woensdag 23 december 2015

De klop op de deur (Ina Boudier-Bakker)


Het kost me weinig moeite om een reeks boeken te noemen die ik nooit heb gelezen, hoewel ik vind dat ik ze eigenlijk wel gelezen had moeten hebben. Er zijn zelfs auteurs van wie ik lang niet één enkel boek heb gelezen. Zo las ik pas drie jaar geleden voor het eerst iets van Tjalie Robinson.

Ina Boudier-Bakker is ook een auteur die ik altijd aan mij voorbij heb laten gaan. Op de middelbare school vertelde mijn docent Nederlands dat De straat een aardig boekje was, maar ik zette het niet op mijn lijst. Waarom dat zo is, kan ik niet meer nagaan. Deed haar getrouwdevrouwennaam mij denken aan streekromanschrijfsters (Annie Oosterbroek-Dutschun, Henny Thijssing-Boer, J. Visser-Roosendaal) die ik immers ook niet las?

Toch heb ik ooit voor een paar euro de roman De klop op de deur (1930) gekocht. Ik nam hem dit jaar zelfs mee op vakantie, maar het lezen schoot niet echt op. Het is een dik boek: ik heb de twintigste druk, die 776 pagina's telt; de eerste druk had er 1015 en er is weinig dat het verhaal voortstuwt.

Het boek beschrijft een lange periode: van 1858 tot 1921. Centraal staat Annètje Goldeweijn, die in het begin van het boek nog maar een meisje is. Aan het eind is ze oud en overlijdt ze. Als decor van haar leven (en dat van haar man Frederik Craets) zien we de grote gebeurtenissen in de wereld, de oorlogen, ontwikkelingen op technisch gebied, de veranderende positie van vrouwen en arbeiders.

De titel verwijst naar de tijd, die op de deur klopt. Of, zoals Boudier-Bakker zegt: 'aan de deur van hun zielen was de klop van de tijd.' Als je de ouders van Annètje meerekent, omvat de roman vier generaties. De volgende generaties staan anders in het leven dan hun (groot-)ouders; daar hebben de ouderen maar weinig begrip voor.

Dat de roman de lezer terugvoert naar een tijdperk en dat breed schetst, vond ik wel aardig. Je wordt als lezer geplaatst in een tijd waarin het Paleis voor Volksvlijt en later het Concertgebouw in gebruik worden genomen; waarin Multatuli, Jacob van Lennep en J.J. Cremer actuele auteurs zijn, naar wier voordrachten je kunt gaan luisteren; waarin er een levendige toneelcultuur is; maar waarin ook de dreiging van oorlog en ziekte is.

De Eerste Wereldoorlog blijft wat op de achtergrond, maar de manier waarop Boudier-Bakker de vluchtelingenstroom beschrijft, maakt het je gemakkelijk om je die voor te stellen.
Zes dagen lang van de zevende October af, gaan treinen opgepropt met vluchtelingen naar Roozendaal. Maar in de bossen van Brabant om Bergen op Zoom kamperen de duizenden; en op de weg tussen Putte en Bergen daar stáát thans een ononderbroken stroom van mensen, voertuigen, vee, kruiwagens, handkarren, kinderwagens, die niet meer voor- noch achteruit kunnen. In Zeeland deint de stroom de wegen langs, de dorpen door, de welvarende gelukkige, waarnaar angstige wanhopige ogen staren als naar het verloren paradijs. Zij deinen voort, zij worden gestuwd, zij stuiten bij Walsoorde en Terneuzen op de brede blauwe Schelde. Boten varen overvol heen en weer - naar geen vrachtloon wordt gevraagd. Honderden schepen, stoomboten, Rijnaken en Belgische spitsen beginnen de vluchtelingen af te voeren naar het noorden. En eindelijk thans ook gaan de treinen, waaruit bleke afgetobde gezichten staren voor de raampjes... Het Hollandse veilige land in.
Er zijn, zoals steeds, best kanttekeningen bij de stijl te maken. De schrijfster zet sommige zinnen nogal vet aan ('angstige wanhopige ogen') of vervalt in clichés ('de brede blauwe Schelde').

Boudier-Bakker zet bij de personages steeds in op de psychologische tekening. Daarbij maakt ze wel zo'n beetje alles expliciet, zodat de lezer zelf niet zoveel meer hoeft te doen. Dat past wellicht bij de tijd waarin het geschreven is. Maar meeleven met de personages wordt zo wel gemakkelijk.
Advertentie in De Graafschapbode van 19 september 1930

Sommige scènes zijn wel goed. Jeroen Dera noemt in De leeslijst de sterfscène van Annettes dochter Jetje, die me inderdaad bij zal blijven. Maar de laatste uren van Frederik Craets mogen er ook zijn. Personages mooi dood laten gaan, dat kon Boudier-Bakker wel.

Ook sommige monologen of dialogen werken nog steeds:
'Van Loo,' zei Jenny weer, 'verveelt me nooit. Maar ach,' ze liet zich languit vallen, 'per slot is van Loo óók maar een man. Ik bedoel ze waarderen een vrouw in 't huwelijk precies zover als ze er nut en genoegen van trekken. Op dezelfde manier als een boer zijn fijn gebeeldhouwde kast waardeert: goed om een spijker in te te slaan en er alle dagen zijn vuile oude pet aan op te hangen. Zo'n kast wil hij ook niet kwijt als hij hem jaren gehad heeft - hij is er op gesteld als gebruiksvoorwerp...'
 Maar als geheel heeft het boek me te weinig vaart, gebeurt er te weinig. De grote gebeurtenissen blijven decor en hebben gemiddeld genomen weinig invloed op de personages. De vele perspectiefwisselingen doen ouderwets aan (maar het is oneerlijk om een boek uit een andere tijd ouderwetsheid te verwijten).

Indertijd is het boek razend populair geweest. Toen in 1930 De klop op de deur verscheen, was Boudier-Bakker al een populair schrijfster. In april van dat jaar waren de tiende druk van Armoede (1909) en de negende van Het spiegeltje (1917) te koop en men verwachtte dan ook dat de nieuwe roman een succes zou worden. In het Algemeen Handelsblad, De Telegraaf en Het volk van 22 oktober 1930 werd aangekondigd dat de Bijenkorf ter gelegenheid van de verschijning een expositie had ingericht.

Op die expositie waren portretten van Boudier-Bakker te zien, vertalingen, brieven, drukproeven en manuscripten. De tentoonstelling werd goed bezocht en er verschenen zelfs verslagen van in de kranten. Een passage daaruit:
Het Vaderland, 12 november 1930

De klop op de deur wordt een succes. Het boek verkoopt als een tierelier: acht drukken in tien maanden; de vierde en de vijfde druk verschijnen tegelijkertijd. Verder zijn er in de kranten overal aankondigingen te vinden van mensen die lezingen houden over het boek. Bijvoorbeeld P.H. Ritter jr., die dat jaar al een bibliografie van het werk van Boudier-Bakker had gepubliceerd en die ook snel met een biografie kwam: De schrijfster weerspiegeld (1931). Als hij in De Bijenkorf een lezing houdt, ligt er voor elke luisteraar een exemplaar van de biografie op de stoel. Een mooie geste van hete warenhuis. Boudier-Bakker hield zelf ook lezingen en ze mocht ook voor de radio vertellen over haar boek.

Er verschijnen veel recensies, die ik overigens niet allemaal gelezen heb. In verschillende recensies wordt er een vergelijking gemaakt met De opstandigen van Jo van Ammers-Küller. Vaak valt die vergelijking in het voordeel uit van Boudier-Bakker.

Prof. P. Geyl, die behoorlijk kritisch is, schrijft in het blad Leiding over De klop op de deur. Een groot deel van dat stuk wordt overgenomen in Het vaderland van 28 maart 1931. Ook hierin wordt Boudier-Bakker vergeleken met andere schrijvers.
Over het algemeen is het Nederlandsche volk tevreden met de romanschrijvers en schrijfsters, die het heeft. De Jong, Jo van Ammers-Küller en Ina Boudier-Bakker. Van deze drie is de laatste wel de artistiekste. Dit wordt ook door prof. Geyl erkend: menig détail noemt hij pakkend, maar zijn bezwaren gaan tegen den geest van het heele boek. Deze bezwaren zullen ongetwijfeld door velen gedeeld worden.
Geyl verwijt Boudier-Bakker dat ze wel aandacht heeft voor het nieuwe, maar niet voor wat daaraan vooraf is gegaan. Verder vindt hij dat er te weinig politiek voorkomt in het boek. En een echte cultuurhistorische roman is het ook niet geworden.
Waarom onder de vluchtelingen niet een paar Vlaamsche activisten doen loopen, die zouden kunnen vertellen van wat voor de Nederlandsche cultuur in België de “vermorzeling” van Duitschland beteekend had? Maar zoo zou men het heele boek door aan het omwerken en aanvullen moeten gaan, vóór het ook maar zou kunnen beginnen op een waarachtig levenden Nederlandschen cultuurhistorischen roman te lijken. Mevrouw Boudier-Bakker heeft haar personen in rechtstreeksche aanraking gebracht met de letterkunde, met de vrouwenbeweging, met een echter steeds theoretisch blijvend socialisme. Maar daarbij blijft het, en voor haar veelomvattende bedoeling is dat niet genoeg. Waarom heeft niet een van haar Craetsen politieke ambities genoeg gehad om den lezer in plaats van naar Parijs eens naar Den Haag te brengen?
Ook de katholieken en de protestanten komen te weinig in haar boek voor. Ze heeft wel aandacht voor het socialisme, maar 'de opkomst van Kuyper en Schaepman zou den groei van de S.D.A.P. pas in zijn juiste proporties hebben kunnen doen zien.'

Verder heeft Boudier-Bakker wel oog voor wat er Europees gaande is, maar te weinig voor Nederland.
Het nieuwe ziet zij als een afstraling van de groote denkbeelden die elders gedacht worden, en de luie, late Nederlanders behoeven zich in dat licht maar te koesteren. Maar zoo is het in werkelijkheid niet. De werkelijkheid is, dat een groep beminnelijke dilettanten zooals mevrouw Boudier-Bakker ons voor oogen voert, buiten het actieve Nederlandsche geestesleven staat. Ik beweer natuurlijk geenszins, dat het Nederlandsche geestesleven een afgesloten perk is. Het is één met het Europeesche, met het wereldleven. Maar het heeft zijn eigen vormen en in een boek dat een klop op de deur van het Nederlandsche volk wil verbeelden, had vooral wat binnen die vormen omhoogworstelt, wat er een rechtstreekschen strijd mee aanbindt om ze ten slotte tot vernieuwing te dwingen, nagespeurd en vereeuwigd moeten zijn. 
Nog scherper in zijn kritiek is A.M. de Jong in Het volk van 15 mei 1931. De Jong begint met te zeggen hoe lastig het is om het soort roman te schrijven dat Boudier-Bakker bedoeld heeft om dan al snel te concluderen:
En laat ik het maar dadelik zeggen: Ina Boudier-Bakker heeft zich van deze zware en moeilijke taak op een waarlik lamentabele wijze gekweten.
Dat Boudier-Bakker knap de psyche van een personage kan beschrijven, geeft hij wel toe, maar dat had ze al gedaan in Armoede en Het spiegeltje.
En het was volstrekt niet nodig dit ten overvloede nóg eens te gaan bewijzen door het voortbrengen van een duizend bladzijden zware roman, waarin zij zichzelf tot in het oneindige herhaalt in het uitbeelden van al maar weer nieuwe burgerlike zielenood en zielezaligheid, hecht of losser worden van gezinsbanden, meer of minder ingewikkelde liefdesverhoudingingen en de rustige of wel dramatiese ontknoping derzelven. 
 In de aanduiding 'burgerlik' wordt al duidelijk dat De Jong liever andere personages had gewild. Hij gaat nog even door over allerlei historische zaken die Boudier-Bakker vergeten, verwaarloosd, verkeerd geïnterpreteerd, oppervlakkig beschouwd of volstrekt niet begrepen heeft.
De ontwikkeling der socialistiese arbeidersbeweging, speciaal in Nederland en nog meer in ’t bizonder in Amsterdam – wat is er in dit onevenredig omvangrijke boek van terechtgekomen?
Te weinig, vindt DeJong. Hij vindt dat figuren als Domela Nieuwenhuys en Troelstra 'nauweliks schaduwachtig' worden aangeduid. Voor veel ontwikkelingen wat betreft de emancipatie van de arbeiders heeft de schrijfster geen aandacht gehad. 
Evenmin trouwens voor de groepering en actie der kerkelike partijen en de geweldige invloed, die de steeds sterker politike bewustheid in alle lagen onzer bevolking op het
ganse leven had. 
Er blijft weinig over van De klop op de deur:
De klagelike mislukking van deze historiese onderdelen der familiegeschiedenis der Craetsen zou misschien minder pijnlik trefffen, wanneer de romans als kunstwerk, als prozawerk geweldige kwaliteiten vertoonde. Ik heb ze tot mijn spijt niet kunnen ontdekken. Zeker, er zijn gevoelige, aandoenlike momenten, knappe psychologiese gedeelten en het is niet te ontkennen, dat vele der figuren een sterk eigen leven en aangezicht hebben. Maar bij dieper en aandachtiger beschouwen bevindt men, dat ook op dit gebied Ina Boudier – Bakker maar zelden dieper doordringt dan tot de lagen, die nog voor de middelmatige mensenkenner dadelik zijn te zien. 
De Jong komt nog eens terug op de personages. Dat ze zo fatsoenlijk zijn en dat er niemand te vinden is met een slecht of minderwaardig karakter. Is de roman dan misschien nog als kunstwerk te waarderen?
Ach!..... Schrijven kan Ina Boudier-Bakker immers helemaal niet! Haar taalgevoel staat op een zeer lage trap van ontwikkeling en haar geweten tegenover vraagstukken van stijl en taal is nòg ruimer dan haar histories verantwoordelikheidsbesef. Zij begaat in volkomen gemoedsrust de ergste blunders tegen taal en stijl en merkt de meest barbaarse corruptheden in haar slordig en harkerig proza zelfs bij de correctie van herdrukken niet op. 
Daar raast hij nog even over door, om dan te besluiten met:
En dit is dan het boek van het jaar! Het boek, waarover moord en brand geschreeuwd wordt en waarvan ons verzocht wordt aan te nemen dat het een kunstwerk van de allereerste rang is…. Reklame en kritiek kunnen zéér suggestief werken. Maar ik kijk graag uit mijn eigen ogen, en geen reputatie is eerbiedwaardig genoeg om door haar suggestie een mislukt en knoeierig boek tot een belangwekkend en belangrijk kunstwerk te bombarderen! 
Later komt Menno ter Braak terug op deze recensie. In 1935 schrijft hij in Het vaderland een artikel naar aanleiding van de zestigste verjaardag van Boudier-Bakker. Hij schrijft daar mild over haar. Armoede noemt hij haar meest kenmerkende boek en De straat het beste.
‘Het Spiegeltje’ en ook de beroemde ‘Klop op de Deur’ genieten misschien meer bekendheid dan ‘De Straat’, maar daarmee is nog geen qualiteitsoordeel uitgesproken.
En wat De Jongs kritiek betreft:
A.M. de Jong heeft haar verweten, dat zij de “proletarische ziel” niet kende. Maar wij moeten vragen, wat hij dan met die “proletarische ziel” bedoelde, wanneer wij, telkens opnieuw, in hare werken volkstypen vinden uitgebeeld, zóó dat het schrijnend leed van de economische bekommernis ons duidelijker wordt dan door tientallen sociaal-democratische brochures het geval kan zijn.
Menno ter Braak zal trouwens nog op een heel andere manier over Boudier-Bakker schrijven, naar aanleiding van haar roman over Jacoba van Beijeren, Vrouw Jacob, die ook in 1935 verschijnt. Eerst schrijft Ter Braak nog dat Boudier-Bakker zich  'op de grenzen van het plagiaat' had begeven. De schrijfster reageerde heftig en onbesuisd:
En nu heb ik zoowaar ‘bijna’ plagiaat gepleegd? Op de grenzen? Ja, ziet u eens meneer Menno Ter Braak - iets is plagiaat of geen plagiaat. Praten van ‘op de grenzen’, dat is het tenslotte terugschrikken voor een u welbewuste niet steekhoudende beschuldiging; en tegelijk het toegeven aan den lust een bom te gooien naar een boek, dat wordt gelezen en verkocht - grootste misdaad in uw wereld. Alleen onverkochte, ongelezen boeken zijn vlekkelooze kunstwerken.
Daarna kwam Ter Braak voluit met zijn plagiaatbeschuldiging, die hij ook nog eens uitstekend wist te onderbouwen. Vakkundig werd Boudier-Bakker afgeserveerd. Een artikel over de kwestie vindt u hier.

Er waren heel wat kritische recensenten. J.C. Bloem bijvoorbeeld in De Gids (genoemd in Het vaderland van 27 augustus 1931)  en Emmy van Lokhorst in De huishouding van 1 januari 1931.  Positieve recensies waren er ook. Ellen Russe bijvoorbeeld, in De Tijd van 21 december 1930 en C. Tazelaar in Stemmen des tijds, het eerste nummer van 1931:
Want dan zien we het, zooals ik in 't begin van dit artikel zei, als een even zuivere, als overtuigende aanwijzing van de belangrijke plaats, die Mevr. Ina BoudierBakker inneemt onder de prozateurs der latere jaren. In „De Klop op de Deur" objectiveert zich de Schrijfster in heel haar denken en in haar gansche kunstenaarsontwikkeling, die immers van romantiek over realisme naar psychologische ontleding zich bewoog en die uit de snelle ren veelvuldige evoluties van de laatste halve eeuw een sterke, wel gefundeerde en vastomlijnde levensovertuiging zich heeft gevormd. En in dit laatste zie ik dan het geheim van den grooten opgang, dien deze roman, ondanks zijn vooral niet moderne breedvoerigheid en omvangrijkheid, maakt. Aan niets heeft de mensch van dezen tijd zoozeer behoefte dan aan vastheid, aan een positieve resultante uit alles wat zich opdoet en vervliet, aan eerlijk zeggen en onomwonden oordeelen. En wie hem de waarde van traditie en bestaande vormen weet te doen zien, dwingt zijn respect af, omdat hij, diep in zijn hart, dat begeert.
In Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië (21 februari 1931) is positief met kwalificaties als 'een aangrijpend boek, dat ver uitrijst boven hetgeen dagelijks op de huidige markt der Nederlandsche literatuur wordt aangeboden' en 'als psychologische roman uitmuntend geslaagd'. Nieuw vindt de recensent het niet en hij mist een schets van het godsdienstig leven.

Dat laatste is een verwijt dat meer recensenten maken. Tazelaar merkte op dat 'het religieuze element' zeker niet ontbreekt, 'maar het heeft niet de kracht die overigens het zoo massieve boek kenmerkt.'


Intussen bleef het boek goed verkopen. Eind 1931 werd er een toneelstuk van gemaakt, met in de hoofdrollen Charlotte Köhler en Cees Laseur.

In verschillende kranten werd op 16 juli 1931 uitgepakt met 'Amerikaansche cijfers', die aantoonden welke records De klop op de deur had gebroken. Er moest constant gedrukt worden, 'soms met drie, maar ook wel eens met zeven persen.'

Ook in het buitenland wordt Boudier-Bakker gewaardeerd, om haar eerdere boeken. In het Algemeen Handelsblad van 4 september 1931 meldt 'Onze Scandinaafsche correspondent' dat de schrijfster in Denemarken 'de Hollandsche Selma Lagerlöf' wordt genoemd.

In Het Vaderland van 13 december 1930 heeft H.B. kritiek op de schrijvers die de laatste jaren de Nobelprijs hebben gekregen. In Nederland waren er betere kandidaten. Daarbij noemt hij Frederik van Eeden van Ina Boudier-Bakker.

In De Tijd van 3 februari 1931 wordt vermeld dat in het Critisch Bulletin van die maand Anthonie Donker heeft laten weten dat hij het oneens is met degenen die menen dat de kwaliteit van de Nederlandse literatuur minder wordt. Hij vergelijkt boeken uit 1900, 1910, 1920 en 1930. 'Gemiddeld verschijnen hier ieder jaar een kleine vijf zeer goede boeken. Het klagen over de armoede in sommige genres, dat onze literatuur er slecht [zou] voorstaan of slechter dan vroeger, is niet vol te houden. En wat zijn dan de toppers van 1930?
1930 is het jaar van Ter Braaks “Carnaval der Burgers”, Slauerhoff’s “Serenade” en “Schuim en Asch”, Van Schendels “Fregatschip”, van der Leeuws “Kleine Rudolf”, “De Klop op de Deur”van Ina Boudier Bakker en de beste (en vele) verzen van Marsman. 
De klop op de deur is nog lang populair gebleven. In het seizoen 1970 - 1971 was het zelfs als televisieserie te zien. Zou nu iemand het nog lezen? Het heeft van mij aardig wat doorzettingsvermogen gevergd, maar misschien zijn er ook nu nog wel lezers die erom moeten huilen of die het boek dikwijls dichtslaan en de kamer uit gaan (Soerabajasch Handelsblad, 12 september 1931), al kan ik mij dat niet zo goed voorstellen.

Misschien moet ik afgaan op het oordeel van Menno ter Braak afgaan en het minder dikke De straat eens gaan lezen. Maar dat kan later wel eens.

6 opmerkingen:

  1. Voor mij is De Klop op de deur een topper. Dat verklaart misschien ook waarom ik zelf schrijf zoals ik schrijf...

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Mooi dat het boek dus toch nog gelezen wordt. De straat ook gelezen?

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Jazeker. Maar vind dat niet haar beste boek, zoals nogal eens gezegd wordt door critici.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Ik heb het nooit gelezen. Misschien moet ik dat toch gaan doen. Maar ik weet niet of er van komt.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Ik ben inmiddels, na "de klop op de deur" en "armoede", bezig in "het spiegeltje".
    In één woord: geweldig! Ik geniet van iedere zin.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Leuk om zo'n enthousiaste reactie te lezen.

      Verwijderen