woensdag 11 juni 2025

De zoon van Arend 3: Onderweg (Michel Faure)


Er zijn heel veel strips en je kunt niet alles lezen. Je kunt zelfs niet over alles lezen. Soms is dat ontmoedigend, maar geregeld is dat ook heerlijk: je kunt steeds weer verrast worden. Zo herinner ik me niet dat ik ooit ook maar een enkel album van de reeks De zoon van de Arend gelezen heb. Op dit moment ligt deel 3 van de integrale uitgave op mijn bureau, Onderweg. Die bevat de albums 7, 8 en 9: Het voorspel van Austerlitz, Tussen twee vuren en In de Nederlanden

Centraal in de reeks staan twee mannen die dienen in het leger van Napoleon: luitenant Morvan d' Andigny en Nicolas Patroontasje. De eerste is een flamboyante man van goede komaf en Nicolas heeft een eenvoudiger afkomst. Met zijn druipsnor en zijn blik van een trouwe hond, ziet hij er minder spetterend uit, maar hij is betrouwbaar en hij zoekt toch wel zijn eigen weg. 

Soms trekken de beide personages samen op, soms raken ze uit elkaar, maar altijd weer kruisen hun wegen. Verder zijn er ook altijd vrouwen in de buurt. Mutsje duikt bijvoorbeeld weer op, naar wie het vierde album is genoemd. En bij Nicolas is Kajia. Verder is er nog Dona Paquita, een verbluffend begaafd amazone, die met haar ruiters shows verzorgt. Volgens haar kan Morvan met zijn paar Balthasar ook wel meedoen. 

Soldaten moeten naar andere standplaatsen en dat geeft de scenarist, Michel Faure, de gelegenheid om steeds een andere setting binnen Europa te kiezen. In deze albums begint het verhaal in Straatsburg, verplaatst zich naar Wenen en uiteindelijk komen de personages weer samen in Nederland, waar Nicolas Patroontasje een functie bij de douane van de Bataafse Republiek heeft. 

Interview

Veldslagen komen er niet direct in voor, maar er zijn moeilijkheden te overwinnen, er zijn tegenstanders en medestanders, concurrenten en vertrouwelingen. Er is altijd wel iets wat de hoofdpersonen in een lastige situatie brengt. In deze integrale uitgave is een mooi, uitgebreid interview met Faure opgenomen, waarin hij zijn manier van werken uitlegt. Hij heeft vaag het verhaal in zijn hoofd, maar meestal brengt hij zijn personages in een moeilijk parket en daar moeten ze zich dan uit zien te redden. Dat vergt de ene keer meer tijd dan de andere keer en daarom verloopt het verhaal ook niet altijd zoals hij gepland had. 

Dat is in deze delen ook te merken. Tijdens het lezen bekommerde ik me niet zozeer om de lange, doorgaande lijn, maar meer om de opduikende moeilijkheden en hoe die overwonnen zouden worden. Dat wil zeggen dat De zoon van de Arend geen doorwrocht scenario kent, maar dat de gebeurtenissen wel steeds boeiend zijn en je leeft heel erg mee met de personages. Ze worden echt mensen, met hun mooie en minder mooie kanten en zijn volstrekt geloofwaardig. 

Het verhaal heeft niet bijzonder veel vaart. Je wordt niet naar een plot gestuwd. Maar eigenlijk is dat ook niet erg. In sommige passages zit zelfs een zekere gezapigheid, maar dat komt over als het natuurlijke tempo van het leven, dat in de werkelijkheid ook niet een aaneenschakeling van hoogtepunten is. 

Tekeningen

Faure is niet alleen de scenarist van de strip, maar ook de tekenaar. Ook in zijn tekeningen is hij een verteller. Veel sfeer, goeie karakterkoppen, een bescheiden lijntje, arceringen die iets kriebeligs hebben. Het zorgt er allemaal voor dat je als lezer opgenomen wordt in het verhaal. Alles is daar dienstbaar aan. Je wordt dicht bij de personages gehouden en leeft met ze mee. Al met al een heel aangename strip, mooi uitgegeven in hardcover. Ik moet die andere delen ook maar eens opzoeken. 

Vreemd genoeg duikt de laatste tijd vaker het Franse leger op in mijn leesgeschiedenis. Nog onlangs besprak ik Op zoek naar glorie, een strip die overigens ook uitgekomen is bij uitgeverij Arboris. Hierin maak je veel meer kennis met de hardheid van het leven in het leger. En ik lees op dit moment een verhalenbundel van Ignatia Lubeley, Eenvoudige levens (1931), waarin een verhaal voorkomt van een jonge vrouw wier vriend door de conscriptie gedwongen wordt dienst te nemen in het leger van Napoleon, maar hij komt niet terug. Ze blijft hopen dat hij het toch overleefd heeft. Daarover zal ik over enkele weken schrijven. 

Van de integrale uitgave van De zoon van de Arend zal nog een vierde deel verschijnen, met daarin de albums 10, 11 en 12. Dan is de hele reeks compleet. 

Reeks: De zoon van de Arend, De integrale uitgave
Deel 3: Onderweg
Tekst en tekeningen: Michel Faure
Dossier: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2025, 176 blz. € 34,95 (hardcover)

dinsdag 10 juni 2025

Over de rand laait vuur (Chris van der Heijden)


De naam Chris van der Heijden roept meteen de titel van zijn boek Grijs verleden (2001) op. Hoe mensen zich gedroegen tijdens de Tweede Wereldoorlog was nogal eens, in navolging van Loe de Jong, beschreven in termen van 'goed' en 'fout', zo een scherpe scheiding aanbrengend tussen mensen die zich verzetten tegen de Duitsers en mensen die collaboreerden. Van der Heijden betoogde dat dat zwart-witbeeld wat te simpel was: tussen wit en zwart bevonden zich veel grijstinten en het was intussen wel tijd voor die nuancering. 

Daar kwam nogal wat kritiek op en die kritiek werd vaak persoonlijk, waarbij men verwees naar Van der Heijdens ouders. Vader Henk van der Heijden vocht mee met de SS en moeder Miep van der Velde was actief in de NSB. Van der Heijdens boek zou mede het doel hebben het handelen van zijn ouders in de oorlog goed te praten. 

In Over de rand laait vuur heeft Van der Heijden zich helemaal gericht op die ouders. Hij kan zich, behalve op herinneringen en verhalen, baseren op veel documenten. Er zijn dagboeken, een autobiografie en veel, heel veel brieven. Van der Heijdens ouders trouwden in 1943, maar zagen elkaar heel erg weinig, omdat vader zich opgegeven had om te gaan vechten in Rusland. En later omdat hij gedetineerd was, ontsnapte en een tijd onderdook. 

Titel

De titel verwijst naar een passage in een gedicht van Rilke. Henk schrijft daarover:
Het 'Geh bis an deiner Sehnsucht Rand' en 'Hinter den Dingen wachsen als Brand' beteekende voor mij dat wij als jonge menschen de dure plicht hadden van ons leven het hoogste en grootste te maken dat er van te maken was, ons te vormen en te ontwikkelen als onze gaven en vermogens het toelieten: dit woord beteekende voor mij dat ik met heel mijn persoon, mijn leven en mijn kunnen midden in den tijd en in het gebeuren moest staan en vurig moest meespelen in het groote spel der krachten en ideeën dat wij gewoonlijk de geschiedenis noemen. 
Je merkt het: hier is een idealist aan het woord, al vulde hij dat idealisme in op een manier die ons nu bevreemdt en die we afkeuren. Henk zag zelf ook wel in dat hij fouten gemaakt had, al blijft de vraag in hoeverre hij afstand genomen heeft van het gedachtegoed van de nationaal-socialisten. In dezelfde brief waarin hij die fouten erkent (zonder ze te noemen) geeft hij zijn zoon expliciet toestemming om na zijn dood alles wat verzwegen is omtrent zijn leven openbaar te maken. 
Dit laat onverlet dat ik grote fouten heb gemaakt, zij het nooit de fouten die onwetende omstanders mij verwijten. Over sommige van die fouten ben ik, zoals gezegd, nooit in staat geweest in alle open- en eerlijkheid te praten, zelfs niet in mijn autobiografie. Ik kon het niet. Zwijgen was een onvermijdelijk deel van mijn leven. Maar na dat leven hoeft dat zwijgen wat mij betreft niet langer bewaard te blijven. Want nogmaals, het was zoals het was en zoals het was, was het. 

Begrijpen

Van der Heijden reconstrueert het leven van zijn ouders, vooral om te kunnen begrijpen waarom ze de keuzes maakten die ze maakten. De aandacht waarmee hij dat doet, is een uiting van liefde, wat niet wil zeggen dat hij goedpraat wat zijn ouders deden. Al in het begin schrijft hij:
Mijn ouders hebben meegedraaid in een weerzinwekkend systeem. Dat is en blijft uitgangspunt én conclusie van dit boek. 
Geregeld neemt hij afstand van de keuzes van zijn ouders, waarbij je de indruk hebt dat hij zich bij voorbaat aan het wapenen is tegen kritiek, waarschijnlijk indachtig de reacties op Grijs verleden

Katholiek

Belangrijk voor de keuzes van de ouders is het katholicisme. Van der Heijden laat zien dat de stap van katholicisme naar fascisme in die tijd klein kon zijn, al zijn er ook katholieken die een heel andere keuze hebben gemaakt. Na de oorlog heeft Henk enkele brieven gewisseld met een andere katholiek, Godfried Bomans, die helder uitlegt, waarom de keus van Henk verkeerd was. 
Zeg niet, 'ik deed zelf die dingen niet'. Je deed het wel. Want je droeg het kleed van hen die het wel deden, je steunde hen door je tijd en moeite te geven aan deze jammerlijke beweging. Je was medeplichtig. Dat je het aantrok wekte mijn verbazing, maar dat je het aanhield mijn teleurstelling.
Henk reflecteert wel op zijn keuzes, maar lijkt niet ten volle te beseffen wat het systeem heeft aangericht waaraan hij loyaal was en dat hij uitdroeg. Hij heeft ook weinig begrip voor de woede die er na de oorlog was:
Op het station Tilburg zag ik hysterische woede-aanvallen van oudere menschen en steenengooiende kinderen en volwassenen, die mij diep over mijn eigen volk te denken gaven. Ik heb mij zoo geschaamd. Wij waren weerloze ontwapende mannen en zij 'overwinnaars' die vroeger altijd onderdanig en bijna kruiperig waren, toen de Duitsche soldaat nog wapenen bezat.
Henk was lid van het Verdinaso, het Verbond van Dietsch Nationaal-Socialisten, dat later opging in de NSB. Hij werd lid van de Waffen SS, vocht mee in de Kaukasus en in Kroatië en werd Kommandant van de Landwacht van Zuid-Holland en Zeeland. In hoeverre hij daarbij vuile handen gemaakt heeft, zoekt zijn zoon zo goed mogelijk uit, maar zoals Bomans al schreef: de keuze zelf is al verkeerd. 

In een brief aan haar man toont Miep alle begrip en ze prijst hem zelfs:
Je kon niet anders dan je hebt gedaan. Er zal nooit de schim van verwijt in mijn gedachten binnen sluipen. Je was eerlijk, eerlijk tegenover jezelf wat de moeilijkste vorm van eerlijkheid is, je was trouw, jezelf was je trouw. Je was dapper, je hebt je leven op het spel gezet, je bent vrijwillig naar Rusland gegaan. Je hoeft je nergens of voor niemand te schamen over de vijf jaren, die voorbij zijn gegaan. Ze hebben hun waarde en hun winst in je ziel achtergelaten, geloof het, ook als je het soms niet beseffen kunt. 

Miep

Miep maakt zelf ook duidelijke keuzes. Ze komt terecht bij de Nationale Jeugdstorm van de NSB. Uiteindelijk wordt ze geroyeerd, als ze de meisjes opgeroepen heeft om zich waardig te gedragen in de omgang met Duitse soldaten. 

Ze verwacht dat de oorlog wat kan veranderen in Nederland:
Eigenlijk wil ik ook in enkele maanden Duitsche overheersching hier veel dingen verbeterd hebben, een zuiveringsactie van de slappe elementen en de geldjoden. Daarna onze onafhankelijkheid herwonnen en Indië ongedeerd in ons bezit. 
Ook Henk verwacht veel van de nieuwe wind die er door Europa waait:
Het nationaalsocialisme is niet het beste, doch het is het eenigste dat de europeesche problemen kan oplossen en ik ben er zeker van dat zij het zullen doen ook. De feiten zijn niet te negeeren. 

Daden

Het gaat niet alleen om de opvattingen van Henk, maar ook waartoe die opvattingen hem brachten. Chris van der Heijden:
In de eerste instantie was en bleef hij een intellectueel, iemand die denken, studeren en schrijven verkoos boven andere zaken. Maar hij had ook een andere kant en meende dat die kant, conform de fascistische ideologie en de 'eisen van de tijd' niet verwaarloosd mocht worden: die van de daad.

Chris van der Heijden volgt zijn ouders kritisch en gelooft niet op voorhand wat ze zelf beweren. 

Mijn vader heeft altijd doen voorkomen alsof hij een man uit één stuk was. Ik denk dat daar heel wat op af te dingen is.  
En op sommige vragen, die wel belangrijk zijn, is geen antwoord meer te geven. Henk komt in Pjatigorsk, in Rusland, waar de Duitsers vreselijk huisgehouden hebben onder de plaatselijke bevolking.

Alle ongeveer 1500 Joden werden vermoord. Dat gebeurde nog geen drie maanden vóór Henks komst. Maar in zijn brieven en andere geschriften is hiervan geen spoor te vinden. Wist hij het niet, merkte hij het niet? Wilde hij het niet weten? Een antwoord blijft uit. 

Historicus en zoon

Aan de ene kant werkt Van der Heijden als historicus, die zoveel mogelijk wil uitzoeken. Aan de andere kant is hij een zoon die zijn ouders wil begrijpen en die zich daarbij in een verwarrende positie bevindt: loyaal aan de ouders, maar niet aan hun opvattingen en hun keuzes. 

Er zijn meer zaken die verwarrend zijn. Zijn ouders hebben landverraad gepleegd, door te collaboreren met de bezetter, maar ze beroepen zich erop dat juist voor het land gedaan hebben. 

Die positie van zowel onderzoeker als kind is lastig, maar Van der Heijden maakt zoveel mogelijk duidelijk waarop hij zich baseert en waarom hij schrijft wat hij schrijft. Bij het boek hoort een website met achtergrondinformatie, met daarop een schat aan verdere informatie. Veel bronnen zijn in te zien. 

In hoeverre Van der Heijden alle beschikbare bronnen recht doet, kan ik niet beoordelen. In ieder geval probeert hij zo goed mogelijk transparant te zijn en geeft hij de lezer mogelijkheden om zich zelf verder in de stof te verdiepen. 

Ik snap dat de uitgever het boek behapbaar wilde houden. Dat wil zeggen dat er geen literatuurlijst, geen namenregister en geen noten opgenomen zijn in het boek zelf. Maar als er een naam in het boek voorkomt, ga je niet tijdens het lezen op zoek op de website, maar wil je eigenlijk meteen weten over wie het gaat. De website heb ik dan ook pas bekeken toen ik het boek al helemaal gelezen had. 

Veel illustraties in het boek ontberen een onderschrift en soms zijn ze ook aan de kleine kant. Dat had wel anders en beter gekund. In het midden is wel een mooi fotokatern opgenomen. 

Vertelwijze

Schrijven kan Van der Heijden wel. Het verhaal is helder geschreven en houdt de aandacht gemakkelijk vast. Er wordt geregeld gebruik gemaakt van cliffhangers. Enkele voorbeelden:
In september wordt ze daarvoor voor vier maanden op een zijspoor gezet, in december wordt de schorsing met drie maanden verlengd, een halfjaar later wordt ze uit de partij gegooid. Zover was het nu nog niet. 

Het zal Henk, Miep, de naaste omgeving en advocaat Van Krimpen positief gestemd hebben. Ten onrechte zoals spoedig bleek. 
De historicus past daarbij de technieken van de romanschrijver toe. 

Natuurlijk is Over de rand laait vuur een boek over de ouders van Van der Heijden, maar het bredere belang is dat het een poging doet ons te leren begrijpen waarom mensen hun keuzes maken. Bij beide ouders is er wel een vorm van idealisme te bespeuren, al zijn er wel verschillen. Miep lijkt meer een gevoelsmens, Henk meer een intellectueel. 

Dood van een vriend

Waarom Henk daadwerkelijk dienst nam bij de SS is toch nog lastig na te voelen. De dood van zijn vriend Jan van Lith speelt daarbij een rol, maar ik weet niet of die verklaring voldoende is. Voor mijn gevoel is de stap naar meevechten met de SS groter dan hij blijkbaar in het hoofd van Henk was. 

In ieder geval is in dit boek de grote geschiedenis teruggebracht naar de levens van enkele mensen. Wat betekende het voor deze mensen om in die tijd te leven en hoe gaven hun opvattingen en hun omgeving hen in dat ze bepaalde keuzes maakten? 

Dingen willen begrijpen betekent niet dat je ze verontschuldigt. Van tijd tot tijd maakt Van der Heijden dat duidelijk, maar omdat het boek ook met empathie geschreven is, kan bij oppervlakkige lezing 'begrip van' en 'begrip voor' door elkaar gaan lopen, hoewel de auteur die twee steeds zo goed mogelijk scheidt. 

Over de rand laait vuur heeft mij zeker geboeid. Het toeval wil dat ik vlak na het lezen de roman Alleen geluk van Miep van der Velde vond op een vlooienmarkt. Die heb ik maar gekocht. Of het ooit van lezen komt, weet ik niet. 

Chris van der Heijden, Over de rand laait vuur. Mijn ouders en de oorlog. Uitg. Boom, Amsterdam 2025, 364 blz. € 29,90

Huwelijk van Henk en Miep (Bron)



maandag 9 juni 2025

Afgestoft: In ommezien (Jan H. de Groot)

Gedichten! Deze keer een recensie van een bundeltje van Jan H. de Groot (1901 - 1990), een dichter die door velen intussen vergeten is. Of weet iemand nog vaag iets over een gedicht over een kalf? Dat werd ooit gepubliceerd in het protestantse tijdschrift Opwaartsche wegen en in die hoek moet je de dichter ook zoeken. 

Al voor de oorlog ving hij, samen met anderen, Joodse vluchtelingen op bij de grens om ze in Nederland onder te laten duiken. Na de oorlog kreeg hij de verzetsprijs van de stad Amsterdam. 

Ik zocht hem ooit op in de jaren tachtig, toen hij in Doorn woonde. Hij woonde op een terrein waar meer oudere kunstenaars woonden. Helemaal helder heb ik het niet meer, maar ik herinner me dat Nol Gregoor (bekend uit de kringen rond Vestdijk) en de harpiste Phia Berghout er ook woonden. 

Het zal een uur of elf in de ochtend geweest zijn toen ik arriveerde. Een van de eerste vragen van De Groot was: 'Wilt u wijn?' Toen ik antwoordde dat ik eerder gedacht had aan koffie, zei hij: 'O. Ik drink nogal wijn.' 

Het was gezellig bij De Groot, van wie ik informatie hoopte te krijgen over Martien Beversluis en wel over de jaren twintig, waarin hij bijvoorbeeld Canzonen schreef. Maar daar kon de dichter mij niet aan helpen. Wel beweerde hij dat de eerste roman van Beversluis' echtgenote, Johanna Verstrate, door haar man geschreven zou zijn. Verstrate schreef onder de namen Dignate Robbertz en Sylvia Maris. Als ik het tenminste allemaal goed onthouden heb. 

De recensie van de bundel In Ommezien komt uit 't Kofschip, jaargang 15 nummer 1 (januari-februari 1987). Toen was ik 27, een eeuwigheid geleden. In dit nummer stonden drie recensies van mij. Een korte van Kinderen van de fraters van Jules de Palm, eentje van De jacobsladder van Maarten 't Hart (die ik hier afstofte) en die van de bundel van De Groot. 

Het was maar een dun bundeltje, een bladzijde of dertig, waarin De Groot een keuze uit de eigen gedichten had gemaakt. Het kwam uit bij MediaMix in Zeist in een oplage van 250 genummerde exemplaren, waarvan het mijne 192 was. Ik had het boekje bij me toen ik De Groot bezocht en hij signeerde het. 



Terugblikken

 De nieuwe gedichtenbundel van Jan H. de Groot heet In Ommezien. Hij is uitgegeven ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van de dichter en bevat zowel nieuw als oud werk. 'De inhoud van deze poëzie bevat een terugblik op mijn werk; een omzien waaruit de lezer mij kan herkennen, want de dichter schrijft wel zijn verzen, maar het vers schrijft ook zijn dichter', verklaart De Groot in 'Ter inleiding'.

De bundel is verdeeld in drie afdelingen van elk zes gedichten. In de eerste afdeling, 'Kanttekeningen', staat de ouderdom centraal. De eerste drie gedichten sluiten nauw aan bij de titel van de bundel; het zijn alle terugblikken. Mildheid en vredigheid overheersen in deze gedichten. 'Nederlagen' (waarin m.i. een zetfout voorkomt; 'geduchten' moet zijn: gedachten) eindigt zo: 

Ik kwam ze tegen 's nachts, mijn nederlagen.
Ik telde ze toen ze mij steels aanzagen,
maar ik heb het schaamrood niet teruggekregen:
april beloofde overmilde dagen. 

In de volgende drie gedichten ontmoeten we de dood. Letterlijk  ('De dood liep door het park de knoken op de rug'), in de gedaante van een een oude man die al een tijdlang dood achter het raam zit en in de persoon van Anne Frank (in het gedicht 'De naam'). 

De afdeling 'Plaatsbepalingen' bevat gedichten geïnspireerd op bepaalde locaties. In bijna alle gedichten is de dichter zelf aanwezig. De plaatsen worden getekend in de emotie die ze bij de dichter oproepen. In het eerste gedicht is het terugblikken weer aanwezig: de dichter bezoekt met zijn zoon zijn geboortestad, waarin hij nu een vreemde is, hoewel veel dingen niet veranderd zijn. (''k Herken zoveel maar ik ben niet herkend').

Het bekende gedicht 'Reiziger doet Berlijn' detoneert een beetje in deze afdeling. Het is van een ander soortelijk gewicht: lichter, luchtiger. Voor degenen die dit gedichtje over het platgebombardeerde Berlijn nog niet kennen, citeer ik het:
Reiziger doet Berlijn

Geen week geleden kwam ik hier
en vond een stad vol ijlend leven. 
Nu kijk ik weer uit het portier, 
verrek, waar is Berlijn gebleven?

Humoristisch, zeker, maar ook niet meer dan dat. Daarom vind ik het jammer dat dit gedicht opgenomen is. 

De derde afdeling heet 'Bij gelegenheid' en bevat dan ook gelegenheidsgedichten: een gedicht naar aanleiding van een ongeluk dat de schrijver Louis de Bourbon overkwam, een kerstgedicht, een gedicht naar aanleiding van een operatie, een gedicht voor de plaquette voor het perscentrum Nieuwspoort (in Den Haag), een bruiloftslied en een soort oudejaarsgedicht. 

Opmerkelijk is het kerstgedicht ('Kerstbrief van Melchior'). Het is een brief van de zwarte van de drie koningen aan de andere twee, Caspar en Balthazar. Hij schrijft dat hij niet mee kan gaan naar Bethlehem, omdat hij moet strijden tegen de blanken. 

De eerste strofe:
Ik schrijf u Caspar, Balthazar
vanuit mijn hoofdkwartier
ik kan en wil niet weg dit jaar
want oorlog houdt mij hier
de laatste oorlog weliswaar
tegen het blank verweer
maar laatste loodjes wegen zwaar
en dat weet God de Heer
'Sonnet voor het volgende jaar' is het laatste gedicht van de bundel. Het is een gedicht waarin de dichter naar de toekomst kijkt. Nu blijkt ook dat De Groot zijn bundel nauwkeurig opgebouwd heeft: hij begint met omzien maar eindigt met vooruitblikken. Zoals ook de bundel niet alleen maar oude gedichten bevat, waarin we kunnen terugblikken op het werk van de dichter, maar ook nieuwe, die ons doen uitzien naar toekomstig werk. 

De meeste gedichten in deze bundel zijn strak van vorm: veel sonnetten (de helft), veel rijm, vaak verdeling in gelijke strofen. Maar in elke afdeling staat één gedicht met een vrije vorm ('De naam', 'Petra', 'Operatie X'). Hoewel deze gedichten ook vaak mooie zinnen bevatten (bijvoorbeeld: 'Ik moet (...)/ mij neerleggen in de berm van mijn bed'), overtuigen ze me mij niet. Ik vind ze vaak nogal babbelachtig (vooral 'Operatie X'), vol overbodige, nietszeggende zinnen. 

Jammer, natuurlijk, maar niet noodlottig. Ondanks de zwakheden, is deze bundel mij sympathiek. Een aardige gelegenheidsbundel, waarbij ik het woord 'aardig' niet bedoel als synoniem van 'redelijk', maar van 'aangenaam'. Ik kan niet beter dan afsluiten met het citeren van het mooie slotgedicht. 

Sonnet voor het volgende jaar

Misschien komt er na dit een volgend jaar
wie deert de vraag, behalve dan mijn jongen, 
uw dochter, die in watervlugge sprongen
de tennisbal toespelen naar elkaar?

Zijn zij al niet de hoeken ingedwongen;
verslagen, maar het eind nog niet gewaar?
Boleten vol van kosmisch vuurgevaar
bedreigen reeds de toppen van hun longen. 

Ik zie ze schaatsend in hun asbestpak
de glasplaat kruisen van het wereldrond,
gewapend met het laatste blik conserven.

Op weg het Nieuwe Aardrijk te beërven,
want God, die nimmer zijn belofte schond,
moet ergens wachten met een bloesemtak. 

vrijdag 6 juni 2025

Uit het barre land (Aleida Leeuwenberg)

Graag snuffel ik in kringlopen, misschien meer om het snuffelen dan om kopen. Bij de boeken tref ik veel aan wat ik ken, veel wat ik niet ken en ook niet hoef te kennen en soms iets wat me nieuwsgierig maakt. Dat laatste gebeurde me bij Uit het barre land (1976) van Aleida Leeuwenberg. Ik had haar naam wel eens gehoord of gelezen, maar elke context ontbrak. Ik besloot het boek te gaan lezen. 

Uit het barre land bestaat uit brieven. Het is opgedeeld in drie delen.  'Het / Eerste Deel / bevat brieven aan mijn zusters geschreven tijdens een moeizame en gevaarvolle reis per schip door de binnenlanden van Frankrijk. Onze kinderen, bijgenaamd Bolle en Ertje, waren toen vijf en een jaar oud.' 

Per tjalk

In de brieven wordt verslag gedaan van de tocht per schip, een tjalk. Veel sluizen (een keer zelfs drieëndertig op een dag) en verder veel gedoe dat monter het hoofd geboden wordt. De kinderen zijn soms ziek, soms zitten er andere dingen tegen, maar eigenlijk laat de briefschrijfster zich er nooit door ontmoedigen. 

En kleine Ertje had de galopstront dat het langs de stoelpoten stroomde en Wobbe had pijn in zijn buik, maar het was zijn eigen schuld hoor, dat krijg je van die goedkope wijn, daar doen ze gif in om het gepeupel uit te roeien. Maar Wobbe wil dat niet zien. En kreunen deetie, god wat kunnen mannen toch kreunen als er niks aan de hand is. 

Er zit iets vitaals en vastberadends in de manier van schrijven. Maar misschien komt dat ook wel doordat het brieven zijn, waarin je je zusters het liefst laat weten dat de dingen zo gaan dat ze zich er geen zorgen over hoeven te maken. Ook de meningen tussendoor zijn stevig.

Iedere koekebakker loopt weer met een groot schietgeweer door het veld om kleine konijntjes neer te knallen. Zuipen, vreten en het vaderland, daar leven ze voor en sterven ze aan, maar ach, met het vaderland is het een slappe tijd tegenwoordig nu de vijand nooit meer eens leuk aan de grenzen staat, dus de konijntjes moeten het des te meer ontgelden want geknald zal er worden: het mes snijdt aan twee kanten. 

Van die resoluutheid houd ik wel. En ook van die blik die, als het allemaal minder leuk is, de ironie ziet. De brieven lezen lekker en ik kreeg wel een beeld van het leven op dat schip. Tussendoor zijn er tekeningen opgenomen, die helpen om het beeld scherper te krijgen.

Le Paradis 

Het 
Tweede Deel  
vangt aan met een brief aan mijn tante waarin verhaald wordt hoe en waarom wij ons nederzetten in het gehucht Le Paradis. 
De brieven daarop volgend zijn geschreven aan mijn concubijn en huisvader Wobbe, die voor twee maanden naar Holland en ons schip was teruggekeerd om met betalende gasten te zeilen. 

In het tweede deel doet de 'ik' verslag van het leven in het dorp, met de kinderen en de hond Beertje, terwijl partner Wobbe afwezig is. Ook nu weer zitten veel dingen niet mee, maar steeds is er die monterheid, die weinig ruimte geeft aan wanhoop of neerslachtigheid. 

De dag dat Bolle zijn been brak - in januari - en ik hem naar het ziekenhuis moest brengen, waarvoor ik me haastig netjes had aangekleed, viel Beertje op het laatste moment tussen wal en schip zodat ik op mijn buik in de modder moest gaan liggen om hem te redden. Zo wassie nou eenmaal. Het vijfde perron van het Gare du Nord heeftie helemaal volgescheten toen we daar vier weken geleden uit de trein stapten. 

Toch merk je dat het leven niet altijd gemakkelijk is. Dat wordt niet ontkend en het wordt zelfs getoond, maar er wordt niet over gezeurd. 

Verlangen

Het
Derde Deel
geschreven met koude handen. Wobbe is voor de tweede maal naar Holland vertrokken, om het schip te hellingen, de zeilen te bergen, de motor af te tappen. 
De laatste brief is geschreven toen hij weer terug was, aan mijn lieve koffiezuster. 
De winter nadert. 
Ook in het derde deel wordt er niet gezeurd, maar er wordt wel verlangd naar Wobbe, die er maar niet is. Ze schrijft hem geregeld en soms duurt het wel erg lang voordat er post terug komt:
Nounou, jij komt ook niet af met post. Ik zal er maar uit opmaken dat je het vreselijk druk hebt; of in dronkenschap ronddoolt; of dat het erg gezellig is; of dat je een ander wijf hebt; of dat de eenzaamheid je met stomheid heeft geslagen en het vocht in de bedden je met reumatiek en vingerkramp geselt; of dat je lasogen hebt opgelopen; of iets veel ergers; of je denkt gewoon het is de moeite niet, ze mot het maar uithouden die twee weken. 
Alles is ook met een zekere gretigheid geschreven, er is een lol in het vertellen zelf, al zou de schrijfster dat waarschijnlijk niet willen horen. Als een buurvrouw zegt dat ze een boek moet schrijven, reageert ze als volgt:
dan zou ik eerst tien bladzijden godverdomme schrijven en daarna tien bladzijden merde en tegen die tijd zijn mijn handen zo allesjezus koud en stijf geworden dat ik moet ophouden. 
Maar Uit het barre land heeft mij wel overtuigd. Een eigenzinnig schrijfster, met duidelijk een eigen stem. Om die te laten klinken, zijn brieven natuurlijk ook wel erg geschikt. Ze verwijst erin nog een keer naar Reve, die ook geweldige brieven heeft geschreven. 

Pas na het lezen van dit boek ben ik gaan zoeken naar Aleida Leeuwenberg. Ze heeft een website, waarop nog verhalen en gedichten te vinden zijn, maar vooral schilderijen en lino's. Joris van Casteren heeft aandacht aan haar besteed in Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf, een boek dat ik niet gelezen heb (maar wel zou willen lezen). 

Ontvangst

Niet iedereen was enthousiast bij het verschijnen van Uit het barre land. Guus Luijters recenseerde het voor Het Parool en vond dat het te weinig inhoud had. 
Het Parool, 3 april 1976

Veel positiever was Kees Fens in De Volkskrant van dezelfde dag, 3 april 1976. Hij bespreekt uit Het barre land samen met En dan is er koffie van Hannes Meinkema, waar hij minder over te spreken is. 

Hij citeert een passage en schrijft dan:
Na zulke zinnen kan er niet veel meer mis gaan met een boek. Een soort natuurproza, wat dat dan ook mag zijn, want de cultuur van Van het Reve en Nescio is er, zoals later zal blijken, niet helemaal aan voorbijgegaan. In elk geval: hier wordt weer eens geschreven of de taal ter plaatse wordt uitgevonden, er wordt niet nageschreven van het echt literaire en gelukkig helemaal niet van het verschrikkelijk literaire: het zogenaamde gewone proza dat in zoveel laden van schrijftafels voorradig is en waarvan En dan is er koffie stijf staat. 

In NRC Handelsblad van 16 april was Reinjan Mulder negatief:

Tijdens het lezen van de eerste zestig bladzijden zat ik me maar af te vragen wanneer het nu eindelijk eens begon. (...) Na de eerste zestig bladzijden begreep ik dat het wel nooit meer zou beginnen en ik vroeg me af wanneer het nu eens op zou houden. 

Positief is de recensent van het Algemeen Dagblad van 17 april. Hij heeft het vooral over haar taalgebruik.


In Het Vrije Volk (20 april) vindt de recensent het boek 'aardig' en dat is het dan ook wel. 


We zullen maar zeggen dat de reacties elkaar in evenwicht hielden. Ik vind dat na zoveel jaren Uit het barre land behoorlijk fris gebleven is en dat maakt me wel nieuwsgierig naar ander werk van deze schrijfster. Als ik het tegenkom in een minibieb, een kringloop of een vlooienmarkt, neem ik het mee. 

donderdag 5 juni 2025

Afgestoft: Buiten adem (Harmen Wind)

Geen week zonder poëzie! Deze keer de recensie van een bundel van Harmen Wind, wiens gedichten je tegenwoordig nog veel te weinig leest. Zijn romans zijn van wisselende kwaliteit, maar Het verzet (2002) is een mooi boek. 

De recensie van Buiten adem werd gepubliceerd in Liter 16, jaargang 4 (maart 2001).  Verder in dit nummer: gedichten van Menno van der Beek, Len Borgdorff, Jaap Zijlstra en Lloyd Haft, met wie er ook een interview (door Gerda van de Haar) is opgenomen. Hans Werkman schrijft over Flipje en Van Bergen, George Harinck over Rudolf van Reest in Amerika en Dirk Zwart gaat in op de bloemlezing Symbolen & cimbalen en interviewt de drie samenstellers: Klaas de Jong Ozn, Hans Werkman en Jaap Zijlstra. Best een interessant nummer, lijkt me nu. 

Over Harmen Wind heb ik verschillende keren geschreven. Je hebt van mij nog een recensie van Kilroy (2010) tegoed. Ik heb hem ooit geïnterviewd en ik herinner me dat het die dag gezellig was en dat Winds vrouw een lekkere lunch had klaargemaakt, maar ook dat het geen licht gesprek was. De link naar het interview vind je onderaan. 

De roman Het verzet werd niet gepresenteerd in een boekhandel waar veel volk naar toe kon komen, maar bij Wind in de huiskamer. Daarvoor had hij maar weinig mensen uitgenodigd. Dat was wel tekenend voor hem. Hij wilde niet in het centrum van de belangstelling staan en had liever mensen om zich heen met wie hij een inhoudelijk gesprek over zijn werk kon voeren. 

Voor poëzie is het publiek niet zo groot, maar misschien zouden toch ooit de verzamelde gedichten van Wind uitgegeven kunnen worden. Het is gemiddeld genomen werk van goede kwaliteit en het is prettig als je het bij elkaar hebt. 

Koppig roeien naar de overkant

‘Maar had geen adem meer genoeg / en ben gevlucht in dit gedicht: / noodtrappen naar het morgenlicht, / vervaald en veel te vroeg.’ Dit zijn de bekende slotregels van Gerrit Achterbergs gedicht ‘Thebe’. Harmen Wind gebruikte ze als motto voor zijn nieuwe bundel Buiten adem

De ‘ik’ in ‘Thebe’ was weer eens op zoek naar de gestorven ‘gij’, en in dit gedicht lukt de ontmoeting bijna, maar hij ‘had geen adem meer genoeg’ en moest vluchten in een gedicht. Wat in de werkelijkheid niet kan, kan wel in een gedicht. Die ontsnappingsmogelijkheid (noodtrap) heb je als dichter in ieder geval, maar het blijft natuurlijk tweede keus. Het zou mooier zijn als het allemaal in de werkelijkheid kon plaatsvinden. 

Zo'n motto vraagt om een bezinning op de vraag wat een gedicht eigenlijk is en Harmen Wind doet dat maar meteen in de eerste afdeling, ‘Verbeelding’. Het openingsgedicht gaat zowel over een tekening als over een gedicht: 

Tekening

Op deze plek vangt het bestaan
voor wie het weet te duiden aan.
Ik ben een hand, een hand die beeft,
die boven deze leegte zweeft.
Het wit blikt argeloos omhoog;
wat nog niet is, hoeft geen betoog.
Een lijn, een kras, biedt al houvast;
verbindt, scheidt, maakt mij van fantast
tot waarnemer, tot kijker naar
de wereld van mijn klein gebaar
en spiegelt mij eenvoudig voor
dat ik de zee ruik, meeuwen hoor.
Hier ligt een ongerept gebied.
Ik zie het. Ik bewoon het niet,
maar dank mijn leven aan dit land:
het schept in mij een overkant. 
 

Het gedicht begint op de bladzij waarop het staat: deze plek, dit lege blad waarop nog een tekening gemaakt moet worden, waarop nog een gedicht moet worden geschreven. Maar het is niet zomaar een tekening, het is een bestaan. Een kunstenaar is een schepper die uit niets iets op papier zet, wat een eigen leven gaat leiden. 

De ‘ik’ is een hand. De rest van het lichaam doet niet meer terzake. Het gaat om de tekenende hand. Niet wat in het hoofd gebeurt, maar wat de hand op papier zet, is belangrijk. Verderop in de bundel staat ‘Zijn handen’, een ontroerend gedicht waarin de vader gekarakteriseerd wordt door zijn handen, samengebald wordt in zijn handen. Meteen toen ik het las, sloegen de beide gedichten de handen in elkaar en gingen de tekenende hand en de vaderhanden hand in hand. 

De hand is onzeker, hij beeft. ‘Bevend van twijfel’ schrijft Wind in het gedicht ‘Metier’. De hand zweeft over de leegte, waarbij zich meteen de vergelijking opdringt met de Geest Gods die over de wateren zweefde in Genesis 1. 

Er staat nog niets op papier. Doordat Wind het wit personifieert (het blikt argeloos omhoog), begint het al te leven. Het is niet het volstrekte niets, maar ‘wat nog niet is’. Het wacht op de eerste lijn, waardoor het ingevuld zal worden. 

Die lijn komt er of misschien is het maar een kras. Een kras suggereert onbeheerstheid of onopzettelijkheid, toevalligheid - een lijn is met overleg getrokken. Al dan niet met opzet, als de lijn er eenmaal staat, is hij een verbinding van twee punten, maar ook de scheiding tussen twee vlakken. 

Door het trekken van de lijn wordt de tekenaar van fantast deelnemer. In zijn hoofd waren tientallen of misschien wel duizenden lijnen, maar die tellen niet meer als de ene op papier staat. Deze lijn scheidt hem van de lijnen in zijn hoofd en verbindt hem met wat op papier staat. Maar Wind schrijft niet dat de ‘ik’ deelnemer wordt, maar waarnemer. De wereld die hij op papier schept, is weliswaar zijn wereld, maar ook een papieren wereld, een wereld om naar te kijken. Toch is die wereld heel reëel: je ruikt de zee, je hoort de meeuwen, je ziet het, maar bewoont het niet - een gedachte die heel dicht staat bij het motto van Achterberg. 

Niet alleen schept de tekenaar de wereld van zijn klein gebaar, hij dankt ook zijn leven aan wat hij schept: zonder tekening geen tekenaar. Hij schiep een zee met meeuwen. Niet alleen op papier, maar ook in zichzelf. 

De zee lijkt eindeloos, maar je weet dat er ergens ver weg een kust is, ook al kun je die niet zien. In dit gedicht zou ook de tekening zelf, of het gedicht zelf, de overkant kunnen zijn. De ‘ik’ zit hier in zijn eigen wereld en aan de overkant is de wereld die hij naar zijn hand kan zetten. Tegelijkertijd denk ik aan de kust van het leven, de doodszee daarachter, maar ook het land aan de overzijde. Het land dat je niet kunt zien, maar waar je vast op vertrouwt. ‘Ik wacht u, Vader van de overwal’ schreef Ida Gerhardt. 

‘Tekening’ is een gedicht over een tekening, of eigenlijk over één lijn. Tegelijkertijd is het een gedicht over het dichten, waarbij het aan het eind een metafysische dimensie krijgt. Het is zonder meer een rijk gedicht.

In de hele afdeling ‘Verbeelding’ buigt Wind zich over het schrijven. Zoals Achterberg vaak tegen de klippen op moest schrijven en misschien wel tegen beter weten in, hoopt Wind op het effect van zijn poëzie: ‘Ik blijf maar geloven dat ooit / door de warmte van mooie verhalen / de dood in zijn ogen ontdooit.’ Waarbij volgens mij hier de dood niet staat voor de letterlijke dood, maar wel voor doodsheid, voor de onmogelijkheid tot contact. 

Wind streeft met zijn schrijven geen realisme na. Hij wil niet de wereld weergeven in woorden. In het gedicht ‘Metier’ schrijft hij dat het al onmogelijk is te beschrijven wat je ziet, maar dat hem dat ook niet genoeg is: ‘Wat je niet ziet, dat schrijven. Gedreven / bevend van twijfel.’ Dieper gaan dan de oppervlakte, dieper boren, niet alleen in je omgeving, maar ook in jezelf. Dat is een moeizaam en pijnlijk proces. In het laatste gedicht in de afdeling laat hij zien dat hij daar ook bang voor is. 

Voorbehoud 
Je wilt wel dichten, maar niet
te erg. Je wilt de heldere regels,
niet de sprong in het duister, de
stilte van de binnenplaats, niet
het rumoer van de straat; je wilt
zwerven, niet verdwalen; je wilt
getroffen worden, niet kapot. 

Natuurlijk snap ik zo'n voorbehoud wel, maar de vraag is of het goede poëzie oplevert. Ik denk dat de dichter dan te veel in het veilige en het bekende blijft en dat zijn gedichten er minder spannend van worden. In de afdeling ‘Herinnering’ staan enkele gedichten (‘Wereld’, ‘Vrouw’) die me nogal teleurstelden. Hier had ik het idee dat er niet alleen voor mij, maar ook voor de dichter weinig in te ontdekken was. ‘Niet de sprong in het duister.’ Het geldt voor meer gedichten. Daarin heeft Wind voor mijn gevoel te veel op veilig gespeeld. 

Maar een dichter (en ook een bundel) verdient het om beoordeeld te worden op het beste wat erin staat. Voor mij waren dat enkele ontroerende gedichten over zijn vader in de afdeling ‘Ervaring’ en een cyclus in de afdeling ‘Beleving’. 

De hele afdeling ‘Ervaring’ gaat over de ouders, eerst over de vader, later over de moeder. In ‘Toets’ ondervraagt de vader zijn zoon op de kennis van bijbelteksten. ‘Mijn vader, tastend in het ochtendlicht, / toetst mij nog eens op zijn behoud, / met wat hij mij aan waarheid toevertrouwt.’ Vader is in de laatste fase van zijn leven. Hij laat zichzelf nog eens bewijzen hoe groot de bijbelkennis van zijn zoon is, om geruster te zijn ‘op zijn behoud’. Hij heeft zijn zoon immers die teksten geleerd en God moet dat goede werk toch zien. Aan het eind van het gedicht glimlacht vader dan ook naar de hemel, ‘vouwt zijn handen op de deken, / geeft zich over aan de nacht.’

Het laatste wat we in ‘Toets’ van de vader zien, zijn de gevouwen handen. Na dit gedicht volgt meteen ‘Zijn handen’, dat helemaal gaat over de vaderhanden. ‘Ze droegen mij, leidden mij, gaven mij slaag’. Ik heb nooit in handleeskunde geloofd, maar sinds dit gedicht moet ik misschien mijn visie herzien. Wind heeft wel degelijk de handen van zijn vader ‘gelezen’. Grote, harde handen waren het, met ‘eeltige vingers, geschaafd en gekloofd’. Zo hard als de vader was. Maar tegelijkertijd waren het sterke handen, betrouwbare handen. Handen die je kunnen dragen. Wie zou niet vertrouwen op een vader met zulke handen. Wind eindigt dan ook met ‘hoe heilig heb ik in zijn handen geloofd.’ 

Een hoogtepunt in de bundel is voor mij de cyclus ‘Geteld, geteld’ uit de laatste afdeling. Ik heb de gedichten nu al tientallen malen gelezen en ze blijven me intrigeren. Waarschijnlijk komt dat ook, doordat ze zich niet helemaal prijsgeven. Ik zit al een beetje met de aangesproken persoon in de cyclus: eerst wordt die ‘liefste’ genoemd, maar verder in de cyclus krijgt die liefste voor mijn gevoel ook trekken van de moeder. 

Boven de pendule twee bewaakte
ogenblikken. Sprekend wie wij
hadden kunnen zijn. Daaronder
de stokdove haard. Ashes to
ashes
. Gewillig kloofhout. 

Steeds draag je een ander gezicht,
steeds reik je mij andere handen.
In de vijver voor het huis pikt
een meerkoet in de restanten
van haar nest. Made na made. 

Het gedicht begint met twee foto's, die boven de pendule hangen. Een pendule tikt de tijd voorbij en is daarom meteen een symbool van alles wat voorbijgaat, vergankelijk is. Dat tikken wordt weliswaar niet genoemd, maar ik hoor het als ik het gedicht leest en dan rijmt het met de ogenblikken in regel 2. 

Het zou kunnen zijn dat de gefotografeerden zeer geposeerd op de foto staan. Dan zijn ze niet in een onbewaakt ogenblik gefotografeerd. Minstens even waarschijnlijk is dat de ogenblikken die op de foto's vastgelegd zijn, nog steeds bewaakt worden door de aandacht van de ‘ik’ of van de ‘wij’. 

De foto's lijken sprekend op ‘wie wij / hadden kunnen zijn.’ Het is mogelijk dat niet de ‘wij’ geportretteerd zijn, maar bijvoorbeeld de ouders op wie de kinderen lijken: zo hadden wij ook kunnen zijn. Of misschien is het geluk geportretteerd dat ‘wij’ nu ontberen. 

Die sprekende portretten contrasteren met de stokdove haard. Niet alleen is daar alle vuur uit verdwenen, maar door de tekst ‘Ashes to ashes’, worden we ook weer met onze neus op de vergankelijkheid gedrukt. Niet alleen kunnen we ons daar niet tegen verzetten, we zijn zelfs gewillig. 

Wat een vergankelijkheid in één strofe. Ook de dreigende titel ‘Geteld, geteld’ geeft aan dat de dagen geteld zijn. De pendule en het tot as vergane kloofhout zijn duidelijker tekens aan de wand dan de foto's. 

De ‘jij’ in de tweede strofe lijkt steeds een ander. Niet alleen in hoe ze eruit ziet, maar ook in hoe ze de ‘ik’ benadert, welke handen ze uitstrekt. Ook in het openingsgedicht van de bundel kwamen we al een hand tegen en we hebben ook al een gedicht over de vaderhanden gehad. Nu gaat het om de handen van de ‘liefste’. 

Aan het slot van het gedicht wordt de blik naar buiten gericht, waar een meerkoet made na made uit de restanten van haar nest pikt. In dit gedicht wordt dat meteen een vanitassymbool. Zoals in de haard geen vuur meer is, ontbreekt aan het nest de nestwarmte. Het zijn nog maar restanten van een nest waarmee de meerkoet zich voedt. 

Het tweede gedicht sluit meteen aan met resten van dromen en ook daarbij gaat het om zich voeden. De tijd voedt zich met ons, de tand des tijds knaagt aan ons: ‘De dagen belagen je, liefste, dagen / houden van wat warm is en zacht. / Dagen zijn verwende carnivoren.’ 

Het nest komt terug in het derde gedicht: 

[...]Dit lijf hier houdt enkel warmte
vast om wanhoop te koesteren,
het nest van de groeiende dood.
Dit huis is een broedplaats. 

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik onder de indruk raak van de hechtheid van deze cyclus. De warmte die in het eerste gedicht zo ontzettend gemist werd, huist nog in het lichaam. Maar alleen om ‘wanhoop te koesteren’. De dood wordt steeds groter, steeds reëler. Bij elke penduletik van het hart komt de dood dichterbij, nestelt hij zich meer in de wanhoop, in het lijf. 

In het vierde gedicht komt de dood nog dichterbij en in het laatste en vijfde gedicht is hij er: 

Jaren des onderscheids
verbinden ons. Zoals
je daar ligt, dichte ogen,
hooggesloten blouse,
argeloze handen, zo 
tekent het leven je af,
achterwaarts vorderend,
koppige roeister tussen de,
rietkragen. Buiten adem.
Zingen doen alleen de dollen. 

Ik ben nog niet helemaal uit dit gedicht, maar in de eerste strofe zie ik een dode voor me, die in mijn hoofd op een moeder lijkt, al is het misschien wel de ‘liefste’ uit het tweede gedicht. Weer de handen, argeloze dit keer. 

Het leven kan zich op iemands gezicht aftekenen, maar in dit gedicht tekent het leven de ‘je’. Het zet er zijn handtekening onder en beschouwt de zaak als afgedaan. In het leven zal de moeder (zo noem ik ze toch maar even) niet meer vooruit kunnen komen, maar ze kan nog wel achterwaarts vorderen, roeiend naar de overkant die ik in ‘Tekening’ al meende te lezen. Op weg naar de vaderhanden, naar het nest. 

Het is hard werken, waarvan je buiten adem raakt. Tegelijkertijd kun je buiten de adem als je eenmaal hier bent aangeland. ‘Net voorbij de ademnood’ noemt Wind het in het gedicht ‘Flashback’. Na dit leven heb je misschien niet eens de adem meer om te zingen, maar het gezang van de dollen getuigt ervan hoe hard je werkt, en het zal ver klinken over het water. 

In het begin van de cyclus leek er nauwelijks enige hoop. Verderop was er zelfs wanhoop. Maar de dood is ‘een doorwaadbare plaats in de ontzetting’ en aan het eind wordt er koppig naar de overkant geroeid. Het gaat niet vanzelf en het vertrouwen moet duidelijk bevochten worden, maar de wanhoop is weg. 

‘Geteld, geteld’ lijkt me een cyclus waarin veel thema's uit het werk van Wind samenkomen. De aandacht voor de tijd, de vergankelijkheid, de relatie met je dierbaren, het vertrouwen dat bevochten moet worden. Het lijkt me een cyclus waarin Wind zonder het eerder genoemde voorbehoud aan het schrijven gegaan is. Dat levert indrukwekkende poëzie op.

Over ander werk van Harmen Wind:

woensdag 4 juni 2025

Bartje, de graphic novel (Ahmed Resh / Anco Dijkman)

Ooit heb ik beweerd dat ik de roman Bartje, van Anne de Vries, niet gelezen heb. Nu weet ik dat dat niet klopt. Toen ik op de mavo een mondeling tentamen moest afleggen over tien boeken, kwam ik de natuur- en scheikundeleraar tegen, die mijn boekenlijst wilde bekijken. Ik had het idee dat die lijst daarmee ook door hem beoordeeld werd. 

Niet alle boeken van mijn lijst herinner ik me nog. Maar volgens mij stond De zwarte ruiter van Vestdijk erop, Mensen zonder geld van Jan Mens, Peelwerkers van Antoon Coolen en Bartje dus. Over dat laatste boek maakte de docent, die zelf ook Bart heette, een opmerking: of ik wist dat er ook een tweede deel van was. Jazeker, dat wist ik: Bartje zoekt het geluk. En het derde deel? Daar had ik nooit van gehoord. Bartje barst van het geluk, zei hij. Ik kon aan hem zien dat het een grapje was.

Televisieserie

Toen ik op de middelbare school zat, kende iedereen het jongetje Bartje. Er was immers in 1972 een televisieserie over hem gemaakt en die werd veel bekeken. Die serie heb ik pas jaren later gezien, toen ik de videobanden had gekocht. In 1972 hadden we geen tv, want mijn ouders wilden 'de wereld' niet in huis halen. 

Maar iedereen, ook degenen die het niet gezien hadden, kende Bartje en zijn uitspraak dat hij niet voor bruine bonen wilde bidden. Verder herinner ik me van het boek vooral de angst voor de klabatse, waarmee kinderen een pak rammel konden krijgen. 

Intussen is Bartje wat weggezakt uit het nationale geheugen, schat ik zo in. In Drenthe, misschien niet. Er staat nog altijd een standbeeld voor Bartje in Assen. 

Al vrij vroeg maakte ik kennis met het werk van Anne de Vries (1904 - 1964). Op de lagere school lazen we de boekjes over Jaap en Gerdientje en daar genoot ik erg van. Ik heb mijn moeder wel eens gehoord over Evert in turfland (1930), maar ik geloof niet dat ik dat zelf gelezen heb. Wel las ik Reis door de nacht (vier delen, 1951 - 1958) en, pas in 2012, Dagoe, de kleine bosneger.

Ergens hier in huis moet de biografie van De Vries rondzwerven. Die wou ik ooit nog gaan lezen. Maar nu ik het boek zoek, blijkt het onvindbaar. 

Bartje (1935) werd een klassieker. Maar het stof  is er wel op aan het neerdalen. Daarom is het mooi dat zo'n iconisch boek opgefrist wordt, in de vorm van een graphic novel. Het scenario is van Ahmed Resh, de tekeningen zijn van Anco Dijkman

Niet voor bruine bonen

Uit de roman is vooral de scène bekend van Bartje die weigert te bidden voor bruine bonen. Daar houdt hij niet van en moeder heeft hem een kliekje koolraap beloofd, maar dat is ze vergeten. De betreffende passage:

Maar Bartje is geen Bartje meer. Hij kijkt moeder aan, hij slikt, slikt.... en zegt: ‘Ik bid niet veur brune bonen.’
En dan gaat alles zo gauw. Vaders stoel vliegt tegen de muur, Bartje zwaait door de lucht, zijn voeten slaan een bord van de tafel. Riekie wordt onderstboven gelopen, allen jammeren. ‘Albert, neem je in acht, 't is een kiend!’ ‘Vader, o, o, vader!’ Maar vaders eeltige hand beukt op Bartjes broekje. En die slimme, kalme Bartje is veranderd in een kleine woesteling. Hij trapt, bijt, slaat om zich heen. Hij gilt: ‘Nooit, nooit, nooit!’....
Dan zet moeder de deur wagenwijd open en vader stoot hem naar buiten.
‘En de drommel zal je halen, as ie nog een stap over de drempel doen!’ buldert vader, hijgend.
‘Ie bint jà een wild dier geliek!’ roept moeder. ‘Zoek dan maar een ander huus op, heur! Wij willen zo'n stiefkop niet meer hebben.’
‘Zo is 't,’ bevestigt vader, verrast door dit nieuwe gezichtspunt. ‘Smeer hem maar. Zuuk maar een ander vader en moeder. En heb 't hart eens in 't lief, dâ j' weeromme kommen.’
De deur slaat dicht.
Het eerste hoofdstuk uit de graphic novel heet dan ook 'Bartje bidt niet voor bruine bonen'. We zien het gezin aan tafel zitten, precies zoals in de tv-serie, in dezelfde tafelschikking. Dat roept wel de vraag op of nu de roman of de serie verstript is. In de roman zegt Bartje bijna bedeesd dat hij niet voor bruine bonen bidt, in de serie gaat dat met stemverheffing gepaard en in de graphic novel schreeuwt Bartje het uit. Voor mijn gevoel is dat net een beetje te, maar misschien komt dat juist wel doordat ik het boek ook gelezen heb. 

Geweld

Kinderen hebben het niet gemakkelijk in Bartje. Niet alleen is er een sterke hiërarchie, waarbij volwassenen altijd de baas zijn, maar ze zijn ook gewelddadig. Hier wordt Bartje het huis uit gezet, later krijgt hij ook nog met de klabatse. Juist als Bartje vrij rustig is, wordt het des te duidelijker dat de volwassenen buitensporig reageren. 

Het is knap dat de roman door Resh is omgewerkt tot een scenario van zo'n honderd pagina's. Het zal best een toer geweest zijn om de roman tot dat formaat in te dikken. Bovendien is Bartje iemand die nogal in zijn hoofd zit en in een strip moet er toch ook wat gebeuren. 

Die omzetting naar strip is goed gelukt: het verhaal is helder, er gebeurt genoeg. Wel fungeren de hoofdstukken soms als losse scènes, zodat de doorgaande lijn wat minder merkbaar is. Maar doordat sommige dingen in een later hoofdstuk terugkomen (bijvoorbeeld het liefdesleven van de oudste dochter, Lammechien) blijft die toch wel bewaard. 

Sociale wantoestanden

Aan de ene kant is Bartje, de graphic novel een portret van een dromerig jongetje, dat zijn weg moet zien de zoeken in de wereld. Aan de andere kant geeft het ook een beeld van moeilijke sociale omstandigheden. Net als de kinderen niets te vertellen hebben tegenover hun ouders, hebben de arbeiders maar te doen wat de heren zeggen. Als vader Bartels dat weigert, wordt het gezin uit het huis gezet en belandt het in de 'Lange Jammer', een gebouw met éénkamerwoningen. In 1958 heeft iemand een tekening gemaakt van het gebouw zoals hij het zich herinnerde. 

Lange Jammer, tekening van A. Cieraad (bron)
Van de graphic novel maakt het sociale aspect de meeste indruk. Misschien maakt dat de strip ook actueel. Niet dat de omstandigheden nu vergelijkbaar zijn met die uit de jaren dertig van de twintigste eeuw, maar de leefwerelden van arm en rijk zijn wel steeds meer gescheiden (zie rapport van het SCP, 2024).

De strip eindigt trouwens hoopvol: Bartje trekt de wijde wereld in. Zijn laatste groet is voor zijn vader. Mogelijk dat hier Bartje zoekt het geluk (1940) over gaat, maar dat heb ik niet gelezen. 

Tekeningen

De tekeningen van Anco Dijkman, zijn toegankelijk en helder, zoals we van hem gewend zijn. Ook weet hij de sfeer goed te treffen. Dat er een zekere nostalgie uit de tekeningen spreekt, ligt misschien wel aan mij. Mogelijk lees ik die erin, omdat ik Bartje associeer met mijn jeugd, toen de tv-serie populair was, al was de roman toen ook al bijna veertig jaar oud. 

Eigenlijk ben ik wel benieuwd hoe een nieuw publiek, zonder kennis van het boek of de serie, Bartje, de graphic novel zal lezen. Of de roman herlezing zou doorstaan, is maar de vraag, maar de graphic novel is fris en kan nog een hele tijd mee. 

En wat die bruine bonen betreft, Elly de Vries, dochter van de schrijver van Bartje vertelt in het voorwoord dat haar vader er dol op was. 

Titel: Bartje, de graphic novel
Scenario: Ahmed Resh
Tekeningen: Anco Dijkman
Uitgever: Personalia
2025, 104 blz. € 29,90

Eerder schreef ik over andere albums van Anco Dijkman:

dinsdag 3 juni 2025

Afgestoft: Waar was je nou (K. Schippers)

Na de afgestofte recensies uit de jaren tachtig en negentig is het wel weer eens tijd voor een recensie uit deze eeuw. Het is die van Waar was je nou van K. Schippers. Wat ik daarover schreef, verscheen op 6 augustus 2005 in het Nederlands Dagblad

Schippers is een van mijn lievelingsauteurs. In zijn boeken gebeuren dingen die in de werkelijkheid niet kunnen en die toch geloofwaardig zijn. Dat maakt het lezen van zijn boeken tot een avontuur. Tomas Lieske is een vergelijkbaar auteur. 

Vaak zijn er meer werkelijkheden in de roman en iemand kan soms van de ene werkelijkheid overstappen naar de andere, gewild of ongewild. Bij Lieske vind je dat bijvoorbeeld in romans als Door de waterspiegel en De vrolijke verrijzenis van Arago. Links naar wat ik over andere boeken van Schippers geschreven heb, plaats ik onderaan. 

In de recensie zoals die in het Nederlands Dagbald stond kwam een enorme fout voor, die ik intussen gecorrigeerd heb. Ik noemde een film van Woody Allen. Bedoeld was The purple rose of Cairo, maar ik schreef The yellow rose of Texas. Dat is echter een lied. Daarover is een heel verhaal te vertellen, maar dat is iets voor een andere keer of een andere plaats. Ik realiseer me dat ik deze fout vaker heb gemaakt, al weet ik niet precies meer waar. 

Bij het nalezen van de recensie, herinnerde ik me weer dat de roman begint met iemand die zich buitensluit. Dat doet me nu denken aan Raam, sleutel van Robbert Welagen.

Van Waar was je nou heb ik heel erg genoten. Zo speels, maar ook zo weemoedig. En in zo'n heerlijke stijl! Nu ik mijn recensie herlezen heb, bedenk ik dat ik ook weer eens wat van Schippers zou moeten herlezen, maar meestal komt van zo'n voornemen niets terecht. Op mijn laptop heb ik nog een recensie van De hoedenwinkel (2008). Die zal ik hier een keer plaatsen. En er zijn ook nog romans van Schippers die ik niet gelezen heb, zoals Vluchtig eigendom (1993) en Poeder en wind (1996). Die moest ik ook maar eens zien op te duikelen. 

Van de recensie hieronder vind ik dat die vrij plotseling ophoudt. Mocht ik maar een beperkt aantal woorden gebruiken en zat ik aan de limiet? Ik weet het niet meer. De tussenkopjes zijn waarschijnlijk niet door mij bedacht, maar door een redacteur. Ik heb ze laten staan. 

Als je nog niets van Schippers gelezen hebt, is Waar was je nou overigens een uitstekende roman om mee te beginnen. 


Taalplezier, kijkplezier  

K. Schippers schrijft aanstekelijke roman 


Het lijkt een onbetekenend voorval: iemand zegt tegen zijn Turkse groenteman 'tien pers', waarop de man de sinaasappels pakt. De klant prijst hem, dat hij het Nederlands zo goed begrijpt. 'Alleen hier', antwoordt de groenteman, 'Buiten niet.' 

Dit is een korte scène aan het begin van de roman Waar was je nou van K. Schippers. De klant is de hoofdpersoon, Ruud, die naar buiten loopt en zich afvraagt wat de groenteman bedoeld kan hebben. Hij concludeert dat de man het Nederlands slechts beheerst voorzover het met zijn koopwaar te maken heeft. Buiten de winkel is hij onthand: hij zal het woord niet weten voor dakgoot of merel. Zijn taal is in twee stukken opgedeeld. Tijdens eerste lezing hobbel je over zo'n voorval heen: je volgt verder het verhaal en vergeet de groenteboer, maar bij het terugbladeren valt op dat het zo'n beetje de hele roman gaat over twee werelden, een wereld waar je bij hoort, waarin je participeert en een wereld waar je niet bij kunt. Niet voor niets opent Waar was je nou met Ruud die de deur van zijn huis achter zich dichttrekt, zonder dat hij zijn sleutels bij zich heeft; hij heeft zich buitengesloten, heeft geen toegang meer tot zijn dagelijkse wereld. 

Momentopname 

Ruud gaat naar het huis van zijn moeder, die een paar maanden eerder overleden is. Als eigenaar van een fotozaak heeft hij vooral aandacht voor de foto's die zijn moeder maakte. Ook een foto toont een andere wereld dan die waarin je leeft. Het is een opname van een moment. Er is tijd aan voorafgegaan, er is tijd op gevolgd, maar dat is allemaal niet te zien. Ook het tijdstip dat de foto vastgelegd heeft, is allang voorbij. 

Maar als Ruud de foto's bekijkt, kan hij zo de kleuren invullen, bedenken wat de mensen op de foto tegen elkaar zeggen, horen welke geluiden er klinken. Alsof hij niet een plaatje uit het verleden ziet, maar alsof nu gebeurt wat de foto toont. Alsof hij niet langer buiten de wereld van de foto gesloten is, maar er zo in kan stappen. 

Woody Allen deed het omgekeerde in zijn film The purple rose of Cairo: daar stapte een van de personages van het bioscoopdoek en ging zich bewegen in de wereld buiten de film. Michael Ende liet in Die unendliche Geschichte zijn hoofdpersoon deelnemen in de werkelijkheid van het boek dat hij aan het lezen was. Schippers doet iets soortgelijks als Ende: hij laat Ruud verdwijnen in de foto, de grenzen van tijd en ruimte vallen weg, Ruud is weer terug in de tijd toen hij nog een kind was. Hij kan daarin rondlopen met het bewustzijn en de kennis van de volwassene, genieten van wat voorbij hoort te zijn, maar toch nog even is. Ruud weet hoe hij terug moet komen in de werkelijkheid van buiten de foto, maar hij wil ook graag een tastbaar bewijs meenemen naar het heden: een broche van zijn moeder, die ze wel eens uitleende aan haar vriendin Chris. 

Schippers speelt een magnifiek spel met verschillende werkelijkheden, verschillende werelden. Overal zie je parallellen en spiegelingen en steeds weer moet je je afvragen hoe werkelijk deze werkelijkheid nu weer is. 

Pink 

De hechte compositie dwingt bewondering af. Maar er is meer. Door de oude foto's hangt er in het boek een milde weemoed, die niet sentimenteel wordt. Het kan bijna niet anders of bij de lezer verschijnt automatisch een glimlach op zijn gezicht. 

En dan zijn er nog de scherpe observaties, de precieze stijl. Zelfs met een pink van zijn schrijfhand schrijft Schippers korte uitweidinkjes als: 
In het café heeft Slim haar pink niet onder controle. Het is de vinger die nauwelijks iets doet en toch is hij niet te vertrouwen. Min of meer werkeloos begeleidt hij haar gebaren, als een versiering bijna, een vrije vinger die niet meedoet aan drinken, eten, een deur openmaken, vlug even over je voorhoofd wrijven. Hij is de edelman onder de vingers. Zelfs als Slim thuis in een pan roert, zweeft de pink in het niets, heeft hij de allure van de getuige die minzaam toekijkt, terwijl de andere vingers het vuile werk opknappen.
Taalplezier. Kijkplezier. Waar was je nou is een aanstekelijk boek.

Verder schreef ik over: