woensdag 30 maart 2016

Wereldheerschappij in beeld (Margreet de Heer)




Margreet de Heer heeft intussen een naam opgebouwd met strips op het gebied van de non-fictie. Eerder besprak ik hier: Wetenschappen in beeldeen stripgeschiedenis, een boek over vriendschappen en verder schreef ze Religie in beeld en Filosofie in beeld. Beide laatstgenoemde boeken besprak ik in het Nederlands Dagblad.

Het genre lijkt De Heerop het lijf geschreven: ze kan ingewikkelde dingen helder uitleggen en verder maakt ze de te behandelen stof persoonlijk, door een alter ego te introduceren, een figuurtje dat de tekenares voorstelt, met wie we ons kunnen identificeren. Aan haar hand worden we door de materie gevoerd.Het is een concept dat al vaker gebruikt is. Ook een boek als De wereld van Sofie is erop gebaseerd.

In Wereldheerschappij in beeld gaat De Heer uit van een gedachte-experiment: als ik de absolute macht had, hoe zou ik dan de wereld regeren? Ze begint met de wereldbevolking te concentreren in West-Europa, in Fort Mondial, maar dat geeft meteen al problemen, zoals te verwachten is.

Aan de hand van de moeilijkheden die ze meemaakt, maakt ze uitstapjes waarin ze de lezer het een en ander uitlegt. Over regeringsvormen natuurlijk, waarbij ook de geschiedenis van het kapitalisme en het communisme behandeld worden, maar ook over bijvoorbeeld de geschiedenis van het geld en de banken en over de macht van de media.

Uiteindelijk lukt het De Heer niet om de wereld behoorlijk te regeren, zelfs niet in haar gedachten. Maar intussen heeft ze wel een nieuw boek en de lezer is heel wat wijzer geworden. Ik kan mij voorstellen dat enkele paragrafen uit haar boek rechtstreeks te gebruiken bij bijvoorbeeld de lessen staatsinrichting.

Het werk van De Heer leest altijd prettig. Zoals gezegd, dat komt mede doordat je kunt meeleven met de hoofdpersoon. Er zit bovendien altijd optimisme in de boeken en een wil om het goede te doen. Er zijn heel wat problemen in de wereld en die worden niet gebagatelliseerd bij De Heer. Het kan haar hoofdpersoon ook echt aanvliegen. Maar altijd is ze gericht op een oplossing, heeft ze vertrouwen op een goede afloop. Dat is weldadig om te lezen.






dinsdag 29 maart 2016

Als je een meisje bent (Maartje Smits)


Het zal er niets mee te maken hebben, maar toen ik de titel Als je een meisje bent las, moest ik meteen denken aan Mädchen van Lucilectric: 'ich bin so froh, weil ich ein Mädchen bin'. Het nummer stond in 1994 negen weken in de Top 40 en het reikte tot aan de zevende plaats. Er is ook boek van Machaela Bach dat Als je een meisje bent heet, maar daar had ik nog nooit van gehoord

Als je een meisje bent is de titel van de debuutbundel van Maartje Smits. Ze noemt het boek van Machaela Bach in één van de gedichten. Lucilectric wordt niet genoemd en ik heb ook niet de indruk dat de 'ik' in de gedichten 'so froh' is omdat ze een meisje is. In het eerste gedicht ('Via via') wil de 'ik' de moeder om advies vragen: bijvoorbeeld 'waarom lakschoenen ordinair zijn', maar ook
twee waarom kuikens je voeten volgen
drie wat ze bedoelde met 'zie je nou dat krijg je'
toen ik achteruitstapte
het piepte nog
vier over ongelukjes en
hoe lang je een ongelukje
dan blijft vijf waar ze naartoe ging, waar ze vandaan kwam
wat er gebeurt als een ei koud wordt
of ze naar huis gaat
en of ik mee mag
De moeder is hier degene die zou moeten weten hoe het leven in elkaar zit. Uit 'of ik mee mag' zou je kunnen afleiden dat de 'ik' de bescherming van de moeder zoekt. Het gedicht zit ingenieus in elkaar. Aan de ene kant zou je de 'ik' kunnen zien als een kuiken dat een moederkloek nodig heeft. Het leven is voor kuikens immers gevaarlijk; je kunt zomaar doodgetrapt worden.
Maar de 'ik' is ook degene die het kuiken doodtrapt - per ongeluk weliswaar. Het ongelukje dat de 'ik' begaan heeft doet haar denken aan het ongelukje dat ze ooit was; een nietbedoeld kind. Ze vraagt zich af in hoeverre ze intussen wel gewenst is. Als ze de fout in gaat, is er geen begrip voor haar. Moeder komt niet verder dan het halen van het eigen gelijk: Zie je nou, dat krijg je.

Dat het tussen moeder en dochter niet vanzelf loopt, is in het begin van het gedicht al duidelijk. De dochter ziet haar moeder fietsen in een stad waar ze allebei niet wonen en spreekt haar aan: 'Mam'. Moeder stuurt een sms'je terug met de boodschap dat ze onderweg is.

Het tweede gedicht ('Een moeder een meisje') zou je kunnen zien als een onderzoek: wanneer is iemand een vrouw, wanneer is ze een meisje? Die vraag stelde Maartje Smits ook aan verschillende vrouwen/meisjes (zie onderaan). Maar  in dit gedicht worden niet de vrouw en het meisje tegenover elkaar gezet, maar de moeder en het meisje. De eerste strofe:
een moeder maakt zich zorgen
een meisje moet trakteren
een moeder vermaakt
een meisje versiert
een moeder verschoont
een meisje vervelt
een moeder schroomt
een meisje scheelt
een moeder wast
een meisje
Door de vorm heb je de neiging te denken in opposities, maar vaak vormen de zinnen geen tegenstelling; het zijn losse constateringen. Dat een moeder zich zorgen maakt, zou je kunnen zien als gevolg van haar verantwoordelijkheden. Maar het meisje-zijn is ook niet alleen maar vrijheid blijheid. Het meisje moet immers trakteren.

Het slot van de strofe lijkt me op twee manieren te lezen: alsof er nog iets achter 'meisje' had moeten komen. Het is oningevuld gebleven wat er achter 'een meisje' moet. Je kunt het ook lezen als één zin: 'een moeder wast een meisje'.

Vooral bij de laatste twee strofen geeft deze lezing een schrijnend resultaat:
een moeder lacht
een meisje uit
en:
een moeder scheert
een meisje weg
De gedichten met de moeder zullen niet voor niets voor in de bundel staan. Dat er tussen moeder en dochter veel ongemak en pijn zit, is duidelijk. En vader? Hem lukt de warme, menselijke omgang met anderen ook niet zo goed: 'mijn vader condoleert een vriend via Wordfeud'.

Ook buiten het gezin zijn er dingen die een jeugd pijnlijk maken:
de haak
de badmeester
de buurjongen
vergeten
vergeten
En dan zijn er nog de eetproblemen die soms aan het zusje gekoppeld lijken, soms aan de 'ik'.

In het donker trilt het huis 

hoor
hoe jij je zusje
botten kweken
tussen ademsprongen in spouwmuren
daar dreunt het
afzetten       zweven       landen zinken
donker trilt het huis een vogeltje groeit donsschouders
de schuifdeur die invallende ogen te droog te knipperend
föhnhaar
dat plukken
in bed
blijven
luisteren
lieg dat iedereen slaapt
vier de verjaardag van het laatste ijsje
toast op een langzaam verdwijnen
op acetonadem en blauw een lichaam
dat zich opeet kies ervoor haar
altijd te geloven
omdat je zusje nooit zou liegen en je ergens moet kunnen vertrouwen dat zij
daar nog is     wees trots op haar doorzetten omdat je altijd trots bent op een zusje
ook als er bijna niks meer over is     wees een zusje en aai dat laatste stukje
van jullie     zeg dat het goed is dat ze er is
ook als je haar niet meer ziet     als ze schreeuwt dat je verraad pleegt dat ze naar
huis wil hoewel ze thuis is en dat huis allang verdween     aai alle vogeltjes waarin
ze wakker wordt omdat ze je zusje is
en zusjes alles mogen worden
(Het lettertype heb ik wat klein gehouden, omdat de zinnen anders afgebroken worden op een plaats die de dichteres niet bedoeld heeft).

Bij het vogeltje waarmee het zusje vergeleken wordt, kon ik het niet nalaten te denken aan het vertrapte kuiken in het openingsgedicht. De associatie met een vogeltje is natuurlijk ook ingegeven door de 'donsschouders', het dons dat het lichaam van een anorectisch meisje ontwikkelt, in een poging zich warm te houden.

'In het donker trilt het huis' vind ik een ontroerend gedicht. De solidariteit die in andere gedichten tussen ouders en kinderen gemist wordt, is er wel tussen de zusjes. Solidariteit is daarvoor een veel te slap woord; het zal liefde zijn.

De 'ik' kiest ervoor het zusje te geloven, waarschijnlijk tegen beter weten in, en het zusje zal ook graag geloven wat de 'ik' zegt, zoals ook de 'ik' graag wil geloven wat ze zelf zegt, al weet ze dat niet alles klopt ('lieg dat iedereen slaapt').

