dinsdag 9 januari 2024

Kid Paddle 19: Love, Death and Roblorks (Midam)


De familie Paddle is overzichtelijk: vader, dochter Carol en zoon Kid, die vaak vergezeld is van een naamloos vriendje.  Vader is een brave, wat saaie man. Hij leest de krant, gaat met de tent op vakantie, heeft een uitgebreide verzameling dassen en doet niemand kwaad. Carol is een meisje dat het goed doet op school en zoet met haar poppen speelt.  

Maar Kid is anders. In ieder geval in zijn hoofd. Zijn fantasie slaat vaak op hol en dan is een kleine aanleiding genoeg voor de wildste verzinsels. Die kunnen gewelddadig en morbide zijn. Vaak ook gaan ze over ruimtewezens en monsters. Dat komt waarschijnlijk mede doordat Kid een fervent gamer is. 

Game over

We kennen de familie uit de strip Kid Paddle, waarvan nu deel 19 verschenen is: Love, Death and Roblorks. Ook in dit deel wordt flink gegamed: het vijfde deel van de gags behelst een computerspel, dat altijd eindigt met 'Game Over'. Altijd faalt de missie en vaak vindt de hoofdpersoon (of het meisje dat hij moet redden) binnen het spel de dood. 

Deze games hebben geleid tot een spin-off: Game over. In die strips zit de hoofdpersoon de hele tijd in het spel. In Kid Paddle zie je op het laatste plaatje altijd Kid achter de spelcomputer. Dat is eigenlijk niet het juiste woord, maar ik weet niet hoe je de machines in een speelhal noemt waarop je de spellen kunt spelen. Aan het eind stap je dus weer vanuit de game de werkelijkheid in. 

Dat is een structuur die ook voorkomt bij de fantasieën: soms staat in het begin van de gag wat de aanleiding is van de fantasie, maar soms ook niet en val je als lezer er meteen in. Pas aan het eind kom je er dan achter dat het niet de werkelijkheid maar de verbeelding betreft. 

Het lijkt erop dat de werkelijkheid domweg te saai is voor Kid. Hij moet zichzelf voeden met fantasieën en dat doet hij vaak samen met zijn vriendje die een gigantische bril draagt. Dat moet wellicht het nerdachtige benadrukken. Kid en zijn vriendje voelen elkaar goed aan en stimuleren elkaar. 

De fantasieën starten soms bij vader die een zijn kinderen een weetje overbrengt: dat kakkerlakken nog een week zonder hoofd kunnen leven of dat je een avocado het best kunt laten rijpen door er een banaan naast te leggen. Kid heeft maar weinig nodig om zijn verbeelding op gang te brengen. 

Escapisme

Zowel de games als de fantasieën zijn een vorm van escapisme: even ontsnappen aan de werkelijkheid die te weinig uitdaging biedt. Binnen de games en de fantasieën mag het gruwelijk en onveilig zijn, omdat je weet dat je toch weer in de veilige werkelijkheid terechtkomt. Hetzelfde geldt voor de jonge striplezer: binnen de strip mogen er verschrikkelijke dingen gebeuren, omdat je weet dat je veilig op de bank zit. Zo kun je een avontuurlijk leven leiden, zonder van je plaats te komen. 

Dan moeten de verhaaltjes natuurlijk wel boeiend zijn, maar daarover hoeven we bij Kid Paddle niet in te zitten. De grillige, vaak bizarre fantasie van het jongetje kan je elke keer weer verrassen. 

Midam (Michel Ledent) is de schepper van Kid Paddle en zijn wereld. De stijl herken je meteen. Alle personages hebben een groot hoofd en grote handen en voeten, nek, armen en benen zijn juist dun. Alle personages hebben een enorme overbeet. Het karikaturale maakt ze al bij voorbaat grappig, maar het wordt ook effectief ingezet: gezichtsuitdrukkingen (boos, verbouwereerd, blij, geschrokken) zijn altijd duidelijk. 

Bekende kaders steeds verrassend ingevuld

Je zou kunnen zeggen dat dit negentiende album meer van hetzelfde is. Dat lijkt me geen bezwaar. Het is juist de kunst om binnen een bepaalde setting steeds weer iets nieuws te bedenken. Hoe vaak heeft bijvoorbeeld De Generaal niet tevergeefs een greep naar de macht gedaan? Net als Grootvizier Iznogoedh, overigens. En hoeveel klussen hebben Buurman en Buurman al niet uitgevoerd. 

Dat Kid Paddle net zo verslavend is als een computerspelletje zal ik niet zeggen. Maar elk album lees ik weer met plezier. Je weet dat het grappig is, dat het over monsters en ruimtewezens gaat, dat de fantasieën bizar zijn. Maar binnen het kader van het bekende is het altijd weer verrassend. 

Als je het album (bijna) uit hebt, is er nog een toetje: twee bladzijden met schetsen. Altijd leuk. 

Kid Paddle 19 - Love, Death and Robloks. 
Scenario: Midam, Patelin en Gof
Tekeningen: Midam en Dairin
Inkleuring: Angėle
Vertaling: The house of BOOM!
Uitgever: Dupuis
2023, € 8,50; 48 blz. (softcover)

Eerder schreef ik over:

Game Over 10                                                                                                                                                   

maandag 8 januari 2024

Suster Bertken (Frans Willem Verbaas)

Wat wist ik tot voor kort over Suster Bertken? Dat ze in de Buurkerk in Utrecht ingemetseld is geweest. Ik heb in de Choorstraat wel eens bij haar gedenksteen gestaan. En dat ze de auteur is van het gedicht 'Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaan', dat als volgt begint:

Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen;
Ic en vanter niet dan distel ende doorn staen.

Den distel ende den doorn die werp ick wt:
Ic soude gaerne planten ander cruyt.

Dat was het wel zo ongeveer, denk ik. Maar nu is er de roman Suster Bertken van Frans Willem Verbaas, die zich in haar leven verdiept heeft. Ik heb dat met plezier gelezen. 

Het al mooi dat er weer eens een vrouw in onze letterkunde aandacht krijgt. Sinds ik dagelijks een gedicht op Instagram post, is het me overduidelijk geworden dat de verhouding tussen mannen en vrouwen in onze literatuur wel erg scheef is gegroeid. Tegenwoordig gaat het beter, maar je hoeft niet zo ver terug in de tijd te gaan en je komt nog bloemlezingen tegen met voornamelijk werk van mannen. Ik probeer bij de gedichten net zo vaak die van vrouwen als die van mannen te kiezen. En gelukkig is er Fixdit, die enkele vrouwelijke schrijvers weer onder de aandacht brengt. 

Dochter van een geestelijke

Suster Bertken leefde van 1426 of 1427 tot 1514. Ze was de dochter van een vooraanstaand geestelijke, Jacob van Lichtenberg, proost van het kapittel van Sint-Pieter. Dat een priester kinderen heeft, deugt misschien al niet helemaal. In de roman wordt ook nog gesuggereerd dat hij een meisje dat op het punt stond in te treden in een klooster overgehaald heeft bij hem in te trekken. Zij zou de moeder worden Berta, die later bekend werd als Suster Bertken, en van haar broer Alfer. 

Leer en leven van de geestelijke kwamen niet overeen. Na zijn dood constateert Berta:

Hij had geleefd als een uitverkorene, hij was gestorven als een verworpene, als een heiden, zonder de sacramenten van biecht en zalving. 

Ingemetseld

Berta is dan dertig en besluit op eigen kosten een kluis te laten metselen, waarin ze boete zal doen voor haar vader. Zo probeert ze hem postuum te redden. Ze gaat blootsvoets, hult zich alleen in een ruw kleed, gebruikt geen alcohol en eet of drinkt niets dierlijks. 

Nadat ze ervan overtuigd is dat haar vader gered is, doet ze boete voor haar broer en daarna voor zichzelf. Ze doet schrijfwerk in haar kluis, mediteert en bidt en is, via haar raam een luisterend oor voor allerlei mensen in Utrecht. 

Verbaas heeft in zijn roman twee verhaallijnen aangebracht. In het heden is het 1511. Suster Bertken is dan al op hoge leeftijd. De andere lijn zijn de herinneringen die ze noteert, een soort beknopte autobiografie. Daardoor blijft het verhaal niet binnen de muren van de kluis. Dat geeft ruimte. 

Het is natuurlijk lastig om veel te laten gebeuren in de roman. Het is ook niet de bedoeling van een kluizenares dat ze een afwisselend heeft, maar dat ze het leven juist verzaakt. Verbaas laat Bertken daarover zeggen:

In de beginjaren van mijn kluisleven waren er dagen dat ik dit vertrek haatte, omdat het iedere dag hetzelfde was. Inmiddels heb ik dit vertrek lief, omdat het iedere dag hetzelfde is. 

Dreigende verbouwing

Verbaas vlecht er daarom een verhaallijn in van een dreigende verbouwing. Pastoor Palinck wil de Buurkerk uitbreiden. Daarvoor zal Bertken een andere kluis moeten krijgen, iets wat ze echt niet wil. Ze zet alles op alles om haar zin te krijgen en schuwt daarbij zelfs chantage niet. 

Natuurlijk kan Suster Bertken niet alleen maar vroom zijn. Ze heeft aanvechtingen, soms komt de duivel bij haar langs. Bertken heeft een scherp oog voor haar eigen tekortkomingen:

mijn eenkennigheid, mijn ongeduld, mijn hoogmoed, mijn omgang met de duivel, mijn ongepaste gedachten over een jonge priester die mijn zoon had kunnen zijn.  

Die jonge priester is Erasmus, die haar in de roman een zilveren kelkje geeft, dat ze de rest van haar verblijf koestert. In theorie had Erasmus Bertken kunnen bezoeken, maar er is, buiten de roman, geen enkele aanwijzing dat dat ook gebeurd is. Verbaas laat Erasmus zelfs meeschrijven aan Bertkens beroemdste gedicht. 

Wie zo lang alleen zit, moet wel eens eenzaam zijn. De eenzaamheid wordt verbeeld als een vrouw met een koud gezicht en dunne lippen. Zo'n personificatie blijft de lezer makkelijker bij dan alleen maar vermelden dat de kluizenares ook wel eens eenzaam is. 

Moderne Devotie

Suster Bertken kunnen we rekenen tot de Moderne Devotie, waar haar vader overigens niets van moest hebben. De roman heeft dan ook een motto van Thomas van Kempen: 'Hoe heilzaam is het, hoe aangenaam en zoet is het, te zitten in eenzaamheid en te zwijgen en met God te spreken.'

Maar Suster Bertken is niet een roman die in de eerste plaats over het geloof gaat, al is de hoofdpersoon er wel steeds mee bezig. Je krijgt toch vooral een beeld van deze vrouw, van haar karakter, van haar neiging om tot het uiterste te gaan. Het is een mooi vrouwenportret geworden. 

Verbaas houdt ervan om in het verleden te duiken en een historisch persoon tot leven te brengen. Hij deed dat met Calvijn in Heilig vuur (2009), dat ik overigens niet gelezen heb, in 2015 met de theoloog Karl Barth in De vierde vrouw en in 2020 met iemand in de buurt van Augustinus in De ketter van Carthago. De vraag is gerechtvaardigd of de opzet van een roman niet te veel gebaseerd is op een vast stramien, net als bij Els Florijn. 

Bij De vierde vrouw experimenteerde Verbaas er trouwens flink op los, door Karl Barth veel ouder te laten worden dan hij in werkelijkheid was geweest. Misschien vind ik dat boek nog steeds Verbaas' beste werk. 

Maar Suster Bertken is wel gewoon een goede roman. Het is knap hoe Verbaas met weinig middelen (zo vreselijk veel gebeurt er ook weer niet in het leven van Berta) een boeiend verhaal in elkaar weet te zetten. Ik heb me tijdens het lezen in ieder geval niet verveeld. 

Taalgebruik

Ook de tijd waarin Bertken leefde is goed opgeroepen. Een enkele keer is haar taalgebruik me iets te modern, als zij bijvoorbeeld het woord 'humor' gebruikt, dat in die tijd ongetwijfeld een andere betekenis gehad zal hebben. Volgens het Chronologisch woordenboek van Nicoline van der Sijs is het woord pas in 1839 voor het eerst aangetroffen in het Nederlands. 

Ook bij de volgende zin heb ik mijn twijfels: 'Zelf heb ik de link tussen Alfer en u tot voor kort ook niet gelegd.' Het woord 'link' in die betekenis kwam pas in 1974 in het Nederlands. 

Het zijn maar kleinigheden. Het is mooi dat er in een goede roman aandacht gevraagd wordt voor een bijzondere vrouw. Haar perkje in de hof van onze letterkunde is misschien niet heel groot, maar Verbaas heeft het mooi gewied en aangeharkt. 


Eerder schreef ik over andere romans van Frans Willem Verbaas:

donderdag 4 januari 2024

Ik ben hun stilte (Jordi Lafebre)


Eva Rojas, 34 jaar oud, wordt ondervraagd door de psychiater Llop. Ze zijn collega's, maar er zijn klachten over Eva (excentriek gedrag) en ze dreigt haar licentie kwijt te raken. Llop vraagt haar om te vertellen wat er die week gebeurd is. Ze moet dat chronologisch doen, maar ze wijst alvast vooruit: er komt een lijk in voor en de politie heeft haar bemodderde schoenen in beslag genomen. Blijkbaar is ze verdacht. 

Dat is de beginsituatie van de strip Ik ben hun stilte van Jordi Lafebre. Al op een van de eerste pagina's treffen we Eva aan als ze op de rand van een gebouw staat, in Barcelona. Gevaarlijk lijkt dat niet direct, al maakt Llop zich druk. Je krijgt al meteen de indruk dat je hem niet serieus hoeft te nemen. 

Raamvertelling

Ik ben hun stilte is een raamvertelling. Het heden is steeds Eva die haar verhaal vertelt. Binnen dat raamwerk ontwikkelt zich het verhaal dat al voor een groot deel achter de rug is. Eva is scherpzinnig en blijkbaar goed in haar vak: ze doorziet mensen feilloos. Ze is als verteller niet helemaal betrouwbaar. Zo heeft ze medicijnen op zak, al ontkent ze dat, en ze hoort wel degelijk stemmen: haar oma en tantes, die kritisch meeluisteren en commentaar geven. 

De gebeurtenissen van de laatste tijd beginnen met een verzoek van een vroegere patiënt van Eva, Penelope. Haar oma gaat haar testament voorlezen en iedere belanghebbende mag een advocaat of vertrouwenspersoon meenemen. Penelope heeft geen advocaat en ze vertrouwt eigenlijk niemand, behalve Eva. 

De familie van Penelope heeft een wijngoed waarin een beroemde cava wordt geproduceerd. Er zijn nogal wat familieleden die belang hebben bij de erfenis. Eva maakt kennis met de familie. De jongste oom van Penelope, Franscesc Maturós, leidt het bedrijf. Na een receptie nodigt hij Eva uit in de wijnkelder. Als ze daar aankomt, blijkt hij dood te zijn. De politie stelt een onderzoek in: is Fransesc vermoord? 

Eva ontdekt meer vreemde zaken. Zo loost oom Josep (tweelingbroer van Penelopes moeder Maria) alle wijn op het riool. Er zijn duidelijk dingen aan de hand op het wijndomein die niet deugen. Maar doordat Eva diep in de zaak duikt, wordt ze zelf verdacht en haar relatie met Penelope komt ook onder druk te staan. 

Goed verhaal

Ik ben hun stilte is een heerlijke strip. Het verhaal boeit, omdat je wilt weten wat er gebeurd is en wie de moord gepleegd heeft. De structuur, waarbij Eva geregeld op de bank zit bij de psychiater, helpt om mee te leven met Eva, zeker op momenten dat zij gevaar loopt. 

Eva is een gecompliceerde figuur: ze rookt en drinkt, duikt met verschillende mensen in bed, heeft betekenisvolle tatoeages laten zetten en er zitten haar dingen dwars waarover ze niet wil praten. Zo heeft ze een afkeer van dode lichamen en over haar moeder doet ze er het zwijgen toe. 

Haar oma en twee oudtantes zijn altijd aanwezig in haar hoofd en staan haar bij. Het zijn drie krachtige vrouwen. Een van de tantes was getrouwd met een stierenvechter die slecht voor haar was. Dat liep niet goed voor hem af. De andere tante vocht in de Spaanse burgeroorlog. 

Sterke vrouwen

De drie zijn niet alleen een komische toevoeging. Ze fungeren ook als schikgodinnen, die mede iemands lot bepalen. Bovendien zijn ze voorbeelden van sterke vrouwen. Eva is aan de ene kant labiel, maar aan de andere kant is ze ook een eigenzinnige vrouw, die zich niet door anderen de wet voor laat schrijven. De degelijke variant van zo'n vrouw is de adjunct-inspecteur die de moordzaak onderzoekt. Ze wordt door Eva Merkel genoemd. Op het wijngoed lopen juist mannen rond met veel machismo. Tegenwicht is daarom zeer gewenst. 

Het verhaal zit goed in elkaar en Eva is een interessante persoonlijkheid. Hoewel er nare dingen gebeuren, behoudt ze haar optimisme en dat maakt ook dat de verteltoon licht is. Ik ben hun stilte is eerder vrolijk dan zwaar. Dat komt ook door het vertelplezier dat op elke bladzijde tintelt. Daarbij blijft het tempo lekker hoog. 

Tekeningen

De tekeningen zijn uitstekend. De karikaturale toets slaat nooit door, zodat het realisme ook altijd in de tekeningen te vinden is. Lafebre heeft een soepel lijntje, bewegingen en gezichtsuitdrukkingen worden goed weergegeven. Niet op aan te merken. 

Een doodenkele keer komt er een soort alwetende verteller om de hoek kijken die ons erop wijst dat Eva wel zegt dat ze geen medicijnen gebruikt, maar dat ze een pil op zak heeft. Ook wijst hij de lezer op de erectie van een van de personages. Die ingrepen in het vertelperspectief zijn eigenlijk niet nodig. Aan de andere kant blijf je als lezer er ook niet bij stilstaan. 

Ik kwam ook nog een foutje tegen dat mogelijk aan de vertaling is toe te schrijven. Er wordt gezegd dat Eva een mantelpak aantrekt, maar ze draagt een pak, met een broek. Voor mijn gevoel is een mantelpak (deux-pièces) altijd een combinatie van een jasje met een rok. 

Maar dat zijn maar kleinigheden. Met Ik ben hun stilte heeft Jordi Lafebre een uitstekende strip afgeleverd. Stiekem hoop ik op nog meer avonturen van Eva. 

Jordi Lafebre, Ik ben hun stilte. Standaard Uitgeverij, 112 blz. € 24,99. Vertaling: Lies Lavrijsen. (hardcover)

woensdag 3 januari 2024

Keessie (Jeroen Haarsma)


Sommige boeken vinden je op een merkwaardige manier. Ik had nooit gezocht naar Keessie, een boek over de schaatser Kees Verkerk, maar mijn lief kwam ermee aanzetten: een vriendin van haar deed het weg. Het leek haar wel een boek dat ik zou willen lezen. Daar had ze gelijk in. 

Keessie is een wat vreemd uitgegeven boek. Je moet zoeken naar de uitgever (Overamstel uitgevers), een jaar van uitgifte is niet vermeld (2018). De schrijver van het boek is Jeroen Haarsma, van wie wordt vermeld dat hij gevoetbald heeft en rechten heeft gestudeerd, maar hij was in 2018 ook chef van de sportredacties van het Noordhollands Dagblad, Haarlems Dagblad, Leidsch Dagblad en Gooi- en Eemlander. 

Journalistiek boek

Het boek gaat over het leven van Kees Verkerk. Je zou het dus een biografie kunnen noemen, al is het vooral een journalistiek boek. Er is een fotokatern van zestien pagina's opgenomen en aan het eind staat er een korte erelijst: de olympische medailles, de podiumplaatsen die Verkerk bereikte op de WK's en EK's, van 1966 tot en met 1971, de ereplaatsen op het NK en de wereldrecords die hij gereden heeft. En de vermelding dat hij drie keer achter elkaar de beker van Puttershoek won (in 1961, 1962, 1979). Tussen die twee laatste jaren in werd er niet om die beker gestreden. 

Maar bij een degelijke biografie horen natuurlijk de complete lijsten, waarbij precies vermeld is welke tijden hij reed, hoeveelste hij werd op de deelafstanden en wat de concurrentie deed. Het jaar 1968 (een slecht jaar voor Verkerk bij EK en WK, maar wel goud op de Olympische Spelen) komt door deze opzet niet in alle staatjes voor. Wel wordt er in het boek verslag gedaan van de wedstrijden. 

De bronvermelding is summier: een lijst met geïnterviewde personen, een lijst met geraadpleegde kranten en tijdschriften, websites en boeken. Maar er wordt niet vermeld welke artikelen uit welke kranten en wat er van die websites gehaald is. Bij de boeken zijn titels en schrijvers vermeld, maar geen andere gegevens (zoals het jaar van uitgifte). Eigenlijk heb je aan de bronnenlijst helemaal niets, omdat er niets verantwoord wordt. Of Haarsma zijn bronnen recht doet, is niet te controleren. Aan noten doet hij niet. 

Interviews

Tijdens het lezen kreeg ik de indruk dat vooral de interviews belangrijk zijn geweest. Vaak worden personen sprekend opgevoerd. In hoeverre het klopt wat die personen zeggen, is niet na te gaan. We moeten erop vertrouwen dat Haarsma kritisch is omgegaan met wat Verkerk en anderen verteld hebben, maar lang niet altijd wordt duidelijk of dat ook zo is. 

Keessie leest prettig. De bladspiegel (redelijk ruime regelafstand, marges groot genoeg) zorgt voor het gemakkelijk lezen, maar meer nog komt dat door de stijl. Haarsma is een verteller en gebruikt technieken die je bij een romanschrijver zou verwachten. 

Als voorbeeld een passage over het Europees Kampioenschap 1966 in Deventer:
Het is 13 januari 1966. Het gejuich van het publiek zwelt steeds verder aan. Rondje voor rondje. Kees Verkerk is op de ijsbaan in Deventer bezig een onmogelijke missie te volbrengen. Ongeveer 18.000 mensen op de tribune zien het gebeuren. Mensen tikken elkaar aan. Dat doen ook miljoenen kijkers voor de televisie. Kinderen die buiten spelen worden naar binnen gehaald, vader moet z'n krant nu echt even wegleggen en oma wordt gebeld: heeft ze de televisie wel aanstaan? Op straat, voor de winkelruiten van de elektronicazaken, verdringen mensen ich voor dat ene beeldscherm. Het land leeft mee als Kees Verkerk bezig is aan zijn wonderrace. 
Verkerk moet op de 10 kilometer 16 seconden goedmaken op Ard Schenk om Europees kampioen te worden. Hij rijdt geweldig, valt, krabbelt weer op en rijdt een Nederlands record. Een wonderlijke (en bewonderenswaardige) prestatie. 

Verkerk, Deventer 1966. Bron: Wikimedia Commons

Dit soort wonderen heeft Verkerk vaker verricht. Beroemd is het EK in Inzell, 1969, waar hij op de slotafstand maar liefst dertien seconden onder het wereldrecord reed. 

Er wordt in Nederland al eeuwen geschaatst. Het moderne wedstrijdschaatsen komt op gang aan het eind van de negentiende eeuw. Voor Nederland rijden dan mannen als Klaas Pander en Jaap Eden. In 1960 wordt de eerste kunstijsbaan geopend. Als Kees Verkerk (1942) deelneemt aan de verschillende toernooien is er dus nog niet zo lang kunstijs. De banen zijn dan nog niet overdekt en de weersomstandigheden zijn soms bar. 

Lahti 1967

Het Europees Kampioenschap 1967 is daarvan een berucht voorbeeld. Het werd gehouden in Finland, in Lahti, honderd kilometer boven Helsinki. Overdag vroor het al tussen de tien en vijftien graden en in de avond daalde de temperatuur nog verder. Volgens Haarsma tot -28, volgens enkele kranten waaronder het Algemeen Dagblad was het zelfs -30. 

De schaatsers waren wel wat gewend. Ze hadden net een wedstrijd in Hamar achter de rug, waar het vijfentwintig graden vroor. Nottet en Liebrechts vertoonden daar bevriezingsverschijnselen (Het Parool). In Lahti stond een ijzige wind. Men besloot daarom om de tien kilometer te vervangen door de drie kilometer. Verkerk had het al drie afstanden goed gedaan. Schenk was kansloos, door een val op de 500 meter. 

Zelfs in de kleedkamers was het koud. Verkerk ontdekte een kacheltje op de wc. Daar warmde hij zich op. Toen hij aan de start moest verschijnen, liet hij zijn tegenstander nog een tijdje in de kou staan, voordat hij zijn  kacheltje verliet. Daarmee had hij een voordeel. Het is de vraag of hij dat nodig had, maar hij won. 

Verkerk met coach, Lahti 1967. Bron: Wikimedia Commons

Het tekent wel Verkerk, die alles aanwendde om te winnen. Zijn psychologische oorlogsvoering was voor andere schaatsers binnen de ploeg wel eens intimiderend. Uiteindelijk had het wel resultaat. In de tweede helft van de jaren zestig was Verkerk de sterkste schaatser, die op sommige momenten wel Ard Schenk voor zich moest dulden. In 1966 werd hij samen met Ard Schenk verkozen tot sportman van het jaar, in 1967 werd hij dat in zijn eentje. Schenk zou het nog worden in 1970, 1971 en 1972. 

Ard en Keessie

Schenk en Verkerk zijn altijd vrienden gebleven. Ze werden ook wel als duo gezien. In 1966 maakte Johnny Hoes een plaatje:  Ard en Keessie (Ard en Keessie, geef ze van katoen). Op de achterkant speelde het duo Verkerk, met vader Verkerk, op de harmonica de schaatsenrijderswals. Het plaatje stond vijf weken in de top 40, met nummer 20 als hoogste notering. 

Volgens Haarsma vormen de successen van Verkerk en Schenk het begin van het oranjelegioen: het zou voor het eerst zijn dat fans zich in oranje hulden en hun sporthelden nareizen. 

Schaatsen was een amateursport, waarmee je eigenlijk geen geld kon verdienen. Aan het eind van het seizoen waren er soms schnabbels in het noorden van Noorwegen, waar de bond geen zicht op had. Voor de rest waren de financiële omstandigheden armzalig. Van het zakgeld kon soms amper een flesje cola gekocht worden, volgens Verkerk in het boek van Haarsma. 

Geld en sport

Over geld verdienen in de sport werd nog een aantal jaren lang lelijk gedaan. In het Sportfotojaarboek 73 (1973) wordt verteld over een commerciële wedstrijd:
De nationale helden Schenk, Verkerk, Bols en Verheyen, plus enkele internationale vedetten schaatsten niet meer voor de eer maar Amerikaanse poen. Met nieuwtjes als een ploegachtervolging, oudjes als Huiskes en de nog altijd acterende Verkerk en slechts 4.000 toeschouwers. Schade circa 3 ton.
Dat laatste zin lijkt me met enig genoegen opgeschreven. Een bladzijde verder (blz. 46) gaat het over de introductie van shirtreclame bij het Belgische voetbal. Dat stukje begint met:
Geld in de sport. Helaas te vaak onkruid in een moestuin, stip in een aquarium of een ladder in een kous, die een mooi vrouwenbeen omhult. Kortom een onding. 

Bij het Europees Kampioenschap dat dat jaar in Grenoble gehouden werd, hing er een lange onderbroek met het opschrift 'Heb schijt aan de profs', getuige hetzelfde fotojaarboek. 

Dia-avonden

Maar de sporters moesten wel in hun levensonderhoud voorzien. Kees Verkerk werkte bij zijn vader in het café, in Puttershoek. Maar hij verzorgde ook avonden waarop hij vertelde over zijn successen. Hij was een verwoed fotograaf en vertoonde op die avonden dia's. Ard Schenk ging ook wel eens mee. 

Bij de voetballers speelde hetzelfde probleem. Verkerk had veel contact met de spelers van Ajax (bijvoorbeeld Cruijff en Keizer). Er waren ook contacten bij het koninklijk huis. Bij de bruiloft van prinses Beatrix en prins Claus waren Verkerk en Schenk te gast. Beatrix sprak Verkerk al na het winnen van zijn Olympische medaille in 1964. In 1966 bevond koningin Juliana zich onder het publiek tijdens het Europees Kampioenschap in Deventer.

Kees Verkerk was een groot schaatser. Hij was de eerste die voor Nederland een Olympische medaille won op de Winterspelen. Hij zou er vier winnen in de periode 1964 - 1972) Twee keer werd hij wereldkampioen (1966 en 1967) en een keer Europees kampioen (1967). 

Verhalend

Haarsma volgt in zijn boek het leven van Verkerk, op een verhalende manier. Dat leest heel lekker, maar soms had ik een iets zakelijker verhaal ook wel prettig gevonden. Een voorbeeld: het boek begint met een schaatswedstrijd in Ter Aar. Pas op de vierde bladzijde wordt verteld wanneer die wedstrijd heeft plaatsgevonden: op een 'mistroostige decemberdag in 1963.'

Haarsma weet wel hoe hij een verhaal moet brengen, waardoor het boek makkelijk leest. Waarschijnlijk is Keessie bedoeld als publieksboek, zoals er de laatste jaren ook verschenen zijn over voetballers. Die heb ik niet gelezen, dus daarmee kan ik het boek van Haarsma niet vergelijken. 

Het is verleidelijk om de hoofdpersoon van je boek als een held af te schilderen en niet altijd ontkomt Haarsma daaraan. Maar dat is niet zo erg, want hij laat van tijd tot tijd ook wel wat moeilijker kanten van de schaatser zien. 

Voor een echte biografie is Keessie wat te flodderig, te weinig controleerbaar. Maar tijdens het lezen zat mij dat niet steeds in de weg. In ieder geval is het goed dat mensen nu iets kunnen lezen over een van de iconen uit het verleden in een laagdrempelig boek. Oudere lezers kunnen zich door die boeken voeden met jeugdsentiment, voor jongere lezers is er een deel van de schaatsgeschiedenis toegankelijk gemaakt. 

dinsdag 2 januari 2024

Wraak in de Hel 1: Parijse Apaches (Philippe Pelaez / Tiburce Oger)

Parijs heeft twee revolutionaire regeringen gekend die de Commune genoemd werden: pal na de bestorming van de Bastille, tijdens de Franse Revolutie, en na de capitulatie aan het eind van de Frans-Duitse Oorlog, in 1871. 

Over die capitulatie waren Parijzenaars woedend. Parijs had een belegering van vier maanden doorstaan en dat er nu alsnog gecapituleerd werd, werd als verraad gezien. Met behulp van de Nationale Garde kwam er een revolutionaire regering, die maar kort standhield van 18 maart 1871 tot 28 mei 1871. Degenen die de Commune vormden, de communisten dus, kwamen uit uiteenlopende groepen: anarchisten, socialisten, jacobijnen, blanquisten, feministen en republikeinen. 

Bloederig einde

Het eind van de Commune was bloederig. De revolutionaire regering werd omvergeworpen waarbij velen werden gefusilleerd. In totaal zijn er 30.000 mensen gedood en 40.000 gearresteerd. In 1879 kregen de revolutionairen collectief amnestie.

Veel beleidspunten  van de Commune zouden we nu niet zo slecht noemen: afschaffing van kinderarbeid, scheiding van kerk en staat, het verlenen van pensioenen aan ongehuwde partners en kinderen van leden van de Nationale Garde, het recht van arbeiders om zichzelf te besturen als de eigenaar van hun bedrijf gevlucht was. 

Deze informatie is handig als je de strip Wraak in de Hel gaat lezen. Deel 1 heet Parijse Apaches. Het verhaal speelt zich later af, in 1903, maar op de achtergrond speelt de tijd van de Commune een belangrijke rol. 

Apachen

Aan het begin van de twintigste eeuw zijn er in Parijs verschillende benden actief, die zich de Apachen noemden. In de strip is gekozen voor het meervoud 'Apaches', maar zo werden ze in die tijd in Nederlandse kranten niet genoemd. 

Het betreft hier een geuzennaam. De benden presenteren zich min of meer als de wilden van Parijs. Ze lopen rond met openhangende jasjes, maar met glimmend gepoetste laarzen. In 1902 vechten twee benden om een vrouw, Casque d'Or. Later wordt er een moordaanslag op haar gepleegd. Daarover werd bijvoorbeeld bericht in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 8 januari 1903. 

Nieuwe Tilburgsche Courant











Antiklerikaal

De Apachen hielden zich bezig met straatroof en inbraak, maar ook met moord, brandstichting en verkrachting. Ze ageerden tegen het establishment en waren antiklerikaal. Religieuze activiteiten werden verstoord en geestelijken werden aangevallen. Er kwam dan ook een oproep aan katholieken om zich te verdedigen. Daarover bericht onder anderen De vrije socialist

De vrije socialist, 25 mei 1903

Aan de ene kant zijn de benden bondgenoten, maar het zijn ook concurrenten. Ze vallen dus ook elkaar aan, Over zo'n clash tussen de benden bericht het Nieuws van den dag, 26 juni 1903:

De Zone

Dit is het decor van Parijse Apaches. Er is onrust in de stad. Buiten muren vestigen zich allerlei mensen en het gezag kan zich daar nauwelijks vertonen. We zouden ze de banlieus kunnen noemen. Achter in het album zijn stukjes uit Franse kranten opgenomen. Het gebied, dat de Zone genoemd wordt, wordt als volgt in een van die kranten beschreven:

Tegenwoordig baart de fauna die in die 'Zone' leeft de Parijzenaren echter zware zorgen. Het is immers een plaats van wetteloosheid en bovendien quasi ontoegankelijk voor onze gezagsdragers. Het is een wirwar van planken en textiel die een gigantische criminele maatschappij herbergt, met haar eigen codes, haar eigen wetten en haar eigen taal. De 'Zone' is het koninkrijk van de Apaches die, onder de bescherming van de nacht de deuren van de wijken Pantin, Aubervilliers of La Villette zullen komen intrappen om de eerlijke arbeider te beroven of te vermoorden. 

De gezagsdragers die de strijd met de Apachen aanbinden mompelen nog wel eens dat ze in 1871 alle communisten hadden moeten afmaken. Er wordt dus een rechtstreeks verband gelegd met de Commune. 

In de strip is er een vreemdeling die in zijn eentje opereert en aanslagen uitvoert op bijvoorbeeld de metro die zal gaan rijden op de nieuwe Noord-Zuidlijn. Hij is verbazend behendig en zijn gezicht gaat verborgen achter een rode sjaal. Er zijn mensen die suggereren dat we hier te doen hebben met een vrouw. 

Gosselin

Inspecteur Gosselin probeert uit te vinden wie er achter de aanslagen zit. Hij heeft een hulpje, Eugène Flacquier, die uit een verdachte wijk komt en dus dichter bij de Apachen staat. Dat kan hem helpen. Maar hij kampt ook met zijn gezondheid. Het geneesmiddel dat hij van een arts wil hebben, wil die hem eigenlijk niet verstrekken: het helpt maar kort en het is verslavend. Maar Gosselin kan met een goudstuk betalen. 

De slachtoffers worden door de mysterieuze misdadiger namelijk achtergelaten met een Louis d'Or in hun mond, onder het motto 'Geld voor deugd'. Op die manier zet de misdadiger zijn (of haar?) handtekening. En hebben we hier eigenlijk wel met een misdadiger van doen of is het een vrijheidsstrijder? Gosselin heeft het er maar moeilijk mee. 

Acrobate

De naspeuringen leiden naar een circus, wat gezien de acrobatische toeren van de achtervolgde, niet onlogisch is. Het album heeft een open einde. Een roodharige acrobate denkt terug aan de tijd van de Commune waarin haar vader actief was. Zij heeft mogelijk nog iets recht te zetten. 

Het complete verhaal zal twee albums beslaan. Aan de ene kant is het jammer dat deel 1 maar een half verhaal bevat, maar het is wel een intrigerend verhaal, dat de lezer terugvoert naar een situatie die bij velen niet bekend zal zijn. En in dit eerste deel is al heel wat te genieten. 

Tekeningen

Parijse Apaches is duidelijk een historisch verhaal. Dat blijkt uit de setting. De decors roepen meteen de sfeer van ruim honderd jaar geleden op. Dat wordt versterkt door de inkleuring. Die ziet eruit alsof die gedaan is met gewassen inkt, wat een grijze kleur geeft die naar sepia neigt. Met rood zijn er accenten aangebracht, bijvoorbeeld de sjaal van de mysterieuze aanslagpleger en het rode haar van de acrobate. Dat is subtiel gedaan. Met dat rood zou je ook op vet effect kunnen jagen, maar dat gebeurt niet. 

Tussen de hoofdstukken in staat er een plaat in de vorm van de voorpagina van Le Petit Journal, met een paginagrote illustratie van de overval, brand, aanslag waarover het hoofdstuk gaat. Le Petit Journal was een bestaande krant. De illustratie is wel gedaan door de tekenaar van het album, Tiburce Oger, van wie overigens ook de inkleuring is. Achter in het album zijn nog enkele krantenstukken opgenomen, met de originele afbeeldingen. Verder is er een dossiertje met schetsen en coverontwerpen. 

Verder is er nog een cadeautje aan de binnenkant van de stofomslag: een grote tekening, waarin de lijnvoering en de inkleuring tot in detail te zien zijn. 

Scenario

Het scenario is van Philippe Pelaez, die best een klus had. Hij vertelt het verhaal van de mysterieuze aanslagen, maar intussen moet hij ook duidelijk maken hoe de situatie in Parijs is aan het begin van de twintigste eeuw en wat het verband is met de Commune van 1871. Dat is wel gelukt. Ik was in ieder geval zo geïntrigeerd, dat ik het niet kon nalaten wat oude Nederlandse kranten door te vlooien om te zien in hoeverre de toestand in Parijs nieuws was in Nederland. Een van die berichten, uit de Limburger Koerier van 4 maart 1904, plaats ik hieronder. 

Het eerste deel van Wraak in de Hel is veelbelovend: een intrigerend verhaal in fraaie tekeningen. Het wachten is op het volgende deel, Bloedrood Parijs. Het zal geen lieflijk vertelsel worden, vermoed ik. 


Titel: Wraak in de Hel
Deel 1: Parijse Apaches
Scenario: Philippe Pelaez
Tekningen en inkleuring: Tiburce Ocer
Vertaling: P. Moretti
Uitgever: Silvester Strips
2023, 72 blz. € 25,95 (hardcover, stofomslag)



vrijdag 29 december 2023

Wat ik nog weet (Annie M.G. Schmidt)



In kringlopen word ik nog wel eens verrast door boeken waarvan ik niet eens weet dat ze bestaan. Er komt veel uit en daarvan ontgaat mij blijkbaar heel wat. Zo was de herdruk van Twee meisjes en ik van A.H. Nijhoff mij ontgaan. Dat boek ben ik nu aan het lezen. 

Ook nooit eerder gezien: Wat ik nog weet, van Annie M.G. Schmidt. Natuurlijk ken ik haar kinderboeken en haar gedichten voor kinderen en haar liedteksten. Ik heb ook proza van haar gelezen als Impressies van een simpele ziel.  Maar ik wist niet dat Schmidt, zo rond haar tachtigste begon met het opschrijven van wat ze nog wist van haar jeugd. Ze publiceerde de stukjes in Het Parool onder de titel Wat ik nog weet.

Ik hou van dit soort boeken. Ik las bijvoorbeeld ook Toen ik nog jong was (1901) van Justus van Maurik, Amsterdam bij gaslicht (1949) van Maurits Dekker en Toen en nu (1957) van Annie Salomons. Natuurlijk omdat de auteurs mij interesseren, maar ook vanwege het tijdsbeeld, de wereld die opgeroepen wordt. 

Eerste Wereldoorlog

Annie M.G. Schmidt (1911 - 1965) heeft bijvoorbeeld de Eerste Wereldoorlog nog meegemaakt. Nederland was daar niet actief bij betrokken, maar het leger was wel gemobiliseerd. Schmidt vertelt van het paardenvolk in haar dorp, Kapelle in Zeeland. Ze is jarig (1916) en krijgt dan een cadeautje van een majoor, door het open raam, vanaf zijn paard. Het is een poppenbadje met een popje. 

In die tijd was er nog geen plastic. Dat realiseerde ik me pas toen ik het las. Popje en badje waren van celluloid. Daar had ik helemaal geen beeld bij.

Kinderboeken

Schmidt schrijft ook over de boeken uit haar jeugd. Met afschuw noemt ze de namen van de illustratoren Rie Cramer en Daan Hoeksema.
Ze vergiftigden sprookjesboeken, jeugdrubrieken en kindertijdschriften. Bij elke verjaardag kreeg ik prentenboeken van die twee. Waarom ik ze haatte, kon ik toen niet verklaren. Nu weet ik het: ze gaven geen lucht af, ze stonken noch geurden en ze lieten geen enkel deurtje open, ze sneden domweg iedere pas af. Precies zo levenloos, althans voor mij, waren de boeken van Schuil, die van Osselen-van Delden, van Osenburggen en al die reeksen boeken met zinnetjes als: 'Zij grapten tot de anderen zich bij hen voegden.'
Dan snap je ook wel dat Schmidt later heel andere kinderboeken geschreven heeft. De christelijke kinderboeken over ketters die verbrand werden was andere koek:
Er was ene Wijntje, die psalmen zong tot het laatste toe. Haar voeten waren al verkoold, heur haar was afgeschroeid, een laatste halleluja voordat het vuur het zakje buskruit op haar borst bereikte, een korte knal en haar ziel vlood in de armen van haar Heiland. 
Ook avonturenboeken en de sprookjes van Andersen bekoorden de kleine Anna. 

Prieel

Bij enkele herinneringen is het niet moeilijk om een verband te leggen met wat Schmidt later schreef. Bij het prieel in de tuin moet ik denken aan enkele passages in Het schaap Veronica en 'Ik zou je het liefste in een doosje willen doen' is een citaat van Annies moeder. 

Moeder is tegendraads, net als Annie later zal zijn. Ze is getrouwd met een predikant en dat huwelijk loopt niet altijd even gemakkelijk. 
Een paar weken geleden had hij een stoel in mekaar getrapt. Een nieuwe stoel die m'n moeder bij een uitverkoop gekocht had. Er was ruzie ontstaan over die aankoop, een ruzie die escaleerde, zoals alle ruzies tussen mijn ouders, totdat mijn vader met een ferme zwarte laars de stoel kapottrapte en riep: 'Dáár dan!'

Vleeskleurige kousen

Van de jaren twintig en dertig heb ik maar een vaag beeld. Nou ja ik ken de uitdrukking 'roaring twenties' en de jaren dertig associeer ik met crisis. Mijn vader vertelde wel dat er werkloze arbeiders aan de deur kwamen bij mijn opa om te vragen of hij nog een klus voor ze had. Of ze misschien de sloot mochten uitdiepen. 'We zullen het voor weinig doen.'

Schmidt schetst de jaren twintig als een revolutionaire tijd:
De hele boze buitenwereld kwam naar binnen. Jazz, charleston, operettes, socialistische redevoeringen, feministische praatjes. De boerendochters trokken hun klederdracht uit en droegen rokjes tot boven de knie met daaronder vleeskleurige kousen. En dat laatste schokte de ouderen in ons dorp het meest. Die onbeschaamde vleselijke benen. 

Die kousen komen ook nog ter sprake in het verhaal over Linda, die privé catechisatielessen van de dominee wilde. Die kreeg het benauwd van haar benen in vleeskleurige kousen, die ze over elkaar sloeg in zijn studeerkamer. 

Au pair

In 1930 ging Annie als au pair naar Duitsland. Mussolini was in Italië al aan de macht. Naar de politieke achtergrond van de familie werd niet gevraagd en Annie, negentien jaar oud, was 'een oen', in haar eigen woorden. Ze komt wel in aanraking met antisemitisme en met een jongen die lid is van de Hitlerjugend. Voor de oorlog is ze weer terug in Nederland. Ze vindt dat ze, behalve taart bakken, niets geleerd heeft in Duitsland. 

Verschillende verhalen die Schmidt in deze bundeling vertelt, zullen me nog wel een tijdje bijblijven. Bijvoorbeeld het pijnlijke verhaal, hoewel luchtig verteld, over de getrouwde predikanten van middelbare leeftijd die wel wilden musiceren met het jonge meisje Anna, dat piano speelde. Er was toen nog nog geen #metoo-beweging, jammer genoeg. 
Toen kwam dominee A. Hij was een bangerd. Hij zong Schubert. Van hem had ik het voorwaar niet gedacht, maar het ging dezelfde kan op, al duurde het veel langer voor ik het merkte. Het was bij de Winterreise, dat hij door de mand viel. 
'Fremd bin ik eingezogen, fremd zieh ik wieder aus,' zong hij maar intussen waren zijn handen meer hinein dan heraus. En weer durfde ik niet te protesteren, nog minder te slaan. Te veel respect, voor den donder!

In Wat ik nog weet voert Schmidt ons naar een andere tijd. Maar het boekje bestaat ook uit gewoon goede verhalen. Goed van stijl, toegankelijk verteld. Maar ook de opbouw is puik. Aan de ene kant zijn het schakels in een ketting, ze zijn een deel van het verhaal, maar elk hoofdstuk is ook mooi rond gemaakt. Daardoor kun je de hoofdstukken ook lezen als verhalen die op zichzelf staan. 

Mocht je Wat ik nog weet ergens zien liggen, neem het dan mee en lees het. Het is een onderhoudend boek en het toont maar weer eens aan dat Annie M.G. Schmidt in alle genres kon excelleren.  Een aantal verhalen is te lezen op Google Books

Hieronder het stukje dat afgedrukt stond in Het Parool van 4 januari 1991:

donderdag 28 december 2023

De beste strips van 2023

Misschien moet ik het helemaal niet doen, een lijstje met de beste strips van 2023 maken. Het is namelijk onbegonnen werk. 

Ten eerste weet ik best dat ik alleen kies uit de albums die ik gelezen heb. Er zijn veel meer goede strips uitgekomen, maar ik kan nu eenmaal niet alles lezen. Ik heb meer gelezen dan waarover ik geschreven heb, maar waarover ik niet schreef (de nieuwe Asterix bijvoorbeeld) heb ik niet in aanmerking laten komen om mee te doen met de toplijst. 

Verder zijn de albums slecht te vergelijken. Een dikke graphic novel lees je anders dan een softcover van beperkte omvang. Om nog maar niet te spreken over een verzameling cartoons als die van Hein de Kort. Ik vermoed dat een langer verhaal het meeste kans maakt om te blijven hangen in het geheugen en dat het dus ook eerder zal komen bovendrijven bij het samenstellen van een lijst als de onderhavige. 

Ten slotte kan het ook zomaar zijn dat ik over twee weken (of een half jaar) een andere keuze zou maken uit dezelfde groslijst. Een tijdje terug stelde ik namelijk ook al een top 5 samen voor 9e Kunst. Die vijf staan ook in deze lijst, maar niet op de bovenste vijf plaatsen. Sommige albums wilde ik blijkbaar graag genoemd hebben en ik wilde ook uitgaven van meerdere uitgeverijen noemen. Denk ik. 


In ieder geval ben ik nu gekomen tot deze lijst:

1. Paardengod (Sammi Makkonen) (recensie)

2. De kuil (Erik Kriek) (recensie)

3. Stolp / Rita (Odija/Stefaniec) (recensie)

4. Knipperen en ademen (Micky Dirkzwager) (recensie)

5. Smakelijk leven (Aurélia Aurita) (recensie)

6. Een stil geloof in engelen (Fabrice Colin / Richard Guérineau) (recensie)

7. Kiss the sky. Jimi Hendrix  1942 - 1970 (J.M. Dupont / Mezzo) (recensie)

8. Baby Boom (Martin Draax) (recensie)

9. En mijn vader waande me dood (Noël Ummels / Liesbeth Waijer) (recensie)

10. De rivieren van het verleden 1 De inbreekster (Desberg & Corboz) (inbreekster)

Voor mezelf had ik vooraf de grens op tien titels gezet. Dat heeft tot gevolg dat een aantal goede albums buiten de boot viel. Ik denk hier aan titels als Jij gaat dood, De Arabier van de toekomst 6, Carbon & Silicium, Gone with the wind en GoSt111

Toelichting

Een korte toelichting bij mijn keuze. 

1. Paardengod is een duister en heftig verhaal. Misschien snapt mijn hoofd niet alles, maar mijn buik voelt wel aan dat er heel wat woelt onder het verhaal. Gedurfde tekeningen ook. Maar ik kan me voorstellen dat er lezers zijn die het allemaal wat te gruwelijk vinden. 

2. De kuil. Erik Kriek in goeden doen is altijd goed voor een hoge notering. Het vertrouwde tekenwerk en een goed verhaal. Ook hier trouwens weer veel duisters. 

3. Stolp / Rita. Blijkbaar hou ik van het duistere, het dreigende. In deze twee albums wordt een wereld in verval opgeroepen. Intrigerende hoofdpersoon en tekeningen die niet insteken op het esthetische, maar op het krachtige. 

4. Knipperen en ademen. Ontwapenende autobiografische strip van iemand die zich een weg struikelt door het leven. 

5. Smakelijk leven. Net als het album hierboven een persoonlijk verhaal. Ik merk dat ik er geregeld aan moet denken en erover vertel aan anderen. 

6. Een stil geloof in engelen. Gewoon een degelijk stripverhaal. Goed verteld, goed getekend. 

7. Kiss the sky. Natuurlijk sprak het onderwerp (Jimi Hendrix) mij al aan. Maar van een leven moet je ook een verhaal kunnen maken en dat is de maker gelukt. De tekeningen in zwart/wit werken goed. 

8. Baby boom. Qua tekeningen een van fraaiste albums die ik dit jaar las. Esthetisch hoogtepunt. Verhaal kan hier en daar beter, maar ik wilde dit album in ieder geval noemen. 

9. En mijn vader waande mij dood. Hier vind ik de tekeningen juist weer niet zo goed. Maar de eerlijkheid waarmee Ummels durft te kijken naar zijn eigen leven en dat van zijn vader is indrukwekkend. 

10. De inbreekster (De rivieren van het verleden, deel 1). Er zijn verschillende albums van de tekenaar Corboz voorbijgekomen het laatste jaar: het vierde deel van de Verhoeven Brigade, Celestin de Maneslikker. Allemaal met plezier gelezen. Maar vooral dit eerste deel van De rivieren van het verleden maakt mij heel nieuwsgierig naar het vervolg. 

Een discutabel lijstje, natuurlijk, maar je moet het er maar mee doen en ik ook. Volgend jaar weer nieuwe kansen. Er ligt weer een hele stapel op lezing te wachten.