donderdag 24 november 2016

Toen en nu (Annie Salomons)


Zouden er nog mensen zijn die rechtop gaan zitten bij het horen van de naam Annie Salomons? Ik vrees van niet. Nooit ontmoette ik iemand die enthousiast was over haar romans of haar gedichten. Ze verstoft in het hoekje waar ook namen te vinden zijn als Herman Robbers, Arnold Clerx, H.J. Schimmel, Noto Soeroto, den Ouden Heer Smits, Ignatia Lubeley. Het is een willekeurige greep.

Maar misschien herinnert iemand zich Herinneringen uit de oude tijd, een deel in de reeks Privé-domein (1984), een bundeling van eerder verschenen boekjes. Ik las indertijd het eerste deel, uit 1957. Ze beschrijft daarin schrijvers die ze gekend heeft. Erg leuk om te lezen. Misschien moet ik op zolder eens achter het schot kruipen om het op te duikelen en het te herlezen.

In mijn boekenkast stond al een tijdje, ongelezen, Toen en nu. Herinneringen uit een lang leven. Het is Ooievaarpocket die goed verkocht. In 1961 verscheen de eerste druk (tienduizend exemplaren) en in 1962 de tweede, in dezelfde oplage. Salomons rondde het in 1960 af, volgens de datering van het voorwoord. Zij vond toen dus al dat ze een lang leven had geleid.

In 1960 was Salomons vijfenzeventig jaar oud. Het zou nog twintig jaar duren voordat ze zou overlijden. Hopelijk heeft ze van haar oude dag genoten.

In Toen en nu begint Salomons met haar vroegste herinneringen; die aan het huis in Rotterdam waarin ze opgroeide bijvoorbeeld. Tot die herinneringen behoort dat ze op haar derde verjaardag (dat moet in 1888 geweest zijn) het topje van haar ringvinger verloor, toen haar vinger beklemd raakte tussen een klapstoel. Salomons:
M'n hand was verbonden en hing in een doek. Wekenlang kreeg ik elke dag een glas rode wijn om het bloedverlies te herstellen. 
Een andere herinnering gaat over het laatste oordeel:
Ik stelde me voor, dat er treinen zouden komen, die telkens een speciale categorie van mensen naar de eeuwigheid zouden vervoeren: een trein voor oude mensen; een trein voor blinden; een trein voor kinderen. In het station, waar al die treinen zouden komen voorrijden, was een ontastbaar lugubere sfeer. Toen ik, ruim een halve eeuw later, Verstdijk's boek "De kelner en de levenden" las, schrok ik ervan daarin diezelfde onwezenlijke gruwel te vinden, die mijn vierjarig hoofdje zozeer beangstigd had.  
In het hoofdstukje 'Wisselende wet' buigt Salomons zich over veranderde zeden en dan vooral over het uiterlijk en de mode. Toen Salomons in de zesde klas van het gymnasium zat, droeg ze een japon tot op de grond. Als het regende moest ze die rok dus ophouden, om hem niet door de modder te laten slepen.
Maar een kortere rok zou voor een volwassen meisje niet behoorlijk zijn geweest. "Trek je rok af; ik zie je enkel", was een gewone waarschuwing. Tegenwoordig neemt niemand er aanstoot aan, als de nauwe rokjes zo hoog opgetrokken zijn, dat je de knieën ziet. Ofschoon ik dit nog altijd niet mooi kan vinden.
 Over vrouwen in broeken had Salomons ook zo haar oordeel:
Het is alles betrekkelijk: een meisje dat gaat zeilen, is netter uitgerust met een broek dan met een japon. Maar het wordt natuurlijk iets anders als een Europees meisje in een broek gaat lopen, omdat ze zich verbeeldt, dat dat pikant staat. Ik pleeg daar zakelijk op te reageren: "Als 't lekker warm is, moet je het maar doen. Mooi staat het niet. Een man heeft nu eenmaal smalle heupen. Een vrouw is meestal breder gebouwd en dat komt in een broek erg uit. Maar 't nuttige gaat voor." Zo'n beschouwing werkt meestal ontnuchterend. Als je er fel tegenin ging, zou het juist boeiend en aantrekkelijk worden. 
Salomons heeft met haar man, Han van Wageningen drie jaar lang (1924 - 1927) op Sumatra (Medan) geleefd. Ze verdroeg de hitte slecht, lees ik op Wikipedia. Salomons, achteraf:
Als ik aan de jaren in dat verre land terugdenk en aan al het mooie en boeiend vreemde, dat ik daar heb mogen zien en beleven, dan voel ik me dankbaar dat ik er ben geweest. Al ben ik nóg dankbaarder, dat ik er niet heb hoeven blijven. 
Ze oordeelt mild over de Europeanen in Nederlandsch-Indië. Ze had wel grote moeite om zich aan te passen, maar ze besefte dat in de wildernis andere normen gelden dan in de geciviliseerde steden.
Dezelfde ontembare kracht, die hen tafels en borden kapot deed smijten; die hen te paard een eetzaal deed binnenrijden en met hun schoenen aan over een gedekte tafel wandelen, staalde hen ook in hun strijd met de bijna onoverkomelijke moeilijkheden van een anders geaard volk, een vijandig klimaat en ziekten zonder tal. Diezelfde kracht deed hen volharden en doorzetten, waar zwakker, voorzichtiger en misschien ook wel braver en fijner jongens de worsteling al lang hadden opgegeven.  
 In de laatste hoofdstukken besteedt Salomons aandacht aan de vijf dagen oorlog, aan het overlijden van haar man en aan de moeilijke tijd tijdens de bezetting. Ze eindigt met het hoofdstukje 'Tevreden ouderdom'.

Toen en nu is een boeiend boekje. Salomons observeert scherp. Ze kan met afstand naar haar tijd, maar ook naar zichzelf kijken. Bovendien kan ze dat prettig leesbaar opschrijven. Leuk om te lezen!

In Het vrije volk van 9 juni 1961 wordt Toen en nu besproken. 'Het laat zich heel plezierig lezen', schrijft de recensent, die fijntjes wijst op de sociale klasse waarin de schrijfster is opgegroeid:
Natuurlijk zijn de herinneringen van Annie Salomons, die het ook in haar jeugd, nu een driekwart eeuw geleden, materieel niet moeilijk heeft gehad, anders dan die van een met meer aardse zorgen gekwelde.
In De Telegraaf van 29 juli 1961 is Jan Spierdijk kritisch; hij vindt het boekje te particulier. Hij schrijft dat haar toon 'wordt bepaald door mildheid, innerlijke warmte [en] vertedering over een mooi en lang leven.'

Het spreekt hem niet aan, vooral niet wat betreft de laatste hoofdstukken. De eerste, met haar vroegste herinneringen, vindt hij beter te verteren:
Zo is "Toen en nu" dierbaar om de gloeikousjes en de blauwkousjes, om het "Toen" maar niet om het "Nu". 
Ook de recensent (B.S.) in het Algemeen Handelsblad van 21 juli 1961 is niet onverdeeld positief. Lieve herinneringen van een pittig schrijfster, vindt hij. Maar ook:
Deze herinnering[en] hebben, behoudens een enkele opmerking, welke de scherpe opmerkingsgave en het heldere inzicht, gepaard aan een verkwikkende zelfspot van de schrijfster verraadt, een al te beperkte horizon.
K.F. (Dat zal Kees Fens wel zijn), bespreekt het boekje in De Tijd/De Maasbode van 7 juli 1961. Hij is over het algemeen positief, al vindt hij Salomons wel erg openhartig, bijvoorbeeld over het overlijden van haar man.
Wie het hoofdstukje "Weduwe" nuchter benadert (...) krijgt al lezend een zekere gêne over zich, ingewijd als hij wordt in tere aangelegenheden, waarover men doorgaans onder vier betraande ogen spreekt.  
Ook met het openlijk uitgesproken godsvertrouwen van Salomons (in de latere hoofdstukken) heeft Fens moeite.

Het particuliere van Toen en nu lijkt me in deze tijd niet opmerkelijk. Blijkbaar werd daar in 1961 anders over gedacht. Volgens mij voelt niemand zich meer gegeneerd door Annie Salomons vertelt. Maar oordeelt u vooral zelf.

zondag 20 november 2016

Lezing Saskia van der Jagt


Op zondag 20 november hield Saskia van der Jagt een lezing in de Vluchtheuvelkerk in Zetten. Op 18 september had Colet van der Ven een lezing gehouden over de wortels van het kwaad. Ook Saskia van der Jagt sprak zich uit over het kwaad.

Veel mensen hebben het idee dat goed en kwaad duidelijk te scheiden en te onderscheiden zijn: goed is Lucky Luke, kwaad zijn de Daltons. Maar soms is het een kwestie van perceptie of interpretatie. Iets kan goed bedoeld zijn, maar als kwaad gezien worden.

Van der Jagt illustreerde dat met passages uit haar eigen leven: hoe er een verwijdering ontstond tussen haar en haar vader, juist op het moment dat ze hem probeerde te troosten. Voor haar had het tot gevolg dat ze een tijd lang op straat leefde.

Verder vertelde ze over de tijd dat ze in de wapenhandel zat en dat ze dat kon doen zonder zich daar schuldig over te voelen. Voor de een zijn de wapens het kwaad, voor de ander zijn de wapens nodig om zich tegen het kwaad te beschermen.

Daarover schreef Saskia van der Jagt al eerder een roman, die aanvankelijk Probeer het mortuarium heette, maar die herdrukt is onder de titel Schieten verleer ik nooit.

Goed en kwaad liggen dicht bij elkaar, volgens Van der Jagt; je raakt gauw over de grens heen. Maar je kunt ook weer terug die grens over. Het kwaad hoeft niet alleen maar een slechte naam te hebben; het veroorzaakt ook het goede. Zonder kwaad zou er bijvoorbeeld geen vergiffenis zijn.

Verder vertelde ze over het kind dat ze adopteerde. Het was ziek en zwak en ze besefte dat ze alles moest doen om het kind een goed leven te geven en een goede moeder voor haar te zijn. Dat bleek niet meer te verenigen met de wapenhandel. Het was een omslagpunt in haar leven, dat ze ook wel God of het goddelijke wil noemen.

De aanwezigen waren onder de indruk van het persoonlijke verhaal dat Saskia van der Jagt vertelde. Er werd nog lang met haar en met elkaar nagepraat.


zaterdag 19 november 2016

De gelukkige huisvrouw (Knipoog 57)


Heleen van Royen ken ik alleen van de tv en van wat er over haar geschreven is. Het lied van Dorine Wiersma, 'Stoute Heleen' heb ik beluisterd en ik heb een interview met haar gezien waarbij ze vierentwintig uur lang met een interviewer opgesloten zat. Dat was overigens een aardig gesprek, waaruit blijkt dat de schrijfster een gecompliceerde vrouw is.

Haar boeken heb ik aan mij voorbij laten gaan en nooit heb ik de aanvechting gehad die te gaan lezen. De titels ken ik wel. Bijvoorbeeld De gelukkige huisvrouw. Dat klinkt als een uitdrukking uit de jaren vijftig of zestig. Het boek is ook verfilmd en daar heb ik zelfs wel eens wat goeds over gehoord. Ook nooit bekeken.

Blijkbaar is De gelukkige huisvrouw in brede kring bekend. Ik trof in ieder geval een knipoog ernaar aan in NRC Handelsblad van november 2016. Het is een wat onhandige knipoog: 'De ongelukkige, Zweedse huisvrouw', een bespreking van Zorgen voor het gezin van de schrijfster Kristina Sandberg. De verwijzing is duidelijk, maar de kop loopt niet zo lekker.

Er is een site 'De hebberige huisvrouw' en dat allitereert tenminste. Of het ook een knipoog naar De gelukkige huisvrouw is, weet ik niet. We hadden immers, al veel eerder, ook 'de vliegende huisvrouw', Fanny Blankers-Koen (zie bijvoorbeeld hier). En in de Bijbel (Spreuken 30) komen we de deugdzame huisvrouw tegen.

Zo zullen er wel meer soorten huisvrouwen zijn. Omdat in de kop van Freriks 'ongelukkige' staat, roept dat al gauw De gelukkige huisvrouw op. Hoe gelukkig die huisvrouw in het boek van Van Royen is, weet ik niet. De huisvrouw in het boek van Sandberg, Maj is in ieder geval wel degelijk ongelukkig. Freriks spreekt van haar 'toenemende wanhoop'.  En even verder:
Ze twijfelt aan zichzelf als moeder, aan zichzelf als minnares, aan zichzelf als dochter van haar moeder. 
Niet een gelukkige huisvrouw dus. De kop die Freriks bedacht is ook niet zo'n heel gelukkige knipoog, maar die werkt wel.

vrijdag 18 november 2016

Groter dan de lucht, erger dan de zon (Daan Remmerts de Vries)


Je leest altijd te weinig. Ik lees altijd te weinig, bedoel ik. Zo had ik ooit het plan om De harpij van A.N. Ryst te lezen. Het is er nooit van gekomen. Ik typ het hier, ook om mezelf aan dat boek te herinneren. Het is een omvangrijke roman en achter het pseudoniem schuilt Daan Remmerts de Vries.

Die schrijver kan weinig kwaad doen bij mij sinds ik Godje heb gelezen. Drie jaar geleden las ik Tijgereiland. Uit wat ik er toen over schreef, blijkt dat ik daar wat minder tevreden over was. Minder ook dan wat ik mij herinner.

Intussen heb ik zijn laatste boek gelezen, Groter dan de lucht, erger dan de zon. Het was een kanshebber voor de Gouden Griffel, maar die ging naar Anna Woltz. Van haar moet ik toch ook eens wat lezen.

Maar goed, het boek van Remmerts de Vries dus. Dat gaat over een moeilijke jongen, Elmer. Hij is moeilijk voor zijn omgeving en moeilijk voor zichzelf. Hij laat bijvoorbeeld een jongen struikelen die van de trap af loopt. Dat is begrijpelijk, gezien de voorgeschiedenis, maar natuurlijk niet goed te keuren. Elmer moet van school af.

Het gezin verhuist van Heiloo naar Amersfoort, in verband met het werk van moeder en in de vakantie gaat Elmer op zomerkamp op Vlieland, waar hij zich zo goed mogelijk staande probeert te houden. Op een gegeven moment krijgt hij een klap met een soeplepel en daarna is alles anders.

Hij hoort een stem in zijn hoofd. Die stem is van een zekere Lomax. De stem spreekt hem toe. Aanvankelijk lijkt dat Elmer te helpen, maar hij krijgt er ook last van.

Het is de vraag hoe wij die stem moeten duiden. Heeft Elmer een stoornis? Is het de innerlijke stem die iedereen wel heeft, waarmee je gewoonlijk jezelf toespreekt?

Elmer komt op een nieuwe school, waar ook weer moeilijkheden opduiken. Hij is niet een willoos slachtoffer en is best bereid een daad te stellen tegenover een pestkop, zoals hij dat ook al op zijn vorige school deed. Dat brengt hem in de problemen.

Samen met zijn moeder gaat hij terug naar Vlieland. Intussen heeft hij waan- en dwanggedachten ontwikkeld, die zijn leven ernstig bemoeilijken. Zo is hij ervan overtuigd dat hij zich onzichtbaar kan maken. Ook weet hij zeker dat hij slecht is:
En ik, ik was slecht. Ik had begrepen dat ik er niet van kon vluchten, ook niet hier, dat ik me er niet voor zou kunnen verbergen, nergens, omdat het iets was wat in me zat; zolang ik leefde zou ik een gevaar zijn voor de mensen om me heen.
En daarmee was mijn slechtheid overal; ik zou er nooit aan kunnen ontsnappen. Daarmee was het groter nog dan de bedrieglijke lucht en erger dan de spiedende zon. 
Uiteindelijk gaat hij de strijd aan met de stemmen in zijn hoofd. Dat is eigenlijk niet de goede uitdrukking. Hij begrijpt dat je niet altijd hoeft te strijden en dat je niet op alle vragen antwoorden hoeft te vinden. Sommige vragen zijn antwoorden, leert hij van Arri, een jongen met wie hij vriendschap sluit.

Je kunt je afvragen of Arri van een andere orde is dan Lomax. Waarschijnlijk bestaat Arri wel in de werkelijkheid, maar hij is naast de stem van Lomax ook een tegenstem.

Ik vond Groter dan de lucht, erger dan de zon wel een mooi boek. Je kunt goed meeleven met Elmer, zonder dat nu tot in detail uitgelegd hoeft te worden wat er met hem aan de hand is. Elmer is een interessant personage, slachtoffer en dader tegelijk.

Net als in Tijgereiland is er een soort doorbraak in de verhouding met de moeder. Hoe liefdevol de ouders van Elmer ook zijn, meestal praten ze niet echt met hem. Dat gaat uiteindelijk toch gebeuren.

Ook in dit boek speelt Remmerts de Vries met de vorm; het tweede deel is in dagboekvorm geschreven. Ook het eerste en het derde deel zijn in de ik-vorm geschreven, maar niet in de dagboekvorm. Eerlijk gezegd heb ik niet het idee dat dat veel verschil maakt. In Tijgereiland haalde ingrijpen in de vorm (overstappen naar de hij-vorm) ook niet veel uit.

De kracht van Remmerts de Vries zit in andere zaken. Hij kan ons dicht bij een personage laten komen, in welke situatie die ook is. Remmerts de Vries heeft mededogen met zijn personages, maar hij laat ook zien dat er een kracht in hen schuilt, waarmee ze hun problemen tegemoet kunnen treden. Daar kunnen veel lezers moed uit putten.

donderdag 17 november 2016

Uit het leven van Dik Trom (Knipoog 56)



Ach, de boeken van je jeugd! Arendsoog, Pietje Bell, Buffalo Bill, de reeks over Biggles, Paddeltje, enkele deeltjes over de Kameleon - ik kan de passages zo weer voor me halen. En Dik Trom?

Dik Trom heb ik wel gelezen, maar pas later, toen ik er eigenlijk al te groot voor was. De boeken over Dik Trom waren volgens mij niet bij ons in huis. Of zou mijn kleine broertje ze gehad hebben? Voor zover ik weet, leende ik een deel van een neefje.

De boeken van Dik Trom zijn legendarisch. Niet omdat ze zo goed zijn. Een echte verhaallijn is er bijvoorbeeld nauwelijks in te ontdekken, maar in de boeken over Pietje Bell en de Kameleon is hetzelfde het geval. Dik Trom was, zeker toen het boek verscheen, wel verfrissend: geen modelfiguur, maar een echt kind. Een jongen met een goed hart, een rijk gevoel voor humor en een onverschrokkenheid bij onverwachte situaties. Veel kinderen, jongens vooral, hebben gesmuld van zijn avonturen.

Vooral het beeld van Dik die achterstevoren op een ezel zit, zal iedereen bijstaan, ook als hij het boek niet gelezen heeft. Volgens mij heeft die afbeelding vaak of misschien wel altijd op de voorkant gestaan van Uit het leven van Dik Trom.

Er zijn ook verschillende sculpturen gemaakt van Dik Trom op de ezel. Een ervan staat in Hoofddorp. Een foto ervan vond ik bij het bericht over een Dik-Trom-app.

Naast het beeld van Dik op de ezel is er een zinnetje beroemd geworden: 'Het is een bijzonder kind, dat is-ie!' Een uitspraak van vader Trom, die maar niet echt boos kon worden op zijn kind. Wie dat wil nalezen, leze de originele tekst op DBNL.

Honderdvijfentwintig jaar na de eerste uitgave is Uit het leven van Dik Trom opnieuw uitgegeven door uitgeverij Kluitman. Het Reformatorisch Dagblad besteedt er aandacht aan. Janneke de Jong zet boven haar artikel: 'Een bijzonder boek, dat is het', waarmee ze duidelijk knipoogt naar de uitspraak van vader Trom.

Er blijken veel van dit soort knipogen te zijn. 'Iets is bijzonder, dat is het' of 'Iets is bijzonder en dat is het'. Die 'en' sluipt er gemakkelijk tussen, omdat die de zin soms wat ritmischer maakt.

Enkele voorbeelden: een bijzonder schooltje (het schoolgebouwtje van Etersheim), een bijzondere methode (EMDR); een bijzonder bouwwerk (nationaal paleis van Pena); een bijzonder fonds (het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten), een bijzondere jongen (naar aanleiding van Schooldagen van Coetzee); een bijzondere filmmaker (Henk van der Linden, de verfilmer van Pietje Bell, vreemd genoeg); een bijzonder wijkje (Heksenberg); een bijzonder hotel (Hotel Kunturwassi Colca en ook een hotel in Wolvega); een bijzonder merk (Saab); een bijzonder mens (Fred Rutten); een bijzonder bos (in Kolham); een bijzonder dorp (Westkapelle); een bijzondere bridger (Bob Drijver); een bijzondere zitzak. De lijst kan met gemak langer gemaakt worden.

Het lijkt me te bewijzen dat Dik Trom, of in ieder geval het zinnetje uit het boek, nog springlevend is. En dat na honderdvijfentwintig jaar! Terecht dus dat Janneke de Jong schrijft: 'Een bijzonder boek, dat is het'.

woensdag 16 november 2016

It's the economy, stupid! (Knipoog 55)


Al eerder schreef ik over het veelvuldig knipogen naar de uitspraak 'It's the economy, stupid!'  Ooit bedacht door James Carville, voor de campagne van Bill Clinton in zijn strijd tegen George H.W. Bush.

De uitspraak werd zo gevleugeld dat ook een Nederlandse variant als 'Het is het kapitalisme, sukkel!' blijkt te werken.

Beatrice de Graaf blijft dicht bij het origineel in haar stuk 'Het is de mythe, stupid!' in NRC Handelsblad van 12 november 2016. Ook nu is er een Clinton bij betrokken, al komt die maar zijdelings ter sprake.

De Graaf legt uit dat Trump kon winnen door de mythe die hij gecreëerd heeft. Enerzijds bestaat die uit de metafoor van het gezin, met vader Trump aan het hoofd. Die zal er wel voor zorgen dat de gezinsleden geen kwaad overkomt.

Verder associeert hij buitenlanders, Mexicanen, met lichamelijke onreinheid. Hij gebruikt morele metaforen om aan een mythe te bouwen en dat blijkt veel beter te werken dan vertrouwen op de rationaliteit van de kiezer.

Het verhaal klinkt aannemelijk. Sterker nog: De Graaf presenteert het alsof het overduidelijk is: 'Het is de mythe, stupid!'  Het zinnetje laat ze niet terugkomen in haar stuk, maar het werkt.

Toen ik de vorige keer over deze uitspraak schreef gaf ik al veel voorbeelden van varianten. Laat ik er nog eentje geven waarbij Hillary Clinton is betrokken. In 2015 (28 juli) stond er een stuk over Hillary en klimaatverandering in Vrij Nederland, onder de titel: 'Het is het klimaat, sukkel!' Je vindt het hier.

De knipogen naar 'It's the economy, stupid!' zullen van tijd tot tijd terugkomen. Ze werken.

dinsdag 15 november 2016

Lieve (Ronald Giphart)


Ronald Giphart kan vlot verhalen vertellen. Meestal gaan die verhalen niet zo diep, maar ze zijn vaak wel onderhoudend. Omdat ik in het onderwijs werkzaam ben, moet ik zijn boeken wel lezen. Ik las bijvoorbeeld: Ik ook van jou (1992), Giph (1993), Pileine zegt sorry (1996) en Gala (2003). Zoals gezegd: aardig verteld, maar dat is het dan ook wel.

Er zit snelheid in de manier van vertellen en hier en daar tref je ook wel humor aan, maar eerlijk gezegd doen de boeken me niet zoveel. In 2000 publiceerde Giphart Ik omhels je met duizend armen over een vrouw die kiest voor euthanasie. Hierbij stond de moeder van de schrijver model. Dat is een thematiek die nogal actueel is, nu er gediscussieerd wordt over verruiming van de euthanasiewet.

Ik had er wel wat van verwacht. Een vrij zware thematiek, die ook nog dichtbij komt, omdat er een autobiografische component in zit. Het lukt Giphart om ook deze zwaarte licht en vlot te brengen. Maar een beroep doen op de emotie van de lezer, van deze lezer althans, lukt minder goed. Mijn verstand weet dat er aangrijpende gebeurtenissen in de roman moeten zitten, maar de beschrijvingen doen me niets. Daarmee had ik indertijd Giphart zo ongeveer opgegeven.

Maar in 2005 las ik Troost  en toen had Giphart mij toch te pakken. Het verhaal is hilarisch: een tv-kok krijgt een groep gasten die moeten figureren in een tv-programma en dat gaat allemaal bepaald niet gladjes. Laat dat soort dingen maar over aan Giphart of aan Renate Dorrestein.

Maar daarnaast had Troost ook een schrijnende kant. De vader van de kok was zelf ook kok, maar hij heeft andere opvattingen over koken. Prachtig beschrijft Giphart de relatie tussen vader en zoon. Ik was verkocht.

Toch kocht en las ik niet de romans IJsland (2010) en Harem (2015), die wel goede recensies kregen. Waarom ik ze niet probeerde, weet ik eigenlijk niet. Maar nu ligt Lieve in de winkels en ik besloot toch maar weer eens een Giphart te proberen.

Lieve gaat over het gelijknamige lief (Lieve Vanlieve) van de regisseur Noah Boudrin. Ze werd een beroemd actrice, maar kwam op jonge leeftijd om. Noah heeft besloten een film over haar te gaan maken. De hoofdrollen worden gespeeld door Liv Minnema en Bison van Beerschot.

Ook nu weer vertelt Giphart met veel vaart. Hij wisselt het verhaal van de film (met Liv en Bison dus) af met de gebeurtenissen van een tijdje terug (met Lieve en Noah). Dat geeft mooie parallellen en variaties.

Giphart heeft zich goed verdiept in de filmwereld. Je waant je op de set. Af en toe gebruikt gebruikt wat vaktermen die kleur geven aan de beschrijvingen, zonder dat overdreven te doen.

Noah had bepaald dat Liv en Bison geen contact met elkaar mochten hebben voordat de opnamen daadwerkelijk begonnen. De personen moeten elkaar dus nog helemaal leren kennen. De spanning die dat oplevert, weet Giphart goed weer te geven.

Maar je wilt als lezer ook geraakt worden. Lieve heeft een leven geleid dat je als tragisch kunt bestempelen, in het licht van haar vroege dood en ook de verhaallijn van Liv en Bison kent tragiek. Dat had ik graag willen voelen, door meer dan door het geciteerde gedicht van Hugo Claus. Maar dat is niet gebeurd.

Misschien had ik dat niet moet willen. Misschien is Giphart niet zo'n schrijver. Misschien moet ik hem lezen om zijn luchtigheid, om zijn spanning zelfs, om de vaart van het vertellen. Dat kan hij wel; Giphart is een vaardig verteller. Maar eerlijk gezegd is het me te weinig. Met weemoed denk ik terug aan Troost.