In het gedicht 'Afwegen' lijken de eetproblemen te maken te hebben met de 'ik', in '14 theelepeltjes' is het een 'zij' die erg met eten en niet-eten bezig is. Dat er in het gedicht een 'zij' gepresenteerd wordt, wil natuurlijk niet zeggen dat het niet om een 'ik' zou kunnen gaan. In 'Eenkamernotaties' komen de theelepeltjes terug als losse aantekening: 'theelepeltjes wekken de illusie dat je meer kunt eten'.

Veel gedichten vereisen een lezing waarbij je niet terug kunt vallen op je leesroutine. Er zijn wel gedichten die vrij rechttoe rechtaan zijn (zoals het openingsgedicht), maar vaker zitter er associatiesprongetjes in. Het ene woord roept het andere op.  De laatste letters van 'kitsch' en de eerste 'schimmelranden' kunnen dan samenvloeien tot het woord 'kitschimmelranden'. Smits maakt vaker gebruik van neologismen: 'heimweekamervragen', 'schaamschennis', 'drachtdromen'.

Bij de associaties gaat Maartje Smits ook over de grenzen van de Nederlandse taal: 'vallen felt allang niet meer / als failen' en:
ik möchte een vrouwship
zijn shallow schouwdek weze
een beetje bitse lust objection
Je bent er als lezer bijna getuige van hoe 'lustobject' het woord 'objection' oproept.

Verder speelt ze met de vorm van het gedicht. Sommige gedichten zijn in twee kolommen geplaatst, waardoor je steeds een keuze moet maken: lees ik door van links naar rechts of lees ik kolom voor kolom? Ook werkt ze met extra spaties tussen de woorden. Het is ruimte die ook de lezer de ruimte laat: interpreteren we het opgengelaten gedeelte als een soort rust in de muziek? Doen we alsof er iets weggevallen is? Denken we terug aan J.H. Leopold?

Soms gebruikt Smits woorden die uit een ander, wat ambtelijker register lijken te komen ('zichlocaties') en ze speelt daar ook mee. De zin 'straatlantaarns negeren dit gevolg van rijkswegen' roept de uitdrukking 'van rijkswege' op.

Sommige gedichten vallen uiteen in kleinere gedichten, die soms niet meer zijn dan losse notities. Maar ze werken wel:
tag me
ik ben lost
Juist door de beknoptheid werkt dit gedichtje. Er is zoveel wit omheen, dat de 'ik' inderdaad als 'lost' overkomt. Hier zou de lezer direct aangesproken kunnen worden. En natuurlijk willen we haar taggen.

Er is van alles over Als je een meisje bent te zeggen en er zijn ook best gedichten waarvan je het idee hebt dat die beter hadden gekund, maar eigenlijk is dat van minder belang. Dat de bundel als geheel wat zoekend is, past goed bij de thematiek. In ieder geval hebben de gedichten een stem en Smits durft dingen uit te proberen, grenzen te verkennen, eigenwijs te zijn. Ik ben benieuwd hoe ze zich zal ontwikkelen.

Titel:          Als je een meisje bent
Auteur:      Maartje Smits
Uitgeverij: De Harmonie
48 blz. € 15,90

maandag 28 maart 2016

Kroniek van een aangekondigde dood (Knipoog 44)


In krantenkoppen wordt er geregeld geknipoogd naar titels van boeken en films Naar bijvoorbeeld Het verdriet van België van Hugo Claus. Het verdriet van Nederland (hier), 'Het verdriet van Rusland'(nog dit jaar, bij de nieuwe vertaling van Dokter Zjivago, hier), Het verdriet van Sleutelpiet (hier), 'Het verdriet van Facebook' (hier). Bij de aanslagen in België zal er ook wel een journalist geweest zijn die de meest voor de hand liggende verwijzing gebruikt heeft.

Bij de meer dan veertig knipogen die ik te hooi en te gras verzameld heb, zijn er opvallend veel naar het werk van Gabriel Gárcia Márquez. Drie titels komen steeds terug: Liefde in tijden van cholera, Honderd jaar eenzaamheid en Kroniek van een aangekondigde dood. Daar schreef ik bijvoorbeeld hier over: een artikel over Anna Enquist met de titel 'Liefde in tijden van geweld'.

Dit weekend was het weer raak. van Stefan Hertmans stond er zaterdag 26 maart 2016 een artikel in de bijlage Opinie & Debat van NRC Handelsblad. 'Een bom onder de Belgitude'. Met die Belgitude bedoelt Hertmans de zelfrelativering, die België blijkbaar eigen is.

Hertmans: 'De tragedie is dat we dit soort zaken niet kunnen voorkomen zolang de haat daarbuiten gevoed wordt door machopolitiek, gruwelijke internationale conflicten, luchtbombardementen, volksverhuizingen, grensconflicten, godsdienstwaanzinnigen en een planetair verhoogde dosdis foute adrenaline.' Hij roept op tot het in stand houden en uitbreiden van de dialoog met gematigde moslims.

