Posts tonen met het label Woord. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Woord. Alle posts tonen

vrijdag 25 september 2026

Fietsenmakers, opiniemakers en andere makers

De fietsenmaker waar ik vroeger graag kwam

Op de middelbare school kwam ik van tijd tot tijd bij de fietsenmaker. Bij Bart Gerritsen, zeiden mijn ouders en af en toe zag ik de oude baas daar nog wel rondscharrelen, maar meestal was Piet er, Piet Latta. Blauwe overall met zwarte vegen, alpinopetje op, ogen een beetje samengeknepen achter zijn bril, haar dat uit zijn neus groeide. 

Bij Piet in de werkplaats was het altijd gezellig. In de winter brandde het vuur in de kachel en de radio was altijd aan. Vaak was er ook wel een jongen aan zijn eigen bromfiets of zijn eigen fiets aan het sleutelen. Piet vond het allemaal best. Hoe hij zijn prijzen berekende, was nooit zo duidelijk, maar je had altijd het idee dat het een koopje was. 

Vaak moest ik een kleinigheid hebben: een tubetje solutie, voor tien cent ventielslang, en soms moest ik mijn fiets ophalen omdat Piet die gerepareerd had. Gemaakt had. Hij was immers fietsenmaker, fietsenreparateur. 

'Maken' kan 'repareren' betekenen. Zoals Jean Pierre Rawie in een gedicht zou schrijven: 'Wij zijn kapot en kunnen niet gemaakt.' Maar 'maken' kon ook 'produceren' betekenen: een mandenmaker bijvoorbeeld, een kaartenmaker of een klompenmaker . Die laatste repareert geen klompen, maar produceert ze, uit een blok hout. 

Je hebt ook nog een ander maken: Hoe maak je het? Mijn tante Gijb zei dan wel eens: Dat zeg ik niet, want dan ga jij het ook maken. Dat vond ik heel grappig. En je kunt ook zeggen: Wat maak je me nou! Maar op die vormen van maken ga ik verder niet in. 

De laatste tijd lees ik geregeld over 'makers' of ik hoor erover in podcasts. Dat iemand filmmaker of stripmaker is, kan ik nog wel volgen. Zo iemand maakt een film of een strip, zoals een ander vroeger klompen of manden maakte. 

Maar wat is bijvoorbeeld een opiniemaker? Een opinie is een mening en je kunt over verschillende zaken meningen hebben. Zo'n mening vorm je op basis van wat je weet, wat je gelezen, gehoord en gezien hebt. Volgens mij gaat het bij de opiniemakers er niet alleen om dat ze zelf een opinie vormen, maar dat ze die opinie overbrengen, dat ze anderen zover krijgen dat ze na gaan denken over die opinie en die misschien wel overnemen. 

Opiniemaker is blijkbaar een beroep. Het lukt me maar niet om me daar echt iets bij voor te stellen. Hoe verloopt een gesprek als iemand op een feestje vraagt: Wat doe jij voor de kost? (Dat zal wel een ouderwets geformuleerde vraag zijn, maar dat hoort bij mijn leeftijd). Geef je dan als antwoord: ik ben opiniemaker? En moet je daarna iets uitleggen?

Programmamaker vind ik een duidelijke benaming, net als podcastmaker. Maar ik luister ook een podcast waarin iemand zich in het begin voorstelt als mediamaker. Vroeger hadden we het over een massamedium, een manier om een groot publiek te bereiken: de krant, de radio, de tv. Maar tegenwoordig zijn er veel meer media, bijvoorbeeld de sociale media. Maar wat bedoelt iemand als hij of zij zegt: Ik maak media? Als iemand voor een krant werkt, is hij dan een mediamaker? Geen idee. Wat voor media maakt een mediamaker? Of draagt hij of zij alleen maar bij aan een medium?

Ook zijn er mensen die zich 'content creator' noemen. Mijn Engels is niet zo best, maar volgens mij is 'content' hetzelfde als 'inhoud'. Dus een content creator is iemand die inhoud maakt. Meestal gaat het niet om tastbare zaken, vermoed ik. Het is niet iemand die de vulling voor loempia's maakt, maar het gaat om tekst, filmpjes, audio. Wellicht ben ik zelf een content creator als ik voor mijn weblog schrijf, maar ik wil niet zo genoemd worden. 

Toch is 'inhoudmaker' wel een heel vage term en het zit me ook niet helemaal lekker dat de term gereserveerd is voor een bepaald soort inhoud. Er zijn veel mensen bezig met inhoudelijk belangrijke zaken, maar die mogen zich niet een 'content creator' noemen. Denk ik. 

Verder hoor ik de laatste tijd ook wel zeggen dat iemand een 'maker' is. Of dat hij met 'andere makers' samenwerkt. Het gaat dan niet om reparateurs (klokkenmakers, glazenmakers, schoenmakers) en het gaat ook niet om mensen die concrete voorwerpen voortbrengen (klompenmakers, tassenmakers, hoedenmakers, pruikenmakers, kaarsenmakers) maar het zit voor mijn gevoel altijd in de creatieve hoek. 

Willen deze makers zich niet vastleggen op de dingen die ze voortbrengen? Zijn het mensen die niet alleen films maken maar ook schilderijen of hoorspelen? Of hebben ze een andere reden om niet helder te zeggen wat ze maken? Waarom houden ze het zo vaag, zo algemeen? En waarom komt het woord maker vooral voor in die creatieve hoek? Ik hoor een metselaar, een stratenmaker of een banketbakker nooit zichzelf een maker noemen. 

Misschien ben ik gewoon oud en is het de weemoed die me bevangt als ik terugdenk aan de makers uit mijn jeugd, zoals aan Piet Latta. Je fiets kon er nog zo beroerd aan toe zijn, Piet maakte er een goed lopend karretje van. Of aan Van Schaik, de klompenmaker. En natuurlijk aan de stratenmaker op zee!

woensdag 16 september 2020

Hortsik / Hotsjek (Woorden die je weinig hoort 11)


Eerder deze week luisterde ik,  via de podcast van Andermans veren (even scrollen) naar een concert van Marjolijn Touw. Ze zong daar een lied van net na de Tweede Wereldoorlog. Daarin kwam de zin voor: 'Hotsjek, hotsjek, ouwe trouwe merrie, / Maak wat voort, we zijn nog ver van huis'.

Ik herkende de tekst en ook de melodie, maar volgens mij had ik, lang geleden, verstaan: 'Hortsik, hortsik,' in plaats van 'Hotsjek, hotsjek.' En ik herinnerde me ook een ander versje, met dezelfde melodie:

Hortsik, Hortsik, eigenteelt is rotshag. Ik raap nog liever de peukjes van de straat. 

Dat liedje heb ik ongetwijfeld van mijn moeder geleerd. Toen ik het opzocht, vond ik hier meer informatie over eigenteelt. Ook daarbij wordt overigens 'Hotsjek, hotsjek' gegeven in plaats van het, blijkbaar foutief door mij onthouden, 'Hortsik, hortsik'. 

Peuken verzamelen en van de restjes tabak nieuwe sigaretten rollen kwam overigens veel voor. Die tabak werd bukshag genoemd. 

Hotsjek in de krant

Waar de term 'hotsjek' vandaan komt, is me niet duidelijk. Bij mij roept het de associatie op met Russisch of misschien Pools. Veel verwijzingen zijn er niet. In Delpher komt ik, in de krantenpagina's, de eerste verwijzingen tegen in kranten van net na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Steeds betreft de titel van een lied. In de Axelsche Courant van 7 april 1945 wordt verteld dat het duo Fritse-Beij 'voor amusement zorgde' met 'Hotsjek, hotsjek!' en 'Het Regiment marcheert niet meer!' Axel (Zeeuws-Vlaanderen) was toen al bevrijd en blijkbaar zong het duo liederen. 

Ik vermoed dat het lied 'Hotsjek, hotsjek!' hetzelfde lied is als wat ik vanochtend hoorde. De hele tekst:

Het lied zou bekend worden door het komische duo de Wama's, Wim van Wageningen en Dick de Maat. Zij traden af en toe op in De Bonte Dinsdagavondtrein en zo werd ook het nummer bekend. Bij het overlijden van Van Wageningen in 1986 wordt 'Hotsjek, hotsjek' als een van de bekende nummers genoemd.

Schuilnaam

Op 26 april 1945 staat er in Strijdend Nederland een rijtje namen. Er wordt verantwoording afgelegd van de giften, naar ik aanneem. Veel personen hebben duidelijk een schuilnaam aangenomen: Larf, Krokeledokus, Kanarie, Lekkerbek en ook: Hotsjek. 

Op 7 augustus 1945 in De Typhoon meldt Kleyn's Muziekhandel dat er nieuwe muziek binnen is. De titels van de nummers worden genoemd, waaronder 'Hotsjek.'


Vermoedelijk gaat het steeds om hetzelfde nummer. In De Kroniek van 15 augustus 1945 wordt zelfs een stukje van de tekst geciteerd:


Het rood door de afbeelding is overigens een deel van het woord 'Vrede!' Verwijzingen naar het lied zijn op verschillende plaatsen te vinden. In 1959 wordt het genoemd als een van de bekende oorlogsliedjes. 

Aansporing

Afgaande op de tekst lijkt mij 'Hotsjek!' de aansporing die een voerman geeft aan zijn paard. De connectie met paarden vind ik ook terug in andere krantenartikelen. In de Leeuwarder Koerier is er bijvoorbeeld een aankondiging van het optreden van Madame Rossetta en haar wonderpaard Hotsjek. 

In mijn herinnering was het dus niet 'hotsjek' maar 'hortsik.' Wat een 'sik' was, wist ik ook als kind al en ik wist ook de betekenis van 'hortsik': opschieten, vooruit met de geit. Bij het zoeken op 'hortsik' ben ik die geit overigens niet vaak tegengekomen. 

Paardenvlees/paardenslager

'Hortsik' heeft veel oudere papieren dan 'hotsjek': het wordt voor het eerst vermeld in Het vaderland van 18 november 1879. In een stukje, 'Brieven uit Amstelland,' worden mensen sprekend opgevoerd. Het gaat over vlees:

- 't Paardevleesch is nou goed genoeg voor de miliciëns, in de rats, daar proeven ze er toch niks van.

-Ken je begrijpen; de sergeant-majoor en de andere lui die van de leveranciers af en toe zoo'n ribbetje of een biestukkie krijgen voor de rikkemdasie, lusten geen hortsik!

Hier wordt 'hortsik' dus gebruikt als benaming voor paardenvlees. In een andere betekenis komt het woord voor in verthalend proza, een feuilleton van Justus van Maurik jr., in De Amsterdammer van 8 maart 1883:


Aan de aanhalingstekens te zien, is 'hortsik' niet de normale benaming. In dit geval gaat het om een paardenslager. 

Het is de vraag hoe gangbaar het woord toen geweest is voor paardenvlees of -slager. In de Provinciale Drentse en Asser Courant van 7 januari 1886 komt 'hortsik' voor, weer in spreektaal, maar wel met een voetnoot, waarin de betekenis wordt uitgelegd. 


Op 15 december 1909 komt Hortsik voor als een buitenlandse eigennaam in Het vaderland: 'Hortsik, de uitgever van Tolstoï's werk 'De goddelijke gerechtigheid en wij', is tot 12 maanden gevangenis veroordeeld.'

Amsterdams woord

In nota bene het Rotterdamsch Nieuwsblad (van 4 juli 1918) moeten we lezen dat 'hortsik' Amsterdams is. Het komt namelijk voor in opstellen van J. Wolthuis over Amsterdamse woorden. 


De twee betekenissen (paardenvlees en paardenslager) worden genoemd, evenals de aansporing van een voerman, die we ook in het lied Hotsjek tegenkomen. Die aansporing wordt wel geschreven met een streepje ertussen. Op mij komt het over alsof het paard met 'sik' wordt aangesproken en dat 'Hort' de aansporing is. Of dat 'sik' nog iets met geit te maken heeft, weet ik niet. Ik kan me wel voorstellen dat iemand die een bokkenwagen bestuurde ook 'hort-sik' zei. 

In 1920 wordt er in het Algemeen Handelsblad (14 juli) weer over 'hortsik' verteld wat we er al over weten, deze keer onder het kopje 'Uit de dieventaal'. Het woord wordt opnieuw Amsterdams genoemd en omdat het over dieventaal gaat, mogen we aannemen dat het weer over gesproken taal gaat. 

Paard

Dat ook een paard, in dit geval een speelgoedpaard, een hort-sik wordt genoemd, komen we tegen op 24 maart 1928 in de Tilburgsche Courant:


Die betekenis (paard) komt in datzelfde jaar ook voor in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (19 mei). Het is weer duidelijk spreektaal: 'Die ouwe os van mien, da's mien hortsik, mien ros....' Opmerkelijk is dat het het geen Amsterdammer is die het zegt, maar een Veluws keuterboertje. Blijkbaar reikt de expansie van het woord tot ver buiten Holland. 

Niet alle vermeldingen kunnen en hoeven genoemd te worden. In 1929 en 1930 is er een vervolgverhaal voor kinderen: 'Hortsik en Hobonk, of de wonderlijke droom van Hannes Mop. De hortsik is daar een wonderlijk stokpaard, dat ook met 'hort-sik' wordt aangevuurd en begin jaren dertig doet een zeilschip met de naam Hortsik het goed bij verschillende wedstrijden. 

Geit


Op 18 mei 1934 is er ineens toch een verwijzing naar een geit, in het Eindhovensch Dagblad waar aan kinderen geleerd wordt hoe ze een geit moeten tekenen: 


Onbeschaafd en onfatsoenlijk

Op 26 november 1951 krijgt sportverslaggever Leo Pagano op zijn kop, omdat hij bij het verslag van de voetbalwedstrijd Nederland - België zich heeft laten gaan. De verslaggever van Het Parool laat weten dat hij het optreden van Pagano 'onbeschaafd en onfatsoenlijk' vindt. Pagano had zich negatief uitgelaten over de scheidsrechter en de grensrechter. De arbiter, Harzic, had hij zelfs Hortsik genoemd. De wedstrijd eindigde overigens in 6-7. 

In 1952 komt de bokkenwagen de krant in rollen. Dat gebeurt in De Waarheid van 2 juli, in het verhaal 'Fed en Vetertje in Priktol-land'. Meneer Kwast, die de leidsels in handen heeft, zegt 'hortsik' om de bok in beweging te brengen. 

Hort, zeg ik

In 2013 besteedde Ewoud Sanders aandacht aan 'hortsik' in NRC Handelsblad van 4 maart onder de titel 'Je gedragen als een paardenvleeseter.' Hij geeft de plausibele verklaring dat 'hortsik' een verkorting zou zijn van 'hort, zeg ik'. Hij noemt ook dat gesuggereerd is dat 'hortsik' een eponiem is, afgeleid van de naam 'Mölscher' en dat lijkt hem sterk. Maar een eponiemenwoordenboek van Wim Daniëls draagt juist de naam Hortsik! Ik heb dat boek niet in kunnen zien. 

Ik ga ervan uit dat het 'hotsjek', uit het begin van deze bijdrage, een variant is op 'hortsik', dat al veel eerder gebezigd werd. Het is een aansporing voor een paard en soms ook voor een geit/bok/sik. In Amsterdam werd 'hortsik' gebruikt voor paardenvlees en paardenslager. De benaming 'hortsik' voor paard, werd in een groter deel van Nederland gebruikt. 

Ik herinner met 'hortsik' nog goed, als een aansporing om op te schieten. Daarbij had ik het idee dat het bij ons redelijk gangbaar taalgebruik was, maar mijn lief (zelfde leeftijd, twee dorpen verderop opgegroeid) kende het niet. Het lijkt me nu terecht een woord in de categorie 'woorden die je weinig hoort.'


Rotterdamsch Nieuwsblad 7 december 1921

vrijdag 31 maart 2017

Gekke Fritske / Mensen met een beperking

Met taal kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Zo gauw je iets benoemt, bestaat het immers. Er zijn bijvoorbeeld ziekten die alleen in bepaalde landen bestaan. Alleen daar hebben ze er een woord voor. Duitsers hebben nogal eens last van hun bloedsomloop, hun Kreislauf. Daar hebben we hier nog nooit van gehoord. We hebben er geen woord voor, dus bestaat het niet. Of andersom: in Duitsland hebben ze er een woord voor en daarom bestaat het.

Het luistert dan ook nauw hoe je iets noemt: terrorist of vrijheidsstrijder, activist of relschopper, alternatieve of complementaire geneeskunde, probleemwijken of krachtwijken, allochtonen of mensen met een migratieachtergrond. De manier waarop je iets benoemt, laat je visie erop zien, maar bepaalt mede je visie.

In Trouw van 30 maart 2017 las ik: 'Een baan voor iedereen met een beperking'. Vroeger zouden we 'gehandicapten' hebben gezegd, waarbij we ook nog het onderscheid maakten tussen lichamelijk en geestelijk gehandicapten. Nu zeggen we: 'Mensen met een beperking.'

Maar dat zijn wij allemaal! Mensen zonder beperking bestaan namelijk niet. We hebben allemaal een beperkte intelligentie, ook de heel slimmen onder ons. We zijn lichamelijk beperkt; we kunnen bijvoorbeeld niet vliegen.

'Mensen met een beperking' is dus een rare term: er wordt beoogd een subcategorie aan te geven, maar eigenlijk gebeurt dat niet. In het artikel kom ik ook een preciezere uitdrukking tegen: 'arbeidsbeperkten', 'mensen met een arbeidsbeperking' dus, maar die term slaat strikt genomen ook op alle mensen.

We kunnen nog meer muggen gaan ziften. Er bestaat bijvoorbeeld niet zoveel verschil tussen een beperking en een handicap. In ieder geval is duidelijk wie er bedoeld worden: mensen met een extra beperking, een beperking (of een handicap) die de meeste andere mensen niet hebben.

In mijn jeugd werd ook het woord 'handicap' niet gebruikt. 'Ongelukkig', herinner ik me: 'Bij de buren hebben ze een ongelukkig kind'. Dat was niet een kind dat niet gelukkig was of 'niet goed in zijn vel' zat, maar een lichamelijk of geestelijk gehandicapt kind. Als het in lichte mate was, zei men: 'Die is niet helemaal zoals een ander'.

Een oom en tante van mijn vader hadden 'ongelukkige kinderen'. Die zijn niet oud geworden. Ik herinner me hen niet. Mogelijk waren ze al voor mijn geboorte overleden of toen ik nog heel klein was. Ik had een hobbelpaard dat van een van die kinderen was geweest. Het was een haan, waarvan de kam was afgezaagd. De jongen die erin gezeten had, had een gebogen gestalte en zou zich anders aan de kam gestoten hebben.

Tegenwoordig kan 'ongelukkig' in zo'n geval niet meer gebruikt worden. We denken daarbij meteen aan iemands gemoedstoestand. Ons persoonlijk welbevinden is zo belangrijk geworden, dat we ons af zijn gaan vragen of we wel gelukkig zijn. Blijkbaar was dat in mijn jeugd minder van belang.

Ik denk dat indertijd in de benaming 'ongelukkig' ook wel medelijden meespeelde, wat de term iets bevoogdends geeft. Degene die een ander een 'ongelukkige' noemt, zal mogelijk sympathie hebben voor die ongelukkige, maar hij plaatst zich ook boven hem.

Die sympathie herinner ik me sterk. Bij ons in het dorp was er een man die Gekke Fritske werd genoemd. Ik heb nooit geweten hoe zijn achternaam luidde. Het was een magere man, die iets van een jongen in zich had. Hij droeg een pak, als mijn geheugen mij niet bedriegt, reed op een damesfiets (zo'n omamodel) en rookte sigaretten, met getuite lippen.

Fritske was 'niet helemaal zoals een ander'. Hij liep moeilijk; misschien was hij spastisch. Maar meestal fietste Fritske door het dorp en groette de mensen die hij tegenkwam. Iedereen groette hem terug. Bij elke bruiloft was hij aanwezig. Hij feliciteerde het bruidspaar, dronk een kop koffie, at een stukje taart en verdween weer. Misschien dat ik mij hem daarom in pak herinner.

Als Fritske nu geleefd zou hebben, zou hij vast niet Gekke Fritske genoemd zijn.' Iemand 'gek' noemen, kan niet meer. Je mag van jezelf zeggen dat je gekke Henkie niet bent, en ook dat je 'een heel gek mens bent', maar je noemt een ander niet gek. Toch was 'Gekke Fritske' bepaald geen scheldnaam.

Nooit heb ik iemand negatief gehoord over Fritske. Misschien kwam dat ook wel doordat hij vaak goed gehumeurd was en geen overlast veroorzaakte. Hij werd niet speciaal begeleid, voor zover ik weet; hij ging niet naar een dagopvang. Fritske fietste door het dorp, waar iedereen een beetje op hem lette.

Ik moet oppassen dat ik niet nostalgisch word. Met het huidige verkeer zou dat fietsen van Fritske waarschijnlijk gevaarlijk zijn en er zijn nu veel minder mensen die overdag thuis zijn of in de boomgaard of op het land aan het werk zijn. Die touwtjes uit de brievenbus waar Terlouw het over had, zijn niet voor niets verdwenen.

Wel heb ik het idee dat de taal toen onschuldiger was. Dat het minder nauw luisterde hoe je iemand noemde. Fritske was 'niet zoals een ander' en werd daarom 'Gekke Fritske' genoemd. Iedereen zou het vreemd gevonden hebben als we hem 'iemand met een beperking' of 'iemand met een uitdaging' hadden genoemd. Fritske behoorde niet tot een categorie. Hij was Fritske en niemand anders.

Naschrift: Het licht spastische dat ik me van Fritske herinnerde, kon mijn moeder niet bevestigen. Ze vertelde wel dat Fritske ook op de bruiloft van mijn ouders is geweest. Zij waren echter net met de fotograaf mee. Hij heeft toen mijn oom en tante gefeliciteerd, die er ook netjes uitzagen en een corsage op hadden. Mijn moeder wist niet zeker meer of Fritske voor een stukje taart of voor een borreltje kwam.

donderdag 7 januari 2016

Wildzang (Woorden die je weinig hoort 8)


Onlangs las ik een paar bladzijden in het curieuze kinderboekje Roepstemmen, een verhaal voor kinderen, door Josijne. In een latere bijdrage kom ik op dat boekje terug. Op de eerste pagina wordt de hoofdpersoon geïntroduceerd, een negenjarig meisje. Ze heeft eerst een tak opgeraapt, maar die is intussen gebroken.
(...) ze trok en rukte aan een jongen buigzamen struik, tot ze een tak, waaraan enkele knoppen schuchter te voorschijn kwamen, had losgerukt en nu zette ze voldaan hare wandeling voort. Arme jonge tak! zoo wreed afgescheurd en dat door zulk een onbedachtzame wildzang!
Mij viel het woord 'wildzang' op, een woord dat je nog maar weinig hoort. De laatste keer dat ik het tegenkwam was als titel van een roman van Gijs IJlander, een aardig boek. In die roman is Wildzang de naam van een boerderij, die waarschijnlijk verwijst naar het gezang van vogels.

In het WNT wordt dat ook als eerste betekenis gegeven. Er zijn restaurants, scholen en zelfs een uitvaartcentrum te vinden die, waarschijnlijk mede daarom, Wildzang heten.

In 1976 werd er een groot kunstwerk (80 bij 25 meter) met die naam geplaatst op de Bijlmerweide in Amsterdam-Zuidoost. Dat was een verbeelding van het gedicht 'Wiltzangh' van Vondel. Dat gedicht begint met 'Wat zongh het vrolijck vogelkijn / dat in den boomgaert zat!' Onder de titel staat 'Op de zelve hofstede', wat erop duidt dat er ook toen al een boerderij was die naar het gezang van de vogels was genoemd.

Maar het gaat mij om de betekenis die 'wildzang' heeft in het kinderboek en die komt overeen met de indruk die ik daarvoor er al van had: een wildebras, een jong iemand die haar eigen gang gaat en zich van niemand iets aantrekt. Voor mijn gevoel past het woord meer bij een meisje dan bij een jongen.

Het WNT geeft als betekenissen:
1.Het natuurlijk gezang van één of meer vogels.
2.De in het wild levende zangvogels.
3.Muziek die, gezang dat niet aan de eischen of normen voldoet; niet door de normale of correcte ordeningsprincipes geleid(e) muziek of gezang; wilde muziek, wild gezang.
4. Gepraat dat geen steek houdt; onzin, nonsens, wartaal.
Dan pas krijgen we de persoon die een wildzang is:
5. Iemand wiens optreden door onbezonnenheid en wildheid gekenmerkt wordt; wild, onbesuisd, onstuimig persoon.
6.Persoon die in eenig opzicht nog ongevormd is.
7. Wild, onbesuisd en onbezonnen gedrag; gekkigheid.
Zoals 'wildzang' zowel op het gezang als de zanger kan slaan, kan het blijkbaar ook zowel op een persoon slaan als op zijn gedrag.

Enkele citaten die het WNT geeft:
Men seght: hy heeft den worm int hooft.
VVaer uyt verstaen wort en ghelooft,
Dat daer men dese spreuck van seght,
Een wilt-sangh is, en gheiren veght 
P. Croon, Almanach voor heden en morgen (1665), zie hier. Ook Bernard ter Haar kent de wildzang (1843), zie hier, blz. 32 (1844):
'k Verbied den wildzang keer op keer —
Daar steelt de schalk den bezem weêr
En neemt den stok tot paardjen
Nog een citaat uit het WNT, van A. Snieders (1876):
Terwijl de non … de lekkernijen uitdeelde en de wildzangen beurtelings liet drinken, gaven deze aan hunne kwaadspitserij vollen teugel.
En P.A. Daum schreef (Hoe hij Raad van Indië werd, 1888):
Zij zong en sprong van de trap in de achtergalerij, zooals ze gedaan had, toen ze nog 'n wildzang was van vijftien jaren.
Vooral dat laatste citaat past bij het beeld dat ik altijd van een wildzang heb gehad. Weliswaar iemand die zich niet aan de regeltjes houdt, maar over wie je ook met enige vertedering kunt spreken.

Al die citaten passen bij een wild, onbesuisd, onstuimig persoon, betekenis nummer 5 dus. Ook bij een persoon die 'in eenig opzicht nog ongevormd is' geeft het WNT citaten. Een mooi voorbeeld van de hand van Wolff en Deken (Brieven van Abraham Blankaart, 1787 - 1789):
Wildzangen …, dat zyn ook al van die steenen, daar God de Heer … Abraham, Kinderen uit zal verwekken.
Multatuli gebruikte de benaming ook voor schrijvers die zich niet aan de regels hielden:
Al die wildzangen (t.w. auteurs als Shakespeare, Sophokles en Euripides) hadden nooit 'n behoorlyk reglement op 't "ontroeren" der toeschouwers in handen gehad. De stumperts zochten waarheid in Natuur.
'Wildzang' komt waarschijnlijk af van 'wildvang', jachtvogel die pas als volwassen dier wordt afgericht. Dat is terug te vinden op verscheidene plaatsen, bijvoorbeeld hier, in Van Dale Etymologisch woordenboek.

Zomaar zoeken op internet geeft niet zoveel resultaten. Theo Thijssen maakt korte metten met een boek van L.T. Meade, dat in vertaling Een wildzang heet. U vindt zijn stuk hier. De schrijfster is niet goed wijs, vindt hij.

Wat zij onder een wildzang verstaat, wordt wel duidelijk:
Irene is het grootste mirakel, waar ik ooit van gelezen heb. Iedereen in het dorp rilt, als hij haar naam hoort. Zij jaagt alle bedienden, juffrouwen en meesters in één week weg; loopt uren in den regen, ligt uren in de sneeuw, als ze zin heeft. De meeste nachten gaat ze varen op het meer. Ze komt spoken bij de keukenmeid. Ze draagt altijd een vuurroode jurk; haar manier van rouwen, zegt ze. Als ze een gouvernante weg wil werken, neemt ze haar in een storm mee op het meer, stuurt de boot in een stroom, die naar een waterval voert.
Inderdaad, iemand die zich bepaald niet aan de regeltjes houdt. Dat een wildzang bij voorkeur een meisje is, klopt niet. Bij Ludwig Franz von Bilderbeck trof ik een mannelijke wildebras aan in Wezenlijkheid en schijn. Een tafereel der zeden van onzen tijd (1829), deel 2 blz. 25



Hier heeft de benaming wildzang absoluut niets vertederends. Het is duidelijk dat de verteller het gedrag van de wildzang afkeurt. Bovendien is het hier een jongeman. Mijn indruk dat wildzangen meisjes en jonge vrouwen zijn, klopt dus niet, wat ook al bleek uit het citaat van Multatuli. 

Het christelijke kinderboekje waarmee ik dit stukje begon is niet het enige in zijn soort waarin een wildzang voorkomt. Er blijkt ook nog een boekje Nellie, de kleine wildzang te zijn. Google Books geeft als inhoud:
Kleine Nellie is omgeven door luxe, maar hoort nooit iets over de Heere God. Pas als ze door haar eigen onbedachtzaamheid blind geworden is, hoort ze van een nieuwe gouvernante geschiedenissen uit de Bijbel en leert ze de Heer liefhebben. Zo wordt Nellies ongeluk haar tot een zegen.
Die 'onbedachtzaamheid' past wel bij de titel. Verder kwam ik onderstaand boek nog tegen. Daar wordt 'wildzang' waarschijnlijk toch met iets luchtigs geassocieerd. In ieder geval is het een blijspel.

En nog eentje: De wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees, van C. de Kinder (1920): 
Wanneer het gebeurde, en zeldzaam was het niet, dat hij en zijne makkers door hunne brutale guitenstreken heel de buurt in rep en roer hadden gezet, dan kwam Moeder Neeltje hijgend en kijvend aangetrippeld, en recht op den deugniet af. Deze, zonder zich tegen de bestraffing te verzetten of de plaat te poetsen, liet zich gedwee bij het oor grijpen en bukte zich dan zelfs, opdat de oude vrouw den arm niet te hoog zou moeten rekken. Zoo keerden zij naar huis, en meer dan eens was het al gebeurd dat Jan, zijn Grootje buiten adem ziende, haar doodeenvoudig met zijne sterke armen optilde en licht als een pluimpje voortdroeg, zonder dat zij daarbij zijn oor losliet of ophield hem te bekijven. Wee echter degenen, die op zijn doortocht het waagden te lachen of met hen te spotten! Ze konden er stellig op rekenen 's anderdaags met zijn duchtige knuisten in aanraking te komen. Was Jan een wildzang van de ergste soort, toch had hij hoedanigheden, die veel goed maakten: hij had een onoverwinnelijken afkeer van veinzerij en logentaal en kon geen onrecht zien plegen.
 Weliswaar wordt Jan 'een wildzang van de ergste soort' genoemd, maar hij is sympathiek en wat hij uithaalt zijn 'guitenstreken'. Op boekwinkeltjes.nl kwam ik ook nog verschillende keren Juffertje Wildzang tegen.

De natte vinger in de lucht: hoe staat het met het woord 'wildzang'? Wildzang, in de betekenis van onbesuisd persoon, komt tegenwoordig nauwelijks nog voor. Ik ben het niet tegengekomen in recente teksten.

Een wildzang is iemand die zich niet aan de regeltjes houdt. Er zijn meer jonge vrouwen / meisjes die een wildzang genoemd worden dan jonge mannen / jongens, maar het woord kan op mensen van beiderlei kunne van toepassing zijn.

Ten slotte: een wildzang kan vertederend zijn, maar soms is het iemand die echt te ver gaat en over wie slechts afkeurend gesproken wordt.

De typering 'wildzang' voor een persoon is zo ongeveer verdwenen. Nog een tijdje en niemand weet meer of hij of zij ooit een wildzang is geweest. En hoe zou het eigenlijk staan met 'wildebras'?

maandag 9 maart 2015

Bindend studieadvies



Eerlijk gezegd volg ik het nieuws niet zo. Van tv-kijken komt het meestal niet en de krant lees ik alleen in het weekend, zodat ik voor de nieuwsberichten afhankelijk ben van af en toe een journaaltje van twee minuten op de radio en van wat ik voorbij ziet schieten op het internet. Soms hoor ik een discussie, in een gepodcast radioprogramma; NTR Academie, De kennis van nu en OBA live beluister ik vaak wel.

Onlangs was in een van die programma's een gesprek over de studentenprotesten. Daarin viel de term 'bindend studieadvies' en later nog een keer. Het leek er niet op dat de term ironisch gebruikt werd. Ik ben het op gaan zoeken en vond er zelfs een pagina over op Wikipedia. Daar wordt ook de afkorting BSA gebruikt, die ik voor het laatst hoorde in het liedje Oerend hard, maar daar ging het over een motor: 'Bertus op zijn Norton en Tinus op de BSA.'

Een advies is een raad of voor mijn part een raadgeving. Je hoort een raad aan en volgt die op of slaat hem in de wind. Daar ben je vrij in; het is maar een advies. Ik kan iemand een koopadvies geven: een HDMI-kabel kun je het best bij de Action kopen: zo'n kabel doet het prima en werkt nauwelijks minder dan een veel duurdere kabel die je bij een gespecialiseerde zaak koopt. Degene tegen wie ik dat zeg, mag zelf uitmaken of hij nu zo'n kabel bij de Action koopt of bij bijvoorbeeld BCC.

Een studieadvies is een raad omtrent je studie: je kunt beter in Groningen dan in Leiden Noors gaan studeren (of andersom). Of: je kunt beter een jaartje langer over je studie doen. Of: het is handiger als je dit jaar nog een paar studiepunten binnenhaalt.

Maar wat is een bindend studieadvies? Dat is een advies dat opgevolgd moet worden. In de meeste gevallen betreft het een negatief bindend advies: je moet stoppen met je studie. Maar als je zegt dat iets moet, is het geen advies meer. Dan is het een bevel, een commando, een gebod, een dwingende opdracht, een order - hoe je het maar wilt noemen.

Een bindend studieadvies kan dus eigenlijk niet. Het is een bevel, maar het heeft een andere gevoelswaarde. Als een sergeant een bevel geeft (Voorwaarts, mars!), noemen we dat niet een bindend marsadvies. Het is een bevel. En een vrijblijvend bevel bestaat niet.

Waarom spreken we over een advies als het geen advies betreft? Ik denk dat we bevelen, verordeningen, commando's, vervelend vinden. We willen de illusie in stand houden dat we iets te kiezen hebben.

Bij een loket moest ik iets ophalen. 'Dan mag u hier uw handtekening zetten', zei de mevrouw achter het loket. Strikt genomen had ze gelijk: ik had de vrijheid om de handtekening wel of niet te zetten. Maar als ik het document mee wilde hebben, was ik wel verplicht de handtekening te zetten.

Als je erop gaat letten, kom je het vaker tegen: mensen zeggen 'mogen' als 'moeten' meer op zijn plaats zou zijn. Het lijkt op een voorrecht, maar het is een verplichting. 'U mag uw mond wat verder opendoen' zegt de tandarts en hij bedoelt: 'U moet uw mond verder opendoen, wil ik er goed bij kunnen'. 'U mag uw wapen hier inleveren', 'U mag even op dit pijpje blazen', 'U mag even een vuist maken, als ik de naald in uw ader steek'.

Dat klinkt allemaal vriendelijk, dat is waar, dus misschien is het niet zo erg. Maar een bindend advies gaat me te ver. Kledingadviezen, trainingsadviezen, gezondheidsadviezen, voedseladviezen - je zou ze niet meer durven te vragen. Voor je het weet, zijn ze bindend en zit je eraan vast.

zondag 1 maart 2015

Een nachthutje in de komkommerhof (Liesbeth Labeur)


Wie op het orthodoxe, bevindelijke erf is opgegroeid, verstaat de tale Kanaäns. Hij is grootgebracht met de Statenvertaling, die meestal driemaal per dag voorgelezen werd en hij luisterde naar de dominees die een geheimzinnige taal gebruikten, die buiten de kerk vaak niet voorkwam.

De dominees konden je vertellen dat het geloof een voet te hoog zat (in het hoofd in plaats van in het hart); dat er nog honing aan de roede was; dat je stenen hart vervangen moest worden door een vlezen hart; dat je met een ingebeelde hemel naar de hel kon gaan; dat er uurtjes van korte duurtjes zijn; dat er gebedeld moet worden aan de troon der genade en dat iemand geen rust vindt voor het hol van zijn zielenvoet.

Het is de taal waarmee Liesbeth Labeur is opgevoed. Die wereld van woorden en het Woord is al jarenlang een bron van inspiratie voor haar. Van haar beeldroman 'Op weg naar Zoar' tot haar installatie 'De brede en de smalle weg', van haar filmpjes als 'Casino wit' en 'Laat ons den  rustdag wijden' tot haar nieuwste installatie 'Een nachthutje in de komkommerhof'.

Laat ons den rustdag wijden

Dat nachthutje kennen we uit Jesaja 1: 8 en 9: 'En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad. Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. 

In het programmaboekje (Binnenkamers. Een overdenking) duidt Laurie Cluitmans het nachthutje als 'een schuilplek te midden van rumoer, een plek van geborgenheid waar reflectie mogelijk is.' Hm. Ik zie het nachthutje hier als 'een weinig overblijfsel', een schamel onderdak. Zo'n hutje dreigt voor mijn gevoel in elkaar te zakken, zoals een belegerde stad kan vallen. De hoop lijkt bijna vervlogen, maar in die benauwde omstandigheden is God er om op te vertrouwen. 

De uitleg van Cluitmans lijkt me wel te passen bij het begrip 'binnenkamer'. Het WNT, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, geeft drie betekenissen voor 'binnenkamer':
1. In 't algemeen. Eene meer naar binnen gelegen kamer.
2. In 't bijzonder. Eene kamer, niet aan de straat, noch aan een tuin.
3. In Bijbelsche taal, met het denkbeeld dat men daar van de wereld is afgezonderd. 

In het programmaboekje verkent Fred van Lieburg het woord. Hij noemt natuurlijk de passage uit de Bergrede (Mattheüs 6: 6): 'Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.'

Hij laat beknopt zien hoe in de loop der eeuwen de binnenkamer getypeerd is en hoe die gefunctioneerd heeft. Een citaat: 'Gebed en meditatie, bezinning en boetedoening - dat gold dus allemaal als noodzakelijk binnenkamerwerk, als tegenhanger van het buitenkamerwerk in een plaatselijke kerk.'

Door die beknoptheid neemt Van Lieburg de bocht wel eens kort: zo beroept hij zich (zondere nadere bronvermelding) op 'een kenner' om aan te tonen dat een rijmpje wordt aangeduid 'als de meest geciteerde dichtregels in bevindelijke preken'. Maar vooruit, zijn bijdrage is zeer lezenswaardig.

Wie op Delpher kranten raadpleegt, komt vanaf de zeventiende eeuw 'binnenkamer' vooral tegen in de eerste twee betekenissen die het WNT geeft. Ook in andere bronnen wordt 'binnenkamer' vaak op die manier gebruikt. Ik geef twee voorbeelden.

In 1852 verschijnt het boek De binnenkamer van een kruidenier. Oorspronkelijke schetsen en tafereelen naar het burgerlijke leven, uit de papieren van Oudoom Jakob, geschreven door Bartholomeus Theodorus Lublink Weddik. Al in hoofdstuk 1 komt er een binnenkamergesprek voor:
De heer Pieterse, beëedigd makelaar, zat in de tamelijk naauwe, donkere binnenkamer (want het licht van den dag werd eerst door de winkelruiten, dan door die van het binnenvertrek zelve behoorlijk getemperd en gefiltreerd) tegenover het waardige echtpaar, en knipte altijd met het regteroog; hij had reeds gedurende omstreeks vijf minuten met het quasi-zilveren lepeltje in het kopje koffij geroerd en begon eindelijk:— Beste vriend! ik heb iemand noodig in mijn zaak, want mijn bediende gaat naar de Oost, 't was anders een fiksche jongen, eerlijk, trouw, braaf, patent! — op de beurs t'huis en met de zaken bekend; nu heb ik gedacht of vriend Mispelboom ook ambitie had, om zijn oudsten jongen, Jozef, je weet wel wien ik meen, aan mij over te doen, eerst om te proberen: maar het zal wel gaan, dat weet ik al vooreerst, en later (hij roerde nog al-wat harder) om... als alles wèl gaat... in mijne affaire te komen. Jelui moet er nu maar rond en ferm voor uitkomen, vrienden, we kennen elkaar reeds lang, kom aan, kan de koop heden nog gesloten?
In 1867 gaat Multatuli de strijd aan met ex-minister J. Bosscha in Een en ander over Pruisen en Nederland. Bosscha had een brochure geschreven over Pruisen en Nederland. Daarin schreef hij ook over het nationaal gevoel: 'Het sprak in veler binnenkamers en in de geestdrift van den dichter van de Hollandsche Natie.' Multatuli reageert:
Dat men, onder het continentaal-stelsel ontevreden was aan de thee (zegge: aardbeienbladen-extract -) tafel, geloof ik. Dat men ongaarne aftreksel van gebrande rogge slurpte voor koffi, en zelfs niet tevreden was met eikelkoffi (schoon die zoo goed is voor de klieren, zeggen ze) zie, ook dat geloof ik. Maar ik vind zulke ontevredenheid in de “binnenkamers” geen blyk van nationaliteitszin. Die binnenkamer bederft alles.
Nationaal gevoel openbaart zich niet in de binnenkamer, maar op straat, zegt Multatuli.

In beide voorbeelden is de binnenkamer een aanduiding voor binnenshuis, voor wat niet openbaar is. Die betekenis heeft het ook in de derde mogelijkheid die het WNT geeft, maar het gebruik van de binnenkamer is daarbij specifieker. 'Gebed en medidatie, bezinning en boetedoening', zoals we al bij Van Lieburg lazen.

Zo komt de binnenkamer voor in een preek van Jodocus van Lodenstein (1620 - 1677), geciteerd door John van Schaik in In het hart is hij te vinden. Een geschiedenis van de christelijke mystiek. (2005). De preek ging over 'De koning heeft mij gebracht in zijn binnenkameren' (Hooglied 1 : 4).
Onder binnenkameren moeten wij verstaan de hemel, het huis van de vader, waar veel woningen zijn (Joh. 14:2). Deze plaats wordt afgebeeld door het heilige der heiligen, dat daarom het binnenste van het voorhangsel wordt genoemd, waar Jezus voor ons is binnengegaan (Hebr. 6:19-20). Deze plaats word[t] in Hebreeën 9:24 hemel genoemd. Omdat de gelovige hier op aarde de hemel reeds bezit, moet men onder binnenkameren de totale verborgenheid van het koninkrijk der hemelen verstaan. We moeten eronder verstaan alle schatten der wijsheid en der kennis van de verborgenheid van God de Vader en van Christus. Wij verstaan eronder de gevoelige liefde van Christus en de meest innige gemeenschap van de zielen met hem.
Volgens Van Lodenstein zijn er drie hindernissen die voorkomen dat de gelovige ingetrokken wordt in de binnenkamer:
1. de bruid is van nature onbekwaam;
2. we hebben te veel wereldse opvattingen;
3. we hebben te veel uitwendige plichten van de godsdienst ‘waaraan duizenden mensen blijven hangen zonder daarbij op te klimmen tot iets hogers’.

Maar nu terug naar Liesbeth Labeur. Haar binnenkamer gaf ze vorm in De vleeshal in Middelburg. In de fraaie ruimte bracht ze een systeemplafond aan, waarin vijf openingen gelaten zijn. Met ladders kun je omhoog klimmen en je hoofd aan de andere kant van het plafond steken, in de bovenwereld.

Boven is het donkerder. Er liggen uitgeknipte teksten, die door lampjes beschenen worden. De teksten zijn niet altijd goed te lezen. Ik las 'komen staan te gebeuren' en ik moest denken aan de domineestaal: 'Mocht het toch eens komen staan te gebeuren dat wij gewillig gemaakt werden.' Dit soort teksten nam Liesbeth Labeur als uitgangspunt. Soms liggen ze in elkaar gekronkeld, zoals ze kunnen kronkelen in je hoofd.


Wie de ladder beklimt, komt in een andere wereld. Een bovenwereld, maar wel een duistere, met duistere teksten. En orgelmuziek. Als onderwereld en bovenwereld tegenover elkaar worden gezet, is meestal de onderwereld duister en de bovenwereld licht. Hier is het andersom. Het deed me denken aan een beeld uit de Batmanfilm The dark knight (2008). Bruce Wayne (Batman) loopt daar met zijn vertrouweling in een lichte ruimte. Ze lopen naar de opening in het plafond waardoor Wayne zal opstijgen. Die bovenwereld is duister, in de ban van het kwade.


Het kwade zie ik niet in de bovenwereld bij Liesbeth Labeur, wel het duistere, het niet geheel bevatbare. De ladders die ons naar de bovenwereld leiden, doen denken aan de ladder die Jakob bij Bethel zag. Die ladder reikte tot in de hemel, maar wat nu als er geen hemel is of een lege hemel? Of als de hemel alleen bestaat uit teksten?


En hoe zit het eigenlijk met dat nachthutje? De ruimte waar we doorheen lopen is licht, maar moeten we ervan uitgaan dat het nachthutje zomaar kan bezwijken en dat de duisternis ons kan overweldigen? Die sfeer hangt er niet. Het is vredig, waarschijnlijk ook door de orgelmuziek. Die is van Margaretha Christina de Jong, die voor deze tentoonstelling een Kleinood voor orgel schreef.

In het boekje staat ook nog een stukje van Franca Treur, die schrijft: 'Nu weet ik eigenlijk niet wat bidden is, maar ik vermoed dat schrijven enigszins in de buurt komt.' Schrijven doe je dus in de binnenkamer, ook als je er later mee naar buiten treedt. Via het geschrevene kijken we in die binnenruimte, zien wat daar in het verborgene gedaan wordt. We zullen het in het openbaar prijzen.

Misschien is voor Liesbeth Labeur de kunst wel zo'n nachthutje, de ordening die je in stand houdt tegenover de chaos buiten; de belegerde stad waar je als wachter op de muur staat. Het moet bijna wel.

Een nachthutje in de komkommerhof oogt eenvoudig: je komt binnen en ziet een lege ruimte met vijf ladders. Die klommen we op, waarbij we onze last onder aan de ladder neerlegden. We staken ons hoofd in de wereld van de woorden, probeerden de teksten te lezen en daalden de ladder weer af. We liepen rond, bleven staan bij het gehalveerde beeld zonder tenen, keken rond in een ruimte waar weinig te zien was. En toch hadden we het idee dat er veel gebeurde.

We hadden buiten in de regen gelopen, we waren naar binnen gekomen en we betraden een wereld, die ons ongemerkt opnam. Ondanks de strakke lijnen van de tegels, de steile ladders, het sobere plafond, voelde de ruimte niet afstandelijk aan, maar juist verwelkomend. We verwonderden ons erover dat met zo weinig zoveel gedaan kon worden.

We spraken erover en gingen naar buiten. Deze ervaring namen we mee naar onze eigen binnenkamer.



dinsdag 6 januari 2015

Lulhannes (Woorden die je weinig hoort 5)



In het gesprek dat Wim Brands onlangs had met de schrijver Jeroen Brouwers, gebruikt Brouwers het woord 'lulhannes' als karakterisering van de hoofdpersoon van zijn roman Het hout, en bij uitbreiding voor meer hoofdpersonen van zijn boeken.

'Lulhannes' lijkt voor Brouwers de betekenis te hebben van 'lulletje' of 'persoon zonder doorzettingsvermogen'. Bij mij thuis werd het woord vooral gebruikt door mijn moeder. Zij kon een van haar kinderen zo noemen als die maar een eind weg kletste: 'Och, lulhannes'. In mijn herinnering heeft het woord dan ook voornamelijk te maken met kletsen, lullen. Zo werd het door meer mensen in mijn omgeving gebruikt. Maar misschien is die betekenis regionaal bepaald. Ik groeide op in de Betuwe.

Jeroen Brouwers is zelf ook wel een lulhannes genoemd. In een stuk van Bas van Putten in De Groene Amsterdammer (2009). Meer in de betekenis van leuteraar dan van sukkel. Opmerkelijk genoeg citeert Van Putten daarbij ook zijn moeder.

In het Woordenboek der Nederlandse Taal wordt 'lulhannes' op twee plaatsen genoemd: in het lemma 'Hannes' en in het lemma 'lullen'. Een Hannes is een laffe of lamlendige vent: bloed, lummel, sul en dergelijke, volgens het WNT. Dat lijkt erg op de lulhannes bij Brouwers. Bij 'lulhannes' geeft het WNT: 'leuterkous, kletsmajoor'. Dat is de lulhannes van mijn moeder.

Onder het lemma 'lullen' treffen we als derde betekenis aan: 'Onbeduidende dingen zeggen, kletsen, zaniken, zagen. Thans, afgezien wellicht van sommige dialecten, alleen in platte taal.' In het dialect dat wij spraken, werd 'lullen' niet als plat gezien. Nog steeds niet, volgens mij.

Er wordt ook een uitdrukking genoemd: 'Lullen is geen visch' (praatjes vullen geen gaatjes) - een mooie uitdrukking die van mij in ere mag worden hersteld.

Ook hier wordt de lulhannes genoemd: 'hetzelfde als lul(le)broer; vandaar: lulhannesen. Ik neem aan dat dat een werkwoord is. Er wordt verwezen naar Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan, maar ik vind zo gauw niet de precieze context. Duidelijk is dat het WNT de betekenis 'sukkel' wel geeft aan 'Hannes', maar niet aan 'lulhannes'.

Bij het googlen tref ik een blog aan (Woordhoek van NRC) waarin de lulhannes bij de kop wordt genomen. Daarin ook een mooi citaat uit een brief van Du Perron aan Ter Braak (1939):
Ze bàrsten ook van de lol om zekeren ex-student Kamp (?), nu burgemeester, die daverende moppen heeft geschreven over leidsche zeden – en die voor mij wel de meest zoutelooze lulhannes is waarvan ik ooit luim en kortswijl in handen kreeg. Jong, conservatief, geborneerd en onzelfstandig, maar… methodisch! ernstig! vol wetenschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel! Je moet maar denken: het is goed dat de Universiteit ze nog zóó maakt, want zoo zijn ze op hun aardigst.
De complete brief is hier te lezen.

Wordt 'lulhannes' nog gebruikt? Ik roep Google te hulp. Die verwijst mij naar een filmpje over een lulhannes die een bommetje probeert in een bevroren zwembad. Lulhannes lijkt me hier synoniem met sukkel. Dit soort filmpjes wordt vaker geplaatst. Hier bijvoorbeeld. De lulhannes wordt in het commentaar ook 'flapdrol' genoemd, wat dicht bij 'sukkel' ligt. Of hier: 'Lulhannes gooit vuurwerkje in brievenbus.'

Dat is ook de betekenis die Willem van Hanegem geeft aan het woord. Hij noemde in 2008 een scheidsrechter 'lulhannes'. Hij werd ervoor naar de tribune gestuurd en bovendien kreeg hij een boete van vijfhonderd euro. In een column in het Algemeen Dagblad vroeg Van Hanegem zich af of hij dan misschien 'sukkel' had moeten zeggen. Het woord trok wel de aandacht. Het werd zelfs gescandeerd tijdens een wedstrijd.


Wie zoekt naar 'lulhannes' komt vaak het incident met Van Hanegem tegen. In mijn oren is 'lulhannes' niet zo'n erg scheldwoord, maar ik associeer het dan ook met 'leuteraar' en niet met 'sukkel'.

In 2010 wordt Ghislaine Plag de nieuwe presentatrice van Rondom 10. In een reactie zegt Steven:
Ik hoop niet dat zij net zo’n linkse lulhannes is als die van Grimsbergen, misschien eindelijk eens een keer een rechtse lulhannes, zou niet verkeerd zijn op ons aller pluriforme PO. Lekker aanschoppen tegen politiek correct Nederland, Bos en Pechtold. Een keer wat anders als zeiken tegen Wilders. ;)
Betekenis: leuteraarster, lijkt me. Hieruit blijkt dat een lulhannes niet per definitie een man is.

In een blogbericht van Karin Oldeweghuis kom ik het woord ook een paar keer tegen. Oldeweghuis loopt helemaal leeg als ze het heeft over de ex-man van ene Annette Evers. Van de interpunctie klopt niet veel en het 'artikel' lijkt te bestaan uit vier keer hetzelfde stukje. Een indruk:
...en dat terwijl ze daardoor die aanvallen kan krijgen.haar medicatie klopt niet.ze zit 90 dagen volledig onschuldig vast,vanwege een mishandelende ex,die z,n poten niet thuis kan houden.haar kinderen mag ze helemaal niet meer zien,maar ja,die zitten nu bij een kindermishandelaar en een exzwager cq pedofiel.die kinderen lopen gevaar dus.zekrijgt al heel erg lang geen alimentatie meer,omdat meneer lulhannes ex z,n bedrijf expres op 0 heeft gezet,puur om haar te treiteren.
exlulhannes heeft z,n eigen kind,die een darmafwijking heeft het ziekenhuis in geschopt.zwaar gestoord deze vent.!!hij heeft annette meerdere malen verkracht.haar familie opzettelijk in elkaar gemept.en die kinderen zitten daar nog steeds.!!godsonmogelijk dit.!!
Ik heb de indruk dat 'lulhannes' hier hetzelfde betekent als 'klootzak'. Oldeweghuis bedoelt het waarschijnlijk een stuk minder goedmoedig dan de manier waarop 'lulhannes' gewoonlijk gebruikt wordt.

Ten slotte heb ik enkele jongeren gevraagd wat volgens hen een lulhannes is. Ik kreeg antwoorden als 'een onhandig persoon' en 'sukkel', maar niemand legde het verband met kletsmeier of praatjesmaker.

Zomaar wat googlen en enkele jongeren wat vragen is een onderzoekje van niks, ik weet het. Maar ik ga er toch een paar conclusies uit trekken:
- Het woord 'lulhannes' wordt nog steeds van tijd tot tijd gebruikt.
- De oorspronkelijke betekenis is die van leuteraar, maar tegenwoordig wordt het woord meer gebruikt in de betekenis van 'sukkel'.
- De meeste lulhannesen zijn mannen, maar soms wordt ook een vrouw 'lulhannes' genoemd
- Willem van Hanegem heeft er, onbedoeld waarschijnlijk, veel aan gedaan om het woord levend te houden. Laten we hem dankbaar zijn.


Aangetroffen op deze plaats. De foto bovenaan vond ik hier.

maandag 12 mei 2014

Leest (Woorden die je weinig hoort 3)


Bijna elke dag luister ik een tijdje naar 'oude' muziek, meestal uit de jaren zestig, zeventig of tachtig. Onlangs zat daar een nummer van Boudewijn de Groot tussen, het eerste van hem dat op single verscheen: 'Strand' (1964), geschreven door Lennaert Nijgh. Het is een vrolijk lied, met een heel aardige tekst. Het begint als volgt:
Waar kan je liggen in het zand
totdat je hele lijf verbrandt?
Waar kan je zuipen als een beest,
waar vind je vrienden voor elk feest?
Waar kan je zwemmen als een rat,
waar word je zelfs van binnen nat?
Dat is aan de rand van Nederland,
dat is aan ons onvolprezen strand.
Waar kan je vrijen met je vrouw
wat nergens ander mogen zou?
Terwijl je kalm je krantje leest
je handen strelend om haar leest.
Dan speel je poker met een vriend
totdat hij van ellende grient.
Dan springt de randstad uit de band,
dat is aan ons onvolprezen strand.

Het valt me op dat Nijgh toen al 'kan je' schrijft in plaats van 'kun je'. Ik dacht dat dat pas later wat meer gangbaar werd. Verder zit er in het tweede couplet zit een wel erg lelijk rijm:
Terwijl je kalm je krantje leest
je handen strelend om haar leest.
Als je twee keer hetzelfde woord gebruikt, lukt rijmen natuurlijk altijd. We noemen dat rijk rijm (rime riche), hoewel het eigenlijk een nogal armzalige vorm van rijm is. (Voor andere vormen van arm rijm: zie een eerdere bijdrage). Bij het terughoren ergerde ik me opnieuw aan deze regels in een verder goede tekst. Niet alleen vanwege het rijm, maar ook om de inhoud: Het lijkt me niet waarschijnlijk dat iemand aan het strand zijn krantje leest terwijl hij iemand omarmt.

Het woord 'leest' in 'om haar leest' hoor of lees je tegenwoordig niet meer zoveel, lijkt me. Tijd om ernaar op zoek te gaan. Het gaat mij natuurlijk niet om een vervoeging van het werkwoord 'lezen' en ook niet om iets wat met schoenen te maken heeft. We kennen de uitdrukking 'schoenmaker, blijf bij je leest', waarbij een leest het ijzeren geval is waarover de schoenmaker de schoen schuift. Ook van schoenen wordt wel gezegd dat ze een slanke leest hebben. De uitdrukking 'op dezelfde leest geschoeid zijn' hoor ik minder vaak, maar ik vermoed dat die nog wel bekend is. Hoe dan ook, alles wat met schoenen te maken heeft, laat ik verder in dit stukje onbesproken.

Bij 'je handen strelend om haar leest' denk ik in de eerste plaats aan de betekenis 'middel, taille'. Voor mijn gevoel wordt het woord meer gebruikt voor de vrouwelijk taille dan voor de mannelijke. Het komt nog weinig voor. Dat zijn tenminste mijn veronderstellingen. Tijd om te controleren of dat klopt.

Ik start mijn zoektocht in het WNT over 'leest' te melden heeft. Dat begint de uitleg met:
Uitwendige vorm, gedaante van het lichaam van mensch of dier, inzonderheid met betrekking tot zijne lengte; gestalte. Dikwijls, vooral in jongere taal, bepaaldelijk in toepassing op een welgevormde gestalte.
Hm, niet alleen de taille dus, maar de hele gestalte. Dat blijkt ook uit de voorbeelden. Vondel schrijft in 1660: 'Een muylpaert, uitgelezen van leest' en in 1664: Eerwe ons in de leest van draeck of slang versteecken.

Bij mensen verwijst 'leest' niet alleen naar vrouwen. Ene Van Halmael schrijft: Kost ik myn dochter wel een beter bruigom aan pryzen? … Wat dunkt u van zyn gang, persoon en zyn leest? En bij Staring is te lezen: 'Wie  is die grijsaard, kloek van leest?' Allemaal te vinden in de citaten die het WNT geeft.

De betekenis van 'leest' als gestalte was mij onbekend. Ik heb geen recente voorbeelden gevonden. Het WNT geeft aan dat 'oudtijds' het woord 'leest' ook wel toegepast werd 'op de gedaante van een afzonderlijk lichaamsdeel'. Daarbij krijgen we een citaat van Huygens uit 1655:
Haer' oogen zijn schoon rood …, Haer voorhoofd kort van leest, haer' ooren langh van lidt.
Ook die betekenis is intussen historie. Ik vind hem in ieder geval niet terug. Ik ga op zoek naar meer citaten en vind nogal wat verwijzingen naar wat oudere teksten. In de negentiende eeuw komt het woord nog veel voor.

In De recensent, ook der recensenten (1821) is het gedicht Klagt aan Chloë opgenomen. met daarin de regels:
Dan baadt mijn oog zich in haar schoon,
‘k Aanbid haar leest, haar’ dos.
Hier zou ik 'leest' meer als 'gestalte' dan als 'taille' lezen. En ook Potgieter, in 1840 (Het noorden in omtrekken en tafereelen, Tweede deel, in 'Eene zamenspraak op het slot Wersterås, 1573') duidt waarschijnlijk vooral op een gestalte:
Haar leest was rank, haar nijdig opperkleed verborg de netste voetjes ter helft, de veerkracht der jeugd gaf haren bewegingen iets slangachtig-sierlijks. 
Maar bij de arm 'om iemands leest' slaan, zal het waarschijnlijk niet om de gestalte gaan, maar om de taille, het middel. Het WNT geeft ook hierbij verschillende citaten. Uit Akbar van Van Limburg Brouwer (1871): 'Een krachtvol man … met den regterarm om de leest eener beeldschoone … vrouw.'

Bij 'om haar leest' geeft Koekel genoeg resultaten. Uit 1894 komt het boek Levensdoel van J. van Dorp. In het tweede deel staan 'Een ontgoocheling. - Een winterfeest. Daar lees ik:
Klappertandende van koû drong zij zich tegen hem aan. Hij sloeg den linkerarm krachtiger om haar leest en reikte haar een fleschje over, ten halve door hem van den inhoud beroofd; zij ledigde het zonder spreken, waarna zij het zorgvuldig in de jas wegborg.
In 1947 schrijft A.M. de Jong: Onverwacht lei hij een arm om haar leest en trok haar tegen zich aan. (De dolle vaandrig. Tweede deel: Breero) en Simon Vestdijk laat in De koperen tuin (1950) hetzelfde gebeuren: 'de arm om haar leest geslagen'. 1964, het jaar dat 'Strand' van Boudewijn de Groot te horen was, is wel veertien jaar later, maar blijkbaar vond men 'je handen strelend om haar leest' nog niet heel vreemd. De laatste decennia heb ik nooit meer iemand horen zeggen dat hij zijn arm nog wel eens om de leest van iemand anders slaat. Maar in het schriftelijk taalgebruik komt het toch hier en daar nog voor.

In 1996 gebruikt Willem Kuipers 'leest' prominent, namelijk in een titel van een recensie van verzen van de Chinese dichter Bai Xingjian (775 - 826): 'Haar leest is als een rol zijde'. De titel van de recensie ontleent Kuipers aan een fragment van een gedicht. Hij citeert het en voegt wat aan toe:
'De schoonheid/ Trekt haar dungazen rok uit, knoopt haar bestikte broek los./ Haar voorhoofd lijkt een bloemenkrans,/ haar leest is als een rol zijde.' En dan zuigen kussende monden op elkaars tongen, trillen de zijden, schokt woedend de jade steel en stroomt het zaad uiteindelijk naar de vijver van het cinnabergat.
Het kan zijn dat de vertaler hier 'leest' gebruikt, omdat de oorspronkelijke tekst al oud is. Misschien ook acht hij 'leest' en plechtiger of dichterlijker woord.

Ook Leo Vroman, gebruikt het woord 'leest'. Het komt voor in de bundel Daar (2011), in het gedicht 'Vervagende vriendinnen' dat begint met:
Natuurlijk heb ik elk van hen
nog net zo lief als toen,
en zal ook nu niets met ze doen
hoewel ik ze nog zo ken,
Annie met haar wimpers, en
Els om haar hete geest,
Lida om haar zoet geheel
en Bea om haar leest,
die nu krommen, wie weet senielen,
al die doden en hun zielen,
zo lief, zo jong geweest. 
Vroman zal vooral op het woord 'leest' gekomen zijn doordat hij een rijmklank op -eest nodig ha, vermoed ik. Een kwaadwillige zou kunnen zeggen dat Vroman in 2011 al oud was en dat hij al jaren buiten Nederland woonde, maar Vroman heeft zijn hele, lange leven een levendig, hedendaags Nederlands geschreven. (Voor wie meer over Vroman wil lezen: ik heb hem hier herdacht en hier heb ik zijn laatste bundel gerecenseerd).

Wel kan ik me voorstellen dat voor Vroman 'leest' een gewoner woord is dan voor mensen die jonger of veel jonger zijn, zodat het zich als rijmwoord gemakkelijker aandient.

Zou in Vlaanderen 'leest' gebruikelijker zijn dan in Nederland? Ik vond enkele Vlaamse citaten, waarvan ik aanneem dat ze vrij recent zijn.

Op de website van Eveline Vanhemel lees ik over de vrouwelijke Ram (niet een ooi, maar een vrouw die onder het teken Ram geboren is):
Bij de vrouwelijke Rammen kan men van alle dierenriemtekens er het meest op rekenen dat zij het huwelijksaanzoek doen, vooral als de man er te lang mee wacht. Dat is overigens ook het vroegste tijdstip waarop u van uw gevoelens blijk moogt geven. Doet u het daarvóór, dan loopt u risico's. Verzeker u ervan dat u haar hart in uw zak heeft aleer u uw arm om haar leest strengelt en haar naar u toetrekt, anders loopt u kans op een oorvijg en dat zij als een opgeschrikte hinde verdwijnt.
De tekst van Vanhemel heeft een ironische toonzetting. Ze valt meer terug op oudere woorden (moogt, oorvijg). De keuze van 'leest' zou ingegeven kunnen zijn door het register waarin Vanhemel schrijft.

Guido Vanhee, ook een Vlaming, neem ik aan, gebruikt 'leest' in een gedicht, 'Moordend lief':
(...)
Je zachte handen om mijn leest,
je huid, je haar,
bracht glorie en verraad,
je hartstocht was mijn zekerheid:
verlaat haar maar.
(...)
Het gedicht ronkt nogal. Ook in dit geval lijkt me het woord vooral opgeroepen door de context en het register. Maar misschien gebruiken Vanhee en Vanhemel 'leest' ook in hun dagelijks taalgebruik. Wellicht is 'leest' voor meer Vlamingen gebruikelijk. Ik vermoed overigens dat dat niet het geval is; anders was ik het wel vaker tegengekomen.

Het lijkt erop dat 'leest' alleen in uitzonderlijke gevallen nog gebruikt wordt. Tijdens het googleloeren kwam echter ook terecht op sites met seksverhalen. Die sites dragen namen als: Oops, Opwindend, Spannend Verhaaltje, Sexverhalen.

Daar schrikt men niet terug voor een 'leest':
In de deuropening gleed ik met mijn armen om haar leest, en trok haar tegen me aan. 
(Uit: De nachtzuster)

Ze sloeg haar armen om mijn nek, haar benen om mijn leest, en wilde zo gedragen worden. Maar ik stapte mis of zo, kon haar niet houden, en we rolden over de grond.
(Uit: Bloot2)
Toen ze onder de spoorbrug door waren gelopen kwamen ze bij de huizen tegenover het station, en sloeg hij zijn arm om haar middel. Ellen smolt door de zelfverzekerdheid die hij uitstraalde, en kreeg zowaar blosjes op haar wangen. Bij het laatste portiekje schoof hij haar handig het hoekje om, en stonden ze uit het zicht van voorbijgangers. Zijn handen gleden om haar leest, en trok haar naar zich toe. Ellen voelde zich week worden in haar knieën en sloeg haar armen om zijn hals, en kroop tegen hem aan. Lang en teder kuste hij haar, en zij kuste hem terug.
 (Uit: Ellen's tennistoernooi)
Ik houd hem stevig vast als Keesje me nu compleet aan zijn paal rijgt en druk hem tegen me aan en ik voel zijn stotende lichaam over me heen raggen en zijn handen grijpen mij vast aan mijn billen en mijn benen sla ik om zijn leest.
(Uit: Rampetampen met Keesje)

Van porno of van erotische verhalen weet ik niets. Ik heb zelfs geen enkele tint grijs gelezen. Hoe representatief deze voorbeelden zijn, weet ik dan ook niet. Mijn indruk is dat 'leest' in dit soort verhalen meer voorkomt dan daarbuiten. Of laten deze verhalen zich op internet makkelijker vinden dan andere teksten? En waarom wordt 'leest' in deze verhalen meer gebruikt? Wordt 'leest' als een poëtischer of plechtiger woord ervaren? Bij het laatste voorbeeld zal dat geen reden geweest zijn om voor 'leest' te kiezen.

Het wordt tijd dat voor de conclusies. Het woord 'leest' is niet verdwenen, maar het komt nog maar weinig voor. Het is nog het meest te vinden in teksten die in een afwijkend register geschreven zijn. Het zou kunnen zijn dat bij Vlamingen het woord 'leest' wat minder onder het stof verdwenen dan bij Nederlanders, maar daar zijn geen duidelijke aanwijzingen voor. In erotische verhalen lijkt 'leest' wat vaker voor te komen dan daarbuiten. Of zouden de seksverhalen vooral door Vlamingen geschreven zijn?

Ten slotte wil ik nog een voorbeeld noemen uit 1979. Toen publiceerde Gerd de Ley het boekje Schoenmaker, blijf van haar leest. De omslag liet aan duidelijk niets te wensen over: een wat bedremmelde schoenmaker (herkenbaar aan zijn leren schort) en een naakte vrouw. Vijfendertig jaar geleden moet de uitgever ingeschat hebben dat iedereen nog wist wat een 'leest' was, ook als het niet om een schoenmaker ging. Het heeft niet tot een algemeen (her)gebruik van 'leest' geleid.

Met excuus voor de kwaliteit van de afbeelding, die ik van Catawiki stal. 

maandag 5 mei 2014

Hansop (Woorden die je weinig hoort 2)


Voorzover ik weet, heb ik nooit een hansop gedragen. Mocht dat wel zo zijn, dan werd het toen al niet meer een hansop genoemd. Volgens een woordenboek dat hier in een lesruimte ligt, is een hansop een nachtpakje voor kinderen. Ik denk bij een hansop inderdaad aan zo'n pakje, compleet  met een ontlaadklep die aan de achterkant met twee knopen vastgemaakt kan worden. Ik stel mij voor dat Erik uit Bomans' Erik of het klein insectenboek er zo eentje aan had. In hoofdstuk 5 filosofeert Erik over het gemak van een hansop:
'Een hansop aan te hebben is toch wel gemakkelijk', dacht hij intussen, de gedachte waarmee hij was ingeslapen weer opvattend, 'want men hoeft zich niet aan te kleden ook. Waarom dragen toch niet alle mensen een hansop?'
Het woord 'hansop' kwam ik onlangs tegen in Vrij Nederland. Ik begroette het als een kennis die ik lang niet gezien had. Maar ik fronste ook mijn wenkbrauwen. Hansop was namelijk nogal veranderd. Dat had ik niet in de gaten gehad; blijkbaar had ik al lange tijd geen aandacht voor Hansop gehad.

In Vrij Nederland van 19 april 2014 interviewt Laura Stek Ted Neeley, die we nog kennen uit Jesus Christ Superstar. Ik citeer een stukje uit het begin, waarin ik de hansop vet weergeef:
Mijn overblijfjuf en Ted Neeley waren de eerste liefdes in mijn leven. Mijn overblijfjuf omdat ze lekker rook en bloemetjesrokken droeg, Ted Neeley omdat hij Jezus was. Jezus uit Jesus Christ Superstar, de verfilmde rockopera van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice uit 1973. De gierende gitaren, de hysterische dansjes, de hansoppen, alles sprak me aan. Mijn atheïstische opvoeding stond de bewondering voor Ted Neeley niet in de weg. Zijn hese rockstem en licht loensende ogen waren geloofsoverschrijdend.
Ha, hansop! Maar hansoppen in Jesus Christ Superstar? Dat kan ik me niet voorstellen. Stek zal wel de lange jurken bedoelen waarin Jezus in de discipelen gekleed gaan, vermoed ik. Of droegen ze geen jurken? Het is alweer zoveel jaar geleden dat ik de film zag. Maar misschien heeft 'hansop' intussen een andere betekenis gekregen.

Ik roep Goegje te hulp en ga zoeken op afbeeldingen. Ik vind bij 'hansop' kleding, maar niet vooral kinderkleding. De meneer rechts van deze tekst draagt een hansop, vond ik op verpleegkleding.nl. Het wordt ook een 'plukpak' genoemd. Een raadselachtige benaming. Wordt meneer geacht uit plukken te gaan? Vijf, zes pruimen van een volgeladen boom, bijvoorbeeld? Of draagt meneer dit pak om hem tegen plukken te beschermen? Of kan men juist gemakkelijk plukken aan iemand die zo'n pak draagt? Ik weet het niet.









Als ik wat nauwkeuriger de beschrijving lees, begint het me te dagen. De hansop heeft een deelbare ritssluiting tussen de benen, waardoor 'incontinentie-materiaal' makkelijk te verwisselen is. De extra beveiliging aan de beenritssluiting maakt het voor de patiënt nog lastiger om het pak zelf te openen. Het plukpak verhindert de patiënt dus zichzelf uit te kleden of aan zichzelf te plukken.

Op mantelzorgartikelen.nl vond ik de dame hierboven in een 'hansop'. Ook dat is een pak uit één stuk. Dat heeft een ritssluiting op de rug en in de toelichting staat dat het pak uittrekken van incontinentiemateriaal of kleding voorkomt. Zelfde principe dus. Ergens anders kom ik een dergelijk pak tegen met het synoniem smeerpak. Op cyclopaedia.nl wordt bij 'Nacht- en huiskleding' voor 'hansop' het synoniem 'jumpsuit' gegeven.

Een andere foto leidt mij naar het forum goeievraag.nl. Iemand vraagt hoe zo'n eendelige pyjama voor baby's heet. De tweede die reageert antwoordt:
Dat is een hansop, maar als je in de winkel vraagt om een pyjama voor baby’s, krijg je dit bijna vanzelf.
Die zijn er ook voor volwassenen. Sterker nog: vroeger droegen mannen zulke pyjama’s bijna standaard (of anders een soort lange japon, maar dan voor mannen).
Alles komt terug, en zo ook de hansop voor mannen, Bij voorbeeld bij Zara kan je deze kopen (zie foto), en als je een beetje zoekt vind je zeker nog meer modellen.


In deze bijdrage wordt ook de nachtpon voor mannen genoemd, al wordt er niet bij gezegd dat die dan ook hansop zou heten. Mocht dat zo zijn, dan heeft Laura Stek gelijk met haar 'hansoppen'. Ik zoek verder op internet.

De etymologiebank geeft al treffers voor 'hansop' uit de zeventiende eeuw. Uit de achttiende eeuw (1765) komt de betekenis die in het WNT voorkomt:
zynde een kleed, waarvan het wambuis, de broek en de koussen aan elkanderen vast zyn.
Dat beantwoordt aan het beeld dat ik al in mijn hoofd had. Maar op dezelfde pagina wordt ook verwezen naar het Chronologisch woordenboek van Nicoline van der Sijs. Daarin is een hansop een 'wijd kledingstuk, m.n. als nachtkleding'. Een hansop hoeft dus geen nachtkleding te zijn. Stek krijgt een beetje meer gelijk, ook vanwege de wijdheid van de kleding.

Nog maar een citaat, nu uit een ouder boek: Woorden en uitdrukkingen, van C.H.Ph. Meijer (1919):
Hansop, hanssop, eigenlijk hetzelfde als hansworst, nml. uit hans en sop of soep, evenals in ’t fra. jean potage, hgd.Hanswurst. Om het wijde gewaad, dat de hansworst soms droeg (men denke aan het tegenwoordige clowncostuum uit één stuk) kreeg het nachtgewaad uit één stuk voor kinderen dien naam, zooals omgekeerd de naam paljas voor den persoon ontleend werd aan het kleedingstuk (zie ald.). Eigenaardig is de uitspraak hanssjop; een derg. verwisseling van sen sj vinden we ook in souwen — sjouwen, sorren — sjorren. Zoo hoorde ik een Z.-Holl.-eilander zeggen pasjop! voor pas op! Zoo hoort men ook bij ’t volk sjent en sjerre voor cent en serre.
Dat is weer het eendelige pak. Het woord wordt in verband gebracht met Hanswurst. In Van Dale Etymologisch Woordenboek van Van Veen en Van der Sijs (1997) wordt een nog duidelijker verband met het Duits gelegd: Hans Supp(e). Dat is nog dichter bij ons hansop.

Ik struin nog wat op internet. Bij Geheugen van Nederland kom ik tegen: een 'Meisje in hansop en geknoopte zakdoek op haar hoofd, drinkt uit een kruikje op het strand, plaats niet vermeld 1919.' De foto staat aan het begin van deze bijdrage. En op weblog een klassieke hansop met een 'billensluiting'.


Dat is wat voor mij altijd een hansop is geweest. Volgens mij is dat ook het hansopje dat Annie M.G. Schmidt voor ogen had toen ze 'Flopje wou een nieuw hansopje' schreef. Dat gaat over de Zebra Flopje die zijn streepjesdessin zat is. 
Maar op een zekere dag zei Flopje:
Moeder, mag ik een ander hansopje?
Een met bloemetje, of met een nopje,
of met figuurtjes of andere dingetjes
of met konijntjes of zomaar met kringetjes?
De ouders voelen er niets voor, waarop Flopje aan het rennen gaat. Als hij terugkomt heeft hij een ruiten hansopje aan. Flopje is Schots geworden en wordt vanaf dan Mac Flopje genoemd. 

In De wiskunstenaars van Pieter Langendijk (1730), komt ook een hansop voor. Filipyns kleurige livrei wordt spottend een 'hansop met kleuren' genoemd. In Alles zingt van Pieter Louwerse (1887) vond ik een hansop, in het lied 'Avondpret':
In een hansop of nacht-japon
Is 't nog eens heerlijk spelen:
Want mooie kiel of mooie jurk
Kan ons al gauw vervelen.
In dit lied is 'nacht-japon' niet een synoniem voor 'hansop'. Uit het volgende couplet blijkt dat het jongetje een hansop draagt, het meisje een nacht-japon. Hij hoeft bij het spelen niet meer te letten op zijn kiel, zij niet meer op haar jurk die kan kreuken. In nachtkleding kunnen ze rollebollen wat ze willen. Ook in Droomkoninkje (1924) van Herman Heijermans is de hansop bedoeld voor een jongen.

In het hedendaags komt 'hansop' niet veel meer voor. Op 31 december 2013 werd er nog wel over getwitterd, onder anderen door Sylvia Witteman. Er zijn wel veel onzekerheden over het woord 'hansopje'. Dat is toch iets anders dan een rompertje? Zitten er voeten aan een hansopje?

Na hapsnap Googleonderzoek trek ik de volgende conclusies:
In de medische wereld is de hansop nog volop bekend, daarbuiten wordt het woord nauwelijks meer gebruikt. Het meest komt het woord 'hansop' voor als nachtkleding voor kinderen, waarbij het ding een pakje uit één stuk is. Hier en daar wordt nog verwezen naar een wijd gewaad, maar die verwijzingen zijn in de minderheid.  Ik zou nooit zeggen dat Jezus een hansop heeft gedragen, maar ik ben blij dat Laura Stek het gewaad van Jezus wel zo noemt. Zonder haar opmerking was deze bijdrage er niet geweest.