Posts tonen met het label Ede FM. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ede FM. Alle posts tonen

maandag 13 maart 2023

Schrijvers en bakkers


Het is Boekenweek! Zaterdag heb ik meteen wat inkopen gedaan. Bij de boekhandel kreeg ik het Boekenweekgeschenk, geschreven door Lize Spit en bij de christelijke boekhandel het christelijke Actieboek, geschreven door Gabi de Ridder.

Voor een lezer die gewend is literatuur te lezen is het verschil pijnlijk groot: Lize Spit (van het Boekenweekgeschenk dus), schrijft in kort bestek een mooi verhaal, dat je meevoert en dat ook nog iets geeft om over na te denken. Gabi de Ridder komt niet verder dan een verhaal over iemand die zich bedrogen voelt in wat zij een relatie noemt. Aan het eind van het boek is het verhaal helemaal uit en weet je precies wat de schrijfster heeft bedoeld. Het is een sympathiek boek en de schrijfster heeft hart voor mensen, maar haar boekje bood me weinig.

Af en toe lees ik literatuur uit christelijke hoek en er zijn schrijvers die daar goede dingen doen. Maar vaker lees ik boeken waaraan ik de goede bedoelingen kan aflezen, maar die onder de maat zijn. Als je de christelijke literatuur (van nu, in Nederland) vergelijkt met de reguliere, is het alsof je de Paralympics vergelijkt met de Olympische Spelen.

Het is goed dat die Paralympische Spelen er zijn en het initiatief is sympathiek, maar er zullen geen records gebroken worden die op de reguliere Spelen gevestigd zijn.

Waarom blijft die christelijke literatuur zo achter? Daar zijn wel verklaringen voor. Allereerst zijn er veel meer schrijvers in het reguliere circuit en dus zijn er ook veel meer goede schrijvers: de wet van de grote aantallen, als ik de uitdrukking tenminste correct gebruik.

Maar er lijkt mij meer aan de hand. Achter op het christelijke Actieboek staat bij de informatie over de auteur: Gabi de Ridder wil met haar romans Gods liefde voor zwakke mensen doorgeven. Dat is een mooi streven, maar levert het ook goede romans op? Blijkbaar is het niet haar hoofddoel om gewoon een goed boek te schrijven; ze heeft een ander doel, dat in haar ogen hoger is.

Misschien zijn er christelijke bakkers die met hun brood Gods liefde willen doorgeven, maar het lijkt me dat ze in de eerste plaats lekker en goed brood moeten bakken. Als dat niet lukt, zal de bakkerij het niet redden, vrees ik.

Nu kan het zijn dat de lezers van De Ridder helemaal niet zitten te wachten op een literaire roman, maar op een menselijk boek of een theologisch of moreel verantwoord boek. Dan is het ook niet eerlijk dat ik voor Volgende week, zelfde tijd? (zo heet het Actieboek) literaire maatstaven aanleg.

In dat geval blijkt het boek van De Ridder gewoon niet voor mij bedoeld. Iemand die iets hartigs wil eten, moet niet klagen over de zoetigheid in de snoepwinkel; hij had gewoon ergens anders moeten gaan winkelen.

Maar dan toch even terug naar de christelijke literatuur, naar de schrijvers uit die hoek die wel degelijk literaire ambities hebben. Er zijn er maar weinig die tot het grote publiek weten door te dringen. Degenen bij wie dat wel lukt, waren al bekend voordat duidelijk werd dat zij geloofden. Hoe komt dat?

Het lijkt me niet dat er te weinig publiek is. Ook in de christelijke hoek (als ik die even zo vaag mag aanduiden) zijn er genoeg lezers die graag literatuur lezen.

Wellicht dat het toch in de schrijvers zelf zit. Ook als hun eerste doel is een goede roman te schrijven, speelt misschien de gedachte mee dat ze iets goeds moeten uitdragen, dat ze hun kring moeten dienen, dat ze een instrument in Gods hand moeten zijn. Mogelijk zit die gedachte niet prominent in hun hoofd, maar zeurt die toch ergens op de achtergrond. Zelfcensuur ligt dan op de loer en een schrijver die zichzelf censureert, schrijft gemankeerde boeken, denk ik.

Juist daar waar het schrijnt, juist daar waar de schaamte schuilt, de twijfel, de angst – juist op die plaatsen ontstaat de literatuur. Daar zou de schrijver moeten zoeken, zijn of haar verdediging moeten laten zakken, zich durven laten zien.

Meer vertrouwen hebben in jezelf, durven zijn wie je ten diepste bent, met alle gebreken en onzekerheden en ook meer vertrouwen hebben in de lezer. Die lezer hoef je niet uitdrukkelijk of verborgen een boodschap mee te geven. Vertel een goed verhaal en ieder haalt eruit wat voor haar of hem van belang is. Bak een zo goed mogelijk brood. Bespaar ons de misbaksels, hoe goed bedoeld ook.


(Column voorgelezen op 13 maart 2023 bij EdeFM, Kerkvenster)  


maandag 15 maart 2021

Kerk en staat



(Column voorgelezen in het radioprogramma Kerkvenster van Ede FM)

Het is verkiezingsweek en we gaan dus weer onze stem uitbrengen. Sommige ouderen doen dat per post, de rest doet het op de traditionele manier, in het stemhokje. Daarna is het wachten op de uitslag.

Maar moeten we het in een programma als dit wel hebben over politiek? Moet er geen scheiding zijn tussen Kerkvenster en staat? Misschien, maar bijna de helft van alle Nederlanders noemt zich gelovig en geloof en politiek hebben altijd veel met elkaar te maken gehad.

Op dit moment zitten er zelfs drie christelijke partijen in de Tweede Kamer, waarvan er twee deel uitmaken van de nu demissionaire regering. In het verleden hadden christelijke partijen zelfs wel de absolute meerderheid. Dat was het laatst het geval bij de verkiezingen van 1963: tachtig van de honderdvijftig zetels. Alleen al de drie partijen die nu het CDA vormen, hadden toen samen 76 zetels. Vijftig daarvan gingen er naar de KVP.

Wanneer geloof en politiek bij elkaar komen, roepen mensen al gauw iets over de scheiding van kerk en staat, wat echt wat anders is. Die houdt namelijk in dat de kerk, als instituut, zich niet mag bemoeien met regering en wetgeving en dat de overheid zich niet inlaat met wat er in de kerken gebeurt. Natuurlijk mogen gelovigen wel plaatsnemen in een regering of in een lagere overheid, zoals politici ook een functie kunnen vervullen in het kerkbestuur.

In de Kamer en zelfs in de regering hebben in de loop der jaren verschillende dominees en priesters zitting gehad. De eerste, in 1849, was overigens een liberaal.

Vrijheid van godsdienst

De scheiding van kerk en staat is niet in de grondwet terug te vinden. Wel de vrijheid van godsdienst (artikel 6), waarbij de beperking staat: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’

Het afgelopen jaar bemoeide de overheid zich nadrukkelijk wel met de kerken, in verband met de coronapandemie. Dat gebeurde in voortdurend overleg, maar er zijn mensen die toch vinden dat die overheidsbemoeienis te ver is gegaan. Een massale opstand van het kerkvolk is uitgebleven.

Dat komt enerzijds voort uit de opvatting dat de overheden die over ons gesteld zijn gehoorzaamd moeten worden, anderzijds zagen velen wel in dat de voorschriften van het kabinet niet onredelijk waren. De vrijheid van godsdienst was niet in het geding. Iedereen mocht nog steeds zijn eigen religie hebben en uitdragen. De vorm waarin die beleden kon worden was niet meer helemaal vrij.

Roep om inmenging

Van buiten de kerk is er wel af en toe de roep om inmenging van de overheid, als er kerken of dominees zijn die opvattingen verkondigen die je in onze maatschappij als een minderheidsstandpunt kunt zien. Maar juist daarvoor hebben we de vrijheid van meningsuiting.

Die vrijheid moeten we koesteren. Het betekent ook dat mensen die de opvattingen van bepaalde kerken verafschuwen dat ook mogen uiten en dus ook mogen demonstreren in de buurt van een kerk. Dat is onaangenaam voor kerkgangers, maar de vrijheid van meningsuiting heeft nu eenmaal zijn prijs.

Zoals gezegd, geloof en politiek zijn niet te scheiden en dat is maar goed ook. Ieder moet vanuit zijn eigen levensovertuiging politiek kunnen bedrijven.

Mogen predikanten hun politieke voorkeuren uitdragen op de kansel? Er is geen wet die dat verbiedt, al zal de kerkenraad waarschijnlijk wel in de gaten houden of de dominee daarbij niet doorschiet. Ooit hoorde ik een kerkganger verzuchten: ‘Dominee zou meer uit de Bijbel moeten preken en minder uit de krant.’

Maar goed, eerst gaan we stemmen, daarna worden die stemmen zorgvuldig geteld en dan is er een uitslag. En geen kerk of regering kan daar iets aan veranderen.

Afbeelding gevonden op deze pagina, zonder verdere bronvermelding

dinsdag 7 mei 2019

Iedere ketter heeft zijn letter


Je hebt christenen in allerlei soorten en maten en met allerlei opvattingen. Over homoseksualiteit, abortus, de positie van de vrouw (in het gezin en in de gemeente) en over het al bijna spreekwoordelijke kopen van een ijsje op zondag.

Steven Anderson, de baptistenvoorganger die onlangs de toegang is ontzegd tot Nederland en het hele Schengengebied, is een christen met wel heel uitgesproken opvattingen. Hij weet zeker van zichzelf dat hij Gods wil aan het uitvoeren is en hij beroept zich op de Bijbel, die hij voor een deel letterlijk uit het hoofd kent. Toch ondersteunden ook onverdacht christelijke partijen als de ChristenUnie en de SGP het inreisverbod voor Anderson.

Grond voor tegengestelde meningen

Alle christenen gaan uit van de de Bijbel. Dat geldt voor Anderson, maar ook voor de christenen die hem liever niet in Nederland zien. Blijkbaar kun je in de Bijbel voor tegengestelde meningen grond vinden: voor slavernij en voor de afschaffing ervan, voor het oproepen tot het doden van homo's en voor het homohuwelijk, voor en tegen het vrouwenkiesrecht. Zoals men lang geleden al zei: iedere ketter heeft zijn letter.

Misschien is dit de manier waarop het gewoonlijk gaat: mensen hebben een overtuiging en zoeken de bijbelteksten erbij die hen steunen. Zo kun je altijd beweren dat je je op de Bijbel baseert.

Bijbelgetrouwe christenen

Veel gelovigen zullen zeggen dat mensen die het niet met hen eens zijn op een verkeerde manier omgaan met de Bijbel en misschien zelfs dat zij geen echte christenen zijn. In de discussie rond de Nashvilleverklaring kwam in het Reformatorisch Dagblad in ingezonden brieven verschillende keren de term ‘bijbelgetrouwe christenen’ voor en de briefschrijvers rekenden zich blijkbaar daartoe. Waarschijnlijk vonden zij zichzelf de echte christenen; mensen met een andere mening waren slechts ‘naamchristenen’.

Steven Anderson is voorganger van de Faithful World Baptist Church. Ook in Nederland zijn er baptistengemeenten. Toch zullen er weinig baptisten zijn die in alle opvattingen meegaan met Anderson. Zo wil hij geen enkele homo in zijn kerk. Hij is ervan overtuigd dat iemand pas homoseksueel wordt als hij door God losgelaten is en dat voor zo iemand alle hoop verloren is.

Hij doet dan ook forse uitspraken, zoals ‘LGBTQ is de afkorting van Let God Burn Them Quickly.’ Hij grijnst er breed bij, in een interview dat op YouTube terug te vinden is.

Discussies

Er zijn hier verschillende discussies over te voeren. Je kunt je afvragen of het niet verkeerd is mensen te weren met een afwijkende en misschien zelfs verderfelijke mening. Weegt de vrijheid van meningsuiting niet zwaarder? Als iemand door wat hij zegt de wet overtreedt, kan hij altijd nog veroordeeld worden, maar dat is achteraf.

Je kunt ook theologische discussies gaan voeren, waarbij je elkaar met bijbelteksten om de oren slaat om alsnog je gelijk te krijgen en op het moment dat je tegenstander geen teksten meer bij de hand heeft, ben jij blijkbaar de ware christen.

Ik geloof niet dat we daar iets mee opschieten. Het onwrikbare gelijk heeft al heel wat mensenlevens gekost. Laat mensen uit de Bijbel halen wat ze willen, zo lang anderen daar niet de dupe van zijn. Laat voor de een de Bijbel een richtlijn voor het leven zijn, voor de ander een literair werk en voor een derde een sprookjesboek. En laat al die mensen gezellig samen koffie of bier drinken of brood en wijn nuttigen, maar laat ze niet hun interpretatie van de Bijbel opleggen aan de ander. Laat iedere ketter zijn eigen letter.

Column voorgelezen in het programma Kerkvenster van EdeFM
Illustratie: still uit de opname van een preek van Steven Anderson

dinsdag 21 februari 2017

Zijn gelovigen gevaarlijk?

Zijn gelovigen gevaarlijk? Deze vraag stel ik in het radioprogramma Kerkvenster en ik neem aan dat van degenen die hiernaar luisteren het overgrote deel gelovig is. Voornamelijk zullen het brave mensen zijn, die trouw hun belasting betalen, hun buren vriendelijk groeten en de poep van hun hond opruimen. Wellicht doen ze vrijwilligerswerk voor kerk of vaderland. Suggereren dat deze mensen gevaarlijk kunnen zijn, is bijna lachwekkend.

Toch heeft de president van de Verenigde Staten het vaste voornemen om mensen uit Amerika te weren, alleen maar vanwege het feit dat ze uit een land komen waarvan de inwoners voornamelijk gelovigen zijn.

Ik hoor u al sputteren: ja, maar Donald Trump is dan ook een beetje gek. Of: ja, maar daar gaat het over moslims en dat zijn toch wel andere gelovigen dan christenen, joden of boeddhisten.

Mogelijk hebt u een punt, maar christenen zijn niet zonder schuld. Mijn tienertijd viel in de jaren zeventig, toen ik zeer geregeld op het journaal hoorde over aanslagen in Noord-Ierland, waar protestanten en katholieken elkaar naar het leven stonden.

Verder kennen we de Ku Klux Klan, die ook geïnspireerd zei te zijn door christelijke idealen. En Anders Breivik, die in Noorwegen in 2011 bijna tachtig mensen doodde, noemde zichzelf een conservatief christen.

Er zijn veel meer voorbeelden te noemen. Van de abortusarts George Tiller die in 2009 tijdens een kerkdienst in Kansas werd doodgeschoten door andere christenen tot The Lord's Resistance Army, de beweging die in Oeganda gewapende aanslagen pleegde. De leider was Joseph Kony, die zichzelf tot messias had uitgeroepen.

Er zijn en waren dus genoeg christelijke terroristen, maar dat wil niet zeggen dat christenen gevaarlijk zijn en dat de plaatselijke politie de luisteraars van Kerkvenster in de gaten moet houden. Vraag aan de gemiddelde christen hoe groot de terreurdreiging vanuit christelijke hoek is en hij zal je uitlachen. Die dreiging is er niet.

Natuurlijk zullen er altijd gekken zijn die een aanslag plegen of een poging daartoe doen. Zo'n gek kan ook nog zeggen dat hij de wil van God uitvoert of dat hij het ware christendom wil herstellen, maar niemand zal het christelijk geloof daarvoor verantwoordelijk stellen. Zo'n gek is niet representatief. Hij is de uitzondering, niet de regel.

Maar hoe zit het dan met de terroristen die na het plegen van een aanslag 'Allahu Akhbar' roepen? Zijn dat geen moslims die op gewelddadige wijze hun geloof uitdragen?

Zeker wel, maar dat zegt niets over het overgrote deel van de moslims dat dat niet doet. Het feit dat de aanslagen het nieuws halen, laat al zien dat het uitzonderingen zijn. Het zou pas beroerd zijn als ze niet meer nieuwswaardig zouden zijn.

Onder moslims zijn er zeker extremisten die door terreur hun doel willen bereiken, zoals die er ook zijn of waren onder christenen. De gewone moslim in de straat zal zich niet gerepresenteerd voelen door dat terrorisme en zal zeggen dat islam en terrorisme niet kunnen samengaan.

Door de eeuwen zijn er christenen en moslims geweest die zich bij hun terroristische daden beriepen op het geloof. Zit er dan toch niet iets gewelddadigs in het geloof? In de heilige boeken staan genoeg teksten waarin het geweld bepaald niet geschuwd wordt. Als jongetje heb ik wel gezongen dat God de kop van de vijand zou 'verslaan' en die harige schedel zou vellen. (Zie hier). En ongetwijfeld heb ik gedacht dat ik dat ook zelf wel wilde doen.

Veel van die teksten worden nu niet meer letterlijk genomen. Daar kunnen we een geloof niet op afrekenen.

Maar in elk orthodox geloof zit een zekere radicaliteit, die je vooral duidelijk ziet bij bekeerlingen. Geen fellere anti-rokers dan degenen die zelf gerookt hebben. De omwenteling, de bekering, wordt gemarkeerd door een duidelijk andere manier van leven. Mensen gaan zich anders kleden, nemen andere voedingsgewoonten aan, meten zich een ander taalgebruik aan.

De orthodoxie wil zich onderscheiden van de gematigdheid en weet haarscherp aan te duiden op welke punten er verschil is. Wel of geen burka, of lange broek, of vaccinatie, of tv. Wie radicaal is, kan nog steeds heel liefdevol tegenover zijn medemensen staan, maar hij kan ook alles afwijzen wat niet aan zijn norm beantwoordt.

Het is niet de regel, maar er zullen altijd uitzonderingen zijn. Er zullen altijd mensen zijn die doorslaan. Dat heeft niet per se met het geloof te maken; wel met radicale keuzes. Veel mensen volgen een dieet, een enkeling gaat daar zo in op dat het een bedreiging gaat vormen voor de eigen gezondheid. Pim Fortuyn werd vermoord door een dierenactivist, Els Borst door iemand die het als een goddelijke opdracht zag de politica te doden die de legalisering van euthanasie door de Kamer had geloodst.

Het zijn allemaal voorbeelden van uitwassen van radicale keuzes en die kunnen inderdaad aan het geloof gerelateerd zijn. Maar het zijn uitzonderingen, het is niet de regel. Uitzonderingen zullen er altijd zijn; in elke groep komen gekken voor. Zoals er ook gekken op de weg rijden, door de supermarkt schuifelen of naar een religieus radioprogramma luisteren. Maar het zijn er zo weinig, dat we ons gedrag er niet door hoeven laten te bepalen. De presentator van Kerkvenster zal hoogstwaarschijnlijk ook vanavond weer veilig zijn huis bereiken.


zie ook: Gelovigen en humor

dinsdag 17 februari 2015

Gelovigen en humor


Hebben gelovigen gevoel voor humor? Sommigen zullen dit een onzinnige vraag vinden. Gelovigen en ongelovigen verschillen immers niet zoveel van elkaar: onder leden van beide groepen zijn er koppigen en meegaanden, zuurpruimen en lachebekjes, dromers en doeners en dus ook mensen met veel of weinig gevoel voor humor.

De recente aanslagen op cartoonisten maken de vraag actueel. De aanslagen zijn een reactie op cartoons, een reactie op humor. Cartoons zijn natuurlijk niet uitsluitend humoristisch bedoeld; ze kunnen ook tot denken aanzetten en ze kunnen ook venijnig zijn, maar om veel cartoons valt op zijn minst te glimlachen.

De terroristen konden duidelijk niet lachen om de cartoons en ze vonden bovendien dat anderen er niet om mochten lachen. Je kunt zeggen dat de radicale moslims de cartoons in ieder geval serieus nemen. Ze halen er niet hun schouders over op, maar gaan tot actie over. Maar waarom wordt er zo extreem gereageerd op iets wat humoristisch bedoeld is?

Ik denk dat humor per definitie relativeert. Een cartoon over Mohammed, nodigt uit om de profeet eens van een andere kant te bekijken, om eens wat afstand te nemen. Een moslim zou zo’n cartoon kunnen zien als een aansporing om zijn geloof te relativeren.

Gelovigen heb je in vele soorten: van ‘licht’ tot ‘zwaar’, van vrijzinnig tot orthodox. Ik durf de stelling wel aan dat hoe orthodoxer iemand is, hoe minder hij geneigd zal zijn zijn geloof te relativeren. Dat wil niet zeggen dat een orthodox gelovige geen gevoel voor humor heeft, maar wel dat hij vindt dat je de humor niet moet loslaten op het geloof.

Ik ben opgegroeid in wat je een zware kerk zou kunnen noemen. Als wij thuis een grapje maakten over het geloof of zelfs maar over de predikant, zei mijn moeder dat we niet moesten spotten. Sommige zaken waren blijkbaar zo heilig, dat er alleen maar met eerbied over gesproken mocht worden.

Voor sommige mensen is het geloof een warm gevoel of een prettige manier om in de werkelijkheid te staan. Geloof is dan een keuze, zoals je een hobby kiest of een automerk. Je kiest het omdat je je er goed bij voelt.

Maar voor orthodoxe gelovigen gaat het om iets groters: om gered worden of verloren gaan, om alles of niets, om de waarheid of de leugen. Dat zijn absoluutheden die geen relativering verdragen. Zo gauw je gaat relativeren, valt immers het hele bouwwerk in elkaar.

Wie in dit soort absolute tegenstellingen denkt, verdeelt de wereld in goed en fout. Het foute moet natuurlijk bestreden worden. Discussie daarover is niet mogelijk. En als je die gedachtegang volgt, zijn er extreme middelen toegestaan.

Zo’n manier van denken is niet voorbehouden aan moslims. In 2009 werd er een abortusarts in een kerk doodgeschoten. Toen er een herdenkingsdienst voor hem gehouden werd, werd er door zijn tegenstanders gedemonstreerd, met leuzen als ‘Baby killer in hell’.

Terug naar de humor. Omdat humor relativeert, is hij een gevaar voor het denken in absoluutheden. Daarmee is hij een effectief wapen tegen radicale standpunten. Zo gauw iemand met humor kan kijken naar zichzelf en zijn eigen geloof, is hij niet meer gevaarlijk voor anderen.

We hebben de spot nodig om een duwtje te geven tegen alles wat meent onaantastbaar te zijn en we hebben de zelfspot nodig om genietbaar te blijven voor onze omgeving. Absoluut.


(Column, voorgelezen in het programma 'Kerkvenster' op Ede FM)
Illustratie geratst van deze site.

maandag 4 maart 2013

Samenzang


Herman van Veen zong ooit een tekst van Willem Wilmink: ‘Hilversum 3 bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem’. In het lied wordt beschreven hoe metselaars zongen op de steigers, hoe slagersjongens een stukje opera zongen en hoe meisjes in koor zongen ‘tussen het geratel van machines door.’ Er zit veel weemoed in het lied, want al dat zingen hoor je niet meer.

Er wordt inderdaad nog maar weinig gezongen in de openbare ruimte. Ik zing nog wel eens op de fiets, maar als ik met mijn kinderen door het dorp loop, mag ik van hen niet zingen. Dan gaan ze een paar meter verderop lopen. Fluiten en neuriën vinden ze op het randje.

En samen zingen, waar gebeurt dat nog? De professionele zangers, die in een koor zingen, laat ik even buiten beschouwing. Verder is er volgens mij alleen nog maar samenzang in het stadion en in de kerk.

Een paar jaar geleden publiceerde Dirk Zwart een ‘kerkmuzikaal dagboek’ met de titel Boven jezelf uit zingen. Ik denk dat dat gebeurt wanneer je samen zingt. Je maakt deel uit van de groep die samen zingt en de groep is belangrijker dan het individu: jij doet er niet meer toe, je zingt mee in een groter geheel.

Maar dat niet alleen. Door het zingen word je boven jezelf uit getild. Je zingt jezelf tot een hoogte die je anders niet zou bereiken. Samenzang kan dan ook een gevoel van euforie geven.

In de kerk komt dat natuurlijk ook doordat het over zaken gaat die onze aardse werkelijkheid ontstijgen. We zingen liederen over een hemelse werkelijkheid, over een God die het mensenverstand te boven gaat, over een werkelijkheid die boven ons leven hangt en er na ons leven er nog zal zijn. Het is onbegrijpelijk, maar door te zingen, boven jezelf uit te zingen, heb je het idee dat je er een glimp van kunt opvangen.  Samen zingen geeft een religieuze ervaring.

Mensen die samen in het stadion zingen, zullen een soortgelijke ervaring hebben. Ze zingen hun clublied, ze horen hoe dat uit alle monden klinkt en ze weten dat de club of beter nog: de idee van de club, veel groter is dan ze kunnen omschrijven. De supporters voelen zich onderling verbonden, maar dat is niet het enige. Ook hier stijgen ze boven zichzelf uit.

Dat gebeurt ook bij mensen die naar een popconcert gaan, idolaat van de zanger, zangeres of popgroep. Ze kennen alle nummers en zingen die mee, zwaaiend met hun aanstekers of het licht van hun mobieltjes.

Juist op dat soort momenten worden mensen emotioneel. Fans van Justin Bieber, Madonna of Lady Gaga gaan schreeuwen, huilen, vallen flauw. Ook voetbalsupporters staan soms met tranen in hun ogen. Het zijn religieuze ervaringen, vergelijkbaar met die van kerkgangers.

In de kerk wordt het samen zingen geconserveerd en dat lijkt me een goede zaak. Het geeft mensen ervaringen die ze buiten de kerk nog nauwelijks op kunnen doen. Ook mensen die niet meer geloven, spreken toch vaak met warme gevoelens over de liederen die ze als kind geleerd hebben en die ze in de kerk samen met anderen zongen.

Als er een zangdienst voor nietmeergelovigen gehouden zou worden, zou daar waarschijnlijk behoorlijk wat animo voor zijn. Natuurlijk zouden de geloofsverlaters er met ironie over spreken, maar ze zouden ook samen herinneringen ophalen en het zou me niets verbazen, als sommigen toch een traantje zouden moeten wegpinken als ze samen de liederen uit hun jeugd zingen.

Of mensen die zingen betere mensen zijn dan mensen die niet zingen, weet ik niet. Er is een canon met de volgende tekst: 
Wo man singt, da laß' dich ruhig nieder,
böse Menschen haben keine Lieder,
sondern nu rein Radio- oder Fernsehapparat.
Mocht er vanavond een lied uitgezonden worden dat u kent, zingt u dan mee, uit volle borst. Bedenk dat er bij duizenden radio’s duizenden mensen staan of zitten die met u meezingen. Ik weet dat het wel iets anders is dan zingen in een gevuld stadion of een volle kerk, maar het is beter dan alleen maar luisteren. U zult het merken.  

(Column voor het radioprogramma 'Kerkvenster', Ede FM)

maandag 5 december 2011

Geloven in Sinterklaas


Er zijn mensen die alleen met Kerstmis naar de kerk gaan. Misschien gaan ze de rest van het jaar als ongelovigen of als nauwelijks-gelovigen door het leven, maar op zo’n  moment willen ze bij de gemeenschap der gelovigen horen.

Of zou het alleen jeugdsentiment zijn? Veel mensen hebben herinneringen aan de kerstdagen uit hun jeugd: de boom, de lichtjes, de gezelligheid en ook de kerkdienst. Door nu met Kerst weer naar de kerk te gaan, proberen ze iets van dat gevoel naar zich toe te halen. Wellicht ook is het een manier om loyaal te blijven aan hun eigen verleden.

Met Sinterklaas is er iets soortgelijks aan de hand. Zo’n beetje alle mensen van boven de zes zijn ongelovig, maar rond deze tijd doet iedereen weer braaf mee aan de liturgie die bij de sinterklaasviering hoort. Voor even horen we allemaal weer bij de parochie van de heilige Nicolaas.

Er zijn mensen die beweren dat ze het geloof in God verloren toen bleek dat Sinterklaas niet bestond. Toen duidelijk werd dat de ouders over Sinterklaas gelogen hadden, konden de kinderen er ook niet meer van op aan dat over God wel de waarheid gesproken zou zijn. Die zou dus ook wel een verzinsel zijn.

Die redenering heb ik eigenlijk nooit zo serieus genomen, maar misschien zit er toch wat in. Er zijn namelijk nogal wat overeenkomsten tussen Sinterklaas en God. Als ik dat zeg, ga ik in gedachten terug naar de tijd dat ik nog onverkort in de goedheiligman geloofde.

Net als God, was Sinterklaas alwetend. Wat je ook gedaan had, het bleek allemaal in het Grote Boek van Sinterklaas te staan. Zelfs de dingen waarvan je dacht dat niemand ze kon weten, waren bekend bij de Sint. In een jaarlijks oordeel moest je daar rekenschap van afleggen.  Ik rekende elk jaar wel weer op een beloning, maar ik wist dat je ook de roe kon krijgen en in het ergste geval moest je zelfs mee in de zak, naar Spanje. Wat je daar dan moest doen, was mij niet helemaal duidelijk. Pepernoten poetsen, dacht ik.

Met dat oordeel werd bij ons thuis ook wel gedreigd. Soms met een twinkeling in het oog, maar niet altijd. Als wij iets deden wat niet door de beugel kon (een brutaal antwoord geven, bijvoorbeeld) hief mijn moeder haar vinger en zei: ‘Ik zeg het tegen Sinterkloas, jungske.’

Het is niet zo moeilijk om in dit onderdeel van de Sintverering een variant van het laatste oordeel en van de hemel en de hel te ontdekken. Een milde variant natuurlijk. Pepernoten poetsen is heel wat minder afschrikwekkend dan branden in onuitblusbaar vuur.

Bij ons thuis werd veel gezongen. Mijn moeder zong tijdens het dweilen over Rocking Billy en ik zong op de fiets of tijdens het koeien melken. Maar samen zingen, dat deden we alleen in de kerk en bij het zetten van de schoen.

Misschien hoort samen zingen wel juist bij religieuze bijeenkomsten. Men hoort der vromen tent weergalmen en dat kunnen christelijke liederen zijn, maar ook ‘Zie de maan schijnt door de bomen’. En in stadions, bij voetbalwedstrijden of popconcerten, is er natuurlijk ook samenzang. Dat bewijst volgens mij dat er ook aan voetbal en popmuziek religieuze kanten zitten.

Iemand zal mogelijk tegenwerpen dat het Sinterklaasfeest niet te maken heeft met geloof, maar met traditie. Zoals we bij geboorten traditioneel beschuit met muisjes eten. In mijn jeugd waren dat, voor zover ik mij kan herinneren, altijd roze muisjes. Maar tegenwoordig eten we ook wel blauwe muisjes, bij de geboorte van een jongetje. Ik herinner mij niet dat daarover gediscussieerd is.

Maar over aanpassingen van het Sinterklaasfeest, zijn er zelfs debatprogramma’s op tv. Zaterdagavond nog zag ik mensen zeer verhit raken toen het ging over de mogelijke afschaffing van Zwarte Piet, of liever gezegd de vervanging van deze Piet door een blauwe, een groene of een paarse. De emoties liepen zo hoog op als in een kerkenraadsvergadering van een orthodoxe kerk waarin iemand voorstelt om opwekkingsliederen te gaan zingen.

Kijk, daar hebben we de werkelijk gelovige die zijn geloof, met al zijn onbegrijpelijkheden en misschien wel aberraties, wil verdedigen. Te vuur en te zwaard en niet eens altijd bij wijze van spreken.  

En al die ex-gelovigen, halfgelovigen en gelovigen komen rond deze tijd samen voor de vieringen omtrent Sinterklaas. Niet een onbekende god, zoals Paulus predikte, maar een bekende god, die ons vertrouwd is. Een god die voor ons bereikbaar is. Weliswaar is hij alwetend, maar hij kan ook verstrooid zijn, hij kan struikelen als zijn voet in de zoom van de tabberd blijft hangen en als het later op de avond is, wordt hij soms net te vrolijk van de niet afgeslagen borreltjes.

Ook velen die niet of niet meer in de Sint geloven, zullen daarom toch met een zekere weemoed en vertedering aan hem denken. Mocht de Sint niet het eeuwige leven hebben, dan zal hij ongetwijfeld toch nog een hele tijd bestaan.