maandag 28 november 2022

Al gaat het stroompje nog zo traag.


Zoals ik hier al schreef, loopt het leven even wat minder gladjes dan ik wil. Mijn werkgever is overigens vol begrip, dus geen kwaad woord over hen die zich met mij bemoeien uit hoofde van hun functie of persoonlijk. 

Vorige week ben ik op mijn werk begonnen met het draaien van een lichter programma. Dat zou eigenlijk een makkie moeten zijn, maar dat is het niet. Ik moet met mijn nagels de energie bij elkaar schrapen en ben vaak moe van niks. Aan het eind van elke werkdag val ik op de bank in slaap. 

Beroerder is dat de spanning er (bijna) altijd is, ook als ik me helemaal niet met mijn werk bezighoud. Er is steeds het gevoel van 'niet pluis', van beklemming, van onveiligheid. Het is me nog niet duidelijk waar dat vandaan komt, maar wel dat het heel veel in mijn leven lamlegt. Lezen gaat mondjesmaat, schrijven heb ik tot nu toe uitgesteld, maar misschien help ik mezelf door het weer op te pakken. Dat valt nog te bezien. 

Tot kort geleden deed ik veel, omdat ik ook veel van mezelf moest. Op avonden waarop niets in mijn agenda stond, had ik altijd wel een bepaald aantal bladzijden dat ik moest lezen en van sommige podcasts moest ik ook steeds de nieuwe aflevering beluisteren. Ik volgde ze immers. 

Dat is nu wel weg en dat is vreemd. Ik kan op de bank zitten en niks doen, terwijl ik de wereld verder laat draaien. Dat is een vreemde gewaarwording, niks doen. Ik word er toch moe van, maar misschien leidt het ergens toe. 

Als het wat minder loopt, heb ik de neiging mij terug te trekken in mijn eigen hoofd en in een hoekje te gaan zitten en zo te doen of de rest van het leven er niet is. Ik doe dat nu ook door bijvoorbeeld schaakpartijen (met nooit meer dan vijf minuten bedenktijd per partij) op het internet te spelen. Niet dat dat nu zo geweldig gaat, maar soms denk ik dan niet aan de rest. 

Verder ben ik begonnen aan het lezen van een jeugdboek, af en toe een kort hoofdstukje. Dat lijkt weinig inspanning, maar meestal lees ik dan toch niet een tweede hoofdstuk. 

Er liggen boeken klaar om over te schrijven. De titels heb ik al een keer eerder genoemd, waarbij ik Indocomics van Ruud den Drijver over het hoofd zag. Strips probeer ik weer te lezen, een paar bladzijden per keer. Erover schrijven zal nog wel even duren, maar misschien pak ik het ineens weer op. 

Veel laat ik nog maar even open; ik zie wel. Intussen heb ik het idee dat ik het leven verduur in plaats van dat ik het leef en op sommige momenten lijkt het zo'n beetje tot stilstand gekomen te zijn. Daar ben ik trouwens niet somber over. Ik ga mee, al loopt het stroompje nog zo traag. 

woensdag 16 november 2022

Hoogwater

Soms gaat het niet zoals je verwacht en al helemaal niet zoals je wilt. Dat is bij mij nu het geval. Het water is hoog gestegen en ik probeer mijn hoofd boven de waterspiegel te houden. Dat kost moeite. 

De afgelopen weken heb ik wel gelezen (daarover straks nog), maar voor schrijven heb ik niet de rust. Het openen van de laptop voelt soms al als bedreigend. Ik weet bijvoorbeeld dat er heel veel mails in staan die ik niet heb gelezen. Ze pasten even niet meer in mijn hoofd. 

Deze week doe ik een beetje rustig aan met mijn werk en dat helpt wel een beetje, maar ik moet nadenken over hoe het verder moet. Dat duurt even. 

Zoals gezegd, de afgelopen weken heb ik nog wel gelezen, maar op dit moment lukt ook dat me niet meer. Ik bleef zelfs steken halverwege een strip. Niet de concentratie, niet de rust, het onbestemde gevoel in mijn maag. 

Wat wacht er nog op bespreking? De roman Niet mijn lichaam van Hedwig Selles. Verder heb ik De engelenmaker van Stefan Brijs herlezen, maar dat laat ik misschien maar zo. Ik ben al ver in het boek Romantici en revolutionairen (zie ook deze bijdrage), maar ook dat ligt even stil. 

Bij de strips heb ik Selenie nog uitgelezen liggen en verder ligt er nog heel veel wat gelezen kan, mag en moet worden. Uitgeverijen als Sherpa, Scratch Books, Silvestrer Strips, L en Personalia sturen van tijd tot tijd een pakket, waar ik blij mee ben, maar zij zullen dus even moeten wachten. 

Voorlopig probeer ik elke dag wat aan mijn correctiewerk te doen, maar mijn tempo is laag, mijn concentratie gering en mijn energie raakt snel op. Het is even niet anders. Vorig schooljaar kon ik vaak drie keer per week iets plaatsen. Dat was nu vaak een enkele keer per week. Dat probeer ik vol te houden, al is het maar om te zeggen dat ik niet tot schrijven kom. Ik ben er nog, maar ik hou me even stil. 


(Op de foto: het huis waar indertijd mijn grootouders woonden in Hien)



woensdag 9 november 2022

Op weg naar De Hartz (Wessel te Gussinklo)

Al jaren bouwt Wessel te Gussinklo aan een stevig oeuvre, waarbij hij, om met Olivier B. Bommel te spreken, zijn eigen eenzame weg gaat. Ik heb een tijdlang om zijn boeken heen gelezen, maar De hoogstapelaar (2019) las ik en aan het eind van het jaar nam ik het op in het lijstje met de beste boeken die ik dat jaar las. Het is het derde boek in de reeks over Ewout Meyster. 

Het vierde deel is Op weg naar De Hartz, dat bekroond werd met de Boekenbon Literatuurprijs 2021 en nu dus is genomineerd voor De Inktaap. Ewout Meyster is intussen wat verder. Hij komt aan op het landgoed De Hartz, waar zijn vriend Meindert is. Die is hem intussen voorbijgestreefd. Bij Ewout roept het bezoek vooral herinneringen op aan de periode van een jaar of vier geleden, toen hij assistent was professor Somsen. 

In het landhuis van de Grote Man worden colleges en lezingen gegeven door een internationaal gezelschap van wetenschappers. Ewout moet zich in dat gezelschap bewegen, deze keer zonder Somsen. 

De verhaallijn in het heden is vrij beperkt. Wat Ewout met Somsen heeft meegemaakt is veel belangrijker in het boek, zodat je vaak kunt vergeten dat zich dat allemaal in het verleden heeft afgespeeld. 

Dienen

Somsen had Ewout in de leer genomen. Van het meerwaardigheidsgevoel in het vorige boek is weinig over: op advies van Somsen oefent Ewout zich in het dienen, in discipline. Zo moet hij krachtig worden, een 'zelf'. Maar Ewout vervalt nog vaak in zijn oude maniertjes: 'Bijna kwam het praten weer, het grote uitleggen en verklaren, de rechtvaardigingen.'

Het hele boek door zit de lezer in het hoofd van Ewout, die zich overbewust is van zichzelf, zichzelf vaak beoordeelt en veroordeelt. Aan de ene kant is hij overtuigd van zijn capaciteiten, aan de andere kant voelt hij zich een mislukkeling, die niets gepresteerd heeft. 

Somsen leren we alleen kennen door de blik van Ewout, die bijna kritiekloos is. Hij bewondert Somsen, die in de hoogste kringen verkeert en geregeld naar Straatsburg en Brussel moet. Hoe betrouwbaar Ewout als verteller is, vraag je je als lezer al gauw af. Somsen houdt er immers vreemde ideeën op na. Als hij het over Mulisch heeft (die door Ewout bewonderd wordt), noemt hij hem altijd de halfjood Mulisch en  van Vestdijk ('een manisch-depressief die maar wat ongeremd voortbabbelt zonder iets te zeggen te hebben' en Dostojevski ('alleen maar gestoorde praatjes van een psychoot') moet Somsen ook al niets hebben.

Sylvia

Ewout vertelt alles aan Somsen, ook als hij een meisje, Sylvia, ontmoet. De twee krijgen een relatie, maar Ewout mag nog niet met haar naar bed, want ze is heel kwetsbaar, volgens Somsen. Ewout vaart blind op Somsens adviezen. Somsen zal ook Sylvia gaan begeleiden. 

Gaandeweg ga je je steeds meer afvragen of die Somsen niet een charlatan is. Ewout krijgt waarschuwingen, zelfs van Sylvia, maar daar luistert hij niet naar. Dat moet wel uitlopen op een demasqué of misschien ook niet en dan is dat het verrassende. Dat is de spanning die in de loop van de roman oploopt. Te Gussinklo blijkt alle touwtjes goed in handen te houden en het slot van het boek is zeldzaam goed. 

De buitenwereld speelt maar mondjesmaat een rol. Als Ewout een krant leest: 'Vietnam, De Gaulle, Van het Reve, de Beatles. O jee, de Beatles. Verbijsterend zoiets. Iedereen enthousiast, dat dunne winderige gejengel, die kinderachtige kleutermuziek. Maar iedereen!'  Ik gok dat het verhaal zich afspeelt rond 1960. In ieder geval is de bundel Sonnetten van de kleine waanzin (1957) van Hans Andreus al verschenen. 

Traagheid

Die buitenwereld is verder niet zo belangrijk; het hoofd van Ewout is al een wereld op zich. Hij observeert zichzelf, vooral in zijn gedrag tegenover anderen, vindt zichzelf een mislukking en wil vooral leren om iemand te worden. De vraag is of hij daarbij de goede leermeester gekozen heeft. Onderweg naar De Hartz moet het dan ook niet hebben van de gebeurtenissen, wat het lezen een zekere traagheid geeft. Daar moet je wel tegen kunnen. Maar als je je eraan overgeeft, is er veel te genieten, vooral door de heerlijke stijl van Te Gussinklo. 

Natuurlijk zijn er wel passages waarin er meer voorvalt, bijvoorbeeld als Ewout op bezoek gaat bij de ouders van Sylvia, wat niet een succes wordt door zijn sociale onhandigheid. Door het hele boek heen zit veel humor en zeker bij dit gedeelte. Tragiek en humor gaan vaak samen in de roman. 

Vijfhonderd bladzijden over een klein stukje uit een leven - Te Gussinklo heeft de tijd genomen. Maar daardoor kun je wel helemaal in Ewout kruipen en tijdens het lezen is je wereld niet groter dan het hoofd van Ewout. Je wordt onweerstaanbaar meegenomen naar het slot, waarin het tempo hoger is. Maar dan wil je juist langzaam, want het verhaal mag nog heel lang doorgaan. Maar aan elk boek komt een eind, ook aan een goed boek en ook aan een dik boek. Maar op elk moment kun je er met plezier aan terugdenken. 

woensdag 2 november 2022

De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella (Michiel van Diggelen)

In 2018 besprak ik hier De exodus van Hendrik Peter Scholte van Michiel van Diggelen. Nu, vier jaar later is er een vervolg op dat boek, met bijna dezelfde titel: De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella. Dat laat wel zien dat de twee boeken bij elkaar horen, maar het kan ook de gedachte oproepen dat het tweede alleen maar een update van het eerste is. Een geheel nieuwe titel had wat frisser aangedaan, denk ik. 

In het eerste boek beschreef Van Diggelen hoe de predikant Scholte mensen verzamelde om naar Amerika te vertrekken. Toen was er sprake van zevenhonderd mensen, in het tweede boek blijken het er achthonderd te zijn.  Scholte laat ze overkomen naar Amerika. Hij heeft intussen, als de verspieders in het land Kanaän, het land verkend en de plek uitgezocht waar de nederzetting Pella gesticht zal worden. Het wordt de staat Iowa. 

Spin in het web

Maar dan begint het pas: mensen moet een perceel  toegewezen worden, de zaken moeten financieel afgewerkt worden en van al die losse gezinnen in het dorp moet een eenheid gemaakt. Er zijn kerkdiensten, er komt een krant en dan is er ook nog de politiek, waar Scholte zich nadrukkelijk mee bemoeit. Hij is een spin in het web, hij heeft overal een vinger in de pap, en dat bevalt niet iedereen. Bovendien gaat Scholte waar nodig de confrontatie niet uit de weg. 

Verder zijn er de omstandigheden van het gezin. Zijn vrouw Maria voelt zich meer thuis in de stad, maar ze volgt haar man, al dringt ze later verschillende keren aan op terugkeer naar Europa, bijvoorbeeld als ambassadeur. Dat werkt wel goed: in het gezin zien we Scholte vooral als mens, als echtgenoot, als vader. Daarbuiten is hij de publieke figuur. 

Burgeroorlog

Scholte is kleurrijk, zeer ondernemend en verkerend in de hoogste kringen. Zo ontmoet hij president Lincoln persoonlijk. Door Scholte te volgen, volgen we ook de politieke situatie in Amerika. Die wordt heftiger als de burgeroorlog uitbreekt. Die ken ik, behalve uit de strip De blauwbloezen, vooral van films, waarbij het altijd om veldslagen gaat. Maar wat die oorlog voor burgers betekent werd mij daarin niet duidelijk. 

Dat laat Van Diggelen wel zien: in de dorpsgemeenschap ontstaan tegenstellingen tussen degenen die Lincoln volgen en degenen die vinden dat hij moet stoppen met de oorlog. Het punt van geschil tussen de Unie (het noorden) en de Confederatie (het zuiden) was niet zozeer het wel of niet afschaffen van de slavernij, maar of de slavernij wel of niet uitgebreid mocht worden naar de nieuwe gebieden, de staten die ontstonden. Dat wilden de democraten wel toestaan, de republikeinen niet. 

Het is een ingewikkelde situatie. Scholte steunt aanvankelijk (om andere redenen) de democraten, maar stapt over naar de republikeinen. Hij is in eigen perceptie altijd rechtlijnig en zijn keuzes zijn voor hem logisch, maar anderen zien hem als een verrader van de democratische zaak. Het is al eens gekomen tot een conflict met de man met wie hij een krant runt, maar later blijken hun standpunten dicht bij elkaar te liggen. 

Geschiedenisboek en roman

De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella is een roman, maar ik heb het misschien wel vooral als een geschiedenisboek gelezen: ik wilde vooral weten hoe het indertijd allemaal gelopen was. Tegelijkertijd laat Van Diggelen ons meeleven met de hoofdpersoon. Dat is bepaald geen heilige. Hij heeft vaak verschillende petten op, roept de schijn op van zelfbevoordeling, is niet transparant in de financiële afwikkeling van zaken, gaat soms niet tactisch met mensen om, maar is ervan overtuigd dat hij het goede wil en doet. Hij doet ook veel goeds, geeft eigen geld om mensen of projecten vooruit te helpen en streeft zijn idealen na, maar verschillende dingen had hij zeker handiger kunnen aanpakken.

We krijgen een levendig beeld van hem, ook door de vele dialogen die de roman telt. Soms hadden die iets scherper gekund, of iets meer snelheid kunnen bevatten, maar ze lezen eigenlijk altijd prettig en ze helpen om van het personage een mens te maken. Je leeft makkelijk met hem mee, doordat het perspectief bij Scholte ligt en als een deel van de gemeenschap tegen hem is, ervaar je hem  als de underdog met wie je sympathiseert. Hij wordt op een gegeven moment zelfs afgezet als predikant, waarna hij een eigen kerk begint. 

Integratie

Het zijn boeiende ontwikkelingen, waarvan je als lezer wel wilt weten hoe ze aflopen. Verder krijgen we een beeld van de integratie van deze migranten. Ze hebben een Europese achtergrond, maar Scholte doet er alles aan om voluit Amerikaan te zijn. Dat hij ook een mens tussen twee culturen is, blijkt als hij later meer in het Nederlands gaat schrijven en als hij zijn vrouw ter wille wil zijn bij het zoeken naar een baan in Europa. Zo ver zal het niet komen: hij overlijdt in Pella op 25 augustus 1868. 

Iedereen die iets meer wil weten over de Hendrik Peter Scholte en over de Nederlandse emigranten uit die tijd zal De exodus van Hendrik Peter Scholte met plezier lezen. Het boek zal zowel lezers van literatuur als van non-fictie aanspreken. Achter in het boek is een uitgebreide literatuurlijst opgenomen alsmede enkele kaartjes die je helpen om een beeld te krijgen van waar de belangrijkste plaatsen liggen in de staat Iowa en in een deel van Amerika. 

De corrector van uitgeverij IJzer moet wel even aangesproken worden. Er zijn verscheidene fouten blijven zitten, zelfs die tegen de spelling van de werkwoorden. Maar het verhaal van Van Diggelen is  sterk genoeg om daar overheen te lezen. 

Michiel van Diggelen, De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella. Uitg. IJzer, Utrecht 2022; 384 blz. 25,00 euro.

dinsdag 1 november 2022

Luc Orient - Alle avonturen, deel 4 (Paape / Greg)


Dat ik van sommige strips geniet vanwege het jeugdsentiment is onmiskenbaar: je leest niet alleen de strips uit het verleden, maar je leest ook je eigen jeugd. Bij het herlezen van de strips van vroeger, komt het plezier weer boven van toen je ze voor het eerst las en misschien heb ik wel even de illusie weer veertien te zijn en mijn geheugen ziet dat als een zorgeloze tijd, iets waar mijn toenmalige ik het vast niet mee eens zal zijn. 

Tegelijkertijd lees ik de strips in het nu, met de afstand en de kritische blik van een volwassene. Houden de verhalen het nog steeds? Zijn ze niet achterhaald of flauw geworden? Dat vroeg ik me af bij het lezen van het vierde deel van de integrale uitgave van de verhalen van Luc Orient. (Ik heb altijd de neiging om een trema op die naam te zetten, maar die hoort er niet). 

Hieronder plaats ik de links naar de bespreking van eerdere delen. Die heb ik nu niet herlezen, dus mogelijk herhaal ik mezelf. Als dat zo is, ben ik in ieder geval constant in mijn oordeel. 

Dit vierde deel bevat drie verhalen, die ooit als afzonderlijke albums zijn verschenen: Het zesde continent (1976), De vallei van de verstoorde wateren (1976) en De kristalpoort (1977). Alle verhalen werden voorgepubliceerd in Kuifje.

Mysteries

Alle verhalen beginnen met een mysterie. In het eerste verdwijnt professor Kala, in het tweede worden er dieren uit de prehistorie in het heden aangetroffen en in het derde verschijnen er mensen uit het verleden in het heden. Zo geformuleerd lijken de mysteries uit het tweede en derde verhaal op elkaar, maar de uitwerking is geheel anders. In alle gevallen gaat Luc Orient op onderzoek uit. In De kristalpoort loopt hij eigenlijk zo het avontuur in. 

De karakters van stripfiguren waren in het verleden vaak minder gecompliceerd dan ze nu zijn. Luc is natuurlijk een held, maar de scenarist, Greg, heeft hem niet alleen maar goed gemaakt. Zo is Luc ook driftig en ongeduldig. Als hedendaagse lezer vind je dat hij af en toe best wat kan dimmen. Maar je blijft sympathie voor hem houden, zoals dat bij een held natuurlijk hoort. 

Ingenieuze verhalen

Alle verhalen zitten ingenieus in elkaar. Greg moet veel lol hebben beleefd aan de scenario's, waarin hij zijn fantasie heeft kunnen uitleven: van een volk dat zich georganiseerd heeft als de mieren tot een geleerde die de evolutie probeert te imiteren en een buitenaards volk dat een andere tijdmeting heeft dan de aardebewoners. 

De dingen die afwijken van onze aardse werkelijkheid zijn binnen het verhaal steeds logisch. Op een gegeven moment hebben Luc en zijn vrienden een bewakingsarmband om die hen binnen een bepaalde ruimte moet houden. Die wordt uitgeschakeld, maar als Luc cum suis de boel op stelten zetten, zou de armband gemakkelijk opnieuw geactiveerd kunnen worden, lijkt me en dat gebeurt niet. Verder kon ik prima meegaan in de fictie.

Tekeningen

Het tekenwerk van Eddy Paape doet het ook nog steeds. De setting van de drie verhalen verschilt nogal, maar steeds heb je als lezer het idee dat je op de plaats zelf aanwezig bent. Soms zijn de tekeningen erg vol, doordat ze helemaal dichtgekleurd zijn. Daartussendoor zijn er ook waarin het wit van de achtergrond een beetje lucht geeft. Dat is prettig. 

De keuze van het papier (niet te glad) ondersteunt wat mij betreft de leeservaring. Het is niet zo vezelig als van sommige oude albums, maar geeft toch de illusie van het lezen uit de tijd van de oorspronkelijke albums. Voor mij werkt dat sfeerverhogend. 

Het belangrijkste is dat ik drie interessante verhalen heb gelezen, waarbij ik me geen moment verveeld heb. Je zit in het begin vol met vragen en weet net zo weinig als de personages die het mysterie moeten onderzoeken. Langzamerhand komt er meer tekening in. Bij de uitleg heeft de strip soms veel tekst nodig, maar dat heb ik op de koop toe genomen. 

Bonus

Bij een integrale heruitgave hoort een bonus. In dit geval is dat een korte strip (Missie in 2012), geschreven en geschetst door André- Paul Duchateau en geïnkt door Eddy Paape en een interview met Paape. Verder nog een artikel over de illustere voorgangers van Luc Orient, Flash Gordon en Brick Bradford. Met de nodige illustraties natuurlijk.

Ook dit vierde deel is weer een mooi boek geworden. Iedereen die vroeger Luc Orient heeft gelezen, zal het willen hebben. Of het nog nieuwe lezers zal trekken, is moeilijk in te schatten. Voor mijn gevoel kunnen de verhalen nog prima mee. 

Titel: Luc Orient, Alle avonturen - deel 4
Scenario: Greg
Tekeningen: Eddy Paape
Vertaling: Tonio van Vugt
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2022, 176 blz. 34,95 euro (hardcover)

Eerder schreef ik over:


donderdag 27 oktober 2022

Brengschuld (Jan Siebelink)

Siebelinks oeuvre kent enkele constanten: de tuinderij van zijn vader, in Velp, en het onderwijs. Het is bijna niet te voorkomen dat binnen die onderwerpen de boeken naar elkaar gaan verwijzen, elkaar gaan overlappen, het bekende uit een andere hoek gaan belichten. Dat maakt het zicht op die constanten breder en helderder, maar het leidt  ook tot meer van hetzelfde. 

De eik die midden in het bos van de boeken van Siebelink staat, is natuurlijk Knielen op een bed violen (2005), een boek dat veel verkocht is, maar waarvan ik ook gehoord heb dat sommige mensen het niet uit konden lezen, vanwege de naargeestige sfeer. Dat wil zeggen dat het de schrijver goed gelukt is om die sfeer op te roepen. Ik heb indertijd heb boek met veel waardering gelezen. 

Daarna heeft Siebelink veel boeken geschreven die hetzelfde onderwerp verder uitmelken: Margje (2015), De buurjongen (2017), Jas van belofte (2019) en Maar waar zijn die duiven dan (2020). In al die boeken zit wel iets aangenaams voor de lezer, maar ook veel om kritiek op te hebben. Naar mijn smaak zijn ze geen van alle goed gelukt. De links naar mijn stukjes over deze boeken zal ik hieronder vermelden. 

Oudste zoon

Siebelink heeft het vertrouwde onderwerp opnieuw ter hand genomen met Brengschuld. De hoofdpersoon is Ruben Sievez, die we onder diezelfde naam tegenkomen in Knielen op een bed violen. Hij is de oudste zoon van Hans en Margje Sievez. 

Ruben brengt namens zijn ouders steeds de huur naar de huisbaas, meneer Metz. Deze man overlijdt en ineens dreigt het gezin Sievez uit het huis gezet te worden. Door tussenkomst van Ruben kan er een stuk grond verkocht aan meneer Delgijer, waarna de Sievezen kunnen blijven wonen. Dat laatste kwam ook al voor in Knielen op een bed violen. Daar kwam er een zwembad op het stuk grond, in dit boek een grote hal, bedoeld als manege en een tennisbaan met bijbehorende bar. 

Brief

Jaren later, als Ruben al oud is, komt er een brief boven water, waaruit blijkt dat de verkoop van het stuk land niet nodig was geweest. Het had het gezin een hoop ellende kunnen besparen. 

Dan is al heel veel heel gebeurd: Rubens ouders zijn al jaren geleden overleden en Ruben woont op de oude kwekerij. Het is de dag van zijn vierentachtigste verjaardag. Wat er op die dag gebeurt, is een vrij dun verhaallijntje in het heden, dat vooral in het begin van het boek de ruimte krijgt. Daarna gaat het verhaal vooral over het verleden. Dat is een structuur die Siebelink vaker heeft gebruikt, bijvoorbeeld in Jas van belofte.

Al vroeg op de dag heeft Ruben bezoek gehad van zijn vriend Jacques. Hij had gehoopt dat Jacques zou blijven. Ze delen herinneringen en intussen hebben beiden hun vrouw verloren. Maar in hun onderlinge contact vermijden ze diepgang. Het lijkt alsof er in het verleden wat tussen hen is voorgevallen. In de loop van het verhaal wordt niet helemaal duidelijk wat dat dan is. 

Dwanghandelingen

Vlak voor de verjaardag is Rubens hond overleden. Ook dat komt in verschillende andere boeken van Siebelink voor. Ruben zet de hondenmand in de schuur en heeft de neiging steeds te gaan kijken of de man er staat; hij heeft last van dwanghandelingen. Dat had hij ook al als kind. In het verleden heeft hij ook de neiging gehad zichzelf te verwonden, met een potscherf. De functie hiervan binnen het verhaal werd me niet helemaal helder. Siebelink heeft altijd de neiging zaken wat zwaar aan te zetten, tot aan het groteske toe. Met dat in je achterhoofd ervaar je ook dit soort dingen als vertrouwd. 

De dag in het heden biedt steeds mogelijkheden om uitgebreid terug te gaan naar het verleden. Daarbij had nog wel wat geschrapt kunnen worden. Dat Ruben buurman Delgijer ontmoet en hem vertelt dat zijn ouders uit het huis gezet dreigen te worden, komt twee keer voor: op de bladzijden 26, 27 en en 78, 79. Dat hij aankomt bij het huis van de huisbaas, juist op het moment dat die naar buiten gedragen wordt, staat op bladzijde 35 en 71, zonder dat je de tweede keer veel nieuwe informatie krijgt. Hier had een redacteur wel wat strenger mogen zijn.

Twee broers

De twee broers (Ruben en Tom) hebben een verschillende rol binnen het gezin. Ook dat is bekend uit andere boeken. Ruben is de oudste, degene met verantwoordelijkheidsgevoel, degene die deugt. Tom zet zich meer af. Dat is ook in dit boek het gevoel. Ruben doet erg zijn best en als het vriest en zijn vader niet in staat is om op de stookketels te letten, doet hij het. 

Tom raakt later aardig de weg kwijt en komt daardoor weer dichter bij de leefwereld van de overleden vader. Met een soort apostelen zou hij, volgens de geruchten, in Duitsland actief zijn. 

Ruben heeft een groot schuldgevoel. Door zijn tussenkomst is het stuk land verkocht, wat zoveel nare gevolgen voor zijn ouders heeft gehad. Dat schuldgevoel speelt hem zelfs na jaren nog parten. 

Losse eindjes

Siebelink haalt van alles overhoop in Brengschuld, maar hij laat ook veel losse eindjes hangen en bijna geen enkele verhaallijn komt tot een einde. Als opzichzelfstaande roman redt Brengschuld het dan ook niet. Vooral tegen de achtergrond van de rest van het oeuvre heeft het zijn waarde. 

Brengschuld leest overigens prettig. Je bent al heel gauw in de sfeer van de tuinderij. Siebelink strooit met namen van planten en vogels, beschrijft geuren en beelden en daar ga je als lezer gemakkelijk en graag in mee. Veel mensen zullen dit boekje dan ook met plezier lezen. 

Misschien is het ook niet zo erg dat het nauwelijks op eigen benen kan lopen. Je hebt een prettige leeservaring en verkeert een tijdje in  de wereld die je uit andere boeken kent. Veel nieuws staat er niet in Brengschuld, maar voor de fans zal dat niet erg zijn. 

donderdag 20 oktober 2022

Tussenstand



Wekelijks iets plaatsen, dat zou te doen moeten zijn, maar het kost mij moeite. Werk vult mijn hoofd en blijkbaar heb ik daarin toch ruimte nodig om wat te kunnen schrijven. Gelukkig heb ik tussendoor wel wat kunnen lezen. 


Voor school heb ik De engelenmaker van Stefan Brijs herlezen en ik heb er weer van genoten. Ik ga eens bedenken wat ik daarover kan schrijven. Verder heb ik, voor de Inktaap en dus eigenlijk ook voor school Onderweg naar De Hartz van Wessel te Gussinklo gelezen.
Mooi boek, dat ik langzaam gelezen heb. Prachtig slot. 

Intussen lees ik Brengschuld van Jan Siebelink. Soepel geschreven, want dat kan Siebelink wel. Het is een soort aanhangsel bij het verhaal van Knielen op een bed violen, en dat heeft Siebelink wel vaker gedaan. Ik weet niet of dat erg is. Tot nu toe vind ik het een aardig boek. 

Ik lees met tussenpozen verder in Romantici en revolutionairen van Rick Honings en Lotte Jensen. Heerlijk boek over de literatuur in de achttiende en de negentiende eeuw. 

Boven op de stapel nog te lezen boeken liggen twee romans die nog niet zo lang uit zijn: De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella van Michiel van Diggelen en Niet mijn lichaam van Hedwig Selles.  Naar beide boeken ben ik nieuwsgierig. Ik zal volgende week eens beginnen in het boek over dominee Scholte, een vervolg op De exodus van Hendrik Peter Scholte. Die twee titels lijken wel erg veel op elkaar. 


Verder heb ik nog een paar jeugdboeken gekocht: De tunnel van Anna Woltz en Films die nergens draaien van Yorick Goldewijk. Die kunnen misschien een keer tussendoor. 

En de strips dan? Die schieten er soms bij in en dat verdriet mij. In ieder geval ga ik schrijven over het vierde deel van de integrale uitgave van Luc Oriënt. Jeugdsentiment, jazeker, maar volgens mij kunnen de verhalen nog prima mee.  Ik ben al begonnen met lezen. 

Het kan wel even duren voor ik erover schrijf. Volgende week heb ik weliswaar vakantie, maar dan ben ik druk aan het wandelen, dus dan komt er wellicht niet van. Maar het zit in het vat en er is geen enkele kans dat het zal verzuren. 





woensdag 12 oktober 2022

Waanzinnige boomhutverhalen (Andy Griffiths / Terry Denton)

Het is Kinderboekenweek en de laatste jaren koop ik dan een paar kinderboeken en krijg ik het geschenk.  Dat wisselt per jaar nogal van kwaliteit. Haaientanden vond ik heel geslaagd, maar ik geloof dat ik zo'n beetje alles van Anna Woltz goed vind. Het boekje over de ruziënde eilanden, dat ik cadeau kreeg bij mijn aankoop in 2018 vond ik weer niks. 

Dit jaar kreeg ik Waanzinnige boomhutverhalen van Andy Griffiths en Terry Denton. Die twee maakten al een hele reeks boeken met verhalen over een 'waanzinnige' boomhut, die steeds meer verdiepingen krijgt. Het zijn echt boeken voor de massa en er zijn kinderen die alle delen gelezen hebben. 

Tussendoor: er is al veel geschreven over het feit dat een commissie die in haar naam heeft staan dat ze het Nederlandse boek propageert niet-Nederlandse auteurs het Kinderboekenweekgeschenk laat schrijven. Dat is inderdaad vreemd. Hopelijk is het iets eenmaligs. 

Ik had nooit een boomhutverhaal gelezen, dus ik was wel nieuwsgierig. Nu ik het boekje gelezen heb, weet ik dat de verhalen niet aan mij besteed zijn. Ze zijn grappig bedoeld, maar meestal vind ik de grapjes nogal flauw. 

Eigen wereldje

De boomhut is een soort eigen wereldje, met eigen wetten. De hoofdpersonen zijn Andy en Terry, die ook de makers van de verhalen zijn, en Jill, van wie het niet helemaal duidelijk is welke functie ze heeft. Ze heeft in ieder geval dieren en soms komt dat goed uit. Ook de rest van de wereld wordt niet geïntroduceerd. Figuren als Edward Schephand, die geen handen heeft, maar ijsscheppen, komen als vanzelfsprekend opdraven. Deze Edward zal wel een knipoog zijn naar Edward Scissorhands.  

Of Andy en Terry kinderen zijn, is me niet zo goed duidelijk. Ik denk wel dat kinderen zich met hen identificeren. Ze maken verschillende dingen mee in de boomhut en dat krijgen we te lezen in zes verschillende verhalen. 

Er zit behoorlijk wat absurdisme in die gebeurtenissen en dat vind ik dan wel weer aardig. Zo is er een Stoel-in-je-Neusdag, waarbij iedereen een stoel in zijn neus draagt. Dat zijn overigens redelijk kleine stoelen, maar het is een onverwacht idee. 

Voorspelbaar

Verder zijn er ook veel ontwikkelingen die vrij voorspelbaar zijn. Zo is er een soort superstofzuiger en die zuigt zo'n beetje alles op. Dat verhaal laat je met allerlei vragen zitten: door welke energie werkt het apparaat? Hoe kan het zoveel bevatten zonder te ontploffen? De tekeningen maken ons in dit geval niets wijzer. 

Die tekeningen vormen een belangrijk onderdeel van het boek. Schrijver en tekenaar worden dan ook beiden genoemd als auteur, wat ik wel sympathiek vind. Maar al te vaak is de tekenaar alleen maar degene die de plaatjes levert bij de tekst. Maar in dit boek zijn er zo veel tekeningen dat je ze als het ware meeleest met het verhaal. 

Ook typografisch zijn er ingrepen. Zo worden sommige termen of zinnen groter en dikker gedrukt en ze staan ook niet steeds horizontaal afgedrukt. De dynamiek zit daardoor niet alleen in het verhaal, maar ook in de manier waarop je door de tekst gaat. 

Hoog leestempo

Door de vele tekeningen ga je snel door de bladzijden heen en ik denk dat dat voor kinderen voor prettig is. Zo krijgen ze het idee dat ze een hoog leestempo hebben. En voor de boekverkopers is het ook prettig, want kinderen zijn snel door de boeken heen en dan kunnen ze een nieuw deel kopen. 

Er is veel pret in het boek en de lastige kanten van het leven worden zorgvuldig vermeden. Die lichtheid spreekt de lezertjes wellicht aan. Voor mij was het gevolg dat ik het allemaal niksig vond. Je kunt een boomhutverhaal lezen en je kunt er twintig of veertig lezen, maar je hebt niet het idee dat je echt iets tot je genomen hebt. Je eet een zak chips leeg en blijft zitten met een lege zak, zonder dat je je gevoed voelt. 

Amusement, meer is het niet. En omdat ik me maar matig geamuseerd voel, zal ik niet gauw naar een volgend deel grijpen. 

dinsdag 11 oktober 2022

De wereld van Sofie (Vincent Zabus / Nicoby)


Wanneer ik het gelezen heb, kan ik op dit moment niet meer nagaan, maar ik heb indertijd veel plezier beleefd aan De wereld van Sofie (1991) van Jostein Gaarder. Het gaat over een meisje, Sofie Amundsen, dat brieven ontvangt, met vragen om over na te denken. Ook krijgt ze een soort inleiding in de filosofie, te beginnen bij de oudste filosofen en dan verder door de tijd heen. Van wie die brieven komen, is haar aanvankelijk niet duidelijk. 

Nadat ik het boek gelezen had, schafte ik het bordspel aan dat erop gebaseerd is. Het is een soort cultuurhistorisch Triviant, met daarnaast een aantal grote vragen waarover deelnemers moeten filosoferen, zoals 'Hoe weet je zeker dat je bestaat? 'Hebben wij het recht iemand het leven te benemen?' 'Hebben we een ziel of alleen maar een geest?' Ik speelde dat soms met mensen die elkaar niet kenden en dat waren genoeglijke avonden. 

Het boek moet nog ergens in huis zijn, maar het zal tijdens een verhuizing in een doos terechtgekomen zijn. Nooit meer gezien, nauwelijks nog aan gedacht.

Maar nu is er de stripversie: scenario van Vincent Zabus en tekeningen van Nicoby. Het zijn twee delen, waarvan het eerste nu verschenen is. Een kloek boek (264 bladzijden), dat lekker wegleest. 

Van tekst naar strip

Bij de verstripping van een boek moeten er wat problemen opgelost worden. In het boek krijgt Sofie lange lappen tekst te lezen en een strip moet het vaak juist hebben van gebeurtenissen. Zabus kreeg gelukkig de vrije hand van Gaarder en die vrijheid heeft hij volop gebruikt. Sofie leest niet alleen de brieven, maar de inhoud wordt ook werkelijk. Ze ziet die voor zich en verschillende keren belandt ze op magische wijze in de tijd waarover die brieven gaan. Zo kan ze gesprekken voeren met de filosofen. 

Er gaat (als de herinnering aan het boek mij tenminste niet bedriegt) aardig wat inhoud verloren, maar dat is onvermijdelijk bij zo'n adaptatie. De kern is wel overeind gebleven en het is knap dat een boek zo helder tot die kern is teruggebracht. Goed werk van Zabus. 

Tekeningen

De tekeningen van Nicoby zijn dienstbaar aan het verhaal. Ze hebben een zekere eenvoud: de decors zijn meestal sober en de gezichten van de personages zijn ook vrij simpel getekend. Zo worden de ogen alleen aangeduid met twee stippen. Maar Sofie gaat moeiteloos van het heden naar het verleden en de lezer gaat net zo moeiteloos mee. Ze kan scènes voor zich zien als een soort 3D-projectie, ze kan verdwijnen in een brievenbus of een envelop, ze kan vliegen op een stapeltje papieren als op een vliegend tapijt en we geloven het allemaal. 


