keer, die dag. Ik weet ook niet of mijn ouders op zondag de melk meegegeven zouden hebben: 'zondagswerk is niet sterk'. Op zondag mochten alleen de werken van noodzakelijkheid en van barmhartigheid. De koeien moesten gemolken worden, de varkens gevoerd, maar het hooi zou op zondag niet van het land gehaald worden. Ook niet als het nat dreigde te regenen.

Als een gezinslid  in het ziekenhuis lag, werd het op zondag bezocht, maar andere bezoekjes werden er niet afgelegd. Er werd op zondag geen brief gepost en er werden geen telefoongesprekken gevoerd. De radio bleef uit. Voor de tv waren geen regels; die was niet in huis.


In ieder geval werd op zondagmorgen de melk niet opgehaald. Werd op zondag de melk 's avonds laat aan de weg gezet, zodat die 's nachts opgehaald werd? Het is een mogelijkheid, maar hoe waarschijnlijk is die? Dat op zondag de melkrijder niet kwam (wat ik nu maar even aanneem), zal niet komen doordat men rekening hield met christelijke melkveehouders, maar met de noodzakelijke vrije dag van de melkrijder.

Melk blijft niet vanzelf goed. Als de melk niet opgehaald werd, moest hij gekoeld worden. Bij 'het oude huis', waar wij tot halverwege 1969 woonden, hadden we 'koelringen', die aangesloten werden op de tuinslang. De ringen konden ook onderling gekoppeld worden. Ze werden om de halzen van de melkbussen gelegd en het koude kraanwater werd door de slang en dus door de ringen gestuwd. Volgens mij zaten er kleine gaatjes in de ringen, waardoor er beetjes koud water langs de bussen stroomden. Of beredeneer ik dat nu, achteraf?

In het begin zal het niet zo gegaan zijn. Toen hadden we immers alleen maar een pomp en geen kraan. Bij 'het nieuwe huis' stond achter het huis een koelbak. Die stond altijd voor minimaal de helft vol water. De wanden aan de binnenkant waren groenig en bruinig en glibberig. Toch plonsden we er als kinderen op een zomerse dag er wel eens in in onze onderbroek. Een zwembroek kreeg ik pas toen ik naar de middelbare school ging en zwemles kreeg.

Soms hadden de melkbussen zo lang in de zon gestaan, dat de melk in een of meer bussen zuur was geworden. Dan kwam die bus weer vol terug uit de fabriek. Mijn moeder karnde dan de melk en maakte zelf boter. Die was altijd een beetje zurig, maar wel lekker.

Een dag in de week kon aan de melkrijder de bestelling meegegeven worden. Ik geloof dat dat op dinsdag was. Er waren twee soorten bonnetjes: kaasbonnen en productenbonnen. Van tijd tot tijd bestelden mijn ouders een stuk kaas, van ongeveer 2,5 kilo. Die werd door de melkrijder in een lege bus gelegd. Wat er allemaal op de productenbonnen aangekruist kon worden, weet ik niet meer. Ik heb het idee dat mijn ouders die alleen gebruikten om filters te bestellen voor in de 'temmes', het melkzeef. Die filters noemden we 'watten'. Als de melk niet snel genoeg doorliep, moest er 'een nije wat' in de temmes. Er waren ook wel ongeduldige boeren die de temmes een paar centimeter optilden en dan weer neer lieten komen op de bovenkant van de melkbus, in de hoop dat de melk dan beter doorliep. Dat zal bij ons ook wel eens gebeurd zijn.

Het bonnetje met de bestelling werd klemgezet tussen de deksel en de melkbus. Voor karnemelk hoefden we geen bonnetje in te vullen. We kregen per week standaard een halve melkbus karnemelk, vijftien liter. Of overdrijf ik nu? Zou het maar tien liter geweest zijn?

Ik denk dat die tien of vijftien liter vaak wel op ging, al was het maar doordat wij verschillende keren per week karnemelkse pap aten. Mocht er wel wat over zijn, dan ging dat restje naar de varkens, die er dol op waren.

Mijn vader, staande in de staldeur, temmes in de hand. 1976

De melkrijder kwam met de vrachtwagen, op vaste tijden. Soms moesten we ons haasten om op tijd de koeien gemolken te hebben, zodat we de melkrijder niet misten. In de zomer, als de koeien op de uiterwaarden liepen, zetten we de melkbussen wel aan de weg bij Ome Wout. Die had een verhoging gemaakt, waarop de melkbussen konden staan. Noemden we dat toen een vlonder? Het zou kunnen. Voor de melkrijder was dat prettig: dan hoefde hij niet zo hoog te tillen. Een volle bus woog meer dan dertig kilo.


Zaten de bussen erg vol, dan haalde de melkrijder een keer aan: melkbus met twee handen vastpakken, benen een beetje wijd, melkbus eerst tussen de benen door een eindje naar achteren zwaaien, zodat hij met een soort aanloopje naar voren en omhoog gezwaaid kon worden, op de vrachtwagen. (zie ook het filmpje aan het eind). Soms moest de melkrijder daarna nog op de vrachtwagen klimmen. De bussen stonden twee lagen hoog. Op de onderste laag kwam een schot te liggen en daarbovenop kwam nog een laag melkbussen.

Elke boer had zijn eigen busnummer. Wij hadden 1980, een nummer als een jaartal. Dat kwam mooi uit: ons telefoonnummer was 1890. Als we met een stel boerenzonen van toen bij elkaar gaan zitten, hebben we zo alle busnummers weer naar boven gehaald, vermoed ik. Later werden de bussen opnieuw genummerd. Toen kregen we 1931 en nog weer later 71931. Toen werd er ook met tape een gekleurde band rond de hals van de bus gelegd. Wij hadden donkergroen.


De melkfabriek was van Coberco. Dat stond ook te lezen op de bus, op de band rond de 'schouders'. We hadden ook nog wel oude bussen, waarop een vorige naam van de fabriek stond: Vecomi (Verenigde Coöperatieve Melkinrichtingen, tot 1970). Of nog ouder: Camiz (Coöperatieve Arnhemse Melkinrichting en Zuivelfabriek, tot 1965). Voor de geschiedenis van de melkfabriek: klik hier.

Hoe die fabriek eruitzag, wist ik wel: van tijd tot tijd mocht ik mee met de melkrijder. Ik weet niet meer precies met welke. De namen die ik (met dank aan mijn broer en mijn moeder) nog of weer weet, zijn: Besseling, Schenkhof, Hommerson en Hartelo. Ik zal wel met Schenkhof of met Hommerson mee geweest zijn.

Ik mocht dan een groot deel van de rit achter op de vrachtwagen. Ik schoof de melkbussen die de melkrijder op de vrachtwagen zette, wat weg, zodat hij ruimte had voor de volgende bussen. Toen ik een jaar of twaalf was, zal ik ook wel de melkbussen van de vloer van de laadbak omhoog gezet hebben, boven op de onderste laag bussen.

Bij de melkfabriek werden de bussen op een lopende band gezet. De deksels moesten van de bussen af en aan een haakje boven de bus gehangen worden. Soms klemde een deksel en kreeg de melkrijder het deksel er maar met moeite af. Hij nam een ander deksel, en sloeg daarmee het klemmende deksel omhoog.

De melkbussen werden leeggegoten in grote bakken, waarbij de melk meteen gewogen werd. Ik snapte nooit hoe men op de fabriek precies kon weten hoeveel melk welke boer aanleverde en ook nog van welke kwaliteit die was. Het was altijd mooi als je eerste kwaliteit melk kon leveren. Er werd gelet op 'reinheid' en 'celgetal'. Of was het 'kiemgetal'? Ook werd er gekeken wat het vetgehalte was. Eerste klas was goed, tweede klas kon ermee door, maar als je derde klas had, was het niet best. Dat laatste is bij ons niet veel voorgekomen.

De lege bussen werden uitgewassen, de melkrijder deed de bestellingen in de melkbussen (als het besteldag was), laadde ze weer op zijn wagen en daarna begon de rit in omgekeerde richting. Thuisgekomen sprong ik van de vrachtwagen af en dan was het avontuur ten einde. Ik vermoed dat ik rond het middaguur gemiddeld wel weer thuis was: ik kan me niet herinneren dat ik brood meenam.

De melkbussen hebben het nog een heel tijdje volgehouden, maar zo rond 1980 moesten ze plaatsmaken voor de melktank, waarin de melk ook meteen gekoeld kon worden. Ik denk dat die tank twee keer per week geleegd werd, maar zeker weet ik dat niet.

Later, ik was al getrouwd en had al kinderen, kreeg ik van mijn vader een melkbus, waarmee ik erg verguld was. Hij stond jaren in de gang, totdat hij door de buurman geleend werd, voor het carbidschieten. Ik kreeg hem nooit terug, vergat ernaar te vragen en raakte hem kwijt. Intussen ben ik al drie keer verhuisd. In het halletje staat weer een melkbus, waarin sjaals, wanten en plastic tassen bewaard worden. Het is een heel andere melkbus dan die van vroeger, maar ik doe het er maar mee.

Helemaal verdwenen zijn de melkbussen niet. Ze fungeren nog hier en daar als plantenbak en met oud en nieuw worden ze nog steeds gebruikt. Nu worden niet meer de deksels weggeschoten (te gevaarlijk) maar een bal. Dat zal nog wel een aantal jaren doorgaan. Tot het verboden wordt. Of totdat er geen carbid meer te krijgen is. Wie weet, maken we dat nog mee.






woensdag 13 augustus 2014

De groenteboer (Aan de deur 11)

Groenteboer Valkenier
Bij degenen die hun nering langs de weg zochten, ontbreken nog wat mensen in deze serie. Een voor de hand liggende is de groenteboer. Voor zover ik weet, is die altijd al bij ons geweest. Ik loop terug over de paden van mijn geheugen en kijk of ik hem tegenkom in de eerste tien jaren van mijn leven, de tijd dat wij nog aan de Merkenhorststraat in Herveld woonden. Ik krijg wel een beeld van Valkenier die met zijn busje met open bak ons erf op komt draaien, maar herinner ik mij dat of maak ik dat beeld nu aan?

Mijn vader en Ome Wout planten boerenkool
Eigenlijk lijkt het me sterk dat Valkenier al in de jaren zestig groente bij ons bracht. We hadden een vrij grote tuin en ik zie daar nog de spruiten en de boerenkool in staan. Daar ben ik vrij zeker van, maar ik weet ook dat het geheugen rare streken met iemand uit kan halen. Zo zie ik mij bijvoorbeeld niet mijn vader helpen bij het tuinieren. Ik heb uit die tijd geen enkel beeld van mijn vader in de tuin.

Mijn vader kwam niet altijd aan de tuin toe, druk als hij was met het fruit en met de rest van het boerenwerk. Ik heb nog een vage herinnering aan de zomer dat er twee jongens (Nico en Rokus) bij ons gelogeerd waren, die de tuin flink onder handen namen.

Omdat ik toch met veel twijfels zat, heb ik mijn moeder gebeld. Zij vertelde mij dat Valkenier wel aan de deur kwam, maar niet als groenteboer. Hij kwam op de fiets en verkocht borstels, sponzen en kachelpotloden. Daar wist ik niets van.

Volgens mijn moeder hadden we inderdaad een grote groentetuin, maar deden we daar later niet veel meer aan. Toch herinner ik me dat we ook na de verhuizing (in 1969) naar de Schoolstraat nog aardig wat uit de tuin haalden. Toen ik in de hoogste klas van de lagere school zat of op de middelbare school, heb ik die tuin verschillende keren omgespit en samen met mijn vader heb ik wel aardappelen of koolplanten gepoot. Ook zie ik wel hoe we met zijn allen een teil boontjes aan het rangen zijn.

Mijn opa bij zijn 'broeibakken'
Mijn vader had ook een 'broeibak', zowel bij het oude als bij het nieuwe huis. Als ik mij goed herinner was die bij het oude huis van hout. Op de bak lagen de 'ramen', een beetje hellend, zodat ze veel zon vingen. Aan de ramen zat een ring, zodat je ze makkelijk op kon tillen. Met de gieter werd de grond bevochtigd. Of de ramen eraf gelegd werden als het regende om op die manier vocht te vangen, weet ik niet meer. Als het erg warm was en de sla het te warm dreigde krijgen, werden de ramen iets omhoog zet, door er een baksteen onder te plaatsen.

Ik herinner me niet dat ik bij het oude huis een eigen tuintje had. Later had ik dat wel. Daar zullen in ieder geval radijsjes in gestaan hebben. Verder weet ik het niet. Worteltjes? Dat zou zomaar kunnen.

Bij het oude huis hebben we in ieder geval aardappelen in de tuin gehad. Ik weet nog dat ze in kisten voor de kelder stonden. Ze moesten eerst 'gepoeierd' worden, tegen het uitlopen, en daarna konden ze de kelder in. Wij werden altijd voor de poeder gewaarschuwd: die was giftig.

Nadat we verhuisd waren, in 1969 dus, kwam in ieder geval Valkenier aan de deur, met zijn groentewagen. Achterin hing een weegschaal, met een bak met een knik erin. Daar legde hij de sinaasappels op als hij ze moest afwegen. Zo herinner ik het mij tenminste. Maar op de enige foto die ik van Valkenier heb (boven aan dit stuk, geratst van site van Oud Dodewaard), zie ik dat de weegschaal in ieder geval niet aan de achterkant hangt. Op de foto hiernaast (uit een andere streek, overigens) zie je de weegschaal zoals ik mij die herinner.

Valkenier had een pet op en meestal had hij (in mijn herinnering althans) een zwart manchester jasje aan en zwarte manchester broek. Zijn voeten waren wat naar binnen gekeerd en hij had een wat sloffende gang. Een rustige man, over wie mijn moeder meestal wel positief was. Als hij groente of fruit geleverd had waar wat mee was, zal ze hem dat best duidelijk gemaakt hebben, maar ik geloof dat het meestal wel in orde was.

Mijn moeder wist me ook nog te vertellen dat er, in latere jaren, ook andere groenteboeren langs de deur kwamen: Rikken, Wouters en Crum. Bij Rikken heb ik helemaal geen beeld. Mijn nicht Carola heeft er nog gewerkt, vertelde mijn moeder, maar ik heb er geen enkele herinnering aan. Wouters werd door ons Jippie genoemd. Volgens mij had hij een hoedje op, maar ik weet eigenlijk niets van hem. Crum was eerst boer en ging later in de groente. Om hem van andere Crummen te onderscheiden werd hij d'n baby of Baby Crum genoemd. Waarom dat was, weet ik niet. Mijn vader noemde hem nooit anders.

Intussen komt er weer een Valkenier bij mijn moeder aan de deur. De man is al over de zeventig, maar houdt het venten aardig vol. Hij komt eenmaal per week. Volgens mijn moeder wilde hij wel tweemaal in de week komen, maar vond ze dat niet nodig.

Of er nog veel groenteboeren langs de deur komen, weet ik niet. Ik heb het idee dat de groenteboer van mijn moeder een uitzondering is, maar misschien vergis ik mij erin. Toen de buurtsuper uit Herveld-Zuid verdwenen was, kwam de SRV-man aan de deur en ook in Ede heb ik nog wel zo'n winkelwagen meegemaakt. Daarin was ook groente te koop. Hebben die winkelwagens de groenteboer verjaagd? En rijden die winkelwagens er nog of zijn die intussen ook verdwenen? Veel straathandel is weg, de herinneringen zijn er nog.

Nog weer verder terug: groenteboer met paard en wagen. In dit geval de vader van striptekenaar Dick Heins. 

Foto uit Heerde


maandag 4 augustus 2014

Visboer (Aan de deur 10)



Niet alleen de bakker, de kolenboer, de kruidenier en die zes andere mensen die ik eerder hier noemde kwamen aan de deur, ook de visboer. Wij hielden wel van vis, al had mijn vader een hekel aan de graten. Op mijn verjaardag (23 juni) aten we bij de nieuwe aardappels nogal eens kabeljauw met 'boterjus' en mosterd.

Van tijd tot tijd kwam een oom een maaltje vis brengen. Mijn ooms gingen soms op makreel vissen op de Noordzee en ook werd er in de buurt wel gevist. Wat voor vissen gevangen werden, wist ik als kind niet. Nou ja, een paling herkende ik natuurlijk wel en ik hoorde ook wel eens van vissen dat het voorns waren. Maar ik kon geen brasem van een karper onderscheiden.

De vis die in de buurt gevangen werd, smaakte soms lichtjes naar modder. Ik geloof niet dat wij ons daardoor lieten afschrikken. Toen ik volwassen was hoorde ik, in terugblikken, ook wel dat mijn ooms vis stroopten, maar dat heb ik indertijd nooit geweten. Ik ken het verhaal van een oom die een fuik lichtte en naderhand de eigenaar ervan een maaltje vis ging brengen.




Zelf heb ik maar één keertje gevist, met een vriendje in 'de zwarte kuil'. De hengel was van hem. Ik weet niet eens meer of we iets gevangen hebben. Ik zag er de lol niet zo van in. Niet omdat ik medelijden had met de visjes; dat kon me niet zoveel schelen. Het stond mij meer tegen dat je eigenlijk niks te doen hebt: deegje aan het haakje en dan maar wachten.

Ik weet dat er mensen zijn die niets liever doen dan een dag aan de waterkant zitten. Martine Bijl bracht er ooit een treffende conference over en Eli Asser schreef er een liedje over dat iedereen kent. Het werd gezongen door Piet Römer en Leen Jongewaard.

Als kind leerde ik een rijmpje van mijn opa: Pissen gaat voor 't vissen / al staat het net gereed, /kakken gaat voor 't bakken, / al is de oven heet. Ik weet niet meer zeker of nu eerst de regels over het vissen komen of eerst de regels over het bakken.


Wij aten af en toe vis bij de warme maaltijd, maar vaker kwam het voor dat we vis op brood aten, als mijn moeder bijvoorbeeld lekkerbekjes bij de visboer had gekocht. Die visboer kwam (wekelijks, denk ik) aan de deur. Bij 'het oude huis', waar wij tot en met mei 1969 woonden kwam de visboer niet. Ik heb er in ieder geval geen herinnering aan.

Toen wij verhuisd waren, kwam er een witblauw busje aan de deur. Ik weet niet of dat meteen in 1969 was. Ik heb het idee dat er wel een paar jaar overheen gingen voordat wij klant werden. Dat busje, het was een Ford, vermoed ik, was van Fieret. In mijn herinnering stond er op de zijkanten en de achterkant: 'Fieret' en daaronder 'zeebanket'.

Nu ik eraan terugdenk, vraag ik met af of dat niet 'Fieret's zeebanket' is geweest. Fieret bestaat nog steeds, merk ik als ik ernaar ga zoeken. In Amersfoort is nog een zaak die de slogan 'Fieret voor zeebanket' heeft. De winkel stamt uit 1966, maar ik kan niets vinden over het venten van de vis. En zou de visboer helemaal vanuit Amersfoort naar de Betuwe getrokken zijn?

De visboer was een man met krullend, donker haar. Hij droeg een witte jas en had een forse neus. Als mijn moeder op zijn aanbellen opengedaan had, liep ze me met hem mee, het bruggetje over naar de weg, waar zijn auto stond. Hij deed de achterdeuren open en liet zien wat hij allemaal had. Ik herinner me de stokvissen, die we nooit kochten, maar die ik wel opmerkelijk vond.

Geregeld kocht mijn moeder zure haring, soms ook braadharing in het zuur, van tijd tot tijd een paar lekkerbekjes, soms een paar stukjes kabeljauw. Af en toe een makreel. Dat was het, denk ik. Ik herinner me niet dat mijn moeder wel eens scholletjes kocht bijvoorbeeld.

In mijn herinnering was het nooit zoveel wat ze kocht en vaak vond ze het ook nogal duur. Later kwam er een vrouwelijke visboer aan de deur. Of die ook van Fieret was, weet ik niet. Ik heb niet veel herinneringen aan haar. Ik heb het idee dat we toen nauwelijks nog vis kochten en dat mijn moeder vaak oversloeg. Ik vermoed dat de vis toen te duur was en dat mijn moeder er het geld niet voor overhad.

Vis ben ik blijven eten. Omdat we het maar af en toe hadden, hangt er voor mij nog steeds de sfeer omheen van luxeproduct en delicatesse. Ooit had ik het geluk dat ik een half jaar lang tweemaal in de week zalm moest eten, omdat ik deelnam aan een onderzoek van de Wageningen Universiteit. De details ervan heb ik niet meer nagekeken, maar volgens mij werd de invloed van het eten van vis op de darmflora onderzocht. Een van de onderzoeksgroepen at zalm, de andere groep kabeljauw, de derde groep hield zijn normale menu. Het maakte allemaal uiteindelijk weinig verschil.

Op internet vind ik verschillende foto's van houten viskarren die langs de deur gingen. Daar herinner ik me niets van. We woonden waarschijnlijk te ver van een vissersplaats af. Ik herinner me ook geen enkele vishandel in ons dorp of in een van de omringende dorpen. Later, toen ik op een internaat zat, heb ik wel van die karren gezien die fungeerden als visstalletje . De haring werd ter plekke schoongemaakt. Daar heb ik wel eens een haring of een broodje haring gekocht.

Er is een tijd geweest dat ik wekelijks naar de bibliotheek in Arnhem ging. Voor het station bevond zich een viskraam, waar ik af en toe een sambalmakreel kocht. Die heb ik nooit gezien bij de visboer aan de deur.

Er wordt tegenwoordig weinig meer gevent en ook de visboer is van de straat verdwenen. Zijn kraam staat nog op markten, maar hij gaat niet meer langs de deuren.

Vis eten we nog steeds. Uit cijfers van het Visbureau maak ik op dat mensen vooral vis kopen in de supermarkt. Pangasius wordt het meest gegeten, gevolgd door tonijn en vissticks. Het zijn cijfers over 2013. Dat vis, vooral vette vis, gezond is, heb ik al verschillende keren gelezen. Maar ik zie dat in ziekenhuizen, verpleeghuizen of bejaardenhuizen maar weinig vis wordt gegeten. Of zitten er zo weinig mensen in die huizen dat het logisch is dat daar laag op gescoord wordt? Ik weet het niet.

Misschien zitten in die bejaardenhuizen ook wel mensen die met weemoed terugdenken aan de tijd dat de visboer langs de deur kwam. Of aan de tijd dat ze zelf hengelden of misschien wel vis stroopten. Mistroostig kijken ze naar de vissticks op hun bord.







vrijdag 25 april 2014

De scharensliep (Aan de deur 9)

Scharensliep, ongemotoriseerd, 1974
Bijna nooit meer hoor ik het woord 'scharensliep', maar eind februari van dit jaar was er ineens een scharensliep in het nieuws: kijk hier maar eens. Het is een bericht over iemand die aan een boer aanbood om diens freesmessen en boorkoppen te slijpen. Nadat de boer het afgesproken bedrag overgemaakt had, eiste de slijper duizend euro meer. Omdat de boer niet toegaf, kreeg hij een serie bedreigende telefoontjes: brand en de dood zouden hem te wachten staan.

Zo gaat dat tegenwoordig dus. Ik herinner me de scharensliep als iemand die aanbelde om te vragen of de vrouw des huizes messen of scharen te slijpen had. Je had goede scharenslijpers en klungels, die je messen of scharen zo konden slijpen dat ze nooit meer te gebruiken waren.

Op één scharenslijper kon je blind vertrouwen. Ik weet niet of ik zijn naam goed spel, maar mijn moeder sprak die uit als Valiezen. Valiezen leverde altijd goed werk. Ik herinner me ook wel slijpers waarover mijn moeder niet tevreden was.
Het vrije volk, 2 december 1968

Een van die slijpers nam een groot mes van mijn moeder aan om dat te slijpen. Ze vroeg vooraf hoeveel het was. Hij noemde de prijs. 'Een knaak of zo',  vertelde mijn moeder die zich het exacte bedrag niet meer kon herinneren. Een jonge vrouw (zijn dochter?) bracht het mes terug en zei dat het vijf gulden was, wat mijn moeder natuurlijk niet wilde betalen. Het was erg veel werk geweest, vertelde de vrouw, maar daarmee vermurwde ze mijn moeder niet. De vrouw dreigde het mes te houden, waarop mijn moeder zei dat dat goed was, maar dat ze dan wel de politie ging bellen. Ze kreeg het mes terug en betaalde de vooraf afgesproken prijs.

Het verhaal is te vergelijken met dat van de scharensliep met wie ik opende: een bedrag afspreken en dan achteraf zeggen dat het duurder was. Indertijd was het zeker niet de gebruikelijke gang van zaken; anders had mijn moeder het verhaal over deze ene keer niet op die manier verteld. Uniek was het ook niet: In Het vrije volk van 2 december 1968 wordt er gewaarschuwd tegen dergelijke slijperspraktijken.

Scharenslijpers had je volgens mij alleen maar langs de weg. Nergens bij ons in de omtrek was een slijperij waar je met je botte messen naar toe kon. Ik vroeg mij af of het woord 'straatslijper' daarmee te maken had. De etymologiebank leert mij dat een straatslijper hetzelfde is als een baliekluiver, een kaailoper of een lanterfanter. Iemand die de straat 'slijpt', dus glad maakt, doordat hij altijd buiten rondloopt.

Al in de jaren zestig (als ik het mij tenminste goed herinner) waren de scharenslijpers gemotoriseerd: ze zetten een motortje aan dat de slijpsteen rond liet draaien. Nog langer geleden moest de slijper zelf de steen in beweging brengen: er hing een boom onder de slijpwagen waarop de scharensliep trapte. Het aandrijfsysteem zal wel ongeveer hetzelfde gewerkt hebben als bij de trapnaaimachine van mijn moeder.

Dat gegeven was in mijn jeugd nog wel bekend. Ik heb 'op bruiloften en partijen' nog wel opgetreden als scharensliep, samen met iemand anders. De eerste keer was dat mijn kamergenoot op het internaat, later vervulden neven de rol van slijperskar. We kwamen binnen, al kruiwagen rijdend: ik had mijn hulp bij de enkels vast en hij liep op zijn handen vooruit. Met enige fantasie zag het eruit als een kruiwagen.Daarbij zong ik een eenvoudig lied, dat slechts bestond uit twee regels die steeds herhaald werden:
Scharensliep! Scharensliep!
Alles wat de man verdient, verzuupt het wief.
1977
1982
Mijn hulp was gekleed in een overall en had een zakdoek voor zijn gezicht. Ik zette hem op een stoel en sloeg zijn ene been over het andere. Ik liet hem zijn handen ophouden en schoof daar twee pannendeksels aan. Dan haalde ik een panty uit mijn zak. Ik trok die onder de voet door van het been dat niet op de grond stond en bond de voeten van de panty aan elkaar, over de pols van een van de handen. Als ik dan op de voet trapte, bewoog mijn hulp de pannendeksels langs elkaar, zo de suggestie wekkend dat er een slijpsteen draaide. Intussen had ik de botte messen opgehaald, die van tevoren in de zaal waren uitgedeeld.

Onder het slijpen vertelde ik over mijn leven als scharensliep. Eigenlijk kwam het verhaal neer op een stel moppen die ik verzameld had. Tussendoor nam ik slokken water uit een jeneverfles. Omdat de steen nogal droog was, spuugde ik er geregeld water over en aan het eind gooide ik mijn hulp helemaal nat. Men vond dat leuk.

Of scharenslijpers een reputatie als dronkelap hadden, weet ik niet. Ik weet ook niet of ze sowieso een slechte reputatie hadden. In Neerlands volksleven van D.J. van de Ven uit 1920 las ik:
De scharesliep was in den Gelderschen en Overijselschen Achterhoek lang niet de maatschappelijke paria, zooals sentimenteele zedeprekes wel eens hebben trachten aan te toonen. Lustige, vroolijke kwanten waren het.
Verderop wordt het nog gesproken over ‘de bandelooze vrijheid, welke het scharenslijpersvolkje altijd als eerste en voornaamste recht heeft beschouwd in zijn tekkend bestaan.’ Het lijkt me dat Van der Ven niet vies is van generaliseren. Ik kan me niet voorstellen dat scharenslijpers alleen maar 'vroolijke kwanten' waren.

Van de Ven citeert een slijperslied:
Toen ik jong was van jaren
Liep ik met mijn slijpersteen
In mijn vak zeer goed ervaren
Liep ik naar alle oorden heen
‘k Liep overal in ’t rond
Of ik iets te slijpen vond
Al van den vroegen morgen
Tot aan den avondstond.
In de Indische Courant van 15 januari 1942 staat een berichtje over een 'scharensliep-fonds'. Ik kan niet achterhalen wat de context is. Ging het de scharenslijpers slecht en moest er voor hen een fonds opgericht worden?

De scharensliep is er in ieder geval al heel lang. Al in de zeventiende eeuw komen er afbeeldingen voor van de scharensliep.

Adriaan van Ostade, ca. 1671
Het bekende volksliedje over de scharensliep (Komt vrienden in het ronde) stamt zelfs al uit de zestiende eeuw, volgens Erfgoedbank Meentjesland. In het lied wordt het beroep van scharenslijper vergeleken met andere beroepen. De laatste strofe luidt:
Sa vrienden voor het leste:
Al' ambachten zijn goed,
Maar 't mijn is toch het beste,
Schoon ik soms slapen moet
Op hooi of stro of in enen stal,
Daar heb ik kost voor niemendal.
Ik vond nog een andere, langere versie, maar ik weet niet hoe betrouwbaar die is. De strekking is dezelfde. 

Er is tegenwoordig niemand meer die zijn keukenmessen of zijn scharen laat slijpen. Wat niet goed meer functioneert, wordt vervangen. Vroeger werd het slijpen trouwens niet altijd aan professionals overgelaten. Mijn opa had bij het kippenhok een slijpsteen staan, met een waterbak eronder. Als je die vulde, draaide de steen door het water, zodat hij nat bleef. Mijn moeder haalde wel eens buiten een mes over de stenen bij een hoek van het huis. Ik ken ook nog verhalen over aanzetriemen waarlangs scheermessen gehaald werden. Dat heb ik niet meer meegemaakt. 

Strekel, haarhamer, haarspit
Mijn vader scherpte zijn zeis met een strekel als hij een stuk gemaaid had. Een strekel was een lat waarop een cementkleurig goedje vastgeplakt was. Mijn vader droeg de lat in de langwerpige broekzak aan de buitenkant van zijn dij. Daar waar anders de duimstok zat.

Eens in de zoveel tijd werd de zeis 'gehaard'. Daartoe werd er een metalen aambeeldje (haarspit) met een pin in de grond geslagen. Mijn vader ging er plat op zijn billen bij zitten, benen om het aambeeldje heen. Met zogeheten haarhamer klopte hij dan het snijvlak van de zeis weer scherp. Volgens mij gebeurde het maar een paar keer per jaar. Er zullen nog wel folkloristische groepen zijn die dat in ere houden, maar het is nu een curiositeit geworden; vroeger zag je het geregeld. 


Voor de scharensliep is er intussen geen werk meer, net zoals voor de olieboer, kolenboer of de koeienschetser. 

zaterdag 29 maart 2014

De bakker (Aan de deur 8)

1960 Bron: bakkerijmuseum.nl

Voor veel dingen ben ik te oud, maar voor sommige net niet oud genoeg. Zo heb ik het niet meer meegemaakt dat de bakker met de bakfiets langs de deuren ging of met een mand voor op zijn tansportfiets. Mijn vader wel. Hij bracht zijn jeugd door aan het andere eind van het Loenense bos, waar nu de landwinkel De grote Doorn is.

De bakker kwam op zijn fiets door het bos, met de mand voorop, vertelde mijn vader. Vooral in de winter was dat geen pretje. Soms, bij sneeuw en gladheid, ging hij onderuit en dan waren al zijn beschuiten gebroken. Die kapotte beschuiten werden 'bakkersverdriet' genoemd. Mijn oma kocht ze voor een zacht prijsje.

Mijn vader kan ik naar de details niet meer vragen. Mijn moeder vermoedde dat het hier ging om Frentz, de bakker uit de Lechstraat in Herveld. Eerlijk gezegd wist ik niet dat daar een bakkerij geweest was, maar ouderen zullen het zich wellicht herinneren.

De eerste bakker die ik mij herinner, was Van Drempt; hij kwam bij ons toen we aan de Merkenhorststraat woonden. Ik herinner mij hem als een grote man, maar misschien komt dat doordat ik zelf nog zo klein was. Toen wij in 1969 naar de Schoolstraat verhuisden, kwam er een andere bakker, Huib Weernekers. Waarom Van Drempt niet meeging naar de Schoolstraat, weet ik niet. Bestond zijn bakkerij intussen niet meer? Waren er 'rayons' en viel de Schoolstraat net binnen het gebied van Weernekers? Als iemand het weet, laat hij het dan vertellen.
De jonge Huib Weernekers


Weernekers herinner ik me als een vriendelijke man. Ik heb nooit een kwaad woord over hem horen zeggen door mijn moeder. Hoe vaak hij kwam, weet ik niet precies, maar ik vermoed twee keer per week: halverwege de week en op zaterdag. Op zaterdag kocht mijn moeder niet alleen wit- en bruinbrood, maar ook een krentenbrood. In het weekend hadden we roomboter en we aten het krentenbrood met roomboter en suiker.

Als ik mij goed herinner, zat het krentenbrood in een plastic zak, die met een metalen clipje werd afgesloten. Het andere brood zat nooit in een zak. Als het aangesneden was, legde mijn moeder het in de broodtrommel, op de plank bovenaan de keldertrap.

De familie Weernekers in de vernieuwde zaak
Een enkele keer moesten we brood halen, bij de kruidenier. Als het witbrood was, moest het melkbrood zijn en geen waterbrood. Onder op het brood was een ouweltje meegebakken. Volgens mij stond er alleen maar 'melk' op. Het brood was ongesneden. Er werd toen (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) ook al wel gesneden brood gekocht. Mijn moeder noemde dat 'luiewijvenbrood'. Haar voornaamste bezwaar was overigens dat de sneden veel te dun waren, zodat het te veel beleg kostte.

's Ochtends en 's avonds aten we brood, 'tussen de middag' warm. Meestal gebruikten we de broodmaaltijd gezamenlijk, maar soms kon het niet, omdat mijn vader 'achter' was of ergens anders aan het werk was. Als we met zijn allen waren, sneed mijn vader het brood, met een gekarteld mes, dat wij ook wel de broodzaag noemden, op een plank die mijn opa (van moeders kant) zelf gemaakt had. Mijn ouders kregen die toen ze gingen trouwen. Ik vermoed dat mijn moeder de onverwoestbare plank nog steeds heeft.

Marinus, Herman, Teunis, Carolien, die toen nog Lientje heette
Mijn oma van moeders kant vertelde ons dat zij vroeger het brood niet op een plank sneed. Ze klemde het brood tegen haar borst en sneed het dan. Ik wilde schrijven dat ik bij haar nooit brood gegeten had, maar er is een foto waarop ik in het huis van opa en oma (met broertje, neefje en zusje) op de bank een boterham zit te eten. Bij mijn oma kon meer dan thuis. Wij moesten thuis tijdens de broodmaaltijd altijd wel aan tafel zitten.  Als ik bij mijn grootouders logeerde, ontbeet mijn oma sober: met droge beschuit en thee. Voor mij maakte ze dan beschuiten met roomboter en suiker. Geen brood, volgens mij.

Mijn andere oma had King Corn, voorverpakt brood, wat toen iets nieuws was. Op de radio hoorden we reclamespotjes over een jongetje dat bij Japie zijn moeder ging eten, omdat die lekker King Corn had. Ik herinner me ook de slogan nog: King Corn - Het enige wat je weggooit is de verpakking. Het reclamefilmpje staat onderaan deze bijdrage. Ik vond het brood wel lekker, geloof ik. Ik at vooral graag bij mijn oma omdat ik bij haar 'enkele sneden' mocht eten. Thuis moesten wij altijd een 'dubbele' nemen: een bruine op een witte snee. Daarom aten wij altijd een oneven aantal, zodat de laatste boterham wel enkel kon.

Winkelinterieur Weernekers
Ons brood kwam dus van Weernekers. Hij kwam met een busje, laadde zijn mand vol, nam die voor zijn buik en kwam dan binnen. Net als de kruidenier had hij een geldtas om.

De bakkerij van Weernekers groeide uit tot een kruidenierszaak, die weer uitgroeide tot een supermarkt. Voor zover ik weet, heeft Weernekers bij ons nooit boodschappen gebracht. Tot hoe lang hij het bezorgen heeft volgehouden, weet ik niet. Later haalden we in zijn supermarkt de boodschappen. We zullen toen ook wel meteen het brood hebben meegenomen.

Later, toen ik het huis al uit was, kwam Jongeneel met zijn SRV-wagen nog langs de deur. Geen idee wat mijn moeder kocht. Ik vermoed dat ze alleen die dingen kocht die ze bij het boodschappen doen was vergeten. Misschien zat daar ook wel eens een brood tussen. Melkbrood, uiteraard.

Weernekers begon zijn bakkerij al in het begin van de twintigste eeuw

De bakkerij van Weernekers, uitgegroeid tot supermarkt. 

Veel foto's heb ik geoogst van de Facebookpagina Oud Herveld-Andelst, die de foto's aangeleverd kreeg door Huib Weernekers. Hieronder nog een foto van een bakkerij elders in het land. 






zondag 9 maart 2014

De koeienschetser (Aan de deur 7)


Al eerder in deze serie jeugdherinneringen werd ik geconfronteerd met de verregaande onbetrouwbaarheid van het geheugen. Gelukkig zijn er altijd anderen die me kunnen corrigeren.

Ook bij het terugdenken aan de koeienschetser misleidde mijn geheugen mij. Ik zie mijzelf staan in het weitje achter ons huis, bij de groene, metalen buizen van het hek. Wij zeiden trouwens 'het hekken' en terwijl ik dit typ vraag ik mij al af of het hek wel groen was. Aan het touw (het halster, dat wij het 'helster' noemden) een jong rund ('een pink') van een jaar oud, dat ik rustig probeer te houden, zodat de koeienschetser zijn werk kan doen. Sinds gisteren weet ik dat dat niet klopt.

Eens in de zoveel tijd belde mijn vader de koeienschetser. Van een oom hoorde ik dat bij hem de naam Lamers  hoorde, van mijn broer de naam Janssen, uit Elst. Mij was geen naam bekend. Ik kende hem alleen als 'de koeienschetser'. Van zijn verschijning heb ik ook maar vaag een beeld, hoewel ik hem verschillende keren heb meegemaakt. Droeg hij een hoedje en een stofjas? Dat zou kunnen, maar ik ben er niet zeker van. Zo'n stofjas noemden wij waarschijnlijk 'martjas', omdat mijn vader die altijd aan had als hij naar de veemarkt in Den Bosch ging.

De schetser had een onderlegger van hardboard bij zich waarop hij de nog oningevulde schets had vastgeklemd. Op die schets stonden twee afbeeldingen van een rund, een keer van de linker- en een keer van de rechterzijde. In dat rund moest de schetser de vlekken tekenen. Verder moest hij opschrijven welke kleur het rund had, bijvoorbeeld ZB (zwartbont) of MRIJ, dat stond voor Maas, Rijn en IJssel en dat stond weer voor roodbont. Of er voor een blaarkop een andere afkorting bestond, weet ik eigenlijk niet.

Gisteren bezorgde mijn broer, Marinus, mij zo'n schets. Zie de afbeelding hierboven. Meteen verkruimelt mijn herinnerde beeld. Op de schets staat namelijk dat het rund helemaal niet een jaar oud was, maar slechts twee maanden. Een flink kalf, veel meer is het niet geweest.

Een schets was het identiteitsbewijs voor het rund. Een nuchter kalf kon zonder papieren verkocht worden. Daarna ging de schets altijd met het rund mee. Vandaar waarschijnlijk ook dat er nog zo weinig schetsen zijn. Mijn broer moest lang zoeken, voordat hij er eentje gevonden had. Bij een koe die geslacht werd, ging de schets mee naar de slachter. Dat de schets van dit rund er nog is, kon wel eens een tragische oorzaak hebben. Het zou kunnen betekenen dat het dier doodgegaan is.

Op de schets staat 'G.D.-schets'. Dat 'G.D.' zal wel staan voor Gezondheidsdienst. De carbondoordruk heb ik ook. Daarop staat 'Bedrijfsschets'. Verder staat er boven aan de schets het 'levensnummer'. Dat zal dan wel het nummer zijn geweest op het oormerk van het rund. Oormerken waren toen nog niet die wanstaltige gele schilden die runderen nu in hun oren dragen; het waren blikken voorwerpen, langwerpig van vorm, bescheiden van afmeting. Slechts in één van de oren werd een blik bevestigd.

Had de schetser die blikken bij zich en blikte hij het rund als hij het geschetst had? Het zou kunnen, maar ik weet het niet meer. Wel zie ik nog de driehoekige, kartonnen staaf voor me waarop de blikken zaten, die de blikker nog moest aanbrengen.

Het was de bedoeling dat zo'n blik levenslang meeging, maar vaak genoeg gebeurde dat niet. Een rund kon ermee blijven haken aan het prikkeldraad of ergens anders aan en dan scheurde het blik uit het oor. Bij een volwassen rund was het blikje ook slecht te zien, door de haren op en in de oren.

De schetser deed zijn werk altijd vrij vlot. Ik had bewondering voor de snelheid waarmee hij zijn schets kon maken. Altijd klopte het precies. De schets hierboven werd gemaakt door ene IJkhout, zie ik.

Aan dit rund heeft hij niet heel veel werk gehad: het was grotendeels zwart, met weinig kleine vlekken. Voor op de kop had het een witte kol. Kollen en blessen kwamen het meest voor, maar er waren ook wel runderen met een geheel zwarte, rode of witte kop. Volgens mij hadden wij een koe die we 'de zwartkop' noemden, wat wil zeggen dat een kop zonder kol of bles toch een uitzondering geweest moet zijn.

Later ging mijn vader ook 'jersey's' melken, die gaven wat minder melk, maar hun melk had een hoger vetgehalte. Ik denk dat we er nooit meer dan drie gehad hebben en dat het eigenlijk ook niet meer dan een soort hobby van mijn vader was. Mijn moeder en wij, de kinderen, vonden de dieren mooi: ranke poten, zwarte hoeven; net hertjes.

Bij het zoeken van foto's van die dieren op internet, kwam ik vooral exemplaren met gele oormerken tegen. Die had ik liever niet gehad, maar het is nu eenmaal zo. Ik koos een foto van een dier dat in ieder geval horens heeft. Zoals mijn tante Met al ooit zei: de horens zijn het sieraad van de koe. Jammer genoeg zien we tegenwoordig veel koeien zonder horens.

jersey-koe
Bij jersey's had de schetser het gemakkelijk: zo'n dier had immers geen vlekken. Zou de introductie van dit soort rassen het afschaffen van het schetsen in de hand gewerkt hebben? Ik kan me voorstellen dat twee jersey's eigenlijk niet uit elkaar te houden zijn als de oorblikken weg zijn. 

De schets die ik van mijn broer kreeg, zat in een zakje. Daarin zat ook nog  een verklaring, 'afgegeven door de stichting Gezondheidsdienst voor Dieren'. Met dat bewijs mocht het rund vrij vervoerd worden tot en met 24 november 1991, omdat het op 15 januari van dat jaar ingeënt was tegen mond- en klauwzeer. 

Het zakje is jammer genoeg beschadigd. Op het zakje staat wat er bij vervoer van het rund in moet zitten. Met een beetje gokwerk kom ik tot: de twee schetsen (de bedrijfsschets en de G.D.-schets) en een geneeskundige verklaring. De papieren zijn dus compleet. 

Verder staat er op het zakje: 
Leg de bedrijfsschets, met het levensnummer naar voren, boven op de gezonheidsdienstschets en bevestig deze aan de andere bescheiden met behulp van een nietachine. De koper van dit rund dient de voorzijde van de verklaring in te vullen en deze tesamen met de gezondheidsdienstschets binnen drie dagen in te leveren.
Op de achterzijde van de bedrijfsschets dient de koper zijn naam en bedrijfsnummer in te vullen en deze op te bergen in de bedrijfsmap.
Het zakje waarin de schetsen bewaard moesten worden

Dat je niet 'tesamen' moet schrijven, maar 'tezamen' was bij de overheid blijkbaar niet bekend. Er ging wel vaker wat mis. De papieren van runderen werden niet altijd meer gecontroleerd. Op 1 december 1986 stelde het VVD-kamerlid Blaauw er vragen over. Zie hier. De minister, Braks, antwoordde: 
In verband met prioriteit van andere controleprojecten heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) minder tijd aan de controle van runderschetsen en de daarbij behorende verklaringen bij de aanvoer van runderen op veemarkten besteed. De verminderde controle had tot gevolg dat steeds meer runderen zonder de vereiste bescheiden op de veemarkt kwamen. Sinds 1 januari 1987 controleert de AID weer op alle veemarkten op de naleving van de Verordening bestrijding runderziekten en de Verordening identificatie en registratie bij de verhandeling van runderen.
Op 1 oktober 1991 werden de gele oormerken ingevoerd. Of daarmee de schetsen verdwenen, is mij niet bekend, maar ik vermoed dat ze het daarna niet lang meer volgehouden hebben. Al op 22 oktober werden over de invoering kamervragen gesteld door Bas van der Vlies (SGP) en Ria Beckers (Groen Links). Ze vroegen de minister of de invoering problemen had opgeleverd en of kalveren meteen na de geboorte al geoormerkt moesten worden. Kon dat ook later?

De antwoorden kwamen van staatssecretaris Gabor. De oormerken waren voor de invoering al uitgeprobeerd. Dat had zeshonderd vragen en klachten opgeleverd. Na de invoering waren er maar weinig klachten geweest. Wel hadden sommige kalveren last gehad van ontstoken oren. De oormerken dienden hoe dan ook binnen drie dagen aangebracht te worden.

Tegen de oormerken wordt nog altijd verzet gevoerd door een klein groepje veehouders, maar dat is een ander verhaal. Het beroep van koeienschetser zal intussen wel verdwenen zijn.