Onder de titel De bovenste regel heeft ook geld gekost plaatste ik herinneringen aan mijn lagere school. Daar ga ik nu mee verder. Wat hieronder staat, schreef ik op vrijdag 28 juli 2023. De komende weken zal ik doorgaan met herinneringen aan school. Weinig gestructureerd, zonder enig plan.
Meestal schreef ik gewoon op wat er op dat moment bij me opkwam en als mijn gedachten op een zijpad belandden, volgde ik ze toch maar als ik dat interessant genoeg vond. De stukjes waren eigenlijk ook niet bedoeld voor publicatie: ik schreef ze voor mijn kleinkind, om het te laten zien uit wat voor wereld ik kom. Ik schreef ook over de wereld waarin het kind terechtkomt, aan de hand van de actualiteit, maar die gedeelten laat ik achterwege.
Over het algemeen verander ik weinig tot niets aan wat ik een paar jaar geleden schreef. Soms verduidelijk ik iets, een doodenkele keer laat ik een zin weg, meestal als het om personen gaat wier nabestaanden zo'n zin onprettig zouden vinden. Voor het grootste gedeelte is het toch knippen en plakken.
Terug naar de school, waar ik mijn schoolloopbaan dus in het derde lokaal begin. Naast de gang, de wc’s, het kolenhok en de vier lokalen, zijn er geen ruimtes in de school. Boven de lokalen is een puntdak. Er zal dus een zolder zijn, maar ik weet niet hoe je daar komt. Gaat er in het kolenhok een trap naar de zolder? Ook bij de verhuizing van de school, als ik in de zesde zit, kom ik niet op de zolder, voor zover ik mij herinner.
Na die verhuizing krijgt het hoofd van de school een eigen kamer. Dat vinden we overdreven. Postma heeft het blijkbaar hoog in de bol. In de oude school is er geen directeurskamer. Er is ook geen keuken. Als het bijna pauze is, zet juffrouw De Graaf de waterkoker aan. Drinken de onderwijzers en onderwijzeressen oploskoffie? Ik weet het niet.
In de pauze spelen we buiten. Het achterste gedeelte van het plein is voor de grote jongens. Die voetballen daar. Het zijn in mijn ogen bijna volwassen mannen, als ik in de eerste klas zit. We doen de gewone spelletjes: tikkertje, voetje van de vloer, stringvangertje. 'String' zal wel dialect zijn voor 'streng'. Twee kinderen zijn ‘hem’. Ze lopen hand in hand en proberen iemand te tikken. Als dat gelukt is, komt die tussen hen in. De streng wordt dus steeds langer, zodat het voor de niet-getikten steeds moeilijker is om te ontkomen.
De meisjes kaatseballen tegen de muur van de school. Er wordt niet geknikkerd. Als mijn broer en zus van school af gaan naar de reformatorische school, komen ze op een school waar wel geknikkerd wordt.
In de zomer hebben veel jongens stukjes spiegelglas bij zich, waarin ze het zonlicht vangen. Ze laten het schijnen op de meisjes die bij de muur in de schaduw staan. De meisjes doen ook wel aan touwtjespringen. Soms hebben ze een eigen springtouw, maar vaak ook is er een lang springtouw. Dan kun je met een hele groep tegelijk springen. Het is echt iets voor meiden, al doen jongens ook wel eens mee. Ik ben er niet goed in. Ik weet nooit wanneer je nu in moet springen.
We doen ook wel een soort riddergevechten. Twee jongens zitten op de rug bij twee andere jongens. De onderste zijn dus de paarden, de bovenste de ridders. Je probeert de andere ridder van het paard te werpen of ervoor te zorgen dat het paard door zijn hoeven zakt. Ik doe het als paard vrij goed. Blijkbaar sta ik stevig op mijn benen.
In de winter maken we glijbanen. Er zijn er dan verschillende op het plein. Ze eindigen allemaal bij de betonnen rand waar de omheining op staat.
Het plein is ook de plek voor de gymlessen; een sportveld of een gymzaal is er niet. We moeten oefeningen doen. Vuisten tegen elkaar voor de borst, ellebogen omhoog en dan die ellebogen naar achteren bewegen. En met je benen iets uit elkaar je bukken en proberen je voeten aan te raken. Je benen moeten gestrekt blijven. Dat lukt mij nooit. Maar we doen ook wel spelachtige dingen, zoals korfbal, slagbal en trefbal. Dat laatste is mijn lievelingsspel. Gooien met een bal kan ik niet goed, maar de bal ontwijken gaat me meestal behoorlijk af. Het is mooi als je een van de laatsten bent die ‘afgegooid’ wordt.
Aan de achterkant van het plein is de omheining twee keer zo hoog. Toch gaat er wel eens een bal overheen. Dan moet je snel door het hek naar de tuin van de buren rennen. Die wonen in een duplexwoning en boven woont Gerrie Stoffelen. Die heeft wel eens een bal lekgestoken. Ik heb het nooit gezien, maar het verhaal wordt vaak genoeg verteld.
In de lagere klassen doen we ook wel kringspelletjes als ‘de zevensprong’, ‘Joepiejoepie is gekomen’ en ook ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’, ‘Schipper mag ik overvaren?’ en waarschijnlijk nog wel meer.
Bij slecht weer of in de winter lopen we voor het gymmen naar het CVC-gebouw: we lopen de Schoolstraat uit en gaan linksaf de Tielsestraat op. Dan ben je bijna meteen bij het gebouw. Daar is ook wel eens de kerstviering, al is die soms ook in de kerk. Als er bazar is, gaan we er ook heen.
Er is een zaal met een houten vloer en voorin een podium. Daarachter zijn nog enkele kleinere ruimten. Daar zit de schooldokter als je daar naar toe moet. En de schooltandarts. Daar ben ik niet dol op.
Als het regent, gaan we op de laarzen naar school. Soms mogen we in de pauze binnen blijven. Niemand heeft trouwens iets te eten of te drinken bij zich. Tussen de middag eet iedereen thuis. Warm, neem ik aan. Ik ken geen gezinnen waar er tussen de middag brood wordt gegeten.
Voor in elk lokaal, in de hoek bij het raam, staat een grote oliekachel. We zetten onze laarzen bij de kachel, zodat ze warm en droog zijn als we weer naar huis gaan.
De ramen zitten hoog, zodat je er niet doorheen kunt kijken als je in de bank zit. Je ziet alleen de lucht. Als je staat, kun je wel naar buiten kijken. De bovenramen kunnen opengezet worden met een lange stok met aan het uiteinde een ijzeren uitsteeksel dat door het oogje van de raamsluiting gestoken kan worden.
De borden zijn zwart. Pas later zullen er groene borden komen, maar niet op deze school. De borden worden met een bordenwisser gereinigd. Aan het eind van de dag moet een leerling die bordenwisser schoonmaken. Je krijgt een liniaal mee en daarmee moet je buiten net zo lang op die bordenwisser slaan tot er geen stof meer uit komt. Er zijn wel leerlingen die met de bordenwisser tegen de muur slaan. Dat gaat sneller, maar dat laat witte afdrukken van de bordenwisser achter. Je krijgt op je kop als je dat doet.
Soms maakt de juf het bord schoon met de spons. Dat is een feestelijke gebeurtenis. Het bord wordt er diepzwart van en het glimt, zodat je de klas erin weerspiegeld zit.
Bij de kachel staat het grote telraam met witte en rode ballen. Daarbij is ook een smal schoolbord. Daarop tekent de juf een vlag als er iemand jarig is. Je voelt je belangrijk als de hele dag jouw naam onder de vlag staat.
Van thuis krijg je op je verjaardag een trommel met snoepjes (bijvoorbeeld toffees) mee. Alle klasgenoten krijgen een snoepje en jij krijgt een kaart of een plaatje van de meester of juf. Daarna mag je een of twee kinderen uitkiezen die met je meegaan, de klassen rond. In de andere klassen word je gefeliciteerd door de juf of meester en je krijgt weer een kaart. In elke klas kies je een paar kinderen uit die een snoepje van je krijgen. Ieder kind hoopt dat je hem of haar uitkiest.
Als er een meester of juf jarig is, gaat de hele school naar het betreffende lokaal. Je schuift bij elkaar in de bank, zodat er wel drie of vier kinderen in een bank zitten. Niet iedereen heeft een zitplek. Het lokaal is bomvol. Wat er daarna gebeurt, weet ik niet. De jarige komt binnen en wordt gefeliciteerd door het hoofd der school, denk ik, en er zal ook wel gezongen worden.
En er zijn traktaties. Voor de eigen klas, maar ook voor de andere kinderen. Kinderen gaan rond met hapjes. Maar wat krijgen we dan? Geen idee. Het is niet achtergebleven op de zeef van mijn geheugen.
Terug naar de school, waar ik mijn schoolloopbaan dus in het derde lokaal begin. Naast de gang, de wc’s, het kolenhok en de vier lokalen, zijn er geen ruimtes in de school. Boven de lokalen is een puntdak. Er zal dus een zolder zijn, maar ik weet niet hoe je daar komt. Gaat er in het kolenhok een trap naar de zolder? Ook bij de verhuizing van de school, als ik in de zesde zit, kom ik niet op de zolder, voor zover ik mij herinner.
Na die verhuizing krijgt het hoofd van de school een eigen kamer. Dat vinden we overdreven. Postma heeft het blijkbaar hoog in de bol. In de oude school is er geen directeurskamer. Er is ook geen keuken. Als het bijna pauze is, zet juffrouw De Graaf de waterkoker aan. Drinken de onderwijzers en onderwijzeressen oploskoffie? Ik weet het niet.
In de pauze spelen we buiten. Het achterste gedeelte van het plein is voor de grote jongens. Die voetballen daar. Het zijn in mijn ogen bijna volwassen mannen, als ik in de eerste klas zit. We doen de gewone spelletjes: tikkertje, voetje van de vloer, stringvangertje. 'String' zal wel dialect zijn voor 'streng'. Twee kinderen zijn ‘hem’. Ze lopen hand in hand en proberen iemand te tikken. Als dat gelukt is, komt die tussen hen in. De streng wordt dus steeds langer, zodat het voor de niet-getikten steeds moeilijker is om te ontkomen.
De meisjes kaatseballen tegen de muur van de school. Er wordt niet geknikkerd. Als mijn broer en zus van school af gaan naar de reformatorische school, komen ze op een school waar wel geknikkerd wordt.
In de zomer hebben veel jongens stukjes spiegelglas bij zich, waarin ze het zonlicht vangen. Ze laten het schijnen op de meisjes die bij de muur in de schaduw staan. De meisjes doen ook wel aan touwtjespringen. Soms hebben ze een eigen springtouw, maar vaak ook is er een lang springtouw. Dan kun je met een hele groep tegelijk springen. Het is echt iets voor meiden, al doen jongens ook wel eens mee. Ik ben er niet goed in. Ik weet nooit wanneer je nu in moet springen.
We doen ook wel een soort riddergevechten. Twee jongens zitten op de rug bij twee andere jongens. De onderste zijn dus de paarden, de bovenste de ridders. Je probeert de andere ridder van het paard te werpen of ervoor te zorgen dat het paard door zijn hoeven zakt. Ik doe het als paard vrij goed. Blijkbaar sta ik stevig op mijn benen.
In de winter maken we glijbanen. Er zijn er dan verschillende op het plein. Ze eindigen allemaal bij de betonnen rand waar de omheining op staat.
Het plein is ook de plek voor de gymlessen; een sportveld of een gymzaal is er niet. We moeten oefeningen doen. Vuisten tegen elkaar voor de borst, ellebogen omhoog en dan die ellebogen naar achteren bewegen. En met je benen iets uit elkaar je bukken en proberen je voeten aan te raken. Je benen moeten gestrekt blijven. Dat lukt mij nooit. Maar we doen ook wel spelachtige dingen, zoals korfbal, slagbal en trefbal. Dat laatste is mijn lievelingsspel. Gooien met een bal kan ik niet goed, maar de bal ontwijken gaat me meestal behoorlijk af. Het is mooi als je een van de laatsten bent die ‘afgegooid’ wordt.
Aan de achterkant van het plein is de omheining twee keer zo hoog. Toch gaat er wel eens een bal overheen. Dan moet je snel door het hek naar de tuin van de buren rennen. Die wonen in een duplexwoning en boven woont Gerrie Stoffelen. Die heeft wel eens een bal lekgestoken. Ik heb het nooit gezien, maar het verhaal wordt vaak genoeg verteld.
In de lagere klassen doen we ook wel kringspelletjes als ‘de zevensprong’, ‘Joepiejoepie is gekomen’ en ook ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’, ‘Schipper mag ik overvaren?’ en waarschijnlijk nog wel meer.
Bij slecht weer of in de winter lopen we voor het gymmen naar het CVC-gebouw: we lopen de Schoolstraat uit en gaan linksaf de Tielsestraat op. Dan ben je bijna meteen bij het gebouw. Daar is ook wel eens de kerstviering, al is die soms ook in de kerk. Als er bazar is, gaan we er ook heen.
Er is een zaal met een houten vloer en voorin een podium. Daarachter zijn nog enkele kleinere ruimten. Daar zit de schooldokter als je daar naar toe moet. En de schooltandarts. Daar ben ik niet dol op.
Als het regent, gaan we op de laarzen naar school. Soms mogen we in de pauze binnen blijven. Niemand heeft trouwens iets te eten of te drinken bij zich. Tussen de middag eet iedereen thuis. Warm, neem ik aan. Ik ken geen gezinnen waar er tussen de middag brood wordt gegeten.
Voor in elk lokaal, in de hoek bij het raam, staat een grote oliekachel. We zetten onze laarzen bij de kachel, zodat ze warm en droog zijn als we weer naar huis gaan.
De ramen zitten hoog, zodat je er niet doorheen kunt kijken als je in de bank zit. Je ziet alleen de lucht. Als je staat, kun je wel naar buiten kijken. De bovenramen kunnen opengezet worden met een lange stok met aan het uiteinde een ijzeren uitsteeksel dat door het oogje van de raamsluiting gestoken kan worden.
De borden zijn zwart. Pas later zullen er groene borden komen, maar niet op deze school. De borden worden met een bordenwisser gereinigd. Aan het eind van de dag moet een leerling die bordenwisser schoonmaken. Je krijgt een liniaal mee en daarmee moet je buiten net zo lang op die bordenwisser slaan tot er geen stof meer uit komt. Er zijn wel leerlingen die met de bordenwisser tegen de muur slaan. Dat gaat sneller, maar dat laat witte afdrukken van de bordenwisser achter. Je krijgt op je kop als je dat doet.
Soms maakt de juf het bord schoon met de spons. Dat is een feestelijke gebeurtenis. Het bord wordt er diepzwart van en het glimt, zodat je de klas erin weerspiegeld zit.
Bij de kachel staat het grote telraam met witte en rode ballen. Daarbij is ook een smal schoolbord. Daarop tekent de juf een vlag als er iemand jarig is. Je voelt je belangrijk als de hele dag jouw naam onder de vlag staat.
Van thuis krijg je op je verjaardag een trommel met snoepjes (bijvoorbeeld toffees) mee. Alle klasgenoten krijgen een snoepje en jij krijgt een kaart of een plaatje van de meester of juf. Daarna mag je een of twee kinderen uitkiezen die met je meegaan, de klassen rond. In de andere klassen word je gefeliciteerd door de juf of meester en je krijgt weer een kaart. In elke klas kies je een paar kinderen uit die een snoepje van je krijgen. Ieder kind hoopt dat je hem of haar uitkiest.
Als er een meester of juf jarig is, gaat de hele school naar het betreffende lokaal. Je schuift bij elkaar in de bank, zodat er wel drie of vier kinderen in een bank zitten. Niet iedereen heeft een zitplek. Het lokaal is bomvol. Wat er daarna gebeurt, weet ik niet. De jarige komt binnen en wordt gefeliciteerd door het hoofd der school, denk ik, en er zal ook wel gezongen worden.
En er zijn traktaties. Voor de eigen klas, maar ook voor de andere kinderen. Kinderen gaan rond met hapjes. Maar wat krijgen we dan? Geen idee. Het is niet achtergebleven op de zeef van mijn geheugen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten