maandag 7 november 2016

De dood heeft mij een aanzoek gedaan. Over dood, leven en liefde (dagboek) (Kristien Hemmerechts)

Met een hark ging ik door de mappen, submappen en subsubmappen in mijn computer. Ik ben slordig met mijn artikelen en ze zwerven overal rond, in de vreemdste mappen. Af en toe vis ik een recensie op die op internet voor mij onbereikbaar geworden is. Of ik moet ervoor betalen en dat doe ik maar niet.

Onderstaande recensie is verschenen in Nederlands Dagblad, in 2009, neem ik aan. Of de titel boven deze recensie daadwerkelijk in de krant verschenen is, waag ik te betwijfelen. Achteraf ben ik er niet zo tevreden meer over. Wandelen langs de berm? Dan loop je dus gewoon op de weg. Dat zal ik niet bedoeld hebben. Waarschijnlijk vond ik 'de afgrond van de dood' te dramatisch'. 


Wandelen langs de berm van de dood

‘Ik ben een blanke vrouw van drieënvijftig jaar en ik overweeg mijn leven af te ronden. Voilà, het staat in al zijn kuisheid op papier. We plegen geen zelfmoord, we ronden af.’ Met deze drie zinnen begint Kristien Hemmerechts haar dagboek De dood heeft mij een aanzoek gedaan. Ze mag het wel ‘in al zijn kuisheid’ opschrijven, maar het is toch een begin waarvan je even moet slikken. Dat is nogal niet wat: iemand die zelfmoord wil plegen en die dat tegen ons zegt.

Je vraagt je af hoe concreet de plannen eigenlijk zijn en hoe dichtbij het einde is en of iemand die zelfmoord overweegt nog wel een dagboek bij gaat houden. Maar Jotie T’Hooft schreef ook bewust zijn laatste gedichten, toen hij wist dat dood dichtbij kwam.

Even verderop neemt Hemmerechts ons mee naar een wat grotere afstand, als ze vertelt dat
het dagboek een project is:
Het project bestaat uit het zoeken naar een antwoord op de vraag: waarom wil ik mijn leven afronden?
En ook: hoe kan ik een houding, een mentaliteit, een gemoedsgesteldheid ontwikkelen die me wegleidt van dit verlangen naar afronding?
Hemmerechts voelt dus de neiging het leven te beëindigen en tegelijkertijd zoekt ze iets om
die neiging te overwinnen. Dat is geen geringe opgave.

Van wat haar wegdrijft van dit leven, kom je als lezer eigenlijk niet zo heel veel te weten. Wel vertelt ze ons dat ze de vreugde mist en dat ze bang is geworden voor mensen. Ze noemt dan ‘hun gemene tong. Hun venijn.’ Dat laatste herhaalt ze verderop in het dagboek.

Maar al op pagina 37 schrijft ze dat het afrondingsverlangen wegebt, naarmate ze langer dit dagboek bijhoudt en nog weer later constateert ze, misschien met enige verwondering, een volstrekte afwezigheid van haar doodsverlangen.

Vanaf het begin bestaat haar project niet alleen uit het onderzoeken van haar eigen drijfveren, maar ook het kijken naar andermans dood: waarom willen mensen een eind aan hun eigen of aan andermans leven maken? Waarom willen ze doorleven.

Door het hele dagboek heen vertelt ze korte geschiedenisjes, die ze meestal gelezen heeft in haar krant. Het zijn berichten die ik heb overgeslagen, denk ik, met een zekere achteloosheid. Stuk voor stuk zijn het echter kleine drama’s en Hemmerechts presenteert ze ons met veel compassie voor nabestaanden, slachtoffers en vaak ook daders. Veel meer dan ze registreren doet Hemmerechts niet en dat is waarschijnlijk ook niet nodig. Als lezer zie je hoe gemakkelijk een mens tot wanhoopsdaden kan komen, hoe weinig de medemensen oog hebben voor de voortekenen.

Door de berichten die Hemmerechts kiest, merk je met welk oog ze krant leest, met welke blik ze de wereld beziet. Ook als ze die berichten sec weergeeft, krijgen ze iets persoonlijks, omdat ze uitgekozen zijn in deze context. Dat persoonlijke is natuurlijk helemaal duidelijk als Hemmerechts over het leed in haar eigen leven schrijft: haar overleden zoontjes, haar man (Herman de Coninck) die haar ontvallen is. Hoe de afwezigen nog altijd aanwezig zijn en wat ze daarmee moet.

Het dagboek is opgedragen aan Hemmerechts’ vader, die in België een publieke persoonlijkheid was. De schrijfster kon daardoor bijvoorbeeld audio- en videobeelden vinden waarop haar vader te horen en te zien was. In dit boek komt de vader dichtbij. Hemmerechts spreekt hem zelfs rechtstreeks aan:
Ik was naar die begraafplaats gereden, papa, om afscheid van je te nemen, en van de last die jij en mama onbewust op mijn schouders hebben gelegd: jullie trauma’s, jullie ambities, jullie verwachtingen.
Ze wil afscheid nemen, maar ze weet ook dat dat niet kan. Ze zal verbonden blijven met haar vader en ze ervaart dat haar vader, over zijn dood heen, over haar waakt.

Aan het eind van het boek rond Hemmerechts het project niet af met enkele conclusies; zo’n soort boek en zo’n soort onderzoek is De dood heeft mij een aanzoek gedaan niet. De laatste regel is een regel vol hoop: ‘Ergens moet water stromen dat ons wegdraagt van het verleden.’


Eerder publiceerde ik hier de recensie van een ander boek van Hemmerechts: Kronkelpaden van het geheugen. Daar was ik vel meer te spreken over. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen