Posts tonen met het label Zwart en wit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zwart en wit. Alle posts tonen

donderdag 30 januari 2025

Getekend verleden, Strips, stripmakers en kolonialisme (Tom van der Geugten)


Fictie weerspiegelt de tijd waarin die gemaakt wordt. Romans over de Tweede Wereldoorlog die nu geschreven worden zijn bijvoorbeeld heel anders dan die uit 1960. Tom van der Geugten maakte een studie van hoe dat zit bij het beschrijven en vooral tonen van kolonialisme en dan alleen in de strips. Dat is een mooi afgebakend onderwerp. Er zijn natuurlijk strips met mensen van kleur die zich niet afspelen in de koloniën, maar waarbij de verhoudingen wel door het kolonialisme beïnvloed zijn. Er is nog stof genoeg voor verdere studie. 

Het boek dat Van der Geugten uitgebracht heeft, Getekend verleden, heeft de vorm van een hardcoveralbum, met voorop een prachtige tekening van Peter van Dongen, waar de auteur ook dieper op ingaat: de koloniaal met de zweetdruppel op zijn gezicht, duidelijk minder op zijn gemak dan bijvoorbeeld de vrouw op de voorgrond; de bananenschil op de straat waarover hij elk moment uit kan glijden; de reclame voor Java-bier, een product dat geen succes was. 

In de studie legt Van der Geugten uit welke begrippen hij hanteert en wat hij ermee bedoelt en zet hij het onderwerp helder neer. Daarna geeft hij een overzicht van Nederlandse en Indonesische strips over Nederlands-Indië/Indonesië, Belgische over Congo, Franse over Vietnam en Algerije en Duitse over Afrika. 

Uiteindelijk zal er een studie moeten komen waarin niet alleen de strips, maar alle fictie wordt beschouwd, dus ook het proza en de films. Dat is iets voor later. Voor wie erin geïnteresseerd is: luister eens naar De postkoloniale podcast (waarvoor Peter van Dongen ook al een mooie tekening maakte). 

Karikaturen

Bij iedereen zal bij dit onderwerp meteen Kuifje in Congo te binnen schieten (dat later veranderd werd in Kuifje in Afrika) of Sjors en Sjimmie, waarbij in het begin Sjimmie karikaturale trekken had. Die strip is intussen geëvolueerd. In de oude strips wemelde het van karikaturen. 

Als Van der Geugten het heeft over de Franse historicus Philippe Deslisle, komen al die karikaturen langs:

Gekleurde mensen zijn fysiek vaak karikaturen, soms voorgesteld als grote angstige kinderen of bloeddorstige barbaren. Bepaalde figuren komen regelmatig terug: die van de bedrieglijke en wrede Aziaat die de wereld wil domineren, die van de Arabier die plundert, die van de angstige 'inheemse' drager, altijd klaar om verhalen te vertellen, en zelfs die van de zwarte kannibaal, die klaarstaat om witte mensen in zijn pot te koken. Een ander stereotype is de geseksualiseerde karikatuur van Aziatische en Afrikaanse vrouwen die verleidelijk en wellustig worden voorgesteld. 

Dat het kolonialisme vooral met goede bedoelingen gebeurde en dat 'wij' daar toch vooruitgang en beschaving hebben gebracht, was nog lang te horen. Op dit moment lees ik Congo, een geschiedenis (2010) van David van Reybrouck, (ja, nu pas!) en ik kom bij de bespreking daarvan zeker nog op dit soort noties terug. 

Nostalgie

Er is vaak met nostalgie geschreven over de koloniale tijd. Op mijn lijstje om ooit te lezen staat Tempo doeloeh, een omhelzing (2018) van Kester Freriks. Ik kan er niets met zekerheid over zeggen, maar ik vermoed dat Freriks in dit pamflet een plaats opeist voor de nostalgie, maar de vraag is of die wel los verkrijgbaar is en of die niet altijd gekoppeld zal zijn aan het kolonialisme. 

Van der Geugten legt bij de behandeling van de strips over Jimmy van Doren uit hoe subtiel het kan liggen:

De geïdealiseerde waardering voor flora, fauna en uitingen van de inheemse cultuur is onderdeel van de nostalgie naar het koloniale verleden. 

Bij alle koloniën inventariseert Van der Geugten de strips die daarover gemaakt zijn en hij geeft een karakterisering. Dat is wat opsommerig, maar het is noodzakelijk en het is een schat aan informatie voor iedereen die zich met het onderwerp bezig wil houden. 

Nederlandse strips

De strips worden ingedeeld naar de periode waarin de verhalen zich afspelen. Voor de Nederlandse strips: Het oude Indië (1600 - 1800), Nederlands-Indië (1800 - 1942), Oorlog en dekolonisatie (1942 - 1949) en Postkoloniaal Nederland (1945 - heden). Aan het eind van elk hoofdstuk is er een 'Tot besluit', waarin gekeken wordt in welke periode welke strips verschenen en hoe de ontwikkeling daarin was. 

Bij de Nederlandse strips over Indonesië zie je dat die aanvankelijk eurocentrisch zijn, vanaf 1976 worden ze voornamelijk antikoloniaal en vanaf 1994 worden ze multiperspectivisch van aard. Het perspectief van 'de ander' (Indonesiër, Indo, Molukker) krijgt dan meer aandacht. Een voorbeeld daarvan is De terugkeer (Ruud van der Rol, Eric Heuvel, 2010). Als opvallende uitzondering noemt Van der Geugten Gunung Darah (2024) van Peter Nuyten, waarin de Nederlandse agressie in Atjeh vanzelfsprekend en zonder kritiek in beeld is gebracht. 

Van der Geugten heeft niet alleen veel kennis van de strips, maar ook van de geschiedenis. Hij is scherp op details bij een strip waarin het KNIL een grote rol speelt merkt hij op  dat het KNIL inderdaad gebruik maakte van auto's, maar niet in die tijd. Dat zijn correcties die de gemiddelde lezer niet zelf had kunnen maken. 

Over de Indonesische strips wist ik helemaal niets. Die gaan aanvankelijk alleen over helden. Er is censuur in Indonesië en in die tijd werden overleden Indonesiërs nogal eens benoemd tot 'nationale held van Indonesië'. De overheidsvoorschriften hadden grote invloed op het geschiedenisonderwijs en dat zorgde er weer voor dat het voor educatieve uitgeverijen commercieel interessant werd om educatieve series over historische helden te maken. Er is veel aandacht voor gewelddadig verzet tegen de Nederlanders. 

Congo

België en Congo is echt een ander hoofdstuk, waarbij Leopod II een belangrijke rol speelde. Volgens Nicole Braekman verdient Leopold II noch de buitensporige lof voor zijn visie en genie, noch de schaamtevolle reputatie van volkerenmoordenaar, omdat hij weliswaar opdracht voor koloniale expedities gaf, maar nooit de bedoeling had bevolkingsgroepen uit te roeien. Van der Geugten noemt het Belgische (of Leopoldiaanse) kolonialisme 'een van de extreemste uitingsvormen van het kapitalisme'.

Over Kuifje in Congo schrijft Van der Geugten:

In 1971 vertelde de beschaamde tekenaar dat hij in 1930 'behept was met de vooroordelen van het burgerlijk milieu waarin ik verkeerde. Ik wist van het land alleen wat de mensen er toen over vertelden: "De negers zijn grote kinderen", "Gelukkig voor hen zijn wij er", enzovoort. En ik heb de Afrikanen dus naar die normen getekend, in de zuiver paternalistische geest die toen algemeen was in België.' In feite bevestigde Hergé hiermee dat deze strip racistisch was. 

Van der Geugten is ook scherp over enkele andere strips. 

De vliegende aap (Suske en Wiske): 'extreem oriëntalistisch' 'met stereotypen (...) die niet onderdoen voor die van Hergé'. Over Het Congocontract (1990): Het is een sterk staaltje van eurocentrische ongeïnteresseerdheid in Congo. 

De Belgische strips verschijnen vooral na 1980 en na 2010 begint het pas goed op gang te komen met het aantal strips. Dan is het perspectief ook meestal niet meer die van de koloniaal. 

Franse strips

In Frankrijk verschijnen er ook strips over de koloniën. 

Vanaf 1949 voorkwam de Franse censuur op basis van de Wet op publicaties voor jongeren de publicatie van strips over koloniaal geweld. Deze wet verbood het in een gunstig daglicht plaatsen van 'banditisme, liegen, diefstal, luiheid, lafheid, haar, losbandigheid of handelingen die geclassificeerd zijn als misdaden of overtredingen die de jeugd kunnen demoraliseren of kunnen inspireren tot en het bij hen in stand houden van etnische vooroordelen. 

Na 1980 werd die wet minder strikt toegepast, maar in 2005 werd er in een wet vastgelegd dat op scholen 'de positieve rol van de Franse aanwezigheid in het buitenland, met name in Noord-Afrika' moest worden erkend. Daar kwam behoorlijk wat protest tegen en de passage werd in 2006 weer verwijderd.

Duitse strips (maar dat zijn er maar zes) zijn vrijwel alle heel afkeurend over het koloniale verleden. 

Conclusies

Na de deelstudies in de verschillende hoofdstukken komt Van der Geugten tot de conclusies. Wat betreft de publicatietijd kan er geconcludeerd worden dat er pas sinds 1980 redelijk wat strips over dit onderwerp verschenen en vanaf 2010 nog veel meer. Omstreeks 1980 beginnen de strips de eerste tekenen van dekolonisering van de geest te vertonen. 

Qua inhoud zijn opmerkelijke verschillen. Zo zijn er strips over de verovering van Indonesië, Vietnam, Algerije, Namibië, maar niet die van Congo. 

Tom van der Geugten heeft (met zijn studenten, neem ik aan) heel wat werk verzet, waardoor we al een goed beeld krijgen van het beeld dat strips geven van het kolonialisme. Dit boek zal een belangrijk begin zijn voor verdere studie, maar het is niet alleen van belang voor de wetenschap, maar ook voor de gemiddelde striplezer. 

Deze week las ik bijvoorbeeld de integrale heruitgave van enkele verhalen van Ferdy Lombard van de stripmaker Yves Chaland. Ik merkte dat mij meteen in enkele verhalen het eurocentrisme opviel. De karikaturale tekening van Afrikanen had ik anders waarschijnlijk ook wel genoteerd, maar had ik zonder lezing van Getekend verleden oog gehad voor het feit dat de Afrikaanse personages nauwelijks meer zijn dan decor? Wellicht niet.  

Aan het eind van Getekend verleden is een lijst opgenomen van de strips die onderzocht zijn, van de achtergrondliteratuur en er is een mooi personenregister. Handig en gewoon ook zoals het hoort. Netjes gedaan door Van der Geugten. Ik neem aan dat dit voor hem geen eindpunt is en dat hij verder gaat met de studie. Ik ben benieuwd naar wat hij verder nog ontdekt. 


Eerder plaatste ik wat bijdragen over de verhoudingen tussen witte mensen en mensen van kleur. Die vind je hier.

Het zijn onder meer bijdragen naar aanleiding van jeugdboeken als:


maandag 12 februari 2018

Hallo witte mensen (Anousha Nzume)


Het sinterklaasfeest ligt alweer een tijdje achter ons, maar iedereen herinnert zich nog de felle discussies over zwarte, roetvegen- en regenboogpieten. De emoties lopen al een paar jaar hoog op, bij beide partijen. Ook als er geen Piet te bekennen is, zijn er discussies waarin zwart en wit perspectief richtinggevend zijn: wat doen we met standbeelden van mensen die in het verleden als helden werden gezien en nu niet meer? Noem je iemand wit of blank? Moeten musea gedekolinseerd worden?

Alles wat met wit en zwart te maken heeft, staat in de belangstelling en dat lijkt me alleen maar goed. Laat er maar over gepraat worden. Vanaf 2011 heb ik op deze plaats af en toe een duit in het zakje gedaan. Door een column of door te schrijven over jeugdboeken als Toen de Amboneesjes kwamen en De wonderlijke avonturen van Meelmuts en Roetkop, maar ook over Bob in China. Intussen heb ik ook Hallo witte mensen van Anousha Nzume gelezen.

Het boekje van Nzume heeft afgelopen jaar veel aandacht gekregen, waarvan veel mij vervolgens  ontgaan is. Pas zeer onlangs hoorde ik dat er zelfs een tegenboekje (Hallo zwarte mensen!) geschreven is. Ik hoorde al wel meteen het interview met Nzume bij Nooit meer slapen. Dat was een ongemakkelijk gesprek. Voor de interviewer heb ik gewoonlijk veel waardering, maar deze keer zat blijkbaar zijn ergernis hem in de weg.

Toen ik het boekje van Nzume kocht, verwachtte ik wat te kunnen leren van Hallo witte mensen. En ook verwachtte ik dat het me tegen de haren in zou strijken. Met dat laatste is het eigenlijk wel meegevallen. Nou ja, Nzume spreekt de lezer vaak aan met 'lieve witte mensen', terwijl je niet het idee krijgt dat ze jou als lezer zo lief vindt. Van mij had ze me ook wel neutraler mogen aanspreken, al vind ik het niet zo'n belangrijk punt.

Veel mensen voelen zich aangevallen door Nzume, heb ik begrepen. Dat mag -we leven in een vrij land- maar ze doet juist keer op keer erg haar best om mensen niet persoonlijk iets kwalijk te nemen. Eerder probeert ze uit te leggen hoe het zit met institutioneel racisme: er zijn mechanismen in onze maatschappij die het op sommige vlakken per definitie voor zwarte mensen of mensen van kleur lastiger maken. Het gaat niet om de schuld van individuën, maar om hoe dingen werken in onze samenleving. Natuurlijk wisten we dat al, maar Nzume legt het duidelijk uit en dwingt ons daar ook naar te kijken en dus ook te kijken naar onze eigen positie daarin.

Je hebt als witte mens de neiging om te kijken naar onze maatschappij als een wereldje waarin alles goed geregeld is en ieders rechten gewaarborgd zijn, omdat je het als zodanig ervaart. Ik leef in ieder geval in de luxe positie dat ik bijna nooit na hoef te denken over mijn kleur, zoals ik ook niet na hoef te denken over mijn geslacht, dat ik geloof ik 'gender' behoor te noemen. Nzume vraagt ons om vanzelfsprekendheden te bevragen, na te denken over hoe onze maatschappij zal zijn voor mensen met een andere achtergrond dan de onze.

Hoofdstuk voor hoofdstuk neemt Nzume de lezer mee. Daarbij moet ze wel generaliseren.  Als ze het heeft over 'witheid', moet ze wel veel op een hoop vegen. Dat is niet zo erg, vind ik. Maar ze kan natuurlijk de jij-bak verwachten dat voor haar alle witten hetzelfde zijn. Dat klopt overigens niet als je het boek nauwkeurig leest.

Natuurlijk is er een apart hoofdstuk over Zwarte Piet. Daar is niet zoveel nieuws meer over te zeggen. De standpunten zijn ingenomen en verder zal, neem ik aan, de tijd zijn werk moeten doen. Over tien jaar zal de roetvegenpiet meer voorkomen dan de zwarte.

Bij het laatste hoofdstuk, over culturele toe-eigening, kon ik de gedachtegang van Nzume niet delen. Ze noemt als voorbeeld een hipstertent die döner gaat verkopen met poespas eromheen. Dat mag niet, want döner komt oorspronkelijk ergens anders vandaan. Bovendien stoot je de authentieke dönerverkoper het brood uit de mond. Volgens Nzume, althans.

Ik blijk blind te zijn voor het probleem. Ik weet ook wel dat bijvoorbeeld de worksongs een verre voorganger vormen van de huidige jazz, maar ik heb geen bezwaar tegen witte jazzmusici. Miles Davis en Chet Baker kunnen naast elkaar bestaan, lijkt me. En pizza hoef ik niet per se bij een Italiaan te eten.

In het debat over zwart en wit luistert het taalgebruik nauw. Je zegt niet 'blank' maar 'wit'. Ik weet niet of het veel uitmaakt. In Zuid-Afrika werd er ook tijdens de Apartheid al over 'witmensen' gesproken, bijvoorbeeld. Ik vind het trouwens prima; als iemand er last van heeft dat ik 'blank' zeg, wil ik best 'wit' zeggen. Zo'n grote moeite is dat nu ook weer niet.

Spreken over 'tot slaaf gemaakten' in plaats van over 'slaven' vind ik al wat onhandiger. John Jansen van Galen trok in een column voor het radioprogramma OVT een vergelijking met 'scholieren'/'tot scholier gemaakten'. We spreken ook van 'krijgsgevangenen' al snappen we wel dat ze tot krijgsgevangene gemaakt zijn. Mij lijkt het niet zo'n wezenlijk punt.

Ook heb ik moeten wennen aan de uitdrukking 'mensen van kleur'. Veel termen in het debat zijn letterlijk vertaald uit het Engels en misschien verklaart dat de vreemde term. We kenden natuurlijk wel het onderscheid van iets met of zonder kleur, maar 'van kleur' kwam vroeger niet voor in het Nederlands. Je kon 'van'. gebruiken bij een materiaal ('van plastic', 'van goud') of bij herkomst ('van Afrika', 'van Amsterdam') maar niet bij kleur. De uitdrukking ging een tijdlang tegen mijn taalgevoel in. Iets of iemand had kleur, vond ik, maar kon niet van kleur zijn. Maar we spreken ook van 'een politicus van formaat' en dat lijkt me een soortgelijke constructie. Het zal wel een kwestie van wennen zijn.

Wat Nzume me duidelijk gemaakt heeft, is dat dingen ingewikkeld liggen. Dat het te gemakkelijk is om van iets wat je niet als probleem ervaart te verklaren dat het dus geen probleem is. Het lijkt me daarom goed om te luisteren en te observeren. Naar wat er omgaat in de maatschappij, in de ander (al of niet van kleur), in jezelf. Zo gauw we in de verdediging schieten, is het gesprek voorbij en dan schieten we niet op. Zoveel mogelijk geluk lijkt me belangrijker dan gelijkkringen.

En laten we ook blijven lezen. Op mijn lijstje van boeken die ik wil aanschaffen staan zowel Witte onschuld van Gloria Wekker als Het zwartwitdenken voorbij van Piet Emmer. Het kan even duren voor ik eraan toe kom. Als het zover is, zal ik er in ieder geval over schrijven.

maandag 10 juli 2017

Oki en Doki bij de negers (Zwart en wit 12)


Mijn oude moeder vertelde me een van haar herinneringen aan haar lagereschooltijd. Het zal vlak na de Tweede Wereldoorlog geweest zijn. Negen was ze, misschien tien. 'Op een dag kwam er een grote neger op school. Hij was pekzwart. Hij zette een emmer water op zijn hoofd en daarmee liep hij heel hard om de banken heen. Ik had nog nooit zoiets gezien. Het was de eerste keer dat ik een neger zag.' Ik vertel haar dat we het woord 'neger' niet meer gebruiken. 'Maar hij was toch een neger?' zegt ze.

Ik heb mijn moeder nog nooit betrapt op discriminatie op grond van etnische afkomst, ik heb haar nooit iets vervelends over andere bevolkingsgroepen horen zeggen. Maar het woord 'neger' gebruikt ze onbekommerd.

Er is een tijd geweest dat het heel gebruikelijk was 'neger' te gebruiken in een zin. Je kon het ook gebruiken in een titel van een kinderboek. Een neger in het dorp, bijvoorbeeld of Dagoe, de kleine bosneger, of De wonderlijke avonturen van Meelmuts en Roetkop. En onlangs stond ik in mijn hand met Oki en Doki bij de negers, zevenentwintigste druk, copyright 1979.

De titel was al een modernisering. Toen het boekje in 1957 op de markt kwam, heette het Oki en Doki bij de nikkers. Zie hier. Volgens het artikel op historiek.net werd 'begin jaren zeventig' in de titel het woord 'nikkers' vervangen door 'negers'. Dat zal in het boekje ook wel gebeurd zijn. Blijkbaar had in die tijd 'nikker' al een negatieve gevoelswaarde, 'neger' nog niet.

De redacteur die de veranderingen aanbracht, zag wel een zinnetje over het hoofd. In de druk die ik heb, staat nog steeds 'De bootjes van de nikkers zijn terug naar het eiland.' Die is er blijkbaar doorheen geglipt.

Oki en Doki zijn (in dit deel tenminste) twee 'matroosjes'. Het schip waarop zij meevaren komt langs een 'negereiland'. De bewoners van het eiland verkopen dadels, kokosnoten en olienoten. 'En ook mooie mandjes en bakjes, die ze zelf van riet maken. Daar zitten lekkere vijgen in.'

De beide matroosjes zijn bang dat het schip de kleine bootjes van de handelaars omver zal varen. Ze tonen zich bezorgd, maar dat blijkt niet nodig: 'De negers lachen en ze laten hun witte tanden zien.'

De bemanning mag niet aan wal, want 'De negers zijn niet altijd aardig', vertelt de kapitein. Oki en Doki negeren het verbod en gaan 's nachts toch aan wal, om te jagen op leeuwen. Dat loopt slecht af. Ze worden gevangengenomen. Het opperhoofd heeft al een plannetje met hen: 'Aha, dat dikke kereltje zal fijn smaken, denkt hij.' Oki en Doki worden elk in een kookpot gestopt.
Er staan twee grote, sterke negers bij elke kookpot.
Die zorgen ervoor, dat Oki en Doki er niet uit kunnen.
De twee vriendjes hebben dat al een paar keer geprobeerd.
Maar telkens als ze eruit willen, kijken de grote negers heel boos.
"Help, help!" roepen ze angstig.
De negers dansen wild om hen heen.
Het opperhoofd kijkt lachend toe.
"Fijn, een paar witte mensen," zegt hij steeds. "Dat is lang geleden."
Uiteindelijk komt het allemaal goed: de hond Flap slaat alarm en kapitein Paf ontzet de matrozen. Aan het eind is iedereen vrolijk en opgelucht.

 De eilandbewoners worden op een stereotiepe manier beschreven. Als het gaat over hun handel, klinkt het allemaal redelijk neutraal. Maar later in het verhaal blijken het wilden te zijn, die het liefst witte mensen oppeuzelen. Ze lachen en dansen.

Blijkbaar werd het indertijd niet als aanstootgevend gezien. Nu wel, in brede lagen van de bevolking. Waarschijnlijk roept het boekje nu niet alleen weerstand op door de tekst, maar ook door de tekeningen van Carol Voges.

Onlangs was er reuring omtrent het album Mami Wata van Suske en Wiske, vooral omdat een van de zwarte personages werd afgebeeld met buitenproportineel grote lippen. Voges gaat nog weel verder: de lippen lopen bijna door tot de oren op sommige plaatjes.

Carol Voges kende ik als kind uit de Sjors, waarin ik graag de strip Dinkie las, die met Opa mooie avonturen beleefde. Een ander heeft wellicht meer herinneringen aan de avonturen van Pa Pinkelman, geschreven door Godfried Bomans, geïllustreerd door Voges.

De karikaturale tekeningen van Voges in Oki en Doki bij de negers stuiten ons nu tegen de borst. Indertijd zijn ze misschien alleen als grappig gezien. De meeste mensen in Nederland waren wit en men was gewend alles door de witte bril te zien. In die tijd was een gebrekkig pratende Sjimmie in de Sjors evenmin een probleem als menseneters in Oki en Doki.

In 1982 (ja, dan pas) was het woord 'neger' blijkbaar niet meer acceptabel voor op een kinderboek: de titel werd voor de tweede keer veranderd, nu in Oki en Doki op een eiland. Op de voorkant komen geen zwarte mensen en kookpotten meer voor. Of er verder iets aan de inhoud veranderd is, is mij niet bekend, noch of de tekeningen binnenin aangepast zijn.

Als kind heb ik Oki en Doki niet gelezen, voor zover ik mij herinner. Mogelijk bezat een neef de boekjes. Hij is vier jaar jonger dan ik en had indertijd ook deeltjes uit de series Pietje Puk en Bakkertje Deeg. Als ik de boekjes in de jaren zestig of zeventig wel gelezen had, had ik er waarschijnlijk geen kwaad in gezien. Ik las ook de boeken van Penning over de Boerenoorlog. Ik vermoed dat ik die niet meer kan herlezen zonder me ongemakkelijk te voelen.  Als ik er mijn moeder naar vraag, zal ze er ongetwijfeld vol weemoed en met genoegen over vertellen.

dinsdag 2 mei 2017

Toen de Amboneesjes kwamen (Zwart en wit 11)


Het woord was ik bijna vergeten: Ambonees. Vroeger gebruikten we het wel. Op mijn middelbare school zaten enkele 'Ambonezen'. Misschien kwamen ze uit Opheusden, waar een grote Molukse gemeenschap was en wellicht nog is. De woorden 'Moluks' en 'Molukker' heb ik waarschijnlijk voor het eerst gehoord bij de treinkapingen in de jaren zeventig. Wellicht is dat ook het moment geweest waarop het woord 'Molukker' het woord 'Ambonees' heeft vervangen.

Op een rommelmarkt zag ik een kinderboek waarvan de titel mij meteen opviel: Toen de Amboneesjes kwamen, geschreven door H. Hoogeveen en gepubliceerd in 1954. Van die schrijver las ik eerder Het jonge boerenknechtje, een boek dat stamt uit de jeugd van mijn vader. 

Hier lees ik dat Hoogeveen hoofd ener school was. Toen de Amboneesjes kwamen is gebaseerd op de ervaringen van de schrijver op wiens school Molukse leerlingen kwamen. 

Hoofdpersonen in het jeugdboek zijn Harm en zijn overbuurmeisje Gellie. Ze gaan samen naar school en spelen met elkaar na schooltijd. Als Gellie moet nablijven, wacht Harm op haar, totdat hij samen met haar naar huis kan lopen. Andere vrienden hebben ze niet. Maar dan komen er nieuwe kinderen op school: 'Amboneesjes'. 

Het is ongetwijfeld de bedoeling van de schrijver om de nieuwe kinderen positief te tekenen. Orpa, die vriendin wordt met Gellie, kan kaatseballen met drie ballen en daar kijkt Gellie met bewondering naar en haar broertje Daniël kan harder lopen dan Harm, al heeft Harm als excuus dat hij op klompen loopt. 

Toch is de manier waarop ze beschreven worden in hedendaagse ogen gênant. 
De volgende morgen, even voor negen, stopt er een bus voor de school. En zie nu eens wie er uit komen. Allemaal.... bruine kinderen! Bijna zwart zijn ze. Zo donker. 
Aan het uitroepteken is te zien hoezeer de kinderen zich verwonderen over de nieuwe leerlingen. 
Och, och wat zijn dat toch wonderlijke kinderen. Gitzwart haar, donkere ogen, nog nooit heeft ze (= Gellie T.B.) zulke vreemde kinderen gezien. 
Gellie hoopt dat een van de nieuwe leerlingen naast haar komt te zitten:
Zo'n bruin meisje bij haar in de bank, dat zou prachtig zijn! Wie weet.... 
Er komen vier nieuwe leerlingen bij Harm en Gellie in de klas: een jongen en drie meisjes.
Allemaal leuke, donkere snoetjes. Het ene meisje heeft kleine, fijne krulletjes in het haar en een ander.... o nee, Gellie hoopt niet, dat díe naast haar komt zitten. Die kijkt zo zwart, net of ze vreselijk boos is. Gellie wordt er haast bang van. 
De uiterlijke kenmerken ('koolzwarte ogen', 'hagelwitte tanden') worden nogal benadrukt. Al eerder  (in Een bruine jongen ) kwamen we de associatie tegen van een donkerder huidskleur met onreinheid. In Een bruine jongen is het de bruine jongen zelfs die zorgvuldig zijn handen gaat wassen. Die associatie komt ook in dit boek voor.

Gellie, die later vriendinnetjes zal worden met Orpa, observeert haar:
Gellie schuift een beetje op zij. Ze vindt het ook nog wat griezelig om naast zo'n bruin meisje te zitten. Kijk eens, hoe zwart die handen en vingers zijn. Net of het zich nooit heeft gewassen. En de neus en de oren, alles is even donker. Het meisje vindt het zelf vast ook erg, want het heeft haar hoofd diep tussen de schouders getrokken en zit verlegen voor zich heen te staren. 
De vanzelfsprekendheid van het 'witte' perspectief is, gezien de tijd waarin het boek geschreven werd, wellicht nog wel te verklaren. Maar je voelt hier ook de superioriteit waarmee Gellie naar 'zo'n zwartje' kijkt.

Er is niet alleen een associatie met 'ongewassen', maar ook met 'wild'. Gellie is bang dat Orpa haar zal aanvliegen en haar in de neus zal bijten. Een wonderlijke gedachte.

Gellie heeft wel eerder plaatjes van zwarte mensen gezien, in een verhaal over de zending.
Maar dat zijn heidenen. Die kennen de Here Jezus niet. Of zou.... Gellie kijkt met schrik het Ambonese meisje aan. Is dit misschien ook een heiden?
 De gevoelens van superioriteit zijn misschien mede daardoor te verklaren. De arme heidenen zien nog niet in dat ze niet het juiste geloof hebben. Later in het verhaal zal blijken dat Orpa en Daniël niet voor niets Bijbelse namen hebben. Ze zijn wel degelijk christelijk en ze hebben een broertje dat David heet, ook al zo'n held uit de Bijbel.

Gellie en Orpa sluiten vriendschap.
Dan lacht het zwartje. Werkelijk, het lacht! Gellie krijgt er haast een schokje van. Wat heeft het toch mooie, witte tanden!
'Het zwartje' is nu duidelijk denigrerend. Hier wordt het alleen maar erger gemaakt door dat 'het', dat Orpa bijna tot een ding maakt. Taalkundig klopt het allemaal, maar het klinkt beledigend.

De schrijver ziet zijn beschrijving van de nieuwe leerlingen duidelijk niet als problematisch. Hij doet er alles aan om de kinderen positief te tekenen. Orpa blijkt erg goed te kunnen leren, tegen de verwachting van Gellie in.
Zou ze erg goed kunnen leren? Dat had Gellie niet van zo'n bruin kind verwacht. Waaròm - och, dat weet ze eigenlijk niet goed. Ze dacht maar dat zulke kinderen veel dommer waren dan blanke. Maar nu ziet ze wel anders. Hoe ze haar best ook doet, ze krijgt de kans niet om Orpa die morgen in te halen. 
Gellie wordt geconfronteerd met haar eigen vooroordelen. Blijkbaar is de schrijver zich daarvan bewust. Toch wordt Orpa vooral stereotiep beschreven.

De vader van Gellie laat zich positief uit over de Molukkers:
Ze behoren tot een volk, dat veel voor ons land heeft gedaan. Het is trouw aan onze Koningin. Het is ook een christenvolk. Elk volk, dat in nood verkeert, moeten wij helepen. En dit volk in 't bijzonder. Daar heeft het recht op.  
Naast de nieuwe leerlingen speelt de vriendschap tussen Gellie en Harm een rol. Daar komt een kink in, doordat Gellie alleen oog heeft voor haar nieuwe vriendinnetje. Harm sluit daarop vriendschap met Daniël, Orpa's broer. Pas als ze met zijn vieren gaan spelen in het kamp van de Molukkers wordt iedereen (weer) bevriend met iedereen.

Toen de Amboneesjes kwamen is een uitgave van de christelijke uitgever Callenbach. Het geloof komt dus ook nog om de hoek kijken. Gellie realiseert zich dat Orpa en Daniël christenen zijn. En dan schieten haar 'opeens' een paar regels te binnen:
Een plaatsje in Zijn hart
Heeft elk kind, blank bruin en zwart.
Het is de vraag of de christelijke lezers de boodschap krachtig genoeg vonden. Bij Het jonge boerenknechtje was het oordeel indertijd niet mis:
De strekking is op zichzelf niet slecht. Auke zoekt kracht in het gebed. Maar het godsdienstig karakter heeft geen gehalte genoeg. Niet het woord Gods, maar een plaat, bij het verlaten van de school ontvangen, met de spreuk „Leven is strijden" bemoedigt Auke. We lezen zoo weinig van zonde en schuld. Wel wordt daarvan niet gezwegen, maar het geheel is te slap. Er zit naar ons oordeel geen pit genoeg in. Daarom is onze conclusie: matig aanbevolen. (Bron: zie hier).
Toen de Amboneesjes kwamen is een boek uit de christelijke hoek, waarvan de goede bedoelingen duidelijk zijn, maar het heeft in hedendaagse ogen duidelijk stereotyperende en daardoor wellicht racistische aspecten. Alleen de titel al kun je tegenwoordig niet meer gebruiken door dat verkleinwoord 'Amboneesjes'. Laten het er maar op houden dat dit jeugdboek ons een tijdsbeeld geeft.

vrijdag 24 oktober 2014

Zwarte Piet en verdraagzaamheid


Vorige week zag ik op Facebook een afbeelding van een traditionele Zwarte Piet. Op de foto was een tekst geplaatst: ‘Zo ziet onze Zwarte Piet eruit. Problemen ermee? Paspoort inleveren en wegwezen!’

Het is duidelijk een bericht van iemand die niets moet hebben van een Regenboogpiet of van een Piet met zwarte vegen op zijn wangen. Het moet de ouderwetse Pieterman zijn: met een zwartgemaakte huid, rode lippen en een zwarte krullenpruik.

Degene die de tekst geschreven heeft, duldt geen tegenspraak; hij wil niet met je in discussie. Hij is bereid de vrijheid van meningsuiting in te leveren voor de Pietenkwestie. Wie het niet met hem eens is, mag dat niet zeggen. Hij mag alleen maar zijn paspoort inleveren en maken dat hij wegkomt. De grens over, denk ik.

Van een Zwarte Piet naar een Piet met zwarte vegen is niet zo’n grote verandering. Waarom reageren de verdedigers van de oude Zwarte Piet dan zo fel?

Die woede zal wel voortkomen uit angst. We leven in economisch onzekere tijden, waarin veel mensen vasthouden aan hun zekerheden. En ze voelen zich bedreigd als iemand aan die zekerheden komt.

Voor velen is het geloof een zekerheid, en blijkbaar kan dat ook het geloof in Sinterklaas zijn. Zoals er mensen zijn die niet meer in God geloven, maar met Kerst nog wel naar de kerk gaan, uit een soort nostalgie, zo zijn er ook mensen die niet meer in Sinterklaas geloven, maar nog wel vasthouden aan de riten die horen bij dat geloof.

Het vreemde is alleen dat juist Zwarte Piet nu zo belangrijk gemaakt wordt. In de loop der jaren is er immers al heel wat veranderd aan het sinterklaasfeest. Het dreigen met de roe in je schoen is verdwenen, het gevaar dat je in de zak moet en mee moet naar Spanje is er niet meer, Sinterklaas heeft geen kruis meer op zijn mijter en hij komt ook niet meer aanvaren op een stoomboot. Geen kind heeft er minder hard om gezongen.

Zo gaat dat immers: tradities veranderen. In mijn jeugd kende ik geen enkel gezin dat met Kerstmis aan cadeautjes deed - over dat gebruik las ik alleen in de Donald Duck. Nu liggen er in een groot deel van de gezinnen pakjes onder de kerstboom. Ooit hoorden er in die boom trouwens kaarsjes; nu doet niemand meer moeilijk over de lampjes.

Over tien jaar is de Roetveegpiet net zo gewoon als de lampjes in de kerstboom. Er zullen nog steeds mensen zijn die met nostalgie terugdenken aan de druipende kaarsen en aan de Zwarte Piet, maar niemand zeurt er nog over.

Maar nu is het nog niet zo ver. De komende paar jaren zullen voorstanders en tegenstanders van verandering nog met de ruggen naar elkaar toe staan. Ik hoop van harte dat Sinterklaas dit jaar bij beide groepen een groot cadeau in de schoen doet: verdraagzaamheid.

zondag 22 april 2012

De Marokkaansche reis (Zwart en wit 10)


Eigenlijk wist ik niet goed wat ik moest verwachten van De Marokkaansche reis van C.F.  van Dam: de schrijver kende ik niet, het boek ook niet. Van de uitgever had ik wel gehoord, maar ik zou geen drie boeken kunnen noemen die erdoor uitgegeven zijn.

Al kwoekelend op het net kwam ik weing verder. DBNL kon mij over de auteur alleen vertellen dat hij in negentiende eeuw geboren was en in de twintigste gestorven. Naast het boek dat ik gelezen heb wordt alleen Fred Donders onder de Arabieren genoemd.

Bij De Marokkaansche reis vond ik verschillende jaartallen, waaronder 1933, dat ik ook op andere sites terugvond. Maar uitgeverij Gottmer werd pas in 1938 opgericht, voor zover ik weet. Het boek zou eerder uitgegeven kunnen zijn en later als herdruk door Gottmer op de markt gebracht.

Het verhaal vond ik niet zo heel boeiend. Het gaat over twee vriendjes, Peer en Fred. Die Fred is Fred Donders, die blijkbaar ook al naar de Arabieren is geweest. Nu mag hij met Peer en zijn vader naar Marokko. Veel wordt er verteld over de voorbereidingen en over de reis naar Marokko.

Illustratie van Is. van Mens
Als de jongens daar eenmaal zijn, maken ze verschillende uitstapjes. Dat is als verhaal niet zo boeiend, maar als je iets over Marokko wilt weten, krijg je nog aardig wat informatie. Aan het eind is het nog even spannend: een 'ontvoering', maar door ingrijpen van het Vreemdelingenlegioen wordt voorkomen dat die ernstige gevolgen heeft.

Ik ben het boek gaan lezen, omdat ik wel eens wilde weten hoe voor de Tweede Wereldoorlog Marokkanen beschreven werden in een Nederlands jeugdboek. Tegen racisme wordt al snel stelling genomen:
'Zoo'n autobus neemt wel veertig passagiers op... En dan moet je daaar eens goed op letten: naast den chauffeur zijn nog drie plaatsen, daar zitten Europeanen, evenals op de tweede bank; op de volgende banken de Arabieren... En op de achterste banken de Marokkaansche joden. Een echt schandelijke toestand om verschil te maken tusschen blank en bruin. Het is een verdwaasde wereld. Alsof die andere geen menschen zijn. De Europeanen, in dit geval de Franschen, maar de Amerikanen en Engelschen zijn nog erger, drukken de Arabieren achteruit. Het is kleinzielig en belachelijk, van die intelligente, zich zelf zoo superieur vindende Europeanen: die mochten toch eindelijk wel eens wijzer worden.
Fred was al in Tunis geweest, maar Marokko is heel anders, krijgt hij te horen:
De Arabieren in Tunis zijn veel vredelievender en, ik zou haast zeggen, schooner dan in in Marokko. Marokko is in het geheel een beetje viezer, het landschap woester en in Zuid-Marokko geven de opstandige Arabieren den Franschen zelfs handen vol werk.
De beschrijving van de mensen die Fred en Peer zien, zouden we tegenwoordig op zijn minst dubieus noemen Eerst ontmoeten ze 'Een neger, geheel opgebouwd van chocoladeflikken' en even verder wordt hij beschreven als 'de chocolade-reclame'.

De stoker van een stoomschip blijkt zwart te zijn. Voor het zware werk worden vaak 'negerkrachten' gebruikt legt de vader van Peer uit. Daarna volgt dit gesprek:
'Waarom negers... Zijn die dan te stom om andere vakken te leeren?'
'Neen, stom zijn ze zeker niet. Dat bewijzen de [woord weggevallen? T.B.] tegenwoordig wel. Er zijn heel wat gestudeerde negers, maar je moet niet vergeten dat de slavernij, toen de negers geen schijntje van een kans kregen om te leeren om of iets anders te doen dan de meester beval, nog niet zo heel lang geleden is afgeschaft.'
'Ik heb toch wel eens gelezen,'zei Fred, 'dat negers niet heel erg goochem zijn.'
'Sommigen zeker niet... Maar in elk geval zijn zij heel sterk... Trouwens, er zijn wel stomme blanken...
Prompt daaarna wordt er een verhaal verteld over 'negeronnoozelheid, - stomheid mag je het eigenlijk niet noemen'. Peers vader weet nog meer verhalen, maar die zal hij later vertellen. Dat doet hij dan ook, bijvoorbeeld over Sebastiaan, 'een neger als een knotwilg. Niettegenstaande zijn belangrijke functie kon hij nog maar geen wol en leer aan zijn voeten velen, en liep als alle negers in de plaats op bloote onderdanen.' Later wordt hij aangesproken door 'een even erdal-achtige broeder'. Voor de jonge lezertjes: Erdal is een schoensmeermerk.

Dat zwarte mensen sterker zijn dan witte, komt ook nog een keer terug in het boek: 'Zijn patient was in een rustigen slaap geraakt: zoo'n sterk negerlijf kon wel tegen een beetje bloedverlies.'

Over het algemeen komen de Arabieren er wel wat beter van af. Als er een Arabier beschuldigd wordt, keurt de vader van Peer dat af: 'Maar er zal wel weer iets niet geheel in orde zijn, en dan krijgt maar direct een Arabier de schuld'. Fred zegt daarop: 'Het is een schande'. Wel wordt een Arabische gids een 'bruine boon' genoemd.

En hoe gaan Arabieren met vrouwen om?
Maar achter het paard liep, zich vasthouden[d] aan den staart, een Arabische vrouw te sjokken door het zand. Haar gezicht was met een sluier bedekt.
'Ja, mijn jongen, aan zulke dingen moet je je niet ergeren. Dit is bij sommige Arabieren de gewoonte, de vrouw is niet in tel... Dan zal je nog wel erger dingen zien...'
Let op de nuance: sommige Arabieren.

De Marokkaansche reis zal wel bedoeld zijn om de jonge lezers te informeren over een land en een cultuur die zij niet kennen. Het zou me niet verbazen als C.F. van Dam zelf in Marokko is geweest. Hij vertelt erover met enige humor, van tijd tot tijd en hij zal ook niet de bedoeling hebben gehad om Marokkanen negatief te schetsen.

Op verschillende plaatsen in het boek worden Arabieren nadrukkelijk verdedigd. Zwarte mensen zijn bijvoorbaat sterk en hun uiterlijk wordt weinig vleiend beschrevend. Ongetwijfeld is dat humoristisch bedoeld.

De Marokkaansche reis zal niet meer herdrukt boeken. Niet alleen is het verhaal domweg niet goed genoeg, maar de manier waarop de niet-Europeanen van tijd tot tijd beschreven worden, lijkt me dubieus.

Illustratie Is. van Mens







zondag 25 maart 2012

Sjors en Sjimmie bij de baanbrekers (Zwart en wit 9)


In 1963 kon ik waarschijnlijk nog net niet lezen. Ik ben niet naar de kleuterschool gegaan, maar mijn moeder leerde mij thuis lezen uit het boekje Leer lezen in een wip. Toen ik naar de lagere school ging, las ik. Althans, zo herinner ik het me. Toen het boek Sjors en Sjimmie bij de baanbrekers uitkwam, heb ik het dan ook niet meteen gelezen.

De boeken van Sjors en Sjimmie zou ik later zien bij mijn vriendje Joekie Bil, die eigenlijk anders heette, maar volgens mij noemde ik hem altijd Joekie. Daar had men een abonnement op het weekblad Sjors en ook de dikke stripboeken las ik daar.

Nu ik het boek van Sjors en Sjimmie teruggelezen heb, is me de fraaie inkleuring, met mooie heldere kleuren, opgevallen en de strakke tekenstijl van Frans Piët. Maar Sjimmie is wel een andere Sjimmie dan die uit bijvoorbeeld 1975.

Allereerst valt het uiterlijk van Sjimmie op: hij heeft werkelijk gigantische lippen, van zijn neus tot zijn kin en zo'n beetje over heel zijn wangen. De lippen zijn felrood gekleurd. Zijn huid is niet bruin, of donker, maar egaal zwart.  In zijn oren draagt hij gouden ringen.

Het is duidelijk dat Sjimmie wordt getekend als een exoot. Waarschijnlijk is hij niet karikaturaler bedoeld dan de andere personages, maar voor ons gevoel is hij dat zeker. Dat wordt nog benadrukt door het kromme taaltje dat Sjimmie spreekt. De vervoeging van de werkwoorden beheerst Sjimmie bijvoorbeeld niet. Hij gebruikt als persoonsvorm het liefst het onvervoegde werkwoord, aan het eind van de zin. Bijvoorbeeld: 'Sjimmie vet in haar doen. Sjimmie lekker ruiken.' Of: 'Wij hetzelfde gedaan zouden hebben'. Hij is daar trouwens ook weer niet consequent in: 'Sjors groot stierenvechter is en hard lopen kan', zegt Sjimmie ergens en niet 'Sjors groot stierenvechter zijn'. Zelfs roept hij een keer geschrokken uit: 'Jacob ontsnapt!'


De kromspraak van Sjimmie benadrukt, voor mijn gevoel, in ieder geval, zijn minderwaardigheid. Misschien moet het taaltje vertedering oproepen; we moeten Sjimmie schattig vinden. Hij is ongetwijfeld sympathiek, maar altijd is Sjors de grote held, zoals Robin het nooit haalt bij Batman.

De Sjimmie van 1963 zouden we in 2012 niet meer accepteren.

maandag 20 februari 2012

De wonderlijke reizen van Meelmuts en Roetkop (Zwart en wit 8)


Als er in een boek een personage voorkomt dat Roetkop heet, dan zal dat wel een racistisch boek zijn of op zijn minst een boek dat past in een tijd waarin er neergekeken werd op mensen die niet blank waren. Dacht ik.  Maar De wonderlijke avonturen van Meelmuts en Roetkop (1923?) blijkt een kinderboek te zijn waarin huidkleur eigenlijk geen rol speelt.

Na een schipbreuk ontmoet het koksmaatje Meelmuts het jongetje Roetkop. Die naam leek me niet zo prettig. Om te beginnen vanwege het woord 'kop', dat je meestal tegenkomt in weinig vleiende woorden als 'kaaskop', 'dikkop' en 'kopvoddentaks' en verder natuurlijk dat 'roet', dat de kleur aangeeft. Begin vorige eeuw stoorden mensen zich er blijkbaar niet aan, want anders had de schrijver wel een andere titel gekozen.

Wie die schrijver is, is niet zo duidelijk. Als schrijver van de gedichtjes wordt alleen 'Max' vermeld, de plaatjes zijn van Roland, die elders op het wereldwijde web O. Roland wordt genoemd. In ieder geval laat Max de beide vriendjes, hun hond en later de betoverde schildpad inderdaad wonderlijke avonturen beleven.

Veel lijn zit er niet in het boek; je valt van het ene avontuur in het andere. De gedichtjes zijn ook al niet bijzonder, maar kinderen zullen ongetwijfeld genoten hebben van de dolle belevenissen. Die verhalen zijn niet altijd geloofwaardig, ook niet als je bereid bent mee te gaan in de fictie. Zo ligt er op het ene plaatje nog een zeehond aan de rand van het water te luieren op het ijs en een paar plaatjes later is het zo warm dat Roetkop gaat zwemmen in water dat ijskoud had moeten zijn.

Roetkop en Meelmuts zijn gelijkwaardig. Roetkop spreekt normaal Nederlands en niet een gebroken taaltje, zoals Sjimmie in de vroegste delen van Sjors van de rebellenclub. Hij is ook bepaald niet dommer dan Meelmuts. Als er een boot gemaakt moet worden, verdeelt Roetkop het werk: 'Bravo!' riep Roetkop, 'aangepakt!'/'IK zal gaan zagen, en JIJ hakt!'

Een enkele maal wordt Roetkop het 'arme zwartje' genoemd, waaruit een zekere vertedering spreekt, die me toch niet helemaal lekker zit. Verder speelt kleur geen rol in het boek.

Het boek ging voor mij wel te ver met alle onwaarschijnlijkheden en onmogelijkheden. Als Meelmuts en Roetkop door een 'heeten berg' moeten, liggen er (verrassing!) zomaar asbestpakken voor hen klaar, een draak wordt snel even doodgestoken, een schildpad doorgezaagd en met behangplaksel weer geheeld en als Meelmuts en Roetkop een toverstaf te pakken hebben, weten ze al snel hoe ze ermee moeten omgaan.


Het zal de kinderen in die tijd worst geweest zijn. Ze hebben genoten van een boek zonder gepreek. De goeden winnen natuurlijk en de kwaden gaan ten onder en verder is er alleen amusement. Eigenlijk is De wonderlijke reizen van Meelmuts en Roetkop de televisie van negentig jaar geleden. 


zondag 19 februari 2012

Dagoe, de kleine bosneger (Zwart en wit 7)


Toen ik nog op de lagere school zat, bekeek ik nieuwsgierig de atlas. Daar stonden natuurlijk de verschillende Nederlandse provincies in, maar ook Nederlands Indië en Suriname. In het noorden van Suriname waar wel elke dorpen en steden, zo te zien. Verder naar het zuiden stonden rode en zwarte stippen. Daar woonden indianen (rood) en bosnegers (zwart). Ik herinner me overigens niet dat we daar ook daadwerkelijk les over kregen.

Het leesboekje dat we klassikaal lazen was Jaap en Gerdientje, van Anne de Vries, waar ik zeer van genoten heb. Later las ik Anne de Vries Reis door de nacht, vier delen, een traditioneel oorlogsboek en ik vermoed dat bij herlezing zou blijken dat je aan de ene kant de goeden had, aan de andere kant de slechten en dan zijn er natuurlijk nog een paar die zich als goed voordoen, maar eigenlijk slecht zijn. 

Bartje, ook van Anne de Vries, heb ik nooit gelezen, maar de televisieserie heb ik wel gezien. Ook herinner ik me dat ik Ratje, een jongen van de straat las. Dat zal wel dezelfde geweest zijn dat ik Boefje van M.J. Brusse las. Nog dit jaar las ik Vader en Jaap, een aardig, braaf boek. 

En nu las ik Dagoe, de kleine bosneger (1954). Het leek me een zendingsboek over een een arme, heidense jongen die bekeerd wordt, maar dat viel mee. Dagoe (zijn naam betekent 'hond') wordt voornamelijk getekend in zijn dagelijkse leven. Hoe hij op voedsel uitgaat, met zijn vrienden speelt, naar school gaat. 

Dat is trouwens wel een christelijke school:
Het blijft doodstil, als de meester achter het kleine kofferorgel plaats neemt en uit dat hijgende, schorre wonderding het voorspel tovert van een kerkelijk lied. Ze herkennen het dadelijk: het is het lied van Masra Jezus, de zoon van Gran Gado, de Grote Geest, die hemel en aarde geschapen heeft. Die op aarde kwam om alle mensen, bosnegers en blanken, blij en gelukkig te maken en om hen voor te gaan door het oerwoud van dit leven, ten einde voor hen het bpad open te kappen, dat naar de hemel leidt.
Je ziet dat de bijbelse boodschap wel wordt getransponeerd naar de wereld die de kinderen kennen. Als de meester het verhaal van de barmhartige Samaritaan vertelt, gaat dat dan ook als volgt:
Jeruzalem en Jericho, dat waren twee bosnegerdorpen, ver van elkaar, met bijna geen hut daar tussen. en toen hij even aan land was gegaan om het keren van het tij af te wachten en zich een kampje had gebouwd en zijn hangmat had gespannen om een beetje te rusten, kwamen daar een paar kerels langs, zó slecht als in heel Bosland niet werden gevonden.
De Samaritaan, later in het verhaal, kennen de kinderen natuurlijk ook niet. De meester legt uit:
Wat is dat, een Samaritaan? Dat is iemand van een volk, dat zich met een ander ras heeft vermengd, zegt de meester. een stadsneger dus waarschijnlijk, misschien een houtkoper of een balatableeder. In ieder geval iemand van een soort dat helemaal geen familie is van de zwarte negers van het woud.
De meester vertelt mooie verhalen, maar erg prekerig blijkt hij niet en dat doet aangenaam aan. Dat verhaal van de Samaritaan is trouwens cruciaal in Dagoe. Dagoe redt een indianenbaby in een op drift geraakte boot. Daardoor dreigt hij uit de dorpsgemeenschap gestoten te worden. Maar Dagoe doet toch de dingen die hij meent te moeten doen. De meester zegt dan ook dat hij, als hij ooit gedoopt wordt, maar de naam Samaritaan moet krijgen. 


Er komen nauwelijks blanken voor in Dagoe, de kleine bosneger. Soms zien we er een paar uit de verte:
Kijk, daar staan er een paar aan de reling van het schip en wijzen naar de korjaal, waarin Dagoe en de anderen met open mond zitten te kijken. Dat moeten vrouwen zijn, want ze hebben lange haren van een gekke, geelachtige kleur - blond noemen ze dat... Griezelig wit zijn hun blote armen, alsof ze er pimbadotti, witte kleiaarde, op hebben gesmeerd. Als zijn moeder er zo lelijk uitzag, zou Dagoe niet met haar in één hut willen slapen. Wat een geluk, dat de Grote Geest hem en zijn hele fmilie zo mooi zwart heeft geboren doen worden...
 Dat is toch heel wat anders dan we aantroffen bij Betsy Buunk waar de 'bruine jongen' nog denkt dat zijn 'zusje' van die fijne blanke handjes heeft. 

Over het algemeen doet Anne de Vries niet denigrerend over de bosnegers en laat hij hen aardig in hun waarde. Maar soms kom je toch een typering tegen die je doet fronsen: 
Ze hebben geen van allen nog veel te eten gehad en Dagoe deelt aan allen uit, maar niet voor niets. Natuurlijk niet! Wie geeft er nu iets voor niets aan iemand die geen familie van je is? Geen rechtgeaarde bosneger zal dat doen!
Zo zijn bosnegers dus. En als Dagoe zich later wel min of meer opoffert voor het indianenkind, dan moet dat wel komen doordat hij intussen beïnvloed is door de christelijke ethiek:
Want nu weet hij, dat het niet de geest van Boikonie was, die de jongen tot deze daad heeft gebracht, maar de geest van Christus, de geest van barmhartigheid, die de heidenen niet kennen.
De aap komt toch nog uit de mouw: pas als mensen christen worden, kunnen ze deugen. Ze moeten hun natuur overwinnen, hun bijgeloof achter zich laten en toetreden tot de geloofsgemeenschap waarin mensen elkaar de andere wang toekeren als iemand hun op de ene slaat en waarin mensen hun medemensen liefhebben als zichzelf. De theorie is mooi.

Toch is de indruk die Dagoe, de kleine bosneger achterlaat, niet dat van een prekerig boek en ook niet van een boek over 'die arme zwartjes'. Wellicht dat dit boek van Anne de Vries daarin zelfs behoorlijk verschilt van andere boeken uit de jaren vijftig. Maar wat toen misschien vooruitstrevend was, blijkt nu gedateerd te zijn. 

Ilustraties Corrie van der Baan


zaterdag 31 december 2011

Bob in China (Zwart en wit 6)




Wie het boek Bob in China geschreven heeft, is mij niet bekend. Op de titelpagina staat dat het een verhaal voor de jeugd is 'naar het Duitsch'. Het boek begint met 'Een woord vooraf', ondertekend door 'De schrijfster'. Verder niets: geen uitgever, geen plaatsnaam, geen jaar, geen naam van de illustrator. Het wereldwijde web helpt mij ook niet veel verder. Een antiquariaat biedt het boekje aan en vermeldt als jaartal 1890.

Dat laatste zou kunnen. Van de keizer ‘Kuangsu’ wordt verteld dat hij nog maar een knaap is; ‘hij zal ongeveer 14 of 18 jaren oud zijn'. Zijn naam wordt tegenwoordig als Guangxu gespeld; vroeger kwam men ook wel de schrijfwijze Kwang-siu tegen. Hij regeerde van 1875 tot 1908. Guangxu werd geboren in 1871 en was dus nog een kind toen hij op de troon kwam. Als we uitgaan van de geschatte leeftijd die we in het boek tegenkomen, moet het verhaal zich ergens tussen 1885 en 1889 afspelen.

De hoofdpersonen in het boek zijn Bob, de zoon van de Engelse consul ‘te Canton’ en zijn Chinese vriendje Hain. Het boek is duidelijk bedoeld om ons kennis te laten maken met China: er worden veel verhalen verteld waarin ons duidelijk wordt hoe men bijvoorbeeld in China omgaat met de doden, dat er in China een belasting op wandelstokken is en waarom men daar honden en ratten eet.

De schrijfster is er duidelijk niet op uit om Chinese gebruiken en opvattingen af te wijzen. Als Hain vertelt hoe Punku-Mong de wereld schiep, zegt Bob: 
‘die heet bij ons geheel anders, maar dat is een lang vertelsel’. Wel worden de beelden van goden consequent ‘afgodsbeelden’ genoemd.

Bob en Hain hebben wel geregeld ruzie. Bob zegt daarover: ‘Maar een Engelschman en een Chinees verschillen heel wat van karakter; al houden zij veel van elkaar, twitsten moeten zij toch, is niet zoo?’

Blijkbaar is het verschil tussen westerlingen en Chinezen erg groot. De schrijfster zegt dan ook in het woord vooraf: 
‘Al kunnen wij den Chinees op het eerste gezicht niet lief krijgen, toch moeten wij hem achten, en als mijn jonge vriendjes dit boekje met aandacht gelezen hebben, geloof ik, dat zij Hain, den zoon van Haincio even lief gekregen hebben als ik.'

Het verschil in uiterlijk tussen Bob en Hain komt verschillende keren terug:
 ‘Aardig om te zien is het, wanneer hij [= Hain] bij den blondlokkigen Bob is; hij kan de gele haren van den kleinen Engelschman maar niet genoeg bekijken. “En hij heeft niet eens een kaalkop.” Dat hij zich niet schaamt! Hoe kan iemand zonder kaal hoofd rondloopen, men moet toch geen huid en haar op het hoofd hebben, als een dier?’

Dat is gezien vanuit Hain, maar meestal worden Bob en Hain bezien met westerse ogen, waarbij de westerling altijd mooier is dan de Chinees: 
‘Wat een verschil tusschen de vriendjes! Bob met zijn schoone slanke gestalte, het blonde gekrulde haar en schitterende, groote, blauwe oogen, een huid zo frisch als morgenrood. Hain met het groote, breede voorhoofd, het dunne staartje, de scheeve, slimme, bruine oogen en de korte ineengedrongen gestalte. Hij steekt met zijn donkergele gelaatskleur vreemd af bij den kleinen Engelschman, maar dat geeft Bob en Hain niets, dat zij verschillen; toch blijven zij vriendjes.

Kortom: als is Hain lelijk, Bob houdt toch van hem. Een gedachte die terugkomt als Bob de oude vrouw Abeong bekijkt, die Hain verzorgt: 
‘Hoe schoon is toch mijn lieve moeder tegen deze oude rimpelige vrouw; maar goed zijn beiden en dat is de hoofdzaak.’

Niet alleen Bob heeft zijn oordelen en vooroordelen over de Chinezen, andersom geldt dat ook.  Als Bob Hain een boek laat zien over veldslagen van het Engelse volk, zegt Hain: 
‘Dat is niets nieuws voor mij, dat zijn onze veldslagen en gevechten; de Engelschman, die dat geschreven heeft, liegt. Gij kunt geen veldslagen winnen, gij zijt te laf; op zijn best kunt gij te water iets uitvoeren, als er niemand is, dan een vijandelijk bootje.’

Bob neemt dat natuurlijk niet: 
‘Onbeschaamde Chinees!’ roept hij uit en slaat den kleinen kaalkop met het boek om de ooren.’ […] Huilend klaagde Hain aan Abeong zijn nood. Deze was natuurlijk buiten zich zelven, omdat Bob haar lieveling geslagen had, maar zij troost[t]e en liefkoosde hem, totdat de kleine weer gelukkig uit zijn scheeve oogen keek.’

Wat uiterlijk betreft, zijn de westerlingen superieur aan de Chinezen, zoveel is wel duidelijk. Graag wil ik uitgaan van de goede bedoelingen van de schrijfster, maar op dit punt stelt ze haar eigen ras boven dat van Hain.

Natuurlijk is het boek wel in een heel andere tijd dan de onze geschreven. Weliswaar was hier de slavernij afgeschaft, maar in China bestaat die blijkbaar nog. Bobs ouders kopen een slavinnetje vrij.

In die tijd mogen Chinezen hun kinderen doden, als we Bob in China mogen geloven. Maar westerlingen gaan ook niet zachtzinnig met hun kinderen om. Als Bob hoort over een verbod op wandelstokken, zegt hij: 
‘Maar mama, verscheidene vaders hebben toch een wandelstok noodig, waarmede zouden zij anders hun ondeugende kinderen straffen?’

Het is gemakkelijk om Bob in China neer te zetten als een racistisch boek, vol vooroordelen over Chinezen en als het boek nu geschreven en gepubliceerd zou zijn, zou dat ook terecht zijn. Maar het zou mij niet verbazen als aan het eind van de negentiende eeuw dit boek juist enig begrip van en voor de Chinese cultuur overbracht.

Ouders hebben het wellicht als een leuk en leerzaam boek ervaren. Ze gaven het in ieder geval hun kind bij het sinterklaasfeest cadeau. Voor in het exemplaar dat ik bezit staat met potlood ‘6 dec. 98’ De naam van de eigenaar kan ik niet goed ontcijferen. ‘G.w. c. vandetaa’ lees ik, maar dat zal wel niet kloppen. Het jongetje dat het boek in zijn schoen vond , heeft misschien wel, zoals de schrijfster hoopte Hain lief gekregen. Volgens de schrijfster ging hij een grote toekomst tegemoet: 
‘Hij zal mettertijd een beroemd, aanzienlijk Mandarijn (= ambtenaar) van het hemelsch Rijk worden.’ 
Of daar nog een apart boekje aan gewijd is, is mij niet bekend.


Illustratie uit het boek


woensdag 28 december 2011

Negrita Kachelglans (Zwart en wit 5)



Al eerder schreef ik over kachelglans, die de kachel zo zwart kon maken als een Afrikaan. Het merk was Zebra, dat ook al aan Afrika doet denken.

Er blijken echter merken te zijn die nog explicieter zijn. Na wat gehark op het wereldwijde web vond ik Negrita, dat blijkbaar niet alleen in Nederland te verkrijgen was, maar ook in Franstalige gebieden, gezien het schoolschriftje hieronder. De afbeelding haalde ik van de site Retroscoop.



En wie geen Negrita, Zebra of Zebralin kachelglans wilde gebruiken, kon altijd nog Plonoir ter hand nemen. En hoe laat Plonoir zien dat dit product het zwartste zwart oplevert? Precies.


Nog een alternatief? 't Negertje, dat blijkbaar pas in de spiegel ziet hoe zwart hij is.


Vlucht door het oerwoud (Zwart en wit 4)



Op 18 december 1969 ontving ik ter gelegenheid van het kerstfeest van de Nederlands Hervormde School het boek Vlucht door het oerwoud van Johan Hidding. Ik heb het maar weer eens opgediept en herlezen. Voor op het boek staat een Afrikaanse jongeman, een jongen wellicht, in witte korte broek, wit overhemd, geweer in zijn hand. Ik had verwacht dat er in het boek dus wel wat niet-blanken voor zouden komen en ik was benieuwd hoe Hidding ze zou beschrijven.

Het verhaal speelt zich af in wat toen blijkbaar 'Kongo' heette. Het gezin De Wilde moet vluchten voor de rebellen. Wat die rebellen willen, tegen wie ze rebelleren, wat er nu eigenlijk precies aan de hand is - het is allemaal niet duidelijk. Gaat het hier om 1960, toen Congo zelfstandig werd? Of om 1965 toen Mobuto aan de macht kwam en Congo omgedoopt werd in Zaïre? In ieder geval moet het gezin er halsoverkop vandoor, terwijl de 'inheemsen' hen op de hielen zitten.

Dat is ook zo'n beetje het enige dat we over de Congolezen te weten komen. Ze spelen verder in het boek geen rol. Hidding focust op het dappere gezin dat steeds net aan de gevaren ontsnapt. Als de huisaap Tempo een inheemse heeft laten struikelen toen die zoon Peter achtervolgde, met het kennelijke plan hem te doden, zegt vader 'Het scheelde maar een haar, of er zouden heel nare dingen zijn gebeurd'.

Waarom Hidding juist dit boek geschreven heeft, wordt me niet duidelijk. Waarschijnlijk weet hij nauwelijks iets van de streek af. Uit niets blijkt dat hij het oerwoud, waar het gezin doorheen moet, kent. Details ontbreken. Peter schiet 'een vogel' en er worden 'vruchten' gegeten en altijd houdt Hidding zich op de vlakte.

Indertijd vond ik het wel een spannend boek, geloof ik. Dat heb ik dan verpest door het boek te herlezen. Er is weinig van overgebleven.

vrijdag 16 december 2011

Zebra kachelglans (Zwart en wit 3)


In Exmorra is een museum waarin een grutterswinkel je een grutterswinkel kunt bezoeken die eruitziet zoals die vroeger was. Daarin hing dit reclamebordje.

Verder is er in het museum onder andere een drankorgel te zien, een oud schooltje en een stijlkamer. Opgenomen in de Aldfaers Erfroute.

Mijn moeder zei wel eens: 'Ga je handen wassen, ze zijn zo zwart als de kachel.' Maar blijkbaar is niet elke kachel even zwart. De kachels die ingewreven zijn met Zebra kachelglans zijn blijkbaar het toppunt van zwart: zo zwart als als een Afrikaantje.

De mens wordt gereduceerd tot zijn kleur.

woensdag 14 december 2011

Een bruine jongen (Zwart en wit 2)


Er zijn nogal wat oudere jeugdboeken waarin mensen uit andere culturen voorkomen. Van tijd tot tijd zal ik zo'n boek lezen en bekijken hoe in dat boek de vreemdeling beschreven wordt.

Nog nooit had ik van Betsy Buunk gehoord. Op een rommelmarkt kwam ik het boek Een bruine jongen tegen. Het blijkt in 1946 uitgebracht te zijn. In 1949 verscheen er een tweede druk onder de titel Bruine jongen. Na wat vluchtig googlen vond ik geen andere boeken Betsy Buunk.

De bruine jongen is Karel van Dordt. Ooit is hij door zijn grootouders, Ompoe Goemaran en Ompoe Dimpoe, te vondeling gelegd, omdat zijn ouders overleden waren. Wat zij hopen, gebeurt: zendeling Van Dordt vindt het kind en neemt het aan als zijn zoon.

Als Karel elf jaar oud is en zijn zus Ansje dertien, gaan ze naar Nederland, om goed onderwijs te krijgen. Ze wonen in die jaren bij hun oudoom Henk en oudtante Mies. In het begin voelt Karel zich wat alleen, maar hij sluit vriendschap met een gehandicapte jongen die in een achterbuurt woont, Kees.

Aan het eind van het boek komt Karel in het ziekenhuis terecht, nadat hij door een auto is aangereden. Vreemd genoeg wordt niet verteld wat zijn verwondingen zijn. Steeds wordt genoemd dat hij 'ziek' is. Als Karel uit het ziekenhuis komt, heeft Kees, in samenwerking met Ansje en haar vriendin Tini, geregeld dat er bloemen en fruit zijn. Veertien mensen hebben eraan meebetaald, waaruit maar weer eens blijkt hoeveel vrienden Karel heeft. En dan is het boek plotseling uit.

Meer dan een boek over een Indische jongen in Nederland is Een bruine jongen een boek over standsverschillen. De familie van Karel ontfermt zich over Kees, de achterbuurtjongen die geen tafelmanieren heeft, vreemd praat en nooit in bad gaat. Van God weet hij ook al niets, maar Oom Henk geeft hem een kinderbijbel mee, waarin Kees geïnteresseerd leest.

Als Karel een ongeluk heeft gehad, bidt Kees voor hem: 'Toe jij daar zo lee heb 'k daluk an dat mens gedoch, waar je ome van las, den eerste keer dat 'k bij jullie was, je weet wel, die weduwvrouw waar dieje rentmeester niet voor op wou komme en dat ze toen die vent z'n kop gek gezanik heb en dat de Heere Jezus toe zee, dat je zó mos bidde as ie wat nodig had. Nou en dat heb 'k toen gedaan, uitgerekend heb 'k van 's ochus tot 's avends om 't hallef uur voor je gebeje, op 't school ook, want daar ken je de toreklok hore as tie slaat, nou en 't hèb gehollepe en daarom ken je d'r mijn wel voor bedanke dat je niet om kroosjes ben gegaan.'

Toch komt het verschil tussen de bruine jongen Karel en de witte Nederlanders wel naar voren. In de trein op weg naar het huis van oom en tante vergelijkt Karel zich met Ansje: 'Ansje heeft zich dicht tegen oom aan genesteld en hij heeft haar handen, die ijskoud zijn, in de zijne genomen en zit die nu zachtjes te wrijven. Fijne, blanke handjes heeft Ansje. De zijne niet, denkt Karel, die zijn donkerbruin, alleen in de palm van de hand een beetje lichter. Gek, dat hij daar eigenlijk nooit eerder zo op gelet heeft.

Later spreekt Karel Kees aan op zijn vuile handen: ' "Ik vind het afschuwelijk hoor, als jij met van die zwarte handen bij ons aan tafel zit." En Kees weer: "Niet zo zwart as die van jou!"' Daar krijgt Karel een prop van in zijn keel.



''s Avonds voor hij in bed stapt, wast hij met buitengewoon veel zorg zijn bruine handen, maar ze worden er geen tintje lichter door. En zijn avondgebed besluit hij met deze woorden: "Lieve Heer, vergeef het mij, dat ik het zo naar vind dat ik een bruine jongen ben."'

Karel baart natuurlijk opzien in een samenleving die overwegend wit is. In de trein zegt een jongen: 'Kijk, een bosneger, zeg!' Maar als Oom Henk 'een vertoornde blik' op de jongen werpt, loopt hij meteen door. En als Karel in zijn nieuwe klas komt, is de eerste opmerking: 'Jongens, kijk die bruine! Allemensen, wat een snoet, zeg!' De onderwijzer neemt het voor Karel op en verbiedt de jongens streng.

Er worden niet zoveel opmerkingen gemaakt over Karels huidskleur, maar elke keer dat het gebeurt, is er iemand die corrigeert. Bijvoorbeeld bij de fietsenmaker: '"Nou, jij mag ie ook wel es gaan wasse," zegt hij grappig, "je zie zo zwart as de kachel."Maar de jongen geeft hem goedmoedig een duw. 'Allé, hou ie grootje voor de gek en la dat fentjie met rust."'

Het 'grapje' is goedmoedig bedoeld, waarschijnlijk, maar er wordt wel wat van gezegd. Er zijn ook kleine kinderen die Karel aanspreken met 'Hei nikker'. Uit niets blijkt dat dat als scheldwoord is bedoeld en Karel vat dat ook niet als zodanig op. Maar Kees reageert meteen: 'Wat heb ie me vrind uit schelden, hè!'

In het begin loopt het niet goed tussen Karel en zijn oom en tante. Karel trekt zich terug en dat staat vooral oom niet aan: '"Je leert ze toch nooit kennen, die Indische mensen,"zegt oom Henk met zijn zware stem. "Zoals Karel nu, dat sluipt maar zo stil door het huis en geen boeh of bah krijg je uit hem. Nee hoor, dat zijn mijn mensen niet." ' Later mompelt hij ook nog iets over 'stiekem' en 'achterbaks'.

Oom heeft het idee dat Karel zich meer voelt dan oom en tante, maar het blijkt anders te liggen. '"Wàt dacht je? moedigt oom Henk aan. "Dat ik minder was, omdat u en tante Mies en Ansje en allemaal blank zijn en ik bruin."'

Het blijkt dus allemaal een misverstand te zijn. Maar oom Henk zoekt de schuld wel bij zichzelf: 'in ieder geval lag de fout bij ons, wij hebben gedacht dat een Indische jongen heel anders was dan een Hollandse jongen en dat moet hij hebben aangevoeld.'

Het is duidelijk dat in Een bruine jongen Betsy Buunk heeft willen laten zien dat de bruine jongen gelijkwaardig is aan de blanken om hem heen (en dat de achterbuurtjongen gelijkwaardig is aan de mensen uit een nette buurt).

Wel voelt Karel zich in een blanke omgeving onmiddellijk de mindere. De blanke handjes van Ansje komen hem aantrekkelijker voor dan die van hemzelf en ook later probeert hij door wassen zijn handen lichter te krijgen, wat me niet zo aannemelijk lijkt.

De bruine jongen deugt, zoveel is wel duidelijk. Maar dat de schrijfster dat de hele tijd moet benadrukken, geeft wel te denken.