donderdag 24 november 2016

Toen en nu (Annie Salomons)


Zouden er nog mensen zijn die rechtop gaan zitten bij het horen van de naam Annie Salomons? Ik vrees van niet. Nooit ontmoette ik iemand die enthousiast was over haar romans of haar gedichten. Ze verstoft in het hoekje waar ook namen te vinden zijn als Herman Robbers, Arnold Clerx, H.J. Schimmel, Noto Soeroto, den Ouden Heer Smits, Ignatia Lubeley. Het is een willekeurige greep.

Maar misschien herinnert iemand zich Herinneringen uit de oude tijd, een deel in de reeks Privé-domein (1984), een bundeling van eerder verschenen boekjes. Ik las indertijd het eerste deel, uit 1957. Ze beschrijft daarin schrijvers die ze gekend heeft. Erg leuk om te lezen. Misschien moet ik op zolder eens achter het schot kruipen om het op te duikelen en het te herlezen.

In mijn boekenkast stond al een tijdje, ongelezen, Toen en nu. Herinneringen uit een lang leven. Het is Ooievaarpocket die goed verkocht. In 1961 verscheen de eerste druk (tienduizend exemplaren) en in 1962 de tweede, in dezelfde oplage. Salomons rondde het in 1960 af, volgens de datering van het voorwoord. Zij vond toen dus al dat ze een lang leven had geleid.

In 1960 was Salomons vijfenzeventig jaar oud. Het zou nog twintig jaar duren voordat ze zou overlijden. Hopelijk heeft ze van haar oude dag genoten.

In Toen en nu begint Salomons met haar vroegste herinneringen; die aan het huis in Rotterdam waarin ze opgroeide bijvoorbeeld. Tot die herinneringen behoort dat ze op haar derde verjaardag (dat moet in 1888 geweest zijn) het topje van haar ringvinger verloor, toen haar vinger beklemd raakte tussen een klapstoel. Salomons:
M'n hand was verbonden en hing in een doek. Wekenlang kreeg ik elke dag een glas rode wijn om het bloedverlies te herstellen. 
Een andere herinnering gaat over het laatste oordeel:
Ik stelde me voor, dat er treinen zouden komen, die telkens een speciale categorie van mensen naar de eeuwigheid zouden vervoeren: een trein voor oude mensen; een trein voor blinden; een trein voor kinderen. In het station, waar al die treinen zouden komen voorrijden, was een ontastbaar lugubere sfeer. Toen ik, ruim een halve eeuw later, Verstdijk's boek "De kelner en de levenden" las, schrok ik ervan daarin diezelfde onwezenlijke gruwel te vinden, die mijn vierjarig hoofdje zozeer beangstigd had.  
In het hoofdstukje 'Wisselende wet' buigt Salomons zich over veranderde zeden en dan vooral over het uiterlijk en de mode. Toen Salomons in de zesde klas van het gymnasium zat, droeg ze een japon tot op de grond. Als het regende moest ze die rok dus ophouden, om hem niet door de modder te laten slepen.
Maar een kortere rok zou voor een volwassen meisje niet behoorlijk zijn geweest. "Trek je rok af; ik zie je enkel", was een gewone waarschuwing. Tegenwoordig neemt niemand er aanstoot aan, als de nauwe rokjes zo hoog opgetrokken zijn, dat je de knieën ziet. Ofschoon ik dit nog altijd niet mooi kan vinden.
 Over vrouwen in broeken had Salomons ook zo haar oordeel:
Het is alles betrekkelijk: een meisje dat gaat zeilen, is netter uitgerust met een broek dan met een japon. Maar het wordt natuurlijk iets anders als een Europees meisje in een broek gaat lopen, omdat ze zich verbeeldt, dat dat pikant staat. Ik pleeg daar zakelijk op te reageren: "Als 't lekker warm is, moet je het maar doen. Mooi staat het niet. Een man heeft nu eenmaal smalle heupen. Een vrouw is meestal breder gebouwd en dat komt in een broek erg uit. Maar 't nuttige gaat voor." Zo'n beschouwing werkt meestal ontnuchterend. Als je er fel tegenin ging, zou het juist boeiend en aantrekkelijk worden. 
Salomons heeft met haar man, Han van Wageningen drie jaar lang (1924 - 1927) op Sumatra (Medan) geleefd. Ze verdroeg de hitte slecht, lees ik op Wikipedia. Salomons, achteraf:
Als ik aan de jaren in dat verre land terugdenk en aan al het mooie en boeiend vreemde, dat ik daar heb mogen zien en beleven, dan voel ik me dankbaar dat ik er ben geweest. Al ben ik nóg dankbaarder, dat ik er niet heb hoeven blijven. 
Ze oordeelt mild over de Europeanen in Nederlandsch-Indië. Ze had wel grote moeite om zich aan te passen, maar ze besefte dat in de wildernis andere normen gelden dan in de geciviliseerde steden.
Dezelfde ontembare kracht, die hen tafels en borden kapot deed smijten; die hen te paard een eetzaal deed binnenrijden en met hun schoenen aan over een gedekte tafel wandelen, staalde hen ook in hun strijd met de bijna onoverkomelijke moeilijkheden van een anders geaard volk, een vijandig klimaat en ziekten zonder tal. Diezelfde kracht deed hen volharden en doorzetten, waar zwakker, voorzichtiger en misschien ook wel braver en fijner jongens de worsteling al lang hadden opgegeven.  
 In de laatste hoofdstukken besteedt Salomons aandacht aan de vijf dagen oorlog, aan het overlijden van haar man en aan de moeilijke tijd tijdens de bezetting. Ze eindigt met het hoofdstukje 'Tevreden ouderdom'.

Toen en nu is een boeiend boekje. Salomons observeert scherp. Ze kan met afstand naar haar tijd, maar ook naar zichzelf kijken. Bovendien kan ze dat prettig leesbaar opschrijven. Leuk om te lezen!

In Het vrije volk van 9 juni 1961 wordt Toen en nu besproken. 'Het laat zich heel plezierig lezen', schrijft de recensent, die fijntjes wijst op de sociale klasse waarin de schrijfster is opgegroeid:
Natuurlijk zijn de herinneringen van Annie Salomons, die het ook in haar jeugd, nu een driekwart eeuw geleden, materieel niet moeilijk heeft gehad, anders dan die van een met meer aardse zorgen gekwelde.
In De Telegraaf van 29 juli 1961 is Jan Spierdijk kritisch; hij vindt het boekje te particulier. Hij schrijft dat haar toon 'wordt bepaald door mildheid, innerlijke warmte [en] vertedering over een mooi en lang leven.'

Het spreekt hem niet aan, vooral niet wat betreft de laatste hoofdstukken. De eerste, met haar vroegste herinneringen, vindt hij beter te verteren:
Zo is "Toen en nu" dierbaar om de gloeikousjes en de blauwkousjes, om het "Toen" maar niet om het "Nu". 
Ook de recensent (B.S.) in het Algemeen Handelsblad van 21 juli 1961 is niet onverdeeld positief. Lieve herinneringen van een pittig schrijfster, vindt hij. Maar ook:
Deze herinnering[en] hebben, behoudens een enkele opmerking, welke de scherpe opmerkingsgave en het heldere inzicht, gepaard aan een verkwikkende zelfspot van de schrijfster verraadt, een al te beperkte horizon.
K.F. (Dat zal Kees Fens wel zijn), bespreekt het boekje in De Tijd/De Maasbode van 7 juli 1961. Hij is over het algemeen positief, al vindt hij Salomons wel erg openhartig, bijvoorbeeld over het overlijden van haar man.
Wie het hoofdstukje "Weduwe" nuchter benadert (...) krijgt al lezend een zekere gêne over zich, ingewijd als hij wordt in tere aangelegenheden, waarover men doorgaans onder vier betraande ogen spreekt.  
Ook met het openlijk uitgesproken godsvertrouwen van Salomons (in de latere hoofdstukken) heeft Fens moeite.

Het particuliere van Toen en nu lijkt me in deze tijd niet opmerkelijk. Blijkbaar werd daar in 1961 anders over gedacht. Volgens mij voelt niemand zich meer gegeneerd door Annie Salomons vertelt. Maar oordeelt u vooral zelf.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten