In NRC Handelsblad van donderdag 14 maart staat op pagina twee een merkwaardig artikeltje, onder de kop 'Politie wil geen suffe agenten in tv-series'. In de tv-serie Dokter Tinus speelt Tycho Gernandt een nogal klunzige agent. Op last van de Nationale Politie draagt Gernandt in het vervolg van de serie geen officieel uniform.
In het verleden kon een tv-ploeg overleggen met een lokaal politiekorps en zo wat uniformen regelen. Dat is verleden tijd. Het script moet sinds 1 januari eerst voorgelegd worden aan de communicatieafdeling van de Nationale Politie. En die was in dit geval dus tegen.
De censor verklaarde dat 'de politie zich niet in het beeld herkent dat van de politie wordt neergezet.' En verder: 'Het is niet de bedoeling dat wij in producties onderuit worden gehaald. Wij zijn te vergelijken met een A-merk.'
Als deze handelwijze gebruikelijk wordt, kunnen we nog wat verwachten. Waarschijnlijk kunnen we niet meer kijken naar de dvd van De Noordelingen van Alex van Warmerdam. Het lijkt me namelijk sterk dat de gemiddelde slager zich herkent in het door Jack Wouterse gespeelde personage. De Bond van Beenhouwers zal binnenkort wel van zich laten horen.
Het Sinterklazengenootschap verbiedt natuurlijk de sinterklaasfilm Dick Maas en ook de katholieke kerk zal wel protesteren: de kerk herkent zich niet in deze bisschop. De belangenvereniging van kunstenaars schudt zijn hoofd bij Turks fruit, het Kabouterfront heft zijn vuistje tegen Plop wordt kabouterkoning en na zoveel jaren moet Fanfare alsnog in de ban; de Keten van Harmonieorkesten maakt er bezwaar tegen dat fanfareleden neergezet worden als een stel ruziemakers.
Vanaf nu mogen er nog alleen maar helden optreden in films. En in andere kunstuitingen natuurlijk ook. 'Ho, ho', bromt de politiewoordvoerder. 'Wij hoeven geen helden, we willen ons alleen maar kunnen herkennen. Een gemiddelde is al goed genoeg.' Maar met gemiddelden maak je geen film. Alle personages die je bijblijven zijn juist niet gemiddeld en dat is hun kracht.
Bovendien geloof ik niet dat de politie afgerekend wordt op personages in een film. In mijn jeugd was Bromsnor de kwaaie pier in de serie Swiebertje. Toen ik na zoveel jaren enkele afleveringen terugzag, vond ik hem eigenlijk wel een aandoenlijke man. Ook toen Bromsnor nog de boeman was, is er geen moment geweest waarop ik gedacht heb dat alle agenten waren zoals Bromsnor. En niet alleen omdat hij een uniform aan had dat een agent toen al niet meer droeg. Ook als kind wist ik wel dat het maar tv was, fictie.
In mijn jeugd waren er ook wel zwervers. Geregeld belde er bij ons eentje aan, zo rond etenstijd. Mijn moeder gaf hem een bord eten, dat hij opat terwijl hij voor het huis op de stoep zat. Bij slecht weer zat hij op de deel. Dat waren geen Swiebertjes: grappig waren ze bijvoorbeeld niet. Ik heb nooit aan ze gevraagd of ze zich wel in Swiebertje herkenden. Waarschijnlijk niet. Ik vermoed dat zij nooit bij de burgemeester in de keuken zaten. En dat gaf niks.
De Nationale Politie onderschat ernstig het kijkerspubliek. Alsof dat fictie niet van werkelijkheid zou kunnen onderscheiden. Dan is het koninklijk huis verstandiger. Er zijn verschillende series geweest over prinsen, prinsessen en koninginnen en ik kan mij voorstellen dat niet iedereen die model stond voor de personages zich ten volle erin herkende. En zeker niet in de satirische sketches waarin Oranjes fungeerden. Maar Beatrix had er geen enkel bezwaar tegen. Zij heeft nooit gezegd 'Het is niet de bedoeling dat wij in producties onderuit worden gehaald.'
Misschien is de laatste zin die van de politiewoordvoerder geciteerd werd nog het ergst: 'Wij zijn te vergelijken met een A-merk'. Dat roept bij mij meteen zinsneden op als 'positioneren in de markt' en 'het product veiligheid'. Dergelijke termen staan ver af van de gedachte dat het politieapparaat bestaat uit mensen die om moeten gaan met andere mensen, door ze voor te lichten, te bekeuren, tot de orde te roepen, door hun hulp te verlenen.
Wie denkt aan een A-merk, denkt niet meer aan mensen. Een A-merk moet de markt veroveren, mindere merken aan de kant drukken, andere A-merken voorblijven. Met dat soort ellebogenwerk dient de politie zich niet bezig te houden.
De politie moet goed haar werk doen en dan hoeft ze niet te vrezen voor haar imago. Ik heb nog steeds het idee dat veel agenten prima werk doen. Mag dat nog? Of moet ik vanaf nu de politie alleen nog maar zien als een sterk merk?
vrijdag 15 maart 2013
woensdag 13 maart 2013
Grote schoonmaak
Tegenwoordig hoor ik er niemand meer over, maar vroeger was er bij ons jaarlijks de grote schoonmaak. De meubels gingen naar buiten en mijn moeder legde de matrassen op de stoelen of op de heining van de tuin. Wat geklopt kon worden (matten, stoelkussens, matrassen) werd geklopt, wat gewassen kon worden (gordijnen) werd gewassen. Alle kastplanken werden ontruimd en voorzien van nieuw kastpapier. Met een strookje aan de voorkant.
De grote trap werd in huis gehaald en de balken en planken van het plafond, de zolder, werden gesopt. Sommige kamers werden opnieuw behangen, soms werden de gangmuren en de wc-muur gewit.
Die grote schoonmaak of voorjaarsschoonmaak zou iets typisch Nederlands zijn. Tenminste, volgens het boek Oerhollands, dat op dit moment bij mij thuis op het toilet ligt, zodat ik het aangename kan paren aan het nuttige. Het zou kunnen. Nederlandse huisvrouwen stonden als zindelijk bekend. Niet voor niets was een schoonmaakmiddel dat 'Old Dutch cleanser' heette.
Toch lijkt het me sterk dat er alleen in Nederland grote schoonmaak werd gehouden. Ik heb altijd gehoord dat de schoonmaak van joodse herkomst is. Bij het pesachfeest werden (worden) er matzes gegeten. Er mag namelijk geen brood gegeten worden waarvoor gist gebruikt is.
In Exodus 12: 15 staat: 'Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, en verwijder meteen op de eerste dag alle zuurdesem uit jullie huizen; wie op een van die zeven dagen iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden.' Dat zou de reden zijn voor de grote schoonmaak: elk kruimeltje brood dat gist bevat moet uit het huis verwijderd worden. Alle hoekjes, gaten, plinten, planken moeten dus gereinigd worden. Daar zegt Oerhollands niets over.
Je kunt je ook afvragen hoe waarschijnlijk de verklaring is. Als de schoonmaak inderdaad van joden afkomt, dan zou het vreemd zijn als vooral in Nederland dat gebruik overgenomen is en niet ook in andere landen waar van oudsher veel joden woonden. Maar goed, het zou goed kunnen dat de schoonmaak ook in andere landen bloeit of gebloeid heeft.
Wel vraag ik me af of de joodse gemeenschap zoveel aanzien had, dat wij gebruiken van hen overnamen. Eigenlijk lijkt dat me sterk. In ieder geval heeft de schoonmaak ooit landelijk gewoed en ook in dorpen waar nooit gelovige joden geleefd hebben.
Maar uit te sluiten is de joodse bron niet. Soms is een klein bronnetje het begin van een grote rivier. De ui-klank hebben we immers ook te danken aan een stel gevluchte Vlamingen.
Op een site vond ik de bewering dat er nog 2,3 miljoen Nederlanders zich jaarlijks wijden aan de grote schoonmaak. Een bron voor dat getal werd er niet genoemd. Eerlijk gezegd heb ik mijn twijfels.
Maar misschien heb ik gewoon geen oog voor schoonmaakactiviteiten en wordt er om mij heen gesopt en geboend in het voorjaar. Iemand van jullie die nog jaarlijks schoonmaakt?
Deze foto komt uit mijn geboortejaar, 1959. Ik vond hem op de site van Het geheugen van Nederland.
De grote trap werd in huis gehaald en de balken en planken van het plafond, de zolder, werden gesopt. Sommige kamers werden opnieuw behangen, soms werden de gangmuren en de wc-muur gewit.
Die grote schoonmaak of voorjaarsschoonmaak zou iets typisch Nederlands zijn. Tenminste, volgens het boek Oerhollands, dat op dit moment bij mij thuis op het toilet ligt, zodat ik het aangename kan paren aan het nuttige. Het zou kunnen. Nederlandse huisvrouwen stonden als zindelijk bekend. Niet voor niets was een schoonmaakmiddel dat 'Old Dutch cleanser' heette.
In Exodus 12: 15 staat: 'Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, en verwijder meteen op de eerste dag alle zuurdesem uit jullie huizen; wie op een van die zeven dagen iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden.' Dat zou de reden zijn voor de grote schoonmaak: elk kruimeltje brood dat gist bevat moet uit het huis verwijderd worden. Alle hoekjes, gaten, plinten, planken moeten dus gereinigd worden. Daar zegt Oerhollands niets over.
Je kunt je ook afvragen hoe waarschijnlijk de verklaring is. Als de schoonmaak inderdaad van joden afkomt, dan zou het vreemd zijn als vooral in Nederland dat gebruik overgenomen is en niet ook in andere landen waar van oudsher veel joden woonden. Maar goed, het zou goed kunnen dat de schoonmaak ook in andere landen bloeit of gebloeid heeft.
Wel vraag ik me af of de joodse gemeenschap zoveel aanzien had, dat wij gebruiken van hen overnamen. Eigenlijk lijkt dat me sterk. In ieder geval heeft de schoonmaak ooit landelijk gewoed en ook in dorpen waar nooit gelovige joden geleefd hebben.
Maar uit te sluiten is de joodse bron niet. Soms is een klein bronnetje het begin van een grote rivier. De ui-klank hebben we immers ook te danken aan een stel gevluchte Vlamingen.
Op een site vond ik de bewering dat er nog 2,3 miljoen Nederlanders zich jaarlijks wijden aan de grote schoonmaak. Een bron voor dat getal werd er niet genoemd. Eerlijk gezegd heb ik mijn twijfels.
Maar misschien heb ik gewoon geen oog voor schoonmaakactiviteiten en wordt er om mij heen gesopt en geboend in het voorjaar. Iemand van jullie die nog jaarlijks schoonmaakt?
dinsdag 12 maart 2013
Schering en inslag
Dennis Gaens heeft zijn bundel Schering en inslag zorgvuldig geweven. Het eerste deel heet 'Draad', daarna volgen de delen 'Schering', 'Inslag' en 'Stof'. In de eerste gedichten worden vier portretten getekend: van Dani, Luuk, Lotte en Dave. Ze vormen, samen met de ik-figuur, een vriendengroepje. De 'ik' houdt zich in deze bundel overigens voornamelijk buiten beeld. Nou ja, hij wordt zelf niet beschreven, maar je krijgt natuurlijk wel de blik mee waarmee hij naar de anderen kijkt.
De vijf figuren zijn de losse draadjes uit het eerste deel, maar hun levenspaden kruisen elkaar en hun levens raken in de volgende delen met elkaar verweven. Je zou verwachten dat in het laatste deel, 'Stof', hun (ver)band het meest hecht is, maar dat is niet zo. Ze zijn elkaar in dat deel al een beetje kwijtgeraakt. In ieder geval verkeren ze niet meer in elkaars nabijheid.
Het vriendengroepje deed me een beetje denken aan de titaantjes van Nescio: de jongeren die over van alles ideeën hadden, die de hemel zouden bestormen, maar die uiteindelijk niet op konden stijgen doordat ze vastgehouden werden door de werkelijkheid.
Ook in de bundel van Gaens groeien de titaantjes niet uit tot reuzen. De een trekt weg en mailt later 'dat je van reizen weinig wijzer wordt. Je leert hooguit dat er, / waar ter wereld je ook komt, altijd wel kippen te vinden zijn.' De ander komt in een kliniek terecht. 'Het maakt deel uit van wat ze 'het proces' noemen'.
Waarschijnlijk het kortste zinnetje in de bundel is veelzeggend. De ik-figuur sms't: 'Ik zie je'. Dat blijkt wel uit deze bundel: de vier anderen zijn gezien. Met sympathie (of moet ik het liefde noemen?) bekijkt de ik de andere vier. Doordat hij de andere bekijkt lijkt hij een toeschouwer, iemand die een beetje op afstand blijft. Maar hij beschrijft de anderen met veel warmte.
Schering en inslag leest als een verhaal. Dat heeft te maken met de opbouw, maar ook met de toon waarop de gedichten geschreven zijn. Die komt in de buurt van de toon die in verhalend proza wordt aangeslagen. Bijvoorbeeld in het volgende gedicht.
zo jong komen we niet meer bij elkaar
In haar laatste dagen thuis gooide Dani alles uit het raam; omdat ze het daar
zelf te koud begon te vinden, wilde ze binnen plek hebben om rondjes door
de kamer te kunnen draaien.
Luuk is ook deze zomer niet teruggekomen. We kunnen alleen maar
hopen dat hij het halfrond is overgestoken en ergens in de zon zit. Tot hij
terugkomt blijven we hem indachtig sjekkies roken.
Lotte had alleen al in de eerste twee weken drie mobieltjes in de Waal
gegooid, omdat ze vreemde telefoontjes verwachtte. Ze droeg meer
vermommingen dan outfits die seizoen. Ze kocht een kaartje voor de trein
van 8.05 uur.
Dave at alleen nog bij zijn ouders en sukkelde elke avond in slaap voor de tv,
die de hele nacht reclames bleef herhalen. Hij zei dat zijn fiets stuk was. Ik
vroeg hem waarop hij wachtte, hij zei: 'een nieuw begin.'
Die verhalende toon werkt goed: je wilt de personages volgen en wilt weten wat er met hen gebeurt. Daar komt bij dat Gaens niet alleen goed is in het uitzetten van de grote lijnen. De kwaliteit van de bundel zit niet alleen in het geheel, maar ook in de afzonderlijke gedichten. In veel gedichten staan zinnen die raak zijn, die je bijblijven, die je wilt citeren.
De ik-figuur zegt bijvoorbeeld over zichzelf:
Ik ben altijd meer poster dan voorstelling geweest, meer omslag
dan binnenwerk.
Of deze passage:
Niemand die ik sprak kende haar naam, maar ze liep de kamers kapot alsof
ze hier al jaren kwam. Ze verdween voor een hele tijd in de allerachterste
kamer en even later zag ik haar uit een bezemkast komen. Het was alsof ze
het appartement over haar jurk had getrokken en alles als een sleep achter
zich meenam.
Midden in de bundel, aan het eind van het deel 'Schering', staat het gedicht dat aangeeft hoe groot de plannen zijn van de titaantjes:
met vertrouwen, vrienden en hamers
Komende zomer doen we dat anders.
De dresscode: kleren die kapot kunnen, stevige schoenen, vieze handen
en een riem waaraan een hamer hangt. We halen hout (massaal en in alle
maten), klimmen in ladders en leggen verlengkabels van de radio's naar de
aggregaten. Gesprekken staken we tot 's avonds - met je mond vol spijkers
is het lastig praten.
Die drie maanden vallen we samen met de splinters in onze vingers, de
schaafwonden op onze schenen, de blaren op onze handen en een handvol
gebroken benen - met alles op onze namen na.
Dit ding gaat groot worden.
Wat het ook wordt - als het af is, klimmen we erin, trekken kratten bier
omhoog met touwen, kijken omlaag en zullen zien dat het goed is.
Als wij het niet doen, doet niemand het.
Wat ze gaan bouwen, is niet zo duidelijk, maar het zal groot zijn en ze zullen er tevreden over zijn. Dat zijn de plannen. Maar in het eerste gedicht van de volgende afdeling verlaat Luuk het groepje al. Ze zullen nooit met zijn allen terugkijken op wat hun handen gebouwd hebben. Het bouwwerk, het ding dat groot gaat worden, is nooit verder gekomen dan hun hoofd.
Als je 'met vertrouwen, vrienden en hamers' leest, merk je dat het een vitaal gedicht is. Pas achteraf wordt het ook een tragisch gedicht.
Schering en inslag is een fraaie bundel, met een verhaal dat je bijblijft. De hele bundel door hoor je dezelfde stem die het verhaal vertelt. Het is een stem die laconiek probeert te klinken en toch betrokkenheid verraadt. Het is mooi dat Dennis Gaens ons die stem wou laten horen.
Texas Kid, mijn beste
Wie de eerste helft van maart twee stripboeken koopt (of minimaal € 12, 12 besteedt) krijgt het stripboekgeschenk erbij. Dit jaar is dat Texas Kid, mijn beste van Igor Kordey.
Eerlijk gezegd kende ik zelfs de naam van deze Kroatische striptekenaar niet. Hij heet eigenlijk Kordej en werd in 1957 in Zagreb geboren. Hij heeft al heel wat strips op zijn naam staan, onder andere werk dat uigekomen is bij Marvel en Dark Horse. Hij werkt aan een grote reeks, De verborgen geschiedenis, waarvan ik verschillende delen wel in de stripboekhandel heb zien staan en zelfs wel heb ingekeken, maar nooit gelezen.
Het stripboekgeschenk is mooi verzorgd. Het begint met een uitgebreide inleiding over Igor Kordey. Heel informatief en rijk geïllustreerd. Daarna volgt het verhaal, dat eigenlijk een eerste hoofdstuk is van een langer verhaal.
Het is een boeiend gegeven. Vader en zoon zijn beiden striptekenaars. Vader is beroemd geworden door het door hem geschapen personage Texas Kid. De zoon moet wedijveren met zijn vader. Vooral wil hij door zijn vader gewaardeerd worden. Op een dag staat Texas Kid voor de deur.
In het verhaal valt op dat Kordey in veel stijlen kan tekenen. Soms lijken zijn tekeningen op zwart-witfoto's, met veel grijzen. Soms zijn ze strak getekend. Het verhaal zit goed in elkaar en hier en daar is er een grapje voor de stripliefhebber in verwerkt, zoals een verwijzing naar de klassieker Watchmen.
Mocht je toch van plan zijn een paar strips te gaan kopen, doe het dan nu. Je maakt dan gratis kennis met een interessante stripauteur.
maandag 11 maart 2013
Zuurkool/zurekool
In 'ons' dialect werd 'kool' uitgesproken als wat ik zal noteren als 'kôl', wat klinkt zoals het laatste stukje van de naam Nicole. We hadden rooiekôl, spitskôl, savooiekôl, bloemkôl, wittekôl - nou ja, niks bijzonders dus. Zo'n beetje net als in de standaardtaal.
Maar we hadden ook 'zurekôl' en niet: 'zuurkôl'. Eigenlijk zou in de standaardtaal 'zurekool' logischer zijn dan 'zuurkool' lijkt me. Al was het maar vanwege de analogie met 'rodekool' en 'wittekool'. Maar het is 'zuurkool'. Waarom eigenlijk?
Misschien moeten we de analogie niet zoeken in de soorten kool, maar in de woorden met 'zuur-': 'zuurdesem', 'zuurpruim', 'zuurstof', 'zuurstok', 'zuurvlees'. Bij 'vlees' is 'zuur' wel logisch: 'zurevlees' kan immers niet, aangezien 'vlees' onzijdig is. Maar 'zurepruim' of 'zurestok' had best gekund.
Bij 'zuurpruim' kan ik me nog voorstellen dat het niet gaat om 'een zure pruim', maar om iemand die 'zuur pruimt'. Maar een 'zuurstok' is toch niet veel anders dan 'een zure stok' (al is de stok tegenwoordig meer zoet dan zuur) en ik meen mij te herinneren dat mijn kinderen vroeger bij de snoepwinkel wel een 'zuurlap' hebben gehaald en beslist geen 'zure lap' of 'zurelap'.
Eigenlijk is het mij behoorlijk onduidelijk. Waarom zeiden wij geen 'zuurkôl'? Het Duits, dat niet heel ver weg was, heeft immers 'Sauerkraut'. Geografisch tussen 'Sauerkraut' en 'zuurkool' in zou 'zuurkôl' redelijk logisch geweest zijn. Maar in mijn herinnering was het 'zurekôl'.
De uitspraak neigde een beetje naar 'zurkel', dat overigens ook bestaat. Het was duidelijk geen 'zure kôl', zoals we wel 'zure zult' hadden.
In ieder geval is het, gezien de weersomstandigheden, opnieuw tijd voor zuurkool. Of voor zurekôl.
Maar we hadden ook 'zurekôl' en niet: 'zuurkôl'. Eigenlijk zou in de standaardtaal 'zurekool' logischer zijn dan 'zuurkool' lijkt me. Al was het maar vanwege de analogie met 'rodekool' en 'wittekool'. Maar het is 'zuurkool'. Waarom eigenlijk?
Misschien moeten we de analogie niet zoeken in de soorten kool, maar in de woorden met 'zuur-': 'zuurdesem', 'zuurpruim', 'zuurstof', 'zuurstok', 'zuurvlees'. Bij 'vlees' is 'zuur' wel logisch: 'zurevlees' kan immers niet, aangezien 'vlees' onzijdig is. Maar 'zurepruim' of 'zurestok' had best gekund.
Bij 'zuurpruim' kan ik me nog voorstellen dat het niet gaat om 'een zure pruim', maar om iemand die 'zuur pruimt'. Maar een 'zuurstok' is toch niet veel anders dan 'een zure stok' (al is de stok tegenwoordig meer zoet dan zuur) en ik meen mij te herinneren dat mijn kinderen vroeger bij de snoepwinkel wel een 'zuurlap' hebben gehaald en beslist geen 'zure lap' of 'zurelap'.
Eigenlijk is het mij behoorlijk onduidelijk. Waarom zeiden wij geen 'zuurkôl'? Het Duits, dat niet heel ver weg was, heeft immers 'Sauerkraut'. Geografisch tussen 'Sauerkraut' en 'zuurkool' in zou 'zuurkôl' redelijk logisch geweest zijn. Maar in mijn herinnering was het 'zurekôl'.
De uitspraak neigde een beetje naar 'zurkel', dat overigens ook bestaat. Het was duidelijk geen 'zure kôl', zoals we wel 'zure zult' hadden.
In ieder geval is het, gezien de weersomstandigheden, opnieuw tijd voor zuurkool. Of voor zurekôl.
donderdag 7 maart 2013
Gasten
Het werk van Guido van Driel is gemakkelijk te herkennen: vaak werkt hij op zwart papier en zijn tekeningen zijn vaak afgedrukt tegen een zwarte ondergrond. Het zwart, dat ook de kleuren die eroverheen geschilderd zijn donkerder maakt, is zijn handelsmerk geworden, vooral door zijn bekendste werk, Om mekaar in Dokkum (2004). Gasten (2012) is zijn laatste beeldroman.
Het boek wordt in een vrij laag tempo verteld. We volgen twee Engelsen, Syd en Roger, die als voetbalsupporter naar Amsterdam komen. Al gauw blijkt dat ze met hun gedachten bij Larry zijn, de broer van Syd, die in Amsterdam is omgekomen.
Ze genieten van de dingen waar Amsterdam beroemd om is geworden en eten bijvoorbeeld paddo's, wat hun waarneming van de werkelijkheid beïnvloedt. Langzaam kom je er als lezer achter wat er gebeurd is: hoe het komt dat een van de twee jongens over veel geld beschikt, hoe ze een collega hebben gepest en, helemaal aan het eind, hoe Larry om het leven is gekomen. Tussendoor speelt nog het verhaal van Wilson, iemand die zich in Amsterdam staande probeert te houden, maar dat valt hem niet mee.
Eigenlijk gebeurt er niet zoveel in Gasten. Toch lees je het boek in één ruk uit. Omdat je wilt weten hoe het zit. Omdat je de twee gasten zo dicht op de huid zit, dat je wel betrokken bij hen moet zijn. Omdat er onder de gewone handelingen een ernst zit die intrigeert. Nou ja, gewoon omdat Guido van Driel weer eens een mooi boek gemaakt heeft.
woensdag 6 maart 2013
Portugal
Ook mensen die niet vaak een beeldroman lezen, kennen wellicht Drie schimmen (2008) van Cyril Pedrosa. Achter in het nieuwe boek van Pedrosa wordt zijn vorige zelfs een klassieker genoemd en dat klopt intussen misschien wel. Ik denk dat veel mensen het een aangrijpend boek vonden, zo'n verhaal over de dood van een kind. Over hoe lastig het is om zo'n kind los te laten. Pedrosa had dit bij vrienden meegemaakt.
Mij was het boek wat te zwaar symbolisch, te boodschapperig. Het stuurde de lezer wel heel erg duidelijk de kant op die de schrijver in gedachten had. De opvolger, Portugal, is heel anders, veel minder sturend. En daardoor, voor mij, veel beter. Het boek is intussen al veel geprezen. Het is genomineerd voor een Stripschapspenning in de categorie 'Buitenlands'. Als het die penning wint, mag het zich in deze categorie 'Beste album van 2012' noemen.
In Portugal maken we kennis met Simon, een tekenaar. Veel zorgen, veel gedoe en met het tekenen lukt het allemaal niet zo. Zijn therapeute zegt dat hij in een creatieve impasse verkeert, maar zelf ziet hij het anders: hij heeft gewoon geen zin, dat is alles. Zijn relatie met Claire lijdt er ook nog onder.
Dan verandert er wat in zijn leven: er is een familiefeest in Portugal. Simons familie komt daar oorspronkelijk vandaan. Simons grootvader (Abel) trok ooit van Portugal naar Frankrijk om zich daar te vestigen. Samen met zijn vader (Jean) gaat Simon naar de bruiloft van zijn nicht. Ze zullen een tijdje in Portugal blijven, tussen hun familieleden. Simon en Jean hebben niet zoveel contact. Ze zullen nu een tijdje in elkaars nabijheid zijn.
Portugal heeft een positieve uitwerking op Simon, al wordt dat pas geleidelijk duidelijk. Hij komt in een omgeving die zowel vertrouwd als vreemd is. Zijn beheersing van het Portugees is maar gebrekkig. Veel van wat in het Portugees gezegd wordt, is dan ook niet vertaald, zodat we ons als lezer net zo onthand voelen als Simon.
Simon blijft langer in Portugal dan zijn vader. Hij trekt zelfs in een huis om daar te werken. Uiteindelijk vindt hij rust en stabiliteit, wat ook weer een gunstige uitwerking heeft op zijn relatie met Claire. En op zijn tekenen.
Het aardige is dat Pedrosa geen moeite doet om ons uit te leggen wat er nu zo prettig is aan Portugal. Vindt Simon zijn roots? Zijn het de mensen die hij ontmoet? Is het de omgeving? Is het de houding van de Portugezen? Pedrosa duidt niet al te veel en dat maakt dat het verhaal je blijft bezighouden.
De plaatjes zijn getekend in vrij dunne lijnen en ingekleurd met waterverf. Vaak kiest Pedrosa enkele bladzijden lang voor hetzelfde gamma, waardoor zo'n passage ook meteen een eigen sfeer meekrijgt. Hij kleurt ook de tekstballonnetjes als hij dat nodig vindt.
Als boek ziet Portugal er mooi uit: gebonden, leeslint, stevig papier, kleurige tekeningen, lekker losjes getekend. Maar ook het verhaal is prima. Het zou me niet verbazen als we over een tijdje kunnen schrijven dat ook dit boek een klassieker is geworden.
Abonneren op:
Posts (Atom)















