Eind jaren negentig fuseerden de tijdschriften Woordwerk en Bloknoot tot Liter. Dat was nog een heel gedoe. Niet omdat de redacties zo ver uit elkaar lagen, want die waren het wel eens, maar om het zakelijk geregeld te krijgen. Ik herinner me nog een bespreking met iemand van uitgeverij Kok, die uiteindelijk op niets uitliep. Het breekpunt was het abonneebestand: was dat eigendom van de uitgeverij of van het tijdschrift? Wij vonden dat dat bij het tijdschrift hoorde en toen wilde Kok niet meer. Als ik het mij tenminste goed herinner. Dat kun je navragen bij Dirk Zwart of Hans Werkman.
Deze keer heb ik een bijdrage uit de eerste jaargang van Liter afgestoft. Het gaat om de rubriek 'Klinker en medeklinker'. Mogelijk bestaat die nog steeds. In die bijdrage stond een gedicht centraal. De dichter zelf schreef iets over het gedicht (de klinker) en iemand anders ook (de medeklinker). Hieronder gebeurt dat bij het gedicht 'Moedertaal' van Benno Barnard. Zijn bijdrage heb ik, om auteursrechtelijke redenen, niet opgenomen, maar die kun je nakijken in Liter nummer 4, oktober 1998.
Ik dacht dat ik later nog een keer de rol van medeklinker had vervuld, bij een gedicht van Victor Vroomkoning, maar nu vind ik het niet terug. Waarschijnlijk heb ik me dus gewoon vergist.
Moedertaal
In memoriam Christina van Malde, 1919 - 1995U hebt het witte gezicht van de melkdie ik dronk in het huis aan de Amstelwaar ik geboren ben. (Zeker past Parijs unog in de lente, maar de zomer barstte uituw deux-pièces, het werd november; en nuvulden regen en schemering de ruit:een negentiende eeuw legde haar blanke handop mijn leven.) Mama, ik weet het wel,ik was een boze bloem met een roze kelken ik ben niet veranderd. Ik ben iemand, niemand,Nederland.En nog altijd zuigt mijn grote mondop de consonant die ik zo lekker vond,nog altijd is mijn oudste klinker een en al verbazingover mijn gulzigheid en mijn verzadiging.Ik zal mijn hele leven melk hebben gegeten.U herinnert mij aan dingen die ik nooit geweten heb.U maakt rijmpjes, zoals vroeger, en vangt mij in het webvan Sebastiaan.Vandaag was u weer mijn gouvernante met het knotje:vandaag hebben we redelijkheid, zedelijkheid,de vlucht der vogels en een beetje God gedaan.Pas hier in Antwerpen ben ik van u gaan houdenals van een verloofde met blauw geslagen ogenen het hart van een leeuwin. Vaak zit u aan de barte babbelen, maar zijn uw naakte benen in elkaarverstrengeldom het kleine roofdier te beschermen... Ik slikuw diftongen als ouwels en noem u Lieve,want iemand moet u zonder ironie zo noemen;ik neem umee naar huis en hoor in mijn slaap uw onzekere hakkenop de glanzende honingraat van de kasseien.U bent Katinka genoemd door mijn latere vader.U bent mijn moeder die niet naar me luistert,maar praat dat het gedrukt staat op mijn muren.O dode moeder,morgen is er weer een nacht waarin ik opschrijf:ik ben niet alleen van mijzelf.
De moeder de taal [medeklinker]
Een dode moeder en daarnaast een zoon die naar haar kijkt. Meteen staat dat beeld op mijn netvlies, zoals toen ik Wit is altijd schoon van Leo Pleysier las. Wat maakt iemand tot je moeder? Ze heeft je gebaard, ze heeft je gezoogd. Het witte gezicht aan het eind van het leven en de witte melk aan het begin ervan raken elkaar. Het witte gezicht van de dood, de melk die leven geeft.
De gedachten dwalen terug naar het geboortehuis op die dag in november. Altijd november, altijd regen. En dan die negentiende eeuw waar ik niet goed raad mee weet, maar haar blanke hand is wit als melk en voor mijn gevoel beschermend. Een hand als van een moeder.
Mama. Het eerste woord dat een moeder van haar kind hoort. Het eerste wat hij ook na haar dood tegen haar zegt. Het kind was een parasiet, die de levenssappen uit zijn moeder zoog. Een uitzuiger, schreef Hans Werkman mij, en dat is inderdaad het goede woord. O, kijk die gulzigerd eens! Zijn hele leven zal het kind daaraan herinnerd worden.
En nog steeds zuigt het kind, maar nu op ‘de consonant die ik zo lekker vond’. Hij zuigt de taal in. De moedertaal, die hem al vóór de paplepel is ingegeven. De taal waarin de moeder rijmpjes opzei: ‘Dit is de spin Sebastiaan, het is niet goed met hem gegaan.’
Een moeder heeft vele gedaanten. Soms is ze een gouvernante, met een afstandelijk knotje. Ze leert het kind redelijkheid en zedelijkheid. Geen knuffelmoeder deze keer, geen moeder om mee te hikken van het lachen. Een moeder om van te houden?
Dat werd ze pas toen de dichter in Antwerpen was, op afstand. Van iemand houden ‘als van een verloofde met blauw geslagen ogen’. Een mooie zin, vind ik. Een zin die als een stomp je hoofd binnenkomt. Natuurlijk vind ik meteen braaf dat je een verloofde niet moet slaan en weet ik tegelijkertijd dat je iemand alleen pijn kunt doen als je van haar houdt. Misschien geldt het tegenovergestelde ook: dat je niet van iemand kunt houden zonder haar pijn te doen. Iedereen kan je ex-verloofde worden, maar ex-moeders bestaan niet. Ze hebben het hart van een leeuwin en zullen zich nooit laten wegjagen.
Naast Oedipus aan de bar gezeten, herkent de dichter de moeder in de vrouwen die hij daar ontmoet. Hun naakte benen doen niet direct moederachtig aan; waar de moeder een schoot heeft, hebben zij een klein roofdier. Of een boze bloem met een roze kelk.
Deze keer zuigt de dichter hun taal niet gulzig op. Hij slikt de diftongen als ouwels. Een sacrale handeling. Ouwels zijn symbool van iets groters. Zo slikt de dichter de diftongen om zich verbonden te weten met de moeder van zijn taal.
Ik ‘noem u Lieve, want iemand moet u zonder ironie zo noemen’. Ik vraag me af waarom die zin mij zo treft, waarom ik elke keer als ik het gedicht lees, even moet wachten na deze zin. Misschien omdat het zo pijnlijk is: als de dichter het niet doet, zou niemand de moeder Lieve noemen. Of alleen ironisch, wat misschien nog wel erger is. De moeder luistert niet naar haar zoon. Al noemt hij haar duizend keer Lieve, het kan niet meer tot haar doordringen. Ze is dood, maar de moedertaal blijft. Moeder praat door (net als bij Pleysier), ze voedt haar zoon nog steeds met haar taal.
Hoe het verder moet na de dood van je moeder? Je durft niet ver de toekomst in te kijken. Morgen is er weer een dag, zeggen we dan, maar zelfs die is er niet. Er is geen dag waarin de zon opgaat en de grazige weiden en de stille wateren beschijnt. Morgen is er alleen een nacht om slapeloos te zijn en om op te schrijven in de moedertaal: ik ben niet alleen van mijzelf. De dichter die zozeer van taal gemaakt is, weet dat hij daarin ook en vooral door de moeder gevormd is. Het is niet alleen zijn taal. Ook een gestorven moeder blijft een moeder. Die band reikt over de dood heen. Het lijkt me een troost te weten dat je altijd iemands kind blijft, dat je niet alleen van jezelf hoeft te zijn.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten