Posts tonen met het label Woorden die je weinig hoort. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Woorden die je weinig hoort. Alle posts tonen

woensdag 16 september 2020

Hortsik / Hotsjek (Woorden die je weinig hoort 11)


Eerder deze week luisterde ik,  via de podcast van Andermans veren (even scrollen) naar een concert van Marjolijn Touw. Ze zong daar een lied van net na de Tweede Wereldoorlog. Daarin kwam de zin voor: 'Hotsjek, hotsjek, ouwe trouwe merrie, / Maak wat voort, we zijn nog ver van huis'.

Ik herkende de tekst en ook de melodie, maar volgens mij had ik, lang geleden, verstaan: 'Hortsik, hortsik,' in plaats van 'Hotsjek, hotsjek.' En ik herinnerde me ook een ander versje, met dezelfde melodie:

Hortsik, Hortsik, eigenteelt is rotshag. Ik raap nog liever de peukjes van de straat. 

Dat liedje heb ik ongetwijfeld van mijn moeder geleerd. Toen ik het opzocht, vond ik hier meer informatie over eigenteelt. Ook daarbij wordt overigens 'Hotsjek, hotsjek' gegeven in plaats van het, blijkbaar foutief door mij onthouden, 'Hortsik, hortsik'. 

Peuken verzamelen en van de restjes tabak nieuwe sigaretten rollen kwam overigens veel voor. Die tabak werd bukshag genoemd. 

Hotsjek in de krant

Waar de term 'hotsjek' vandaan komt, is me niet duidelijk. Bij mij roept het de associatie op met Russisch of misschien Pools. Veel verwijzingen zijn er niet. In Delpher komt ik, in de krantenpagina's, de eerste verwijzingen tegen in kranten van net na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Steeds betreft de titel van een lied. In de Axelsche Courant van 7 april 1945 wordt verteld dat het duo Fritse-Beij 'voor amusement zorgde' met 'Hotsjek, hotsjek!' en 'Het Regiment marcheert niet meer!' Axel (Zeeuws-Vlaanderen) was toen al bevrijd en blijkbaar zong het duo liederen. 

Ik vermoed dat het lied 'Hotsjek, hotsjek!' hetzelfde lied is als wat ik vanochtend hoorde. De hele tekst:

Het lied zou bekend worden door het komische duo de Wama's, Wim van Wageningen en Dick de Maat. Zij traden af en toe op in De Bonte Dinsdagavondtrein en zo werd ook het nummer bekend. Bij het overlijden van Van Wageningen in 1986 wordt 'Hotsjek, hotsjek' als een van de bekende nummers genoemd.

Schuilnaam

Op 26 april 1945 staat er in Strijdend Nederland een rijtje namen. Er wordt verantwoording afgelegd van de giften, naar ik aanneem. Veel personen hebben duidelijk een schuilnaam aangenomen: Larf, Krokeledokus, Kanarie, Lekkerbek en ook: Hotsjek. 

Op 7 augustus 1945 in De Typhoon meldt Kleyn's Muziekhandel dat er nieuwe muziek binnen is. De titels van de nummers worden genoemd, waaronder 'Hotsjek.'


Vermoedelijk gaat het steeds om hetzelfde nummer. In De Kroniek van 15 augustus 1945 wordt zelfs een stukje van de tekst geciteerd:


Het rood door de afbeelding is overigens een deel van het woord 'Vrede!' Verwijzingen naar het lied zijn op verschillende plaatsen te vinden. In 1959 wordt het genoemd als een van de bekende oorlogsliedjes. 

Aansporing

Afgaande op de tekst lijkt mij 'Hotsjek!' de aansporing die een voerman geeft aan zijn paard. De connectie met paarden vind ik ook terug in andere krantenartikelen. In de Leeuwarder Koerier is er bijvoorbeeld een aankondiging van het optreden van Madame Rossetta en haar wonderpaard Hotsjek. 

In mijn herinnering was het dus niet 'hotsjek' maar 'hortsik.' Wat een 'sik' was, wist ik ook als kind al en ik wist ook de betekenis van 'hortsik': opschieten, vooruit met de geit. Bij het zoeken op 'hortsik' ben ik die geit overigens niet vaak tegengekomen. 

Paardenvlees/paardenslager

'Hortsik' heeft veel oudere papieren dan 'hotsjek': het wordt voor het eerst vermeld in Het vaderland van 18 november 1879. In een stukje, 'Brieven uit Amstelland,' worden mensen sprekend opgevoerd. Het gaat over vlees:

- 't Paardevleesch is nou goed genoeg voor de miliciëns, in de rats, daar proeven ze er toch niks van.

-Ken je begrijpen; de sergeant-majoor en de andere lui die van de leveranciers af en toe zoo'n ribbetje of een biestukkie krijgen voor de rikkemdasie, lusten geen hortsik!

Hier wordt 'hortsik' dus gebruikt als benaming voor paardenvlees. In een andere betekenis komt het woord voor in verthalend proza, een feuilleton van Justus van Maurik jr., in De Amsterdammer van 8 maart 1883:


Aan de aanhalingstekens te zien, is 'hortsik' niet de normale benaming. In dit geval gaat het om een paardenslager. 

Het is de vraag hoe gangbaar het woord toen geweest is voor paardenvlees of -slager. In de Provinciale Drentse en Asser Courant van 7 januari 1886 komt 'hortsik' voor, weer in spreektaal, maar wel met een voetnoot, waarin de betekenis wordt uitgelegd. 


Op 15 december 1909 komt Hortsik voor als een buitenlandse eigennaam in Het vaderland: 'Hortsik, de uitgever van Tolstoï's werk 'De goddelijke gerechtigheid en wij', is tot 12 maanden gevangenis veroordeeld.'

Amsterdams woord

In nota bene het Rotterdamsch Nieuwsblad (van 4 juli 1918) moeten we lezen dat 'hortsik' Amsterdams is. Het komt namelijk voor in opstellen van J. Wolthuis over Amsterdamse woorden. 


De twee betekenissen (paardenvlees en paardenslager) worden genoemd, evenals de aansporing van een voerman, die we ook in het lied Hotsjek tegenkomen. Die aansporing wordt wel geschreven met een streepje ertussen. Op mij komt het over alsof het paard met 'sik' wordt aangesproken en dat 'Hort' de aansporing is. Of dat 'sik' nog iets met geit te maken heeft, weet ik niet. Ik kan me wel voorstellen dat iemand die een bokkenwagen bestuurde ook 'hort-sik' zei. 

In 1920 wordt er in het Algemeen Handelsblad (14 juli) weer over 'hortsik' verteld wat we er al over weten, deze keer onder het kopje 'Uit de dieventaal'. Het woord wordt opnieuw Amsterdams genoemd en omdat het over dieventaal gaat, mogen we aannemen dat het weer over gesproken taal gaat. 

Paard

Dat ook een paard, in dit geval een speelgoedpaard, een hort-sik wordt genoemd, komen we tegen op 24 maart 1928 in de Tilburgsche Courant:


Die betekenis (paard) komt in datzelfde jaar ook voor in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (19 mei). Het is weer duidelijk spreektaal: 'Die ouwe os van mien, da's mien hortsik, mien ros....' Opmerkelijk is dat het het geen Amsterdammer is die het zegt, maar een Veluws keuterboertje. Blijkbaar reikt de expansie van het woord tot ver buiten Holland. 

Niet alle vermeldingen kunnen en hoeven genoemd te worden. In 1929 en 1930 is er een vervolgverhaal voor kinderen: 'Hortsik en Hobonk, of de wonderlijke droom van Hannes Mop. De hortsik is daar een wonderlijk stokpaard, dat ook met 'hort-sik' wordt aangevuurd en begin jaren dertig doet een zeilschip met de naam Hortsik het goed bij verschillende wedstrijden. 

Geit


Op 18 mei 1934 is er ineens toch een verwijzing naar een geit, in het Eindhovensch Dagblad waar aan kinderen geleerd wordt hoe ze een geit moeten tekenen: 


Onbeschaafd en onfatsoenlijk

Op 26 november 1951 krijgt sportverslaggever Leo Pagano op zijn kop, omdat hij bij het verslag van de voetbalwedstrijd Nederland - België zich heeft laten gaan. De verslaggever van Het Parool laat weten dat hij het optreden van Pagano 'onbeschaafd en onfatsoenlijk' vindt. Pagano had zich negatief uitgelaten over de scheidsrechter en de grensrechter. De arbiter, Harzic, had hij zelfs Hortsik genoemd. De wedstrijd eindigde overigens in 6-7. 

In 1952 komt de bokkenwagen de krant in rollen. Dat gebeurt in De Waarheid van 2 juli, in het verhaal 'Fed en Vetertje in Priktol-land'. Meneer Kwast, die de leidsels in handen heeft, zegt 'hortsik' om de bok in beweging te brengen. 

Hort, zeg ik

In 2013 besteedde Ewoud Sanders aandacht aan 'hortsik' in NRC Handelsblad van 4 maart onder de titel 'Je gedragen als een paardenvleeseter.' Hij geeft de plausibele verklaring dat 'hortsik' een verkorting zou zijn van 'hort, zeg ik'. Hij noemt ook dat gesuggereerd is dat 'hortsik' een eponiem is, afgeleid van de naam 'Mölscher' en dat lijkt hem sterk. Maar een eponiemenwoordenboek van Wim Daniëls draagt juist de naam Hortsik! Ik heb dat boek niet in kunnen zien. 

Ik ga ervan uit dat het 'hotsjek', uit het begin van deze bijdrage, een variant is op 'hortsik', dat al veel eerder gebezigd werd. Het is een aansporing voor een paard en soms ook voor een geit/bok/sik. In Amsterdam werd 'hortsik' gebruikt voor paardenvlees en paardenslager. De benaming 'hortsik' voor paard, werd in een groter deel van Nederland gebruikt. 

Ik herinner met 'hortsik' nog goed, als een aansporing om op te schieten. Daarbij had ik het idee dat het bij ons redelijk gangbaar taalgebruik was, maar mijn lief (zelfde leeftijd, twee dorpen verderop opgegroeid) kende het niet. Het lijkt me nu terecht een woord in de categorie 'woorden die je weinig hoort.'


Rotterdamsch Nieuwsblad 7 december 1921

vrijdag 14 september 2018

Spochtig (Woorden die je weinig hoort 10)


Onlangs, op 11 september, werd Marente de Moor geïnterviewd in het radioprogramma Nooit meer slapen. Het is hier terug te luisteren. De aanleiding was haar nieuwe roman Foon, al kwam die in het gesprek slechts zijdelings ter sprake. Op een gegeven moment vertelde De Moor dat haar vader haar soms woorden leerde 'die helemaal niet bestaan'. Als voorbeeld gaf ze 'spochtig' als in  'een spochtig keldertje'.

Ze gebruikte het woord ooit in een manuscript, maar haar redacteur kon het niet terugvinden in Van Dale. Volgens De Moor was de betekenis ervan duidelijk en daarom bleef het woord staan.

Mij komt 'spochtig' niet onbekend voor. Mijn moeder kon zeggen dat de spullen op de vliering lagen 'te verspochten'. Maar dat 'spochtig', 'verspochten' en 'verspocht' weinig voorkomen, dat klopt wel. Ik heb ze de laatste jaren nauwelijks nog gehoord.

WNT

Het woord 'spochtig' komt niet voor in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, maar wel het woord 'spocht', met de betekenis 'Door vocht veroorzaakte donkere stippen in geweven stoffen, papier enz.'  Als bewijsplaats wordt een citaat gegeven uit de Haagsche Post (1918): 'De zwarte stipjes in uw wit goed, het z.g. spocht of het weer, kunt u verwijderen'.

Ook 'verspochten'  wordt genoemd, met als betekenis 'Door vochtigheid uitslaan, weervlekken krijgen of beschimmelen; door vochtigheid vergaan, bederven, verrotten. Inz. van hout of houten voorwerpen en van geweven stoffen (zie hier). Het oudste citaat met 'verspochten' stamt uit 1805: 'Beukenhout verspogt zeer spoedig in de aarde, en de palen van hetzelve duren slegts een paar jaren.'

Tussen de citaten treffen we er ook een aan van Nicolaas Beets (uit 1890):
De Kennisboom, waarom de Slang haar bochten Geslingerd had, toen zij den Mensch bedroog, Moest op Gods wenk verschrompelen en verspochten, Zoo laag gedaald, als eenmaal schoon en hoog.
 En een voorbeeld uit de streektaal, Uddel 1890:
De boerin is aan 't verzonnen, als ze boven- of onderkleeren, die weinig of niet gedragen worden …, op een mooien dag in de zon hangt of legt. Dan geet er de moffe lucht af, en 't goed verspocht ook nie, weet i?

Kranten

Dat zijn twee citaten uit 1890. Rond die tijd vinden we ook de oudste citaten in kranten. Er zijn enkele tientallen vindplaatsen. Niet heel veel misschien, maar toch te veel om de spochtwoorden zeldzaam te noemen.

Enkele voorbeelden.

In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 26 januari 1883 staat een artikel over het oud-provinciaal archief, waar de tand des tijds enkele pakken papier heeft weggenomen,
(...) of waren deze door vocht zoo verspocht, dat zij bij aanraking tot stof uiteenvielen.

 In de Middelburgsche Courant van 7 juli 1907 staat een geruststellend artikel. Zo erg is het nu ook weer niet met de invloed van vocht:
Brandhout, willekeurig neergeworpen in een niet te vochtigen kelder, zal, wanneer het voor één of twee winters moet dienen, daardoor nog niet verspochten of voor het doel onbruikbaar worden.
In de Arnhemsche Courant van 1926 schrijft iemand over de handelwijze van het Openluchtmuseum:
Arnhemsche Courant, 11 november 1926
In de rubriek 'Brieven uit de hoofdstad' schrijft Joannes Mirator in de Leeuwarder Courant 1933 over De Zeedijk:
Leeuwarder Courant 10 juni 1933

Een advertentie in de Provinciale Overijsselsche en Zwolse Courant van 14 augustus 1942.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 14 augustus 1942

In het Dagblad van het Oosten (Almelo's Dagblad) van 5 mei 1944 staat een verslag van de rechtszaak waarin de Reutumsche hamsteraar voor de economische rechter moet komen. Een getuige beschrijft hoe de chaos was op de zolder van de hamsteraar:
Manchesterbroeken, jasjes enz. waren geheel verspocht, de muizen hadden aan de overhemden gevreten, de zeep was uitgeslagen, evenals de chocolade, waarvan een deel reeds was bedorven.

Na de oorlog

Op al die vindplekken heeft 'spocht' te maken met het aangetast worden door vocht. Kleding, behang, huizen. Ik heb een stel oude vindplaatsen gekozen, maar ook na de oorlog komt het woord nog geregeld voor. Vooral in Het Vrije Volk, als daar weer eens gewag wordt gemaakt van barre woonomstandigheden, komen we de spochtwoorden geregeld tegen.

In Het Vrije Volk van 8 november 1973 treffen we bijvoorbeeld de volgende passage aan:

In de loop der jaren wordt 'spocht' minder bekend. In Trouw wordt er verschillende keren aandacht aan besteed door J.G.A. Thijs. Hij komt tot de conclusie dat 'spochtig' en 'verspochten' vooral bekend zijn in het oosten des lands (Gelderland en Overijssel) en in Het Gooi.

Thijs

Op 4 december 1982 schrijft Thijs in zijn rubriek naar aanleiding van een lezersvraag. De lezer is het woord 'verspochten' tegengekomen en vraagt zich af of het nog tot de actieve woordenschat behoort. In een volgende bijdrage (18 december 1982) komt Thijs erop terug. Hij signaleert dan dat het woord ook door watersporters wordt gebruikt.

Ruim vijf jaar later (maart 1988) neemt Thijs de draad op in het artikel Verspochten in het Gooi. Hij kwam het woord 'spochtig' tegen in de roman En joeg de vossen door het staande koren van Jan Siebelink. De titel geeft hij overigens niet helemaal goed weer. Ook signaleert hij het in Siebelinks verhalenbundel Nachtschade  en in de roman De Zeevlam van Hermine de Graaf ('de verspochte bekleding' in een leegstaand hotel en 'een verspocht vloerkleed').

Thijs noemt ook een predikant, die zegt dat hij ergens nog 'een verspocht diploma' van de hogere landbouwschool heeft. Verder geeft hij citaten van J.K. van Eerbeek ('een verspochte hoedendoos', 'dat verspochte stroo'). Weer noemt hij de regio's waarin het woord vooral voorkomt, om te besluiten met het advies om zuinig te zijn op deze mooie woorden.

Op 10 september 1988 schrijft Thijs een vierde keer over 'verspochten'. Hij vermeldt de reactie van een echtpaar uit Amersfoort. Voor hen is 'verspochten' een gewoon woord, dat ook figuurlijk gebruikt kan worden. Van een krasse bejaarde kun je zeggen dat hij nog lang niet verspocht is.

Het feit dat 'verspochten' en 'spochtig' aandacht krijgen, duidt er al op dat de woorden niet meer voor iedereen vanzelf spreken. Maar in het 'wetenschappogram' waarvan de uitslag op 11 juni 1988 in De Telegraaf staat, had men toch ook ergens 'verspochten' in moeten vullen.

Literatuur

Thijs noemde al enkele schrijvers die het woord 'spochtig'/'verspochten' gebruiken. Jan Siebelink gebruikt het zeer geregeld. Behalve in de door Thijs genoemde boeken trof ik het aan in Laatste schooldag:
Water dat eerst langs zijn eigen lichaam is gegaan en zó geurstoffen heeft opgenomen. De vermaarde ‘geurserenade’. Dan daalden we dieper af. Bobby hield ineens zijn pas in. Vlak boven het bruin van spochtig houtafval en rottend blad stond een weergaloos mooie bloem: het venusschoentje.
Siebelink gebruikt het ook in een stuk in de Volkskrant (26 oktober 1991), onder de titel 'Ik prefereer stilstaand water boven stromend':
Het mos is hier veerkrachtig, spochtig en diepgroen.
In dit geval betekent 'spochtig' waarschijnlijk eerder 'vochtrijk' dan 'door vocht aangetast'.

Ook in een vrij recente roman (Voorland, 2016) van Octavie Wolters komt 'spochtig' voor:
Het was de vol oranje gloed over de oude slingerboom aan de rand van het dorp, bij het bos met de zalen, grote open plekken omlijst door eiken. Eekhoorntjesbrood op de omgevallen stammen, vliegenzwammen tussen de goudgele deken van afgevallen bladeren met nu en dan een onverwacht laagje rijp op de spinnenwebben aan de afgebladderde rode spijlen van het ijzeren bruggetje over de beek. Met dor en krakend bruin dat zich langzaam en ongemerkt onderop een weg vrat, vocht dat ongemerkt in de kieren van de huizen en de schuren verdween, neersloeg en verschimmelde in de verste hoeken, spochtig en grijs. 

Internet

Journalisten en schrijvers zijn professionals op het gebied van de taal. Maar hoe staat het met de gemiddelde internetgebruiker? Die gebruikt 'spochtig' vaker dan ik verwachtte. Bijvoorbeeld in een reactie op Booking.com. Het Beach Hotel (Oman Muscat) beviel maar niks:
Een slecht onderhouden hotel en smerige kamer, roestig en spochtig.
Ben gaf slechts een 4,2 als cijfer.

Ook in een reactie op een autocamping aan het Lipnomeer komt het woord 'spochtig' voor:
Sanitair is zoals het een Tsjechische camping betaamt: spochtig, geen douchedeurtjes maar wel gemoedelijk.
In dit soort conversaties lijkt 'spochtig' niet ongebruikelijk. Iemand op het camperforum vindt de toiletruimte van zijn camper spochtig en op het Viva-forum vertelt Meepie dat ze de automatjes in de zon laat drogen, omdat ze wat spochtig zijn geworden. Dan reageert ene Zoebie wel met: 'Haha Meep. Spochtig. Leuk woord.'

Een professionele aanpakker van vochtoverlast is de loodgieter. De loodgieter in Deurne weet dan ook wat spochtig betekent. We lezen op zijn site:
Een lekkage resulteert in wateroverlast, een vochtig (en spochtig) huis, schimmels en met grote regelmaat tot een overheersende rioollucht.

Op een forum vraagt een antiquaar of hij het woord 'spochtig' mag gebruiken als synoniem van 'weersvlekkig'. En op marktplaats trof ik matrassen aan, 'een beetje spochtig op plekken'.

Een Friese dichter, Edwin de Groot, vertaalt een gedicht in het Nederlands. Een strofe:
Ik keek er bijkans achteloos overheen
het kalme wiegen van een pluim gebroken wit
te midden van spochtig gevallen blad
Aan 'bijkans' besteedde ik eerder aandacht.

Hierboven kwam al een keer 'spochtig' voor bij een persoon. Dat gebeurt ook in de groep nl.politiek. Frog 3 plaatst een mail van Karin Spaink. Dakduvel reageert daarop met:
mojje die bagger van da spochtig wicht nou werkelijk hier neer pleure?
Tilly reageert:
Zeg, dat spochtig wicht heeft meer guts in haar hele kapotte lijf dan jij ooit in het puntje van je dierbare delen zult kunnen voelen, geestelijk wangedrocht...

Vergeetwoord?

Van tijd tot tijd komen woorden als 'spocht', 'spochtig' en 'verspochten' nog wel voor. Ik dacht dat deze woorden zo ongeveer verdwenen zouden zijn, maar ze duiken hier en daar nog op. Bij het grote publiek zijn ze niet bekend. Zelfs een schrijver, Marente de Moor, denkt dat 'spochtig' geen officieel woord is.

Hopelijk blijven er mensen bestaan die zich van tijd tot tijd een van deze woorden in een gesprek, al dan niet op internet, laten ontvallen. Ik gun ze een levendiger bestaan dan in spochtige woordenboeken. 

woensdag 13 december 2017

Spic en span (Woorden die je weinig hoort 9)



Op dit moment lees ik Mazzel tov van Margot Vanderstraeten. In België is het boek een bestseller en blijkbaar loopt het in Nederland ook goed. Bij de 'boekenwedstrijd' van NRC Handelsblad staat het tussen de vijfentwintig boeken waarop gestemd kan worden.

Overt wat ik van Mazzel tov als geheel vind, zal ik later schrijven. Nu over een passage die me opviel. Op bladzijde 177 las ik:
Krystina vulde een emmer met sop. Zij zou ervoor zorgen dat alles er straks spic en span bij lag. 
Dat 'spic en span' hoor je niet zo veel meer, dacht ik. Het betekent natuurlijk 'schoon', of zoals de Vlamingen zeggen: 'proper'. Vanderstraeten is Belgische en blijkbaar is in België de uitdrukking 'spic en span' (nog) gangbaar.

Leeuwarder Courant 24 februari 1975
Mijn indruk dat in Nederland 'spic en span' niet zo veel meer gebruikt wordt, blijkt overigens niet te kloppen. Onder mijn leerlingen (scholieren in het middelbaar onderwijs) zijn er heel wat die weten wat ermee bedoeld wordt. Dat er ooit een schoonmaakmiddel was dat zo heette, weten ze dan weer niet.

Blijkbaar was het schoonmaakmiddel Spic en Span zo succesvol dat alleen de naam al synoniem werd met schoon. Advertenties uit de tijd van mijn jeugd (de jaren zeventig) zijn gemakkelijk te vinden.

In 1975 blijkt de Spic en Span 1,29 te kosten bij de C en C Euromarkt. Er werd nog betaald in guldens, ondanks de naam van de winkel.

Limburgsch Dagblad 27 september 1972
Drie jaar eerder, in 1972 dus, kostte Spic en Span 1,43, al kon de Gegro het product aanbieden voor 1,19. 'Gegro nagelt de concurrentie aan de prijzenschandpaal!' staat er boven de advertentie. Er wordt maar liefst 11 procent korting gegeven. In de advertentie staat '11% verlaging'. Dat scheelt blijkbaar knaken, gezien de afgebeelde munten. Op de uitsnede die ik van de advertentie genomen heb, is niet meer te zien of het guldens of rijksdaalders zijn, maar het zijn rijksdaalders.

Mijn moeder gebruikte geen Spic en span, maar ik kende het merk. Het was op dat moment al niet nieuw meer. Aan het eind van de jaren vijftig wordt er veelvuldig voor het schoonmaakmiddel geadverteerd in de kranten (zie ook de advertentie onderaan). Spic en span maakt alles blinkend schoon, zonder dat je hoeft te schrobben en het heeft ook nog de geur van dennen. Schoonmaken gaat, door het gebruiksgemak, sneller dan met de andere producten. Het kan nu in de helft van de tijd. Als we die advertenties tenminste moeten geloven.

In de jaren zestig gaat het blijkbaar goed met Spic en Span, want er is geregeld een vacature voor een vertegenwoordiger die verschillende producten, waaronder Spic en Span op de winkelschappen moet zien te krijgen.

De Maasbode 23 november 1929.
In verschillende oudere advertenties (eind jaren twintig, begin jaren dertig) wordt er geadverteerd voor de combinatie Premier Junior of Duplex (een stofzuiger) en Spic-Span (blijkbaar een klein zuigertje), bijvoorbeeld in de de Maasbode van 23 november 1929 (zie hiernaast). De merknamen Spic-Span en Spic en Span liggen merkwaardig dicht bij elkaar en allebei hebben ze met schoonmaken te maken.

Spic en span is niet oorspronkelijk Nederlands; het was een Amerikaans merk. In december 2016 besteedde de 'Taalisman' (Frans Lisman) er een mooie bijdrage aan. Volgens de Oxford Dictionary hebben de Engelsen de uitdrukking ontleend aan het Nederlandse 'spiksplinternieuw'. Op een site kom ik ook nog een verwijzing naar Noorse herkomst tegen.

In ieder geval was Spic en Span een bekend schoonmaakmiddel. Waarschijnlijk is het in Nederland geïntroduceerd in 1922. In het Haarlems Dagblad van 4 november kwam ik onderstaande tekst tegen, waarin de datum 3 november 1922 wordt genoemd.

We kunnen ons afvragen of het om hetzelfde schoonmaakmiddel gaat als het middel waarmee later vloeren werden gereinigd. In de advertentie wordt immers alleen gesproken over koper, zilver en nikkel. Misschien is het een soort Brasso geweest. Voor de herkomst van de uitdrukking 'spic en span' in de betekenis van 'schoon' lijkt het me van minder belang.


Het schoonmaakmiddel wordt gepersonaliseerd: Spic en Span zijn twee personen geworden, twee figuurtjes. Ik kwam ook onderstaand plaatje tegen, zonder bronvermelding. Het zal wellicht van later datum zijn, maar de figuren verwijzen duidelijk naar het schoonmaken. De tekst is: 'Zo, alles weer Spic en Span'. Of de uitdrukking toen al gangbaar was of op dat moment geïntroduceerd is, kon ik niet achterhalen.


Spic en Span als benaming voor een duo heeft overigens ook navolging gevonden. Er is een Limburgs feestduo dat zich Spik en Span noemt. Wie benieuwd is naar de muziek van het duo kan dat op YouTube met gemak vinden. Een afbeelding van het tweetal vindt u onder aan dit blogbericht.

In Vrij Nederland wordt in 2007 verslag gedaan van het proces Holleeder. Daarbij komen ook de onderwereldfiguren Klepper en Mieremet ter sprake. Ook zij worden aangeduid als Spic en Span.

In 1968 blijken Spic en Span niet meer twee personen te zijn, maar dan bestaat er een 'meneer Spic & Span'. In de advertentie (Het Parool, 29 februari) wordt in de naam het &-teken gebruikt. We komen ook wel, in het Engelse taalgebied de spelling Spic 'N Span tegen.
Het Parool, 29 februari 1968
De Telegraaf, 11 april 1968
De meneer blijkt overigens niet alleen te zijn. Er is een team van mensen die gekleed zijn in rood en geel. Wie een simpele vraag kan beantwoorden en een pak Spic & Span kan laten zien, verdient vijfentwintig gulden.

Het schoonmaakmiddel werd zo bekend dat de naam synoniem werd aan glanzend schoon. Daar hebben veel bedrijven bij de keuze van hun naam dankbaar gebruik van gemaakt. Wie even googelt, vindt dan ook verschillende bedrijven die zich Spic (of Spik) en span noemen. Het betreft schoonmaakbedrijven, glazenwassers en verwante dienstverleners. Je vindt de voorbeelden bijvoorbeeld hier en hier. Er zijn er heel veel meer.

Opmerkelijk is een bericht in de Leeuwarder Courant van 12 november 1992 over een sportkrant die huis-aan-huis verspreid wordt. De naam daarvan is SPAN, Sportief Aktueel Noord. Dat blijkt geen succes: de freelancers en de medewerkers hebben nog 50.00 gulden tegoed. Intussen wordt er al gewerkt aan het uitbrengen van een soortgelijk blad. De auteur van het artikel suggereert als naam van het blad SPIC (Sport In Contanten).

In krantenberichten komt de uitdrukking 'Spic en Span' regelmatig voor en dat gebeurde zelfs nog vrij recent: bijvoorbeeld in het AD (2016): 'Alles spic en span voor koninklijk bezoek.' Veel vaker dan ik verwacht had, komt de uitdrukking voor.

In Computerworld (2017) lezen we: 'Maak Android weer spic en span schoon'. Strikt genomen had dat 'schoon' er niet achter gehoefd; 'spic en span' betekent al 'schoon'.

Opmerkelijk is dat in NRC Handelsblad van 6 september 1986 de Engelse variant, 'spic-and-span' wordt gebruikt (zie hier).

Nog een voorbeeld:
Trouw, 19 mei 1988

Een nieuwe betekenis vond ik in het Gouds Dagblad van 5 december 2017: 'Wil jij er ook spic en span bijlopen?' Het artikel is gepubliceerd in de maand van de kerstdagen en op de foto zien we schoenen. 'Spic en span' betekent hier niet 'schoon', maar 'tot in de puntjes verzorgd'. Die betekenis kwam ik nog niet eerder tegen.

Ten slotte blijkt spic en span ook een stof te zijn. Het wordt vermeld in de Volkskrant van 3 maart 1959 in een artikel over Modehuis Holthaus. De titel luidt: 'Vernieuwd huis Holthaus toont exclusiviteit naast eenvoud.' Het modehuis toonde de 'boutique-collectie'. Daar was ook kleding bij die gemaakt was van spic en span, een mengsel van wol en orlon. 'Ideale stof' volgens de journalist, want het kreukt niet.
De Volkskrant 3 maart 1959

Voor mij is 'orlon' al een onbekend woord. Het zal een synthetische stof zijn. Mijn moeder en mijn zus hoorde ik indertijd wel praten over 'dralon' wat een soortgelijke stof zal zijn. Het zal niets voor niets eindigen op -lon, net als 'nylon'

Spic en Span was een beroemd schoonmaakmiddel. Het bereikte vanuit Amerika niet alleen het Verenigd Koninkrijk en Nederland, maar ik ben ook verwijzingen naar 'Spic und Span' en 'Spic e Span' tegengekomen. De uitdrukking 'Dat ziet er weer spic en span uit, is in ieder geval vrij algemeen geweest en nog steeds wordt die veel gebruikt.

Waarschijnlijk komt dat mede door de reclame. Er zijn op YouTube veel commercials te vinden, die doorlopen tot in de jaren negentig van de twintigste eeuw. Het product figureerde ook in verscheidene 'soap opera's', lees ik hier, op de Engelstalige Wikipedia. Het vreemde is dat er als startpunt voor Spic and Span de jaartallen 1926 en 1933 worden genoemd, terwijl er in Nederland in 1922 al naar verwezen wordt.

Het product is, voor zover ik weet, verdwenen, maar de uitdrukking bestaat nog. Misschien zullen we nog jarenlang zeggen dat iets er spic en span uitziet. Het zou me niet verbazen.


Het Vrije Volk, 16 januari 1958

Leeuwarder Courant 28 augustus 1981


donderdag 7 januari 2016

Wildzang (Woorden die je weinig hoort 8)


Onlangs las ik een paar bladzijden in het curieuze kinderboekje Roepstemmen, een verhaal voor kinderen, door Josijne. In een latere bijdrage kom ik op dat boekje terug. Op de eerste pagina wordt de hoofdpersoon geïntroduceerd, een negenjarig meisje. Ze heeft eerst een tak opgeraapt, maar die is intussen gebroken.
(...) ze trok en rukte aan een jongen buigzamen struik, tot ze een tak, waaraan enkele knoppen schuchter te voorschijn kwamen, had losgerukt en nu zette ze voldaan hare wandeling voort. Arme jonge tak! zoo wreed afgescheurd en dat door zulk een onbedachtzame wildzang!
Mij viel het woord 'wildzang' op, een woord dat je nog maar weinig hoort. De laatste keer dat ik het tegenkwam was als titel van een roman van Gijs IJlander, een aardig boek. In die roman is Wildzang de naam van een boerderij, die waarschijnlijk verwijst naar het gezang van vogels.

In het WNT wordt dat ook als eerste betekenis gegeven. Er zijn restaurants, scholen en zelfs een uitvaartcentrum te vinden die, waarschijnlijk mede daarom, Wildzang heten.

In 1976 werd er een groot kunstwerk (80 bij 25 meter) met die naam geplaatst op de Bijlmerweide in Amsterdam-Zuidoost. Dat was een verbeelding van het gedicht 'Wiltzangh' van Vondel. Dat gedicht begint met 'Wat zongh het vrolijck vogelkijn / dat in den boomgaert zat!' Onder de titel staat 'Op de zelve hofstede', wat erop duidt dat er ook toen al een boerderij was die naar het gezang van de vogels was genoemd.

Maar het gaat mij om de betekenis die 'wildzang' heeft in het kinderboek en die komt overeen met de indruk die ik daarvoor er al van had: een wildebras, een jong iemand die haar eigen gang gaat en zich van niemand iets aantrekt. Voor mijn gevoel past het woord meer bij een meisje dan bij een jongen.

Het WNT geeft als betekenissen:
1.Het natuurlijk gezang van één of meer vogels.
2.De in het wild levende zangvogels.
3.Muziek die, gezang dat niet aan de eischen of normen voldoet; niet door de normale of correcte ordeningsprincipes geleid(e) muziek of gezang; wilde muziek, wild gezang.
4. Gepraat dat geen steek houdt; onzin, nonsens, wartaal.
Dan pas krijgen we de persoon die een wildzang is:
5. Iemand wiens optreden door onbezonnenheid en wildheid gekenmerkt wordt; wild, onbesuisd, onstuimig persoon.
6.Persoon die in eenig opzicht nog ongevormd is.
7. Wild, onbesuisd en onbezonnen gedrag; gekkigheid.
Zoals 'wildzang' zowel op het gezang als de zanger kan slaan, kan het blijkbaar ook zowel op een persoon slaan als op zijn gedrag.

Enkele citaten die het WNT geeft:
Men seght: hy heeft den worm int hooft.
VVaer uyt verstaen wort en ghelooft,
Dat daer men dese spreuck van seght,
Een wilt-sangh is, en gheiren veght 
P. Croon, Almanach voor heden en morgen (1665), zie hier. Ook Bernard ter Haar kent de wildzang (1843), zie hier, blz. 32 (1844):
'k Verbied den wildzang keer op keer —
Daar steelt de schalk den bezem weêr
En neemt den stok tot paardjen
Nog een citaat uit het WNT, van A. Snieders (1876):
Terwijl de non … de lekkernijen uitdeelde en de wildzangen beurtelings liet drinken, gaven deze aan hunne kwaadspitserij vollen teugel.
En P.A. Daum schreef (Hoe hij Raad van Indië werd, 1888):
Zij zong en sprong van de trap in de achtergalerij, zooals ze gedaan had, toen ze nog 'n wildzang was van vijftien jaren.
Vooral dat laatste citaat past bij het beeld dat ik altijd van een wildzang heb gehad. Weliswaar iemand die zich niet aan de regeltjes houdt, maar over wie je ook met enige vertedering kunt spreken.

Al die citaten passen bij een wild, onbesuisd, onstuimig persoon, betekenis nummer 5 dus. Ook bij een persoon die 'in eenig opzicht nog ongevormd is' geeft het WNT citaten. Een mooi voorbeeld van de hand van Wolff en Deken (Brieven van Abraham Blankaart, 1787 - 1789):
Wildzangen …, dat zyn ook al van die steenen, daar God de Heer … Abraham, Kinderen uit zal verwekken.
Multatuli gebruikte de benaming ook voor schrijvers die zich niet aan de regels hielden:
Al die wildzangen (t.w. auteurs als Shakespeare, Sophokles en Euripides) hadden nooit 'n behoorlyk reglement op 't "ontroeren" der toeschouwers in handen gehad. De stumperts zochten waarheid in Natuur.
'Wildzang' komt waarschijnlijk af van 'wildvang', jachtvogel die pas als volwassen dier wordt afgericht. Dat is terug te vinden op verscheidene plaatsen, bijvoorbeeld hier, in Van Dale Etymologisch woordenboek.

Zomaar zoeken op internet geeft niet zoveel resultaten. Theo Thijssen maakt korte metten met een boek van L.T. Meade, dat in vertaling Een wildzang heet. U vindt zijn stuk hier. De schrijfster is niet goed wijs, vindt hij.

Wat zij onder een wildzang verstaat, wordt wel duidelijk:
Irene is het grootste mirakel, waar ik ooit van gelezen heb. Iedereen in het dorp rilt, als hij haar naam hoort. Zij jaagt alle bedienden, juffrouwen en meesters in één week weg; loopt uren in den regen, ligt uren in de sneeuw, als ze zin heeft. De meeste nachten gaat ze varen op het meer. Ze komt spoken bij de keukenmeid. Ze draagt altijd een vuurroode jurk; haar manier van rouwen, zegt ze. Als ze een gouvernante weg wil werken, neemt ze haar in een storm mee op het meer, stuurt de boot in een stroom, die naar een waterval voert.
Inderdaad, iemand die zich bepaald niet aan de regeltjes houdt. Dat een wildzang bij voorkeur een meisje is, klopt niet. Bij Ludwig Franz von Bilderbeck trof ik een mannelijke wildebras aan in Wezenlijkheid en schijn. Een tafereel der zeden van onzen tijd (1829), deel 2 blz. 25



Hier heeft de benaming wildzang absoluut niets vertederends. Het is duidelijk dat de verteller het gedrag van de wildzang afkeurt. Bovendien is het hier een jongeman. Mijn indruk dat wildzangen meisjes en jonge vrouwen zijn, klopt dus niet, wat ook al bleek uit het citaat van Multatuli. 

Het christelijke kinderboekje waarmee ik dit stukje begon is niet het enige in zijn soort waarin een wildzang voorkomt. Er blijkt ook nog een boekje Nellie, de kleine wildzang te zijn. Google Books geeft als inhoud:
Kleine Nellie is omgeven door luxe, maar hoort nooit iets over de Heere God. Pas als ze door haar eigen onbedachtzaamheid blind geworden is, hoort ze van een nieuwe gouvernante geschiedenissen uit de Bijbel en leert ze de Heer liefhebben. Zo wordt Nellies ongeluk haar tot een zegen.
Die 'onbedachtzaamheid' past wel bij de titel. Verder kwam ik onderstaand boek nog tegen. Daar wordt 'wildzang' waarschijnlijk toch met iets luchtigs geassocieerd. In ieder geval is het een blijspel.

En nog eentje: De wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees, van C. de Kinder (1920): 
Wanneer het gebeurde, en zeldzaam was het niet, dat hij en zijne makkers door hunne brutale guitenstreken heel de buurt in rep en roer hadden gezet, dan kwam Moeder Neeltje hijgend en kijvend aangetrippeld, en recht op den deugniet af. Deze, zonder zich tegen de bestraffing te verzetten of de plaat te poetsen, liet zich gedwee bij het oor grijpen en bukte zich dan zelfs, opdat de oude vrouw den arm niet te hoog zou moeten rekken. Zoo keerden zij naar huis, en meer dan eens was het al gebeurd dat Jan, zijn Grootje buiten adem ziende, haar doodeenvoudig met zijne sterke armen optilde en licht als een pluimpje voortdroeg, zonder dat zij daarbij zijn oor losliet of ophield hem te bekijven. Wee echter degenen, die op zijn doortocht het waagden te lachen of met hen te spotten! Ze konden er stellig op rekenen 's anderdaags met zijn duchtige knuisten in aanraking te komen. Was Jan een wildzang van de ergste soort, toch had hij hoedanigheden, die veel goed maakten: hij had een onoverwinnelijken afkeer van veinzerij en logentaal en kon geen onrecht zien plegen.
 Weliswaar wordt Jan 'een wildzang van de ergste soort' genoemd, maar hij is sympathiek en wat hij uithaalt zijn 'guitenstreken'. Op boekwinkeltjes.nl kwam ik ook nog verschillende keren Juffertje Wildzang tegen.

De natte vinger in de lucht: hoe staat het met het woord 'wildzang'? Wildzang, in de betekenis van onbesuisd persoon, komt tegenwoordig nauwelijks nog voor. Ik ben het niet tegengekomen in recente teksten.

Een wildzang is iemand die zich niet aan de regeltjes houdt. Er zijn meer jonge vrouwen / meisjes die een wildzang genoemd worden dan jonge mannen / jongens, maar het woord kan op mensen van beiderlei kunne van toepassing zijn.

Ten slotte: een wildzang kan vertederend zijn, maar soms is het iemand die echt te ver gaat en over wie slechts afkeurend gesproken wordt.

De typering 'wildzang' voor een persoon is zo ongeveer verdwenen. Nog een tijdje en niemand weet meer of hij of zij ooit een wildzang is geweest. En hoe zou het eigenlijk staan met 'wildebras'?

woensdag 16 september 2015

Drentelen (Woorden die je weinig hoort 7)


Al een tijd ben ik aan het lezen in De klop op de deur van Ina Boudier - Bakker. Het schiet niet erg op. Dat ligt niet aan het boek, want ik vind het interessanter dan ik had verwacht, maar aan de drukten om en in mij waardoor ik niet een tijdlang aan het lezen blijf.

Op bladzijde 202/203 lees ik over Annètje Craets het volgende:
Ze keek naar buiten - keek in haar naaidoos - stond op - drentelde de kamer door - in een gracieus behagelijk bewegen.
In die zin staan enkele woorden die we niet meer dagelijks gebruiken. Of mensen nog een naaidoos hebben (in de betekenis die Boudier-Bakker bedoelt), weet ik niet en 'behagelijk' kennen we eigenlijk nog alleen in zinnen als 'Het is hier behaaglijk warm'. Dat laat ik even zitten. Het gaat mij om 'drentelen'.

Toen ik in mijn omgeving vroeg wat de betekenis is van 'drentelen', kreeg ik antwoorden als 'trippelen', maar ook 'slenteren'. Volgens de een paste het vooral bij de manier van lopen van een kind, volgens anderen hoeft dat helemaal niet.

In Van Dale vinden we de volgende betekenissen:
1. langzaam, op zijn gemak voort- of heen en weer wandelen, zonder bepaald doel rondlopen.
2. talmen
Het is altijd goed om ook even terug te kijken. In het WNT worden vier betekenissen gegeven:
1. Op zijn gemak of langzaam heen- en weerloopen, rondloopen of voortloopen.
2. Langzaam en met moeite loopen.
3. In toepassing op het trappelen en stampvoeten van eene koe, die op het punt staat te kalven.
4. Talmen. In dezen zin niet meer algemeen

Als we het citaat van Boudier-Bakker voor ogen houden, dan vallen betekenis drie en vier af. Het lijkt me dat Annètje een beetje heen en weer loopt, zonder een bepaald doel.

Het oudste citaat dat WNT geeft bij de eerste betekenis is van 1789, van Wolff en Deken (Brieven van Abraham Blankaart):
Ik wil niet hebben dat gy daar als lange lummels … door de kraamen zult loopen drentelen, om naar allerleie ydelheid te staan kyken en gaapen.
Uit de negentiende eeuw zijn er verschillende citaten, van onder anderen A. Fokke Simonsz, Nicolaats Beets, Carel Vosmaer en Virginie Loveling. Ik vond nog een aardige in de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Hij bespreekt het boek Norine's keuze van H. van der Laan (1889):
Met dit en de volgende werkjes tegenover mij gevoel ik mij weêr heelemaal als op een bewaarschool van auteurs. Pieperige schrijvertjes, popperige boekjes-schrijf-industrieeltjes drentelen dreinzend langs mijn kuiten, aldoor maar dezelfde zeurderige woordjes herhalend. Het zijn echte nare, vervelende lammenadige kindertjes, en ik weet niet eens wat zij bedoelen, ik weet waarachtig niet wat of ik hun andwoorden moet. Ja, ja, lievertjes, goed-zoo, best, ferm, pake komt al,... maar schei nu ook uit, schei uit, 't is om tureluursch te worde... ja, ja, ik heb' et begrepe, kriste's, hoe kanne jullie zoo in 't oneindige 't zelfde zegge!...
Virginie Loveling, die ook al in het WNT wordt genoemd, leverde nog een aardig voorbeeld op bladzij 162 van Een dure eed (1892)
Hij bleef niet lang in den elskant meer. Hij trok de koeien achter zich mede naar 't hof en ‘kniepootte’ ze - 't is te zeggen: een zeel aan een hoorn en een voorpoot kort toesnoeren om het schenden der fruitboomen te voorkomen; en hij ook ging heen, doch alleen in de stukken drentelen, terwijl Blesse en Roos en Sterreken met den kop, die niet meer recht kon, schuins hem naloeiend, gehinderd en ongeduldig dravend, pogingen deden om hare boei los te wringen, en niet of slechts weinig meer op den kortgeschoren boomgaard grazen wilden. 
Een ander voorbeeld trof ik aan in Tirol van Carry van Bruggen (1926):
En daar drijven we mee met de stroom, in een zoete schemering, in een aangename atmosfeer van zalige vermoeienis. Want langs de stralende, weelderige winkels, bioscopen, café's, konditoreien drentelen bijna enkel toeristen, van een zware dagtoer weergekeerd, de leden mat van heerlijke loomte, de ogen zonverzadigd, de longen luchtvervuld... ze drentelen, roken, lachen, snoepen. Nikkerkoppen vertonen ze boven de blauwlinnen bergtoerjasjes. Morgenochtend gaan ze weer, morgenavond komen ze weer met hun sfeer van zalige vermoeidheid de Maria-Theresien-straat vervullen, de lichte, vrolijke, aan het eind waarvan de donkere, steile bergwand rijst.
Kampioen drentelen lijkt me Daan van der Zee. In zijn verhaal 'Politiekamer', gepubliceerd in Groot Nederland (1905) wordt er maar liefstvijf keer gedrenteld in tien bladzijden, waarvan drie keer op één pagina:
Even-gedraai van blauw en grijs en kort beweeg van vochtige schoenen, dan weer strak-zien der oogen naar de boomen, waartusschen enkele wandelaars drentelen naar 't Bosch.
 (...)Van avond zal hij weer met hàar uitgaan zooals gisteren, en een stil verrukken, dat even opflitst uit z'n staar-oogen golft warm door z'n gebogen lijf. Weèr drentelen langs de kronkel-paadjes van de Scheveningsche boschjes, de arm geslagen rond haar middel, gebogen 't hoofd tegen het hare. En dan weer zalig fluisteren intieme woordjes en weer indrinken die gulle lachjes uit haar tintel-oogen. Straks, als 't koffie-drinken is afgeloopen en fluks de jasknoopen even blinkend zijn gewreven, zal hij vlug uitgaan de poort met gauw-een-groet aan den op-en-neer-drentelenden sergeant en dan haastig afloopen de Mauritska, Piet-Heinstraat en Heemskerckstraat, en dan èven fluiten, zoò....
 (...)En langs de smalle paadjes drentelen de paartjes, die wachten den avond. Meest soldaten. Jagers en grenadiers en huzaren, wier kleuren-gewirwar heenschemert door 't jonge bladgroen. 
In moderne teksten kom ik het woord nauwelijks meer tegen. Op de site Brabants Centrum trof ik een stukje aan over een oversteekplaats voor koeien. Er bij stond deze foto:


Het onderschrift: 'Koeien drentelen van Kampina naar Mortelen'. Daar heb ik wel mijn twijfels bij. Het lijkt erop dat de koeien vrij doelbewust aan het oversteken zijn en ook aardig doorlopen. Daarbij past eigenlijk niet het woord 'drentelen'. Daar moeten we de schrijver misschien maar niet te hard om vallen: als een woord zo weinig voorkomt, kun je het gemakkelijk verkeerd gebruiken.

Een enkele keer wordt drentelen uitdrukkelijk afgekeurd, bijvoorbeeld in het boek Spreken in het openbaar (2011) van Patricia Jansen.
Stil blijven staan is veel moeilijker dan lopen. Alhoewel lopen een presentatie soms een meer ontspannen en dynamischer uitstraling kan geven, kan daar dan ook beter niet te vroeg mee worden begonnen. Dynamisch heen en weer lopen ontaardt bij mensen met te weinig ervaring al snel in zenuwachtig gedrentel.
Stilistisch is er wel wat op het citaat aan te merken, bijvoorbeeld het gebruik van 'dan ook' dat in die zin niet op zijn plaats is. Het doelloze van drentelen komt wel duidelijk in het citaat naar voren. 

Eigenlijk komen alle voorbeelden van 'gedrentel' of 'drentelen' op hetzelfde neer: doelloos heen en weer lopen. Verschillende keren trof ik het woord aan in combinatie met dieren, bijvoorbeeld bij een zieke hond of het gedrentel van puppy's.

Verdwenen is het woord 'drentelen' niet, maar je zult er ook niet dagelijks over struikelen. Het heeft voor mij iets belegens; een woord dat ik in streekromans en aanverwante boeken aan zou kunnen treffen. Ik trof het ook wel in dat soort romans, hier bijvoorbeeld.

En misschien dat mijn bejaarde moeder nog wel het rijmpje over het alfabet op wil zeggen:
A is een aapje, dat eet uit zijn poot
B is de bakker, die bakt voor ons brood
C is Charlotte, die drinkt chocolaad
D is een dame, die drentelt op straat

Naschrift: Intussen schreef ik ook over De klop op de deur.

woensdag 29 april 2015

Verkneukelen (Woorden die je weinig hoort 6)


Onlangs plaatste ik een stukje over Teatro Olimpico van Kees 't Hart. Daarin schreef ik:
Dat er ergens een bananenschil ligt en dat de mogelijkheid er is dat er iemand over uit zal glijden is blijkbaar al genoeg om je te verkneukelen.
Iemand reageerde op dat stukje met: 'verkneukelen, wanneer kom je dat woord nog tegen :('. Ik had er niet bij stilgestaan, maar ineens realiseerde ik me dat 'verkneukelen' een woord kon zijn dat je nog maar weinig hoort. Ik ging op zoek.

Eerst maar even naar het WNT, wat altijd een mooi startpunt is. Het Woordenboek geeft twee betekenis. De eerste (schenden, bederven, verknoeien) laat ik even voor wat die is. Het ging mij om de tweede. De betekenis:
Vervuld worden van een stil, innig genoegen (omwille van —); (eenigszins heimelijk) plezier, schik hebben (in —); (inwendig en/of wat heimelijk) genieten (van —); (innerlijk) pret beleven (aan —); in de eerste aanhaling ook: zich (besmuikt) vroolijk maken (over —).
Het WNT vertelt ook nog dat 'verkneukelen' gebruikt wordt in combinatie meet verschillende voorzetsels (met, aan, in of over) waarna de aanleiding tot het (zich) verkneukelen gegeven wordt.

Alle voorbeelden die gegeven worden, hebben te maken met jezelf pret bezorgen, maar het is ook mogelijk dat je een ander pret bezorgt. Het WNT geeft een citaat van Beets uit 1891 (De Man van Smarten, de Heer der Heerlijkheid):
De haat … had het eerste menschenbloed vergoten … en sedert, ach hoevele doodvonnissen uitgesproken, in hoevele gezegende aangezichten gespuwd, hoevele vuisten kinnebakslagen uitgedeeld, en bedorvene harten met de onheiligste spotternijen verkneukeld!
'Verkneukelen' is niet oud. Voor 1800 is het niet aangetroffen. De oudste vermelding stamt uit 1812 uit de Algemeene konst- en letterbode. Enkele andere citaten:
(Zekere bewering) is … niets dan de lang reeds walglijke … aartigheid, waar de bestrijders en afvalligen onzer kerk zich zoo recht gaarne mede verkneukelen. (W. Bilderdijk, Aan den Heer le Sage ten Broek, in andwoord op zijnen openbaren brief aan W. Bilderdijk, 1829)
Ik verkneukelde mij stilletjes met het vooruitzigt van zoo pleizierig gezelschap. (Kneppelhout, 1860)
In haar verandah neergezeten nam zij (den roman) "Het zwervende meisje" ter hand … en verkneukelde zich van genot bij de oratiën van Harleigh. (H.J. Schimmel, Het gezin van Baas van Ommeren (voor dertig jaren) 1870)
Ik ben er zeker van dat zij zich op haar sterfbed heeft verkneukeld bij de gedachte, dat zij eene kampioen voor hare grieven heeft achtergelaten. (A.L.G. Bosboom - Toussaint, Majoor Frans 1875)
In het citaat van Schimmel lezen we de toevoeging 'van genot' na 'verkneukelen'. Dat lijkt overbodig, maar het komt vaker voor. Van Deyssel schrijft bijvoorbeeld (1884): 'Ik verkneukel mij dikwijls van pleizier'.

Goed. Dat wat toen. Maar nu? In het sleepnet van Google ving ik nog aardig wat citaten. Behoorlijk veel zelfs. Een handvol:
Liefhebbers verkneukelen zich weer op El Clásico (de Volkskrant van 11 augustus 2011)
Over de wedstrijd Arsenal - Barcelona:
Ik stond er mee op en ik zit me er al de hele tijd op te verkneukelen (Gesprek van de Dag, 16 februari 2011)
Twee keer voetbal, twee keer 'zich verkneukelen op'. De combinatie met 'op' geeft het WNT niet. Ik vermoed dat het een contaminatie is van 'zich verkneukelen' en 'zich verheugen op'.
In De Stentor van 2 januari 2009 lezen we:
ZUTPHEN - De kerstdagen zijn weer achter de rug, maar voor veel kinderen gaat het feest nu pas beginnen. Zij verkneukelen zich bij de gedachte dat ze tientallen euro's kunnen verdienen aan de talrijke kerstbomen die ze de komende dagen gaan inzamelen.
 Op de site boetes.nl (met een zoekmachine kom je nog eens ergens) stond de bijdrage 'Leedvermaak om flitsfoto buurman':
ALKMAAR - Het 'streng bewaakte' digitale politiebureau op internet van de politie Noord-Holland Noord is zo lek als een mandje. Automobilisten kunnen hier niet alleen morren als ze hun eigen flitsfoto's bekijken, maar zich ook verkneukelen om die van anderen.
Zelfs als ik me beperk tot recente bijdragen (2014 en 2015) heb ik een keur aan mogelijkheden. Een paar voorbeelden:
Ajacieden verkneukelen zich om grap Edwin Evers (Ajax-nieuws.nl, 18 april 2014)
Mocht de dotcom-extensie zich lange tijd verkneukelen op zijn monopoliepositie, binnenkort is dat verleden tijd. Hij krijgt stevige concurrentie van het generic Top Level Domain, kortweg de gTLD's. (De kansen en valkuilen van nieuwe gTLD's, dutchcowboys.nl, 14 mei 2014)
Verkneukelen om 'brazielige' halve finale

RIJSWIJK -De Duitse stormloop op het Braziliaanse doel in de halve finale van het WK voetbal is ook op internet het gesprek van de avond. Duitsland vernederde Brazilië: 7-1. Na een half uur stonden de Duitsers al met 5-0 voor tegen het gastland. „Brazielig”, noemde oud-schaatser Jan Ykema de wedstrijd toen al. (de Telegraaf, 8 juli 2014) 
Gênant hoe rechtse types zich haast soppend verkneukelen over de ontruiming van n kraakpand in A'dam- Oost. (tweet van Rutger Groot Wassink, 20 januari 2015)
Een reactie van ene Stratenmaker op een column van Peter Edel ('Ruzie binnen de Turkse regeringspartij breidt zich uit'):
Edel,
.
Degene die zich hier het meest zit te verkneukelen ben jijzelf, geef dat eerst eens toe. (turksnieuws.nl, 26 maart 2015)
Ik was te vroeg en zat me te verkneukelen aan mijn tafeltje. Het café is namelijk van de rest van het tuincentrum afgescheiden door een pergola, die is opgefleurd met plastic klimop en nepbloemen. In een tuincentrum! Deze discrepantie maakt me elke keer weer ongelooflijk blij. Het is toch zo fijn als de dingen niet kloppen, of beter nog, nergens op slaan. (schrijfplaatsvroemen.nl, 1 april 2015)
Als 'zich verkneukelen' een voorzetsel bij zich heeft, is dat meestal 'om' of 'over'. Zoals al eerder gezegd komt ook 'op' voor en ook 'met' kwam ik wel tegen. Een enkele keer wordt voor nog een ander voorzetsel gekozen (in, aan):
Weer zo een blablabla verhaal, waar de oerhallandien zich in kunnen verkneukelen net als het sprookje van Roodkapje. Het heeft de magische woorden: hoofddoek (wellicht rood), import (reis vanuit het bos), boze wolf (man), schoonfamilie (heksen en tovenaars). Meteen isollatie, onderdrukking en een volle lading Marokkaanse tint eraan geven en het verhaal kan niet meer stuk.
Dit is een bijdrage op het forum van de site Marokko.nl (16 augustus 2009) naar aanleiding van een bericht over het boek De uitverkorene van Fayza Oum'Hamed, een boek over een importbruid.

Op Spitsnieuws.nl reageert Blaasbaan op het bericht dat Man bijt hond gaat verdwijnen:
Het is de spotlight op de ‘vreemde’ mens, zodat de gewone man zich kan verkneukelen aan zoveel onnozelheid.
Ten slotte: ik heb de indruk dat 'verkneukelen' vaak gebruikt wordt bij leedvermaaksituaties. Niet uitsluitend, maar wel in veel gevallen.

Het wordt tijd om de balans op de maken. Met een enigszins natte vinger in de lucht concludeer ik dat 'zich verkneukelen' nog vrij vaak gebruik wordt. Meer dan ik gedacht had, in ieder geval.