Voor op de bijlage zette een redacteur een knipoog naar Márquez: 'Kroniek van een aangekondigde tragedie'. Dat is vaker gebeurd. In november 2015 had NRC als kop, ook over Molenbeek: 'Kroniek van een aangekondigde ramp' (hier) en De Correspondent schreef in december 2015 over Malawi onder de kop 'Kroniek van een aangekondigde hongersnood' (hier). Het Financieel Dagblad kopte in augustus 2015 'Kroniek van een aangekondigde boete' (hier) en de NOS (oktober 2015), bij de uitschakeling van het Nederlandse voetbalelftal: 'Kroniek van een aangekondigde uitschakeling' (hier). Nog enkele recente knipogen: 'Kroniek van een aangekondigde catastrofe (Doorbraak.be), 'Kroniek van een aangekondigde hold-up'(De wereld morgen), 'Kroniek van een aangekondigde kaalslag' (Leeuwarder Courant) en 'Kroniek van een aangekondigde Fyra-dood' (Follow the money).

Verder wordt de boektitel geregeld letterlijk geciteerd, terwijl het over andere zaken gaat: bij de affaire Leinders, de film Fucking perfect, de teloorgang van TriunfoRolls-Royce Phantom of de Fiat 500L. Het aantal voorbeelden is moeiteloos uit te breiden.

We zouden kunnen concluderen dat zo'n beetje iedereen in Nederland en België Márquez gelezen heeft. Dat zal wel te optimistisch zijn. Maar zijn boektitels kennen we.


zaterdag 26 maart 2016

Het paradijs in de boomgaard


In NRC Handelsblad van 17 maart 2016 vertelt striptekenaar Erik Kriek over zijn boek In the pines. Hij tekende in het verhaal 'Where the wild roses grow' een boerderij in het bos en zegt daarover:
Dat berkenbos is gewoon bij mijn oma achter. Zij had een houten zomerhuis met net zo'n groot fornuis, zo'n deur met traptreden ervoor en waslijnen tussen de bomen.
Wat voor een tekenaar geldt, geldt wellicht ook voor een lezer. Als hij een boek leest, heeft hij daar beelden bij. Die beelden worden opgeroepen door het boek. Ze kunnen vrij helder zijn. Zo vond ik het als kind altijd vervelend als een kinderboek plaatjes had die niet klopten met het beeld dat ik in mijn hoofd had.

Maar niet elke lezer zal dezelfde beelden hebben. Hoe komen we eigenlijk aan onze beelden? Zouden die niet, net als bij Erik Kriek, uit onze herinnering kunnen komen? Ik heb eens teruggedacht aan de Bijbelverhalen die ik als jong kind al gehoord heb. Daarbij ben ik ervan uitgegaan dat de plaatsen waarop de verhalen zich afspelen voor mij bekende locaties zijn. Welke zijn dat dan?

Ik voel me een beetje een archeoloog. Niet alleen moet ik teruggaan in de tijd, maar ik moet ook uit de beelden die ik bij de verhalen heb een oude locatie uit de werkelijkheid opdiepen. Nu was in mijn kindertijd die werkelijkheid natuurlijk niet zo uitgestrekt: als kind heb je niet zo'n groot bereik. Wij gingen niet op vakantie, dus ik heb weinig beelden van buiten mijn directe leefomgeving. Bovendien hadden wij geen televisie, dus ook die leverde mij de beelden niet aan. Soms mochten we bij de buren naar Swiebertje kijken.

Het paradijsverhaal kan ik gemakkelijk plaatsen. Achter ons huis waren twee boomgaarden, die achter elkaar lagen. Je moest door de ene heen om bij de andere te komen. De boomgaarden waren verbonden door een brug van dikke balken. Misschien waren dat bielzen. Ik schreef daar ook hier al over.

Het paradijs was in de achterste boomgaard, vermoed ik. Ik probeer me voor te stellen waar Adam zich verstopt kan hebben toen God hem zocht, maar daar kom ik niet goed uit. Wel weet ik zeker dat de engel met het vlammende zwaard op de brug stond, waardoor de achterste boomgaard niet meer bereikbaar was.

Bij het zondvloedverhaal heb ik een minder helder beeld. Misschien komt dat wel doordat de tekeningen in de kinderbijbel van B.J. van Wijk zo sturend waren. Maar Abraham kan ik wel plaatsen: toen hij uit zijn land en uit zijn maagschap moest trekken naar het land dat God hem zou wijzen, trok hij met zijn kamelen door de boomgaard van mijn opa, in Loenen (in de Betuwe).

Waar was hij toen de drie mannen kwamen om hem te vertellen dat zijn vrouw zwanger zou worden? Ik zie de tent voor me, maar ik herken het landschap niet.

Het verhaal van Jakob en Ezau heb ik als kind ooit geïllustreerd: we moesten er een opstel over schrijven en er een tekening bij maken. Ik tekende de binnenkant van de tent waarin Izak zich bevond. In die tent plaatste ik een mahoniehouten kast, zo-een als er bij mijn beide grootmoeders stond.Boven op de kast tekende ik een pot. Ongetwijfeld hadden mijn oma's een kaststel: drie bij elkaar horende potten, boven op een kast.

Jakob kreeg een jagershoedje, zoals de boswachter had. Die had ik ongetwijfeld wel eens gezien. Er hangt ook een schilderijtje aan de wand, aan een spijker. Ik zal mij niet afgevraagd hebben hoe je een spijker in een tentwand slaat.

De tekening heb ik boven aan dit artikel geplaatst. Aan het handschrift denk ik meester Postma te herkennen. Zou ik in de vijfde klas gezeten hebben? In mijn herinnering was ik jonger toen ik de tekening maakte. We kregen een cijfer voor opstel (dat was in orde) en voor schrijven (dat was altijd op het randje van voldoende). 'Netter!' schreef de meester onder het opstel.

 De velden van Dothan, waar Jozef naar toe ging om zijn broers te zoeken, weet ik duidelijk te lokaliseren: de uiterwaarden bij Hien.

Mijn opa en oma van moeders kant woonden buitendijks. Als het hoogwater was, moesten we roeien om bij hun huis te komen. Daarover schreef ik hier. Of Jozef uit het huis van mijn opa en oma vertrok, zie ik niet goed voor me, maar ik zie hem over het tuinpad langs de bessenstruiken lopen, in de richting van de schuur van mijn opa. Dan loopt hij verder, de uiterwaarden in, richting de boerderij van Kwak.

Verderop in het verhaal is de setting ineens anders: als Jozef onderkoning is, komen zijn broers graan bij hem halen. Dat gebeurde in het huis van mijn opa Bunt. De boerderij had een dubbel achterhuis. Ik zie de broers met hun ezels of hun paarden om de hoek van het huis komen. Dat ze wellicht op kamelen hebben gereden kwam bij dit verhaal blijkbaar niet bij me op. Bij het me herinneren van hun rijdieren twijfel ik tussen ezels en paarden.

Ik vermoed dat ik aan paarden heb gedacht. Vanuit het zolderraam van ons huis kon ik kijken naar het huis van de buren, waarachter later een  manege zou worden gebouwd. Toen was er achter het huis nog een zandvlakte, waarop er van tijd tot tijd rijles was. Ik kon de paarden en de pony's zien lopen en ik hoorde Piet van Elk (of Van Eldik?) dingen roepen als: 'Bij M van hand veranderen!'
De broers van Jozef kwamen met hun rijdieren vanachter deze boerderij
Ook Mozes in zijn biezen mandje kan ik plaatsen: dat was bij de buren, aan de andere kant van de straat. Dezelfde buren, Hent en Jo, waar ik wel eens naar Swiebertje keek. Ze bewoonden de helft van het voorhuis van een boerderij. Je moest voor het huis langs lopen, rechtsaf langs de zijkant van het huis en als je het raam voorbij was, was er een zijdeur waardoor je naar binnen kon. Voor het huis, ter hoogte van de hoek, is stond een seringstruik. Daaronder was een kuil. Of was het een droge sloot die net bij de sering wat breder was? Stond er wel eens water in?
In de tuin van dit huis lag Mozes in zijn biezen mandje
Misschien wel niet. Maar toch stelde ik mij voor dat Mirjam daar tussen het riet stond en dat het mandje daar in het water dreef. Zou er een rietachtig gewas gestaan hebben dat mijn fantasie gestuurd heeft? Of heeft mijn fantasie dat riet uit een andere sloot geplukt en daarheen verplaatst?

Achter in de tuin woonde Mozes toen hij groter was en getrouwd was met Zippora. Ook in die tuin ontmoette hij zijn broer Aäron. Ik vermoed dat de farao ook in het huis van de buren woonde. Door hun zijdeur drong de engel naar binnen om de oudste zoon te doden.

Ik kan ook voorbeelden geven buiten de Bijbel om. Mijn moeder vertelde haar kinderen alle sprookjes. In veel van die sprookjes (Hans en Grietje, Roodkapje, Klein Duimpje) komt een bos voor. Daarbij heb ik mij altijd het Loenense bos voorgesteld.  Dat lag immers vlak bij ons huis en mijn opa en oma woonden aan de rand van dat bos.

Gek genoeg hebben de enge dingen die er in de sprookjes gebeurden en die zich in mijn fantasie dus in het bos afspeelden, mij nooit angst aangejaagd als ik in het bos was.

Voor mij is het duidelijk: bij veel van de oerverhalen uit mijn jeugd stelde ik mij de plaatsen voor die ik kende: ons eigen huis met de boomgaarden, de huizen van mijn grootouders, het huis van de buren met de tuin, het Loenense bos. Simson liet vlak voor ons huis zijn haren afknippen; Jezus is gekruisigd in Hien, bij het huis van mijn grootouders; vlak achter dat huis is hij ten hemel gevaren.
Ons huis indertijd, waarvoor Simson zijn hoofd in Delila's schoot legde. 
Nu ik ouder ben, heb ik een veel groter reservoir aan beelden aangelegd. Welke daarvan pik eruit als ik het nieuwe boek van A.F.Th. van der Heijden, Thomas Rosenboom of Annelies Verbeke lees? Dat heb ik me nooit eerder afgevraagd. Daar moet ik maar eens een tijdje op gaan puzzelen.

vrijdag 25 maart 2016

Camilla (Lo Hartog van Banda / Thé Tjong - Khing)


Bij uitgeverij Sherpa verschijnt er van tijd tot tijd een nieuw deel van de heruitgave van Arman & Ilva. Echt iets voor de liefhebbers: oblong formaat, harde kaft, beperkte oplage (vierhonderd exemplaren). Het deel dat nu verschenen is, heet Camilla.

Het verhaal Camilla is intrigerend: Arman en Ilva gaan naar De groene planeet, waar Camilla, de zus van Ilva, zich moet bevinden. Het contact tussen hen is weggevallen. De nederzetting waar ze Camilla denken te vinden, blijkt overwoekerd door de natuur. Het valt te vrezen dat er iets ergs gebeurd is.

Camilla blijkt opgenomen te zijn in een gemeenschap van mensen die sektarische trekken heeft: voor de buitenwereld lijkt het een gevangenis met een open deur, zoals Jan Terlouw het ooit noemde in
één van zijn jeugdboeken: je zou eruit kunnen, maar de psychische druk lijkt zo groot, dat mensen dat niet doen. Ze zeggen gelukkig te zijn met de situatie en misschien zijn ze dat ook wel. Bovendien lijken de leden van de gemeenschap gemanipuleerd door een drank die ze gedronken hebben.

Er is meteen een mooi dilemma: als lezer krijg je het idee dat Camilla bevrijd zou moeten worden, maar zij voelt zich juist veilig in de gemeenschap. De spanning loopt nog hoger op als Arman en Ilva uit elkaar gedreven worden.

Lo Hartog van Banda heeft weer een fraai verhaal in elkaar gezet en Thé Tjong - Khing heeft het weer mooi getekend met zijn subtiele, vaak vrij dunne lijnen. Zelfs na zoveel jaren oogt alles nog fris en zeer leesbaar. Het verhaal is mooi rond gemaakt: de eerste en de laatste strook zijn nagenoeg gelijk:




Dit deel wordt compleet gemaakt door een aardige inleiding van Ger Apeldoorn en aan het eind, net als in de andere delen een 'dossier', door Rudy Vrooman. De inhoud daarvan is gebaseerd op een gesprek met Khing. Uitgebreid is er aandacht voor de periode dat Thé Tjong - Khing tekende voor de Toonder Studio's.

Er is een schat aan illustratiemateriaal opgenomen: fraai getekende stroken en vooral ook veel portretten, waarvan een aantal enigszins karikaturaal. Sommige portretten zijn gedetailleerd uitgewerkt, andere zijn snel tussendoor geschetst.

We krijgen ook totaal ander werk te zien: perspectiefopdrachten, een havengezicht, geabstraheerd in horizontale en verticale lijnen, stukjes natuur. Het laat zien dat Khing bereid was het totale vak onder de knie te krijgen en zich op allerlei terreinen oefende. Ook dit deel zullen Khingliefhebbers met liefde in hun boekenkast plaatsen, naast de andere delen.

Over het vorige deel van Arman & Ilva schreef ik hier.

Titel: Arman & Ilva, Camilla
Scenario: Lo Hartog van Banda
Tekeningen: Thé Tjong - Khing
Uitgever: Sherpa,
Haarlem, 2015; hardcover, 80 blz. € 24,95

donderdag 24 maart 2016

Doden


Wie naar het journaal kijkt, krijgt een scheef beeld van de werkelijkheid. Nieuws is immers datgene wat afwijkt van het gebruikelijke. Er zijn miljoenen mensen die dagelijks naar hun werk gaan, daar de taken uitvoeren die hun toebedacht zijn, door het verkeer weer naar huis gaan, hun maaltijd bereiden en dan ’s avonds gaan sporten of tv-kijken. Dat zal het journaal niet halen.

Over het algemeen zijn het nare of verdrietige zaken die op het journaal getoond worden: een bomaanslag in Brussel; vluchtelingen die naar het westen willen, maar daar niet toegelaten worden; een aardbeving in het noorden van het land; een voetbalclub die failliet gaat.

Dat wil dus zeggen dat het over het algemeen goed gaat. Alleen de uitzonderingen worden immers getoond. Op de meeste dagen zijn er geen terroristische aanslagen, storten er geen vliegtuigen neer, zijn er geen demonstraties, ontsporen er geen treinen. Dat is zo gewoon dat we er niet bij stilstaan.

Het zou dus logisch zijn als het nieuws nauwelijks invloed had op onze stemming. Nou ja, we zouden er gerustgesteld door moeten zijn: alles gaat nog goed. Toch zijn er mensen die onrustig worden van het nieuws. Na de aanslagen in Brussel blijken veel mensen bang te zijn voor terroristische acties in Nederland. Enkele van die mensen waren in ieder geval op het journaal te zien.

Er zullen best ook aanslagen in Nederland komen en daar zullen ook wel doden bij vallen, maar de kans dat wij daarbij betrokken zijn, is bijzonder klein. Op de dag dat er in België meer dan dertig doden vielen door terroristisch geweld, stierven er meer dan drie keer zoveel mensen in Nederland door kanker.

Maar dat is gewoon en dat komt dus niet in het nieuws. Dagelijks begeven zich tienduizenden mensen in het verkeer. De kans dat ze daarbij verongelukken is niet zo groot, maar omdat er zoveel mensen op de weg zitten, vallen er bij elkaar nog aardig wat slachtoffers.

Ik neem even de cijfers van 2014 erbij. In dat jaar kwamen 570 mensen om in het verkeer. Dat zijn er 47,5 per maand. Dat is een veel kleiner aantal dan bijvoorbeeld in het jaar 2000 toen er meer dan twee keer zoveel mensen omkwamen (bijna 97 per maand). Toch zijn mensen niet bang om deel te nemen aan het verkeer.

Dat mensen oud en ziek worden, daar zijn we ook aan gewend. In 2014 stierven er 43.000 mensen aan kanker, 38.000 aan hart- en vaatziekten, 12.500 aan dementie, 5300 aan een hartinfarct.

Natuurlijk is elk slachtoffer van een zelfmoordterrorist er eentje te veel en het verdriet van de nabestaanden wil ik al helemaal niet bagatelliseren. Maar als je alleen naar de getallen kijkt, gaat het om een beperkt aantal slachtoffers. Toch wordt er heel wat geld uitgegeven aan het voorkomen van terroristische aanslagen.

In 2014 stierven maar liefst 1835 mensen aan zelfdoding. Dat zijn er meer dan 150 per maand. Is het niet logischer om meer geld uit te geven aan de gezondheidszorg, waaronder ook de geestelijke gezondheidszorg? De kans dat we daarmee mensenlevens kunnen redden is veel groter.

Het zou goed zijn als de politiek zich niet liet beïnvloeden door incidenten: die ene tbs’er die een moord pleegt tijdens het weekendverlof, die terroristische aanslag, dat vliegtuig dat neerstortte. Waarom zou je je beleid laten bepalen door de uitzondering en niet door de regel?

En wij zouden onze stemming niet moeten laten bepalen door het journaal, maar door onze eigen waarneming. Er is veel om bang van te worden op tv en in de krant. Maar kijk eens om je heen. Kijk eens naar de mensen in je omgeving. Er is veel om blij over te zijn, veel om van te houden. Dat is onze wereld. Laten we die koesteren.

(foto: Edwin Nieuwstraten)

woensdag 23 maart 2016

Broer (Esther Gerritsen)



De hoofdpersonen in het werk van Esther Gerritsen zijn niet zo handig in de omgang met anderen. Vaak snappen ze niet de emoties bij anderen en ook niet hoe hun gedrag bij anderen overkomt. Je zou kunnen zeggen dat dat een gebrek aan empathie is. Het is geen onwil je in de ander in te leven, maar zo zitten deze personen nu eenmaal niet in elkaar.

Als lezer leef je, door het gekozen perspectief, mee met de hoofdpersoon. Omdat die hoofdpersoon nogal verschilt van het gebruikelijke en dus ook van jou als gemiddelde lezer, schuurt dat een beetje en dat is meestal wel goed voor het boek: je vindt de personages markant en verwondert je over hen. Roxy, de hoofdpersoon van de vorige roman is daar een goed voorbeeld van. Over dat boek schreef ik hier.

De omgang tussen ouders en kinderen loopt vaak niet zo soepel. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of Roxy wel zo’n goede moeder is. In het boek daarvoor, Dorst, staat de verhouding tussen moeder en dochter centraal. Moeder is terminaal ziek en dochter besluit om bij haar in huis te gaan wonen. Daarover schreef ik hier.

In Dorst blijkt dat het al in de vroege jeugd niet goed is gegaan tussen moeder en kind. Dat is ook het geval in Broer, het Boekenweekgeschenk. De ouders van Olivia en Marcus hadden een zaak en waren er eigenlijk niet voor hun kinderen. Olivia kon nog verzorgd worden door haar vijf jaar oudere broer, maar Marcus had niemand, wat betekent dat hij als kind verwaarloosd is.

Dat heeft Olivia nooit onder ogen willen zien. Ze heeft een foto van Marcus als kind, met zijn moeder. Op die foto spelen moeder en kind met een bal. In gedachten heeft Olivia die foto gezien als representatief voor de vijf jaar dat Marcus er al wel was en zij nog niet: moeder en kind hebben al die jaren gespeeld. Het lastig voor haar om tot de ontdekking te komen dat dat beeld niet klopt.

Al aan het begin van het boek meldt Marcus dat mogelijk zijn been wordt afgezet. Hij lijdt aan diabetes, maar heeft daar nooit rekening mee willen houden. Je zou dat een vorm van zelfdestructie kunnen noemen. Sinds Olivia Marcus niet meer nodig heeft, heeft ze weinig contact met hem gehad, maar na de amputatie besluit ze hem in huis te nemen. Dat is een soortgelijke situatie als in Dorst. Ook hier zal de confrontatie leiden tot een confrontatie met het eigen verleden en met de werkelijke verhouding tussen de personen.

Doordat Marcus in huis komt, gaat er van alles verschuiven in het gezin. Ook de verhouding tussen Olivia en haar man en kinderen komt in een ander licht te staan en is niet meer vanzelfsprekend.

Dan is er nog Olivia werk: financieel directeur bij een zaak die in serviezen doet. Het zal wel niet toevallig zijn dat Gerritsen gekozen heeft voor breekbare waar: er blijkt meer breekbaar in Broer.

Marcus dringt niet alleen (uitgenodigd weliswaar) het gezin van Olivia binnen, maar ook bij haar werk. Hij praat met Kyvon, een van de aandeelhouders en adviseert hem dingen los te laten. Daarover heeft hij het ook met Olivia:
‘Soms,’ zei Marcus, ‘is de werkelijke opdracht het verzaken van de opdracht, en de diepere moed hebben daar geen schuld over te voelen.’
Olivia wil koste wat het kost de zaak financieel gezond krijgen, maar de vraag is of dat wel de beste oplossing is.

Met schuld weet ze ook wel raad. Als het been van Marcus geamputeerd dreigt te worden, wil ze meteen in actie komen. Haar collega Bart maakt haar duidelijk dat ze hierop geen invloed heeft. Dat herhaalt ze:
Terug naar haar mantra: geen invloed, geen invloed, maar langzaamaan werd het een: geen schuld, geen schuld.
Over haar verhouding met Marnix wordt gezegd: ‘Haar medelijden met hem was altijd vermengd met schuld.’

Bij Olivia is er op de achtergrond altijd schuld. Alles wat op de achtergrond meespeelt wil ze liever niet toelaten: ‘Als je te veel piekerde moest je gaan tennissen. Ze tennisten vaak.’ Op den duur moet ze toch de confrontatie aangaan, moet ze toch onder ogen zien hoe het zit met haar en haar broer en met haar en haar gezin.

In nog geen honderd bladzijden is zo’n onderwerp nauwelijks uit te diepen, maar Gerritsen heeft van Broer toch een heel aardig boek gemaakt. Als Boekenweekgeschenk lijkt het me ook goed te voldoen: ook voor mensen die niet zoveel lezen zal dit boekje goed te verteren zijn.

Bovendien geeft Broer een goed kijkje in het oeuvre van Esther Gerritsen. Het zou mensen uit kunnen nodigen meer van haar te gaan lezen.

Al jaren (sinds De ortolaan, 1984) kiest het CPNB voor een literair geschenk en vaak is dat goed uitgepakt. Broer misstaat niet in dat rijtje. Sinds Anna Enquist (2002) was er dertien jaar lang geen vrouw die het Boekenweekgeschenk mocht schrijven. Krijgen we nu weer dertien jaar mannen? Of meteen volgend jaar weer een vrouw? Kandidaten genoeg: Annelies Verbeke, Fleur Bourgonje, Manon Uphoff, Mensje van Keulen. Niemand zal boos zijn als het toch Jeroen Brouwers of Jan Siebelink wordt, maar daarna gauw weer een vrouw. De verhouding hoeft niet schever te worden dan die al is.