In dit soort passages kan de tekenaar zich uitleven. Verder wordt er ook gespeeld met het medium: Sofie trekt zich op aan de letters van de tekst die ze net geroepen heeft. In dit geval is het de 'o' uit haar naam en dan blijkt ze ook nog door die 'o' te kunnen kruipen waardoor ze weer in het heden belandt. Ook klimt ze door een opening in het kader. Dat is allemaal wel vaker vertoond, maar ik hou wel van die speelsheid. 

Geactualiseerd

De stripmakers hebben de strip ook geactualiseerd. Sofie heeft bijvoorbeeld afgesproken om mee te doen aan klimaatdemonstratie en ze vertelt aan iemand uit de oudheid dat het land waarin ze leeft een vreselijke epidemie heeft beleefd: 'En omdat de hele wereld bang was, gaf iedereen zijn mening zonder een specialist of zelfs maar behoorlijk geïnformeerd te zijn.' 

Het is een dimensie die Zabius heeft toegevoegd, maar die werkt goed. Het oorspronkelijke boek is alweer dertig jaar oud en op deze manier wordt het in ieder geval hedendaags. Bovendien is op deze manier aannemelijk dat Sofie zich zorgen maakt over de wereld en maar al te zeer openstaat voor filosofen die ooit een antwoord hebben geformuleerd op vragen als wie de mens is of waar de wereld vandaan komt. 

Sofie merkt op dat tegenwoordig heel veel mensen maar wat roepen, of een mening hebben, zonder daar diep over nagedacht te hebben. In het verleden treft ze juist de grote denkers aan. Ze ziet dat verschillende denkers tot verschillende antwoorden komen en dat er best wat in die antwoorden zit. 

Een strip leest echt anders dan een roman, maar ik kan van beide genieten. Ook de stripversie is een goed verhaal, waarin af en toe wat andere keuzen gemaakt zijn dan in het boek, maar ze werken en dan is het goed. Een ander medium stelt nu eenmaal andere eisen. 

Hoeveel kinderen graphic novels lezen, weet ik niet, maar ik denk dat ook de oudere kinderen prima dit boek kunnen lezen. Ik sluit niet uit dat ze daarna naar het boek grijpen. 

Titel: De wereld van Sofie
Deel 1: De filosofie, van Socrates tot Galileï
Scenario: Vincent Zabus
Tekeningen: Nicoby
Inkleuring: Philippe Ory
Vertaling: W. Davids
Uitgever: Scratch Books
Amsterdam 2022; 24,95 euro. 264 blz. (hardcover)




donderdag 6 oktober 2022

Het Gereformeerdenboek (Willem Bouwman)


De uitgaven van Waanders zijn zeer aan mij besteed. Het zijn handzame boeken (pocketformaat, maar wel gebonden) en zeer rijk geïllustreerd. Eigenlijk zijn de illustraties uitgangspunt en is de rest toelichting en omlijstende tekst. Ik heb in mijn boekenkast verschillende van deze boeken staan, bijvoorbeeld over de jaren vijftig, zestig en zeventig. Nostalgie, natuurlijk, en ik geniet er zeer van. 

Bij een kringloop vond ik Het Gereformeerdenboek van Willem Bouwman, dat in 2009 verscheen. Zonder nadenken heb ik het gekocht, voor een belachelijk lage prijs. De afgelopen maanden heb ik elke keer een aantal bladzijden gelezen en nu heb ik het uit.  

Afdelingen

Het boek is opgedeeld in afdelingen die chronologisch op elkaar volgen, afgewisseld met thematische delen: 1834 - 1892, Vrouwen, 1892 - 1945, Vrijgemaakten, 1945 - nu, Dissidenten en afvalligen. Wat betreft de jaartallen. In 1834 was de Afscheiding, met Hendrik de Cock. In 1866 was er de Doleantie, met Abraham Kuyper. En in 1892 was er de Vereniging, waarin afgescheidenen en dolerenden bij elkaar kwamen in de Gereformeerde Kerken van Nederland. 

De werkelijkheid is overigens gecompliceerder dan deze samenvatting, want al in 1838 splitsten de afgescheidenen zich, in 1841 ontstonden de Ledeboeriaanse gemeenten. En de afgescheidenen die zich in 1892 verenigden met de dolerenden, noemden zich toen al de Christelijke Gereformeerde Kerken, waarvan een deel niet meeging met de Vereniging. Maar goed, dat voert allemaal veel te ver. 

De term 'gereformeerd' staat voor heel verschillende groeperingen: er zijn gereformeerde kerken, al dan niet onder het kruis, gereformeerde gemeenten, vrijgemaakt gereformeerden (die zich vaker gereformeerd dan vrijgemaakt noemen, is mijn indruk) en christelijke gereformeerden. Ik weet dat ik bij deze opsomming niet volledig ben. 

Een groot deel van dit gebied bestrijkt Bouwman, Hij heeft daarbij hulp gehad van Hans Seijlhouwer en vooral Wim Berkelaar. 

Ook onbekende namen

Het Gereformeerdenboek is een heerlijk boek. Tenminste voor mij. Ik kan mij voorstellen dat er mensen zijn die de hele materie niet interesseert. We komen hier de grote mannen uit de kerkgeschiedenis van de laatste anderhalve eeuw tegen, waarbij er ook aandacht is voor de rol van de vrouwen. Naast de bekende namen, lezen we ook de veel minder bekende. Ik had bijvoorbeeld nog nooit gehoord van mr. D.P.D. Fabius, een tegenstander van Abraham Kuyper. Fabius mocht dan ook niet meer schrijven in Kuypers krant De Standaard. Maar De Rotterdammer, een antirevolutionair dagblad, dat sinds 1903 verscheen, bood ruimte aan hem. Kuyper liet het er niet bij zitten en zei dat er in De Rotterdammer 'demonische machten' aan het werk waren. Als het aan hem lag, werd de krant in geen enkele gereformeerde huiskamer gelezen. 

Strijd en controverse was er vaak. K. Schilder zou later zeggen: 'Wie niet polemiseert, is niet bekeerd.' Een heikele kwestie was de zaak Geelkerken. Dr. J.G. Geelkerken kwam in opspraak toen hij in een preek in het midden liet of de slang in het paradijs daadwerkelijk tot Eva gesproken had. Hij werd in 1926 geschorst en niet veel later afgezet. Geelkerken en de zijnen stichtten samen een nieuw kerkgenootschap, want zo gaat dat bij de gereformeerden. Dat werd de Gereformeerden in Hersteld Verband, afgekort H.V. De achterblijvers spraken van het 'Hellend Vlak' of  'Villa Ruimzicht.' Het zal mijn slechte karakter wel zijn, maar van zo'n anekdote smul ik. 

Vaak worden degenen bestreden van wie je als buitenstaander denkt dat het niet de grote tegenstanders zijn, maar degenen die vrij dichtbij staan. De Vrijgemaakte professor J. Kamphuis vond bijvoorbeeld de EO 'gevaarlijker dan de VPRO.'

Niet alleen kerkelijke voorlieden

Het zijn niet altijd kerkelijke voorlieden die Bouwman voorbij laat komen. In 1928 ging de antirevolutionaire burgemeester op zondag naar een wedstrijd in het Olympisch Stadion en werd beticht van zondagsontheiliging. Eigenlijk maakt het de burgemeester wel sympathiek, vind ik. Natuurlijk zei hij dat hij niet als persoon, maar als hoofd van de politie de wedstrijd had bezocht. 

In 1936 bepaalde de generale synode van de Gereformeerde Kerken dat kerkleden zich verre dienden te houden van de NSB. Gereformeerde NSB'ers werden vermaand en zo nodig afgehouden van het Avondmaal, een stap naar algehele uitsluiting. Dat wist ik niet. 

Ook de kerk hield zich bezig met de p.r. De voorzitter van een synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland eiste dat een foto van demonstrerende jongeren, die de synodebraadslagingen hadden verstoord, niet in Trouw werd afgedrukt. De hoofdredacteur trok zich niets van de eis aan ('Ik kan me niet herinneren de heer Kunst als fotoredacteur te hebben aangesteld') en plaatste de foto prominent op de voorpagina.

Een schat aan anekdotes

Dit soort dingen dus. Een schat aan anekdotes, die samen kleur geven aan de geschiedenis van een culturele stroming, die eigenlijk heel vaak geen grote stroom was, maar een verzameling van stroompjes die samenvloeiden en zich splitsten. Markante figuren, die opmerkelijke dingen beweren (Buiten de Vrijgemaakte kerk zijn er geen gelovigen. Het Fries is door God geschapen) en die laten zien dat God inderdaad vreemde kostgangers heeft, maar hij zal ook wel van zijn kostgangers houden. 

Het gereformeerdenboek is een heerlijk blader- en snuffelboek, dat je ook prima gewoon van voor naar achter kunt lezen, zoals ik heb gemerkt. Het is geen boek voor iedereen, maar ik denk dat het een mooie kennismaking kan zijn met een bepaald volksdeel dat je anders moeilijker leert kennen. En van degenen die in die bubbel zijn opgegroeid is het boek natuurlijk een feest der herkenning. 

Abraham Kuyper tussen zijn dochters Henriëtte en Jo

vrijdag 30 september 2022

Afgestoft: Geheime kamers (Jeroen Brouwers)

Er is al heel wat van Jeroen Brouwers dat ik in de loop van de jaren heb gelezen. Bij zijn dood had ik terug willen blikken op die leesgeschiedenis, maar mijn hoofd moest zich bezighouden met andere dingen. Misschien komt het er ooit nog van. 

Wat rondstruinend op Literom, waartoe ik sinds kort toegang heb, kwam ik de recensie van Geheime kamers (2000) die ik indertijd schreef. Dat stuk is eerder gepubliceerd in Nederlands Dagblad van 10 november 2000. 

Van de opmaak was weinig meer over, dus ik heb de verdeling in alinea's opnieuw moeten aanbrengen. Voor de rest heb ik weinig veranderd. Een enkel woord vond ik zo storend, dat ik het vervangen heb en ik heb wat tussenkopjes toegevoegd. Voor de rest is het de tekst van toen.  


De verwoestende kracht van de leugen

Het was 1980, het eerste jaar dat ik voor de klas stond, en ik had eigenlijk geen benul van literatuur. Wel had ik behoorlijk wat poëzie gelezen, maar het proza was voor mij een nog nauwelijks ontgonnen gebied. Ik had er wat in rondgestruikeld, was terechtgekomen bij Couperus, Reve en Hermans, maar ook bij Arnold Clerx, J.J. Cremer en P. van Limburg Brouwer. Geen idee waar ik mij bevond. Geen idee waar al die kronkelpaden heen leidden.

Toen ik mij weer eens door wat struikgewas geworsteld had en nog even mijn kleren afklopte, was daar ineens Jeroen Brouwers, met zijn Kladboek. Ik was meteen verkocht. Dat iemand zo kon schrijven! Zo betrokken, zo persoonlijk en vooral zo mooi! Totaal anders dan alles wat ik daarvoor had gelezen.

En ik kon er ook zo verschrikkelijk om lachen. Ik bezit een opgewekt gemoed, maar mocht ik ooit in somberheid vervallen, reik mij dan Brouwers' Kladboek aan en zoek daarin het stuk op 'Met D. van Tol naar de bedriegertjes' of het artikel over Dirk Ayelt Kooiman.

Liefde, literatuur, dood

Gelukkig bleek mij al gauw, dat er nog veel meer Brouwers was. Mijn Vlaamse jaren en Zonsopgangen boven zee en bovenal Zonder trommels en trompetten, een van Brouwers’ boeken die me het dierbaarst gebleven zijn. En in al die boeken kwam ik de Brouwerse thema's van toen tegen: liefde, literatuur en de dood.

Allemaal waren ze geschreven in Brouwersstijl. Brouwers had niet de stijl van een schrijver die maar gewoon deed, omdat hij dan eigenlijk al te gek deed. Brouwers schonk geen kopje thee met een koekje erbij. Brouwers vond niet dat het gazon nodig geknipt moest worden, want het gras was alweer vier centimeter lang. Brouwers beeldhouwde zijn zinnen met een knoeper van een hamer (en toch met eindeloos veel precisie). Hij verhief zijn stem, hij zwaaide met zijn armen. 'Kome er opnieuw schoonheid', riep hij. En ik vond het allemaal even mooi.

Signeren

De hele jaren tachtig las en herlas ik alles van Brouwers. Toen in 1988 De zondvloed verscheen, pakte ik al mijn Brouwersboeken in een koffer en reisde naar Arnhem, waar de schrijver zou signeren. In de winkel pakte ik die koffer weer uit, stapelde alle titels en daarvan weer al de verschillende drukken op elkaar en schuifelde met die stapel in de rij naar de tafel waarachter de schrijver zich bevond.

Graag had ik hem in alle boeken zijn handtekening laten zetten, maar Brouwers, die de hele sessie wel een bezoeking gevonden zal hebben, begon daar niet aan. Ik mocht de vijf meest dierbare boeken uitkiezen en de rest ging ongesigneerd weer mee naar huis. Ongetwijfeld koos ik de eerste druk van Zonder trommels en trompetten uit en de beide delen van Kroniek van een karakter. Wat ik nog meer koos, zou ik na moeten kijken.

De laatste tien jaar kwam Brouwers minder op mijn pad. Niet meer in de financiële positie zijnde om boeken te kunnen kopen (ach ja, het onderwijs), meed ik de boekhandels, las ik nauwelijks kranten en tijdschriften. Achter in Geheime kamers, de nieuwe roman van Brouwers, heb ik in de bibliografie opgezocht wat ik allemaal gemist heb en het is verbijsterend. Brouwers voegde alleen de laatste tien jaar al zo'n dertig titels aan zijn oeuvre toe. Ik moet nodig gaan sparen.

Soberder

Geheime kamers is de eerste roman in tien jaar, maar de vraag is niet waarom het zo lang geduurd heeft voor die roman er was, maar hoe Brouwers was veranderd, merkte ik. Of ik was veranderd. Of wij beiden. Zijn stijl was kaler geworden, soberder dan ik mij die herinnerde. Die stijl werd in recensies altijd barok genoemd. Het was een stijl met krullen, een stijl met kleuren die de aandacht trokken, niet zo'n sorry-dat-ik-besta-stijl. In Geheime kamers lijkt de stijl wat bescheidener. Wat sneller ook, meer in dienst van het verloop van het verhaal. Misschien is dat winst, maar ik hield ook erg van die krulstijl, waarin Brouwers gelukkig nog met enige regelmaat vervalt.

Ook zijn er meteen alweer de herhalingen. Het kwastje van een baret, dat elke keer opnieuw beschreven wordt of de correctielak in brieven of de geheime kamers of de jojo. Ik heb dat altijd schitterend gevonden. Nog steeds herinner ik mij de mist en het eelt en het 'kwaak kwaak' uit Bezonken rood, die het hele boek door opdoken. Zoals de verschillend gekleurde blokjes op een klimwand de klimmer langs verschillende routes omhoog leiden, leiden de motieven die Brouwers gebruikt je door zijn boek. Soms herhaalt hij ze bijna letterlijk, vaak geeft hij er een tikje tegen, zodat ze net iets anders betekenen dan de vorige keer. Daardoor krijgt het boek samenhang, krijgt alles met alles te maken. "Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt", schreef Brouwers ooit.

Soms is zo'n herhaling wat overnadrukkelijk. Als aan het eind van het boek mensen bezig zijn een vertrek wit te schilderen, denkt zelfs de meest argeloze lezer meteen aan alle correctielak die in de loop van het boek genoemd is. Dat Brouwers het ook nog een keer 'correctiewit' noemt, stoort mij dan.

Verliefdheid

Ook qua inhoud is Geheime kamers typisch een Brouwersboek. De ik-figuur, de afgekeurde geschiedenisleraar Jelmer van Hoff, is verliefd op de operazangeres Daphne, de vrouw van een jeugdvriend. In veel van het eerdere Brouwerswerk komen verliefdheden voor op meisjes die Aurora heten, of Emmy of Iris of Nachtschade. De verliefde mannen dwepen met deze meisjes, cijferen zich weg, hebben alles voor hen over. De meisjes staan op een voetstuk en worden aanbeden.

Ook Jelmer wordt verliefd als hij na zo veel jaren Daphne opnieuw ziet. Zij lijkt ook iets voor hem te voelen, schrijft hem brieven en arrangeert afspraken waar vervolgens vaak wat tussenkomt. Jelmer is in de ban van Daphne, maar niet voortdurend. Hij ziet vanaf het begin van de hernieuwde kennismaking de leugenachtigheid van Daphne in en soms zegt hij haar dat ook.

Maar vaak is haar betovering sterker dan Jelmers bezwaren. Ik heb erg moeten grinniken om een telefoongesprek waar Jelmer Daphne steeds van repliek dient. Maar hij doet het alleen in zijn gedachten. Jelmer verschilt in die zin van eerdere ik-figuren bij Brouwers, dat hij genoeg momenten heeft, waarop hij zich wel degelijk realiseert wat er aan de hand is. Dan ziet hij dat hij aan het lijntje gehouden wordt.

Geheimhouding

Thematisch gezien draait het in Geheime kamers om het beeld dat Daphne gebruikt voor die dingen waar ze haar man buiten wil houden en dat zijn er nogal wat. Weliswaar is ze getrouwd met de hooggeleerde Nico Sibelijn, maar haar echte liefde is haar oud-docent Johann Fahrenfurth. Ook het contact dat Daphne met Jelmer heeft, heeft ze opgesloten in een geheime kamer. Jelmer verzwijgt tegenover zijn vrouw Paula het een en ander over Daphne en zij op haar beurt verzwijgt de relatie die ze heeft met haar collega.

Het huwelijk van Jelmer en Paula stelt niet veel meer voor. Na de geboorte van hun dochter Hanneke, die het syndroom van Down heeft, heeft Paula zich totaal van Jelmer (en trouwens ook van Hanneke) afgewend. Man en vrouw delen een woonboot en dat is het wel zo ongeveer. Daphne is uit leugens opgebouwd. Haar hele huwelijk is een leugen, aangezien ze het alleen gebruikt als dekmantel voor haar relatie met Johann Fahrenfurth, die overigens ondanks zijn huwelijk ook met iedereen het bed in duikt. Maar ze bedriegt Jelmer net zo makkelijk. Als Jelmer dingen die zij vertelt natrekt, blijkt er nooit wat van te kloppen en als hij er vragen over stelt, praat ze eroverheen. Haar achternaam is niet voor niets Uitwyck, ze heeft haar uitvluchten altijd bijdehand.

Hoe destructief de leugen kan zijn, blijkt als een roddelblad zich richt op de beroemde zangeres Daphne en haar man Nico. De artikelen hangen van hele en halve leugens aan elkaar. Er wordt onder andere in gesuggereerd dat Nico zich schuldig gemaakt heeft aan bedrog, bij zijn belangrijkste ontdekking, 'de steen van Sibelijn'. Aan die ontdekking en de publicaties erover dankt Nico zijn faam als wetenschapper en ook zijn baan. De verdachtmakingen ruïneren Nico's status. Ook wat er over Jelmer en Daphne geschreven wordt, is grotendeels verzonnen. Zelfs de foto's zijn gemanipuleerd.

Witblonde vitrage

Er valt trouwens helemaal niet zo veel spannends te vertellen over die twee. Een relatie bestaat er nauwelijks en eigenlijk valt er tussen hen niet werkelijk iets voor. Misschien werd dat al aangekondigd toen Jelmer Daphne voor het eerst terugzag. 'Bij onze poging tot kussen, haar haar viel als witblonde vitrage voor mijn gezicht, stootten onze neuzen tegen elkaar.' Die witblonde vitrage lijkt wel het negatief van de zwarte voile die tussen de hoofdpersoon van Bezonken rood en zijn moeder valt, als ze hem kust, waarna ze hem achter zal laten op het pensionaat.

Zoals het vanaf toen eigenlijk niet meer goed kon komen tussen die twee, lijkt hier bij de begroetingszoen meteen het afscheid zich aan te kondigen. Uiteindelijk kent de hele geschiedenis een dramatische afloop, die ik hier niet uit de doeken zal doen.

Het is een triest beeld dat Brouwers schetst van de relaties tussen mensen. Leugens, bedrog en onoprechtheid. In tegenstelling tot Daphne is Jelmer niet slecht. Hij biecht zelfs alles op aan Paula, maar die gelooft hem al niet meer door de publicaties en het roddelblad.

Dochter

Jelmer is zelfs uitgesproken sympathiek door de manier waarop hij omgaat met zijn dochter Hanneke. Hij bezoekt haar trouw in de inrichting en probeert het beste voor haar te regelen als ze daar niet meer kan blijven. Hanneke kent geen bedrog, zij is wie zij is. Wel probeert men ook haar om de tuin te leiden, als de zuster snel de foto van de hond verwijdert, na het verscheiden van het dier.

Maar Hanneke heeft prima in de gaten wat er aan de hand is. Jelmer probeert Hanneke dan ook voor Daphne in een geheime kamer te houden. Dan is er in ieder geval nog iets wat niet aangetast is door Daphnes leugens. Dat Jelmer zo veel geeft om zijn dochter, is misschien wel het enige hoopvolle in het boek. Het is dan ook het enige wat hij overhoudt, als hij alles is kwijt geraakt.

Ingenieus opgebouwd

Geheime kamers is geen boek om vrolijk van te worden, al heb ik bij sommige passages zeker moeten lachen. Wel is het weer een typisch Brouwersboek, dat ingenieus is opgebouwd. De stijl blijft heerlijk. Ik kan ervan genieten als Brouwers iemand beschrijft 'met een zo strakke scheiding in het geplakte haar, dat die er met een bijl in lijkt te zijn geslagen. 'Zo'n hoofd zou ik zo kunnen uittekenen, als ik daar talent voor had.

De stijl mag dan misschien wat ingehoudener zijn geworden dan hoe ik die mij herinner uit vroeger werk van Brouwers, in de situaties die hij beschrijft schuwt hij de overdrijving niet. Als het noodweer is, waaien de vissen het water uit en vliegen hele stadsparken in de lucht. En ook op andere momenten neigen Brouwers' beschrijvingen naar het extreme. Natuurlijk maakt dat het boek minder realistisch, maar waarom zou realisme een eis moeten zijn?

Voor mij was Geheime kamers een hernieuwde kennismaking met het werk van Brouwers en al zijn boeken bleven meeneuriën tijdens het lezen. Toen ik het sterven van de hond las, stierf opnieuw de kat in Zonder trommels en trompetten en de rode laarsjes van Daphne lieten meteen de laarsjes van Aurora uit Zonsopgangen boven zee door mijn hoofd lopen. Bij het opnieuw doorbladeren van zijn laatste boek zullen er steeds meer van die lijntjes getrokken worden, totdat ook Geheime kamers muurvast zit in het oeuvre van Brouwers.

woensdag 28 september 2022

Dichterlijke nalatenschap (E.A. Borger)

Elias Annes Borger (1784 - 1820) was ooit een beroemdheid. Toen hij stierf, op zesendertigjarige leeftijd, pakten heel veel dichters uit met een gedicht waarin ze Borger prezen. 

Zijn oeuvre was toen overigens niet zo groot: het past in het kleine boekje Dichterlijke nalatenschap, waarin ook nog ruimte ingenomen wordt door een levensbeschrijving, de vertalingen van de gedichten en de lofdichten na zijn dood. Mijn uitgave (van 1852) telt 218 bladzijden, maar het boek heeft een heel klein formaat: het is kleiner dan mijn telefoon.
 

Jeneverstoker

Borger kwam uit een eenvoudig milieu, lees ik op verschillende plaatsen. Zijn vader was koopman, brander en jeneverstoker. Hoe eenvoudig dat was, kan ik moeilijk inschatten. Volgens het biografietje voor in het boek, 'was zijne moeder eene vrouw van groote schranderheid, en onvermoeid werkzaam om zich dat eenige noodige te verwerven, op welks bezit de Heer zoo zeer aandrong.' Ze las veel, vooral in de 'Heilige Schriften'. Vader had minder die neiging: hij was druk met zijn beroep en moest hard werken om zijn gezin de onderhouden. Elias Annes was het vijfde van acht kinderen.
 
Op driejarige leeftijd kon Elias vlot lezen. Hij werd verder opgeleid door meester Hornstra, die hem ook  landkaarten liet tekenen en hem leerde dammen. In 1801 vertrekt de jongen, zeventien jaar oud, naar Leiden om daar theologie te studeren.

Zodra hij preekbevoegdheid krijgt, maakt hij naam als kanselredenaar. Hier begint zijn beroemdheid. Hij zal later buitengewoon en daarna gewoon hoogleraar in de godgeleerdheid worden en hij gaat ook doceren in geschiedenis en Grieks.
 

Aan den Rhijn

Zijn faam als dichter ontleent hij grotendeels aan een enkel gedicht: 'Aan den Rhijn, in de Lente van het jaar 1820.' Het gedicht komt bijvoorbeeld voor in de Camera obscura van Hildebrand, waar, in 'De familie Stastok' mevrouw Dorbeen 'Rhijntje' declameert.
 
Het autobiografische gedicht maakt bij herlezing nog steeds indruk. Borgers eerste vrouw, Abrahamina van der Meulen, stierf in het kraambed. Twee jaar later trouwede Borger met Cornelia Scheltema. Ze kregen een dochtertje dat al snel overleed en daarna overleed ook Cornelia. We lezen het in 'Aan den Rhijn'.
 
Voor onze begrippen is Borger dan nog jong (hij werd in 1820 zesendertig jaar), maar hij schetst zich als oud:
En nu - ik kan mijn haren tellen,
Maar wie telt mijner tranen tal?
Borger weet dat God alles bestiert en maar als zelfs Job in zijn verdriet de dag van zijn geboorte vervloekt, is het niet vreemd dat hij verdriet heeft:
Dien slag, die mij ten tweeden male 
De kroon deed vallen van het hoofd, -
'k Heb steeds, mijn God, aan U geloofd,
En zal zoolang ik adem hale,
Mij sterken in uw vadertrouw,
Die nimmer plaagt uit lust tot plagen:
Maar toch, het valt mij zwaar te dragen
Dien zwaren last van dubblen rouw!

Dramatisch beeld

Borger beschrijf nauwkeurig wat er gebeurd is. Als zijn tweede vrouw overleden is,  wordt het kistje met het al begraven kind opgegraven en haar lichaampje wordt bij moeder in de grote kist gelegd. 

Dat is een beeld dat de lezer voor zich blijft zien en als dan in hetzelfde jaar de dichter overlijdt is het drama compleet. 

Tollens

Veel dichters herdenken hem. De gedichten zijn opgenomen in de Dichterlijke nalatenschap, maar Tollens geeft geen toestemming tot publicatie van zijn 'Lijkzang op Elias Annes Borger, uitgesproken na de lijkrede van den hoogleeraar J.H. van der Palm, in de kerk der Luthersche gemeente te Leyden, op den 20 van den wintertmaand, 1820.'

In het gedicht wordt Borger vergeleken met een boom die boven de andere oprijst, maar in hem knaagt een worm en uiteindelijk wordt de boom door de wind geveld. 
Dat, Borger! is uw beeld. Zoo stondt gij, opgestegen, 
Bewonderd, onbereikt, van rang tot rang gesneld;
Zoo stort gij eensklaps neer, met al uw glans gezegen,
Geplonderd in uw bloei en in uw kracht geveld. 
Het gedicht telt maar liefst achtentwintig strofen van acht regels. Je merkt dat Tollens een ervaren dichter is; hij neemt je moeiteloos mee in zijn verhaal. Hij noemt nog even zijdelings de Rijn, maar meer opvallend is dat hij God niet noemt. Er zijn drie pijlen afgeschoten. De eerste twee troffen de echtgenoten van Borger (het kind blijft onvermeld) en de derde treft dan de dichter. 

Grote woorden

Dat Tollens God niet noemt, valt des te meer op, omdat alle andere dichters dat wel doen. Ten eerste valt in de gedichten op dat er, in hedendaagse ogen, nogal overdreven wordt. Men schuwt de grote woorden niet. Het hele vaderland moet treuren, omdat Borger overleden is. Mr. H.A. Spandaw:
Treur, treur, mijn Vaderland!
in leed en rouwe zinkend;
G.W. van Motman, Jr.:
Treur, stervling, treur o Borger's dood!
Nee, juich, hij was deze aard te groot;-
J.T. Wielandt:
O! dat was Borger! - Nimmer blonk
Des menschen adel zoo in waarde,
Als waar, tot licht en heil der aarde,
De Heer der schepping Borgers schonk.
A. Moolenaar:
Onder vele duizendtalen
Vond men nauwlijks één zo groot.

God is erbij

Verder wordt in veel gedichten God erbij gehaald. Blijkbaar is het geloof de norm en het valt op als iemand niet naar God verwijst. Dat kan iets zeggen over de negentiende eeuw, maar misschien maakt het ook uit dat Borger een theoloog is. 

Aangezien God over alles gaat, was het dus Gods wil dat Borger overleden is. Daarom mogen er eigenlijk niet getreurd worden. Bovendien is Borger nu in de hemel en die wil men hem ook niet onthouden. Een gedicht uit de Vaderlandsche Letteroefeningen, zonder vermelding van de dichter:
Wij treuren, ed'le!... nee, wij staren
Op 't heil u reeds zoo vroeg weêrvaren;
Wij blijven u verknocht met onverbreekbren band.
Gij wilt niet dat wij troostloos weenen;
Gij weet, het uur genaakt van eeuwig blij hereenen;
Het oord, waar gij verblijft, is ook ons Vaderland.
De hereniging, in de hemel, is die tussen de dichter en Borger. In een ander gedicht wordt ook wel gesuggereerd dat hem 'een hemelsche eerkroon' door zijn vrouwen wordt aangeboden. 

Sterfbed

Een enkel gedicht, dat van D. Bax, is heel plastisch. In een passage zien we zelfs Borger op zijn sterfbed:
Daar ligt hij magteloos; het doodzweet op 't gelaat,
En de adem koud als ijs, het hart dan nauw meer slaat,
De zwaar beklemde borst, die, onder 't angstig hijgen,
Naar lucht, naar ademtogt, toch naauwlijks lucht kan krijgen;
Dat ingezonken oog, dat naar den Hemel staart,
En zich niet eens meer wendt naar deez' rampzalige aard;
't Verkondigt al den dood, het plegtig uur van scheiden
Borgers moeder leefde nog toen haar zoon overleed en zij wordt ook in dit gedicht genoemd. 
Vaak is er iets van troost, al is het maar dat Borger te groot was voor deze aarde of dat hij het nu beter heeft. Er is een verhaal nodig om te kunnen leven met het leed. 

En in veel gedichten is er een verwijzing naar het beroemdste gedicht van Borger.

Iets voor mijn kind

En hoe houden zijn gedichten het na zo lange tijd? De gelegenheidsgedichten, bij bijvoorbeeld een huwelijk, maken op mij niet veel indruk meer. Zelfs een gedicht voor zijn eerste vrouw lijkt niet uitzonderlijk. Het gedicht aan zijn kind ('Iets voor mijn kind') komt meer binnen, waarschijnlijk ook door de concrete autobiografische elementen. Zo beschrijft hij dat kort daarvoor zijn schoonvader overleden is. 

Borger schrijft dat God hem zijn gade gaf en zijn afgod heeft ontnomen. Alsof God hem wilde behoeden voor afgoderij. 

Verder is er nog een fantasie dat het in de toekomst niet allemaal goed zal gaan met het kind en dat de moeder dat niet meer mee hoeft te maken. Daarbij corrigeert hij zichzelf ook weer, trouwens. Aan het slot draagt hij zijn kind op aan God.
 
'Vasthi', een verhalend gedicht, waarvan alleen maar een fragment is geschreven, staat ook nog steeds. Je gaat makkelijk mee in het verhaal en het gedicht houdt vaart. 

Maar 'Aan den Rhijn', het laatste wat Borger schreef, voor zover ik weet, is het meest indrukwekkend. Het is niet eens zo lang, dus je kunt het gemakkelijk even nalezen. Je vindt het bijvoorbeeld hier

Dat zou misschien genoeg moeten zijn: een enkel goed gedicht, dat je tweehonderd jaar later nog kunt lezen en waarvan je het verdriet dat erin verwoord is nog kunt meevoelen. Het heeft niet kunnen verhinderen dat de eens zo beroemde Borger nu door velen vergeten is. 

Hoe groot de faam van Borger was, is te lezen in een artikel van  Rick Honings, uit 2014. Er werden straten en een bloem naar hem genoemd, hij kreeg een zuil. Louis Saalmink schreef een artikel over iemand die als colporteur boekjes van Borger aan de man bracht. Dat vind je hier. Uit dat artikel heb ik het portret gejat, dat uit een particuliere collectie komt. 

zaterdag 24 september 2022

De dikke Stok (Barbara Stok)


Van Barbara Stok heb ik zo'n beetje alles gelezen en eigenlijk altijd met plezier. Nu zijn haar autobiografische strips een een dikke verzamelbundel uitgebracht: De dikke Stok. Een mooie gelegenheid om al die strips te herlezen. 

De verhalen (en de losse tekeningen) gaan over het leven van Barbara Stok. Ze zijn dus persoonlijk. Maar als ze alleen maar persoonlijk zouden zijn, zou de lezer er misschien niets aan hebben. Dus tegelijkertijd ontstijgen ze het persoonlijke en tonen ze het algemeen menselijke, de menselijke conditie, hoe het is om te leven. 

Leven gaat niet altijd gemakkelijk. Er is tegenslag, er is klunzigheid, er is verdriet en Barbara Stok toont het ons. Daarin blijft ze dicht bij zichzelf en ze schuwt de schaamte niet. Dat maakt de verhalen spannend: je merkt dat er iets op het spel staat, ondanks de vaak achteloze manier van vertellen. 

Ontwikkeling

We maken ook de ontwikkeling van Barbara Stok als striptekenaar mee. De tekeningen hebben al vanaf het begin het handschrift van Stok: ze vereenvoudigt en probeert tot de kern van de afbeelding te komen. In het begin zijn de lijntjes dunner dan in haar latere werk. Daarnaast zijn in het begin de decors vaak drukker dan later. 

Goed vergelijkingsmateriaal bieden de verhalen over zeiltochten. Het eerste, 'Windkracht negen', kent nauwelijks witvlakken: alles is volgetekend. Dat de situatie dreigend is, is duidelijk. Maar ook bij de latere verhalen, 'Onze eerste IJsselmeertocht' en 'Onze eerste oversteek' is de situatie spannend. Stok weet dan met kleinere middelen hetzelfde gevoel over te brengen. 

In deze laatste verhalen zijn de tekeningen overigens ingekleurd en kleur doet natuurlijk ook wat. In de losse tekening 'Zeilen op het Paterswoldsemeer' gaat de vereenvoudiging nog verder. Je zou  de afbeelding zelfs minimalistisch kunnen noemen: een deel van het zeil en de mast tegen een strakblauwe lucht, met daarin alleen een klein vliegtuigje dat een wit streepje trekt. 

Op deze tekening staan geen mensen en dat is uitzonderlijk voor Barbara Stok. Ook bij een dagboektekening komt het voor: de kruinen van bijna kale bomen in de herfst met twee vliegende ganzen erboven. Bij beide tekeningen kun je de mens bedenken die naar boven kijkt en waarneemt wat we op de tekeningen zien, zodat de mens impliciet aanwezig is. Maar meestal op de meeste tekeningen zijn personen prominent aanwezig. 

Veel verhalen ontstaan in de menselijke interactie, in wat mensen zeggen en doen en hoe het personage Barbara daarop reageert. De gebeurtenissen brengen de gedachten op gang. In de strips zien we dan wat er gebeurt en de reflectie daarop.

Loopbaan

Niet alleen zien we hoe het tekenen van Stok zich ontwikkelt, maar ook hoe het gaat met haar loopbaan. In het begin heeft ze een baan naast het tekenen om in haar onderhoud te voorzien, maar die baan put haar uit en het is een bevrijding als ze die op kan zeggen. Daarna wordt het striptekenen haar baan en nog weer later wordt het haar succes, als ze wereldwijd doorbreekt met Vincent. Maar ook succes heeft een keerzijde: na alle drukte is er de leegte. 

De laatste tekening is een blik op de zee vanuit een vliegtuigraampje. Weer leegte, maar die lijkt niet vervelend. Er is nog van alles mogelijk. We weten intussen dat Stok doorgegaan is en een mooie graphic novel heeft gemaakt: De filosoof, de hond en de bruiloft.

Met het herlezen van de autobiografische verhalen heb ik mij geen moment verveeld, terwijl het toch zo'n 450 pagina's zijn. Als je zo lang met een personage optrekt, leef je met haar mee, wil je dat het goed gaat met haar. En Barbara Stok laat de lezer dicht bij het personage komen en het personage staat, voor mijn gevoel, dicht bij de stripmaker, al zal er altijd wel sprake zijn van een zekere vertekening. 

Relativeren

Veel tekeningen en korte verhalen zijn een reflectie op het eigen handelen en de relativerende kijk brengt de luchtigheid aan. Maar soms zijn dingen niet te relativeren, zoals bij de dood van Guus, de broer van de partner van Barbara. Maar ook hier heeft ze oog voor het detail dat toch doet glimlachen: de uitvaartondernemer zegt dat de as vlak boven de grond uitgestrooid moet worden, omdat je die anders op je schoenen krijgt. Zo'n glimlach relativeert het leed overigens helemaal niet. Prachtig zijn de drie tekeningen erna: Ricky die op de rand van het bed zit, Barbara die stil de kamer binnenkomt en bij hem gaan zitten. Er is veel leegte en stilte op de tekeningen, maar er is ook nabijheid. 

Barbara Stok is een vakvrouw, die weet hoe je een goed stripverhaal moet maken. Ze kan vertellen en ze kan tekenen. Maar bovenal is haar werk menselijk, waardoor je het herkent wat ze tekent, ook al maak je zelf heel andere dingen mee. Het zijn nabije strips. Je ontkomt er niet aan, je moet er wel van houden. 

Titel: De dikke Stok
Auteur: Barbara Stok
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
Amsterdam 2022, 448 blz. 30,00 euro (hardcover)

Eerder schreef ik over: