dinsdag 6 december 2016

Dijk. Een vergelijking. (H.M. van den Brink)


Waarom kocht ik de roman Dijk? Ik hoorde bij het radioprogramma Kunststof een interview met de auteur en toen was mijn interesse wel gewekt. Maar misschien was het toch de omslag met die monumentale letters die zo'n beetje de hele voorkant in beslag nemen. Die voorkant deed mij uiteindelijk naar het boek van H.M. van den Brink grijpen, vermoed ik, en het kopen.

De titel verwijst naar de hoofdpersoon, Karl Dijk. 'Een naam als twee klappen met de vlakke hand op een hard oppervlak. Een tafelblad. Een toonbank. Een schokvrije marmeren tafel met weeginstrumenten.'  Zo staat het, bijna aan het eind, in het boek.

Dat is mooi omschreven. Vooral ook door die twee korte zinnetjes van elk twee woorden, die ook een beetje klinken als zo'n klap op het tafelblad. En de weeginstrumenten staan er niet voor niets. Karl Dijk is namelijk werkzaam bij de Dienst van het IJkwezen.

Het verhaal wordt verteld door een collega van Dijk, die hem jarenlang van nabij heeft meegemaakt. Hij is ook degene die de toespraak schrijft die de directrice bij het afscheid van Dijk zal voorlezen. Daartoe mag hij het dossier van Dijk inzien.

Op dat afscheid verschijnt Dijk overigens niet. Het afscheid is de rode draad door het boek. De directrice leest de toespraak voor en ondertussen komen er allerlei herinneringen van de ik-figuur boven aan zijn werk als ijker en aan zijn collega Karl.

Ruim een jaar later, als de verteller ziek is en koorts heeft, blijkt hij Karl Dijk nog steeds niet uit zijn gedachten te kunnen zetten. Hij weet ook niet zeker meer of iets nu werkelijk gebeurt of gebeurd is of dat hij het zich verbeeldt of verbeeld heeft.

Het duurde even voordat ik mij echt overgaf aan Dijk. Misschien kwam dat doordat ik door drukten niet lekker kon doorlezen. Op een gegeven moment greep het boek mij.

Ten eerste vanwege het onderwerp. Je leest niet elke dag over iemand die weeg- of meetinstrumenten moet controleren. Het had ook een koeienschetser, een mollenvanger of een meteropnemer kunnen zijn - ik raakte geïnteresseerd in de man en zijn bijzondere beroep.

Bovendien geeft Van den Brink prachtige anekdotes over het IJkwezen. Bijvoorbeeld hoe van tijd tot tijd iemand met een kilo van Delft naar Frankrijk moet reizen om te kijken of het Nederlandse normgewicht nog deugt. Eigenlijk komt, in fragmenten, op die manier de hele geschiedenis van de Dienst van het IJkwezen langs.

Toen de mensen zelf thermometers in huis konden halen die niet geijkt waren, is het verval begonnen, volgens Dijk. Dat kun je je goed voorstellen. De Dienst werd geprivatiseerd, er vielen woorden als klantvriendelijkheid en dan is het werk van de ijker voorgoed veranderd. Zoiets doet iets met je beroepstrots, lijkt me.

Van den Brink heeft de gave om zintuiglijk te schrijven. Vooral de geuren in het boek zijn mij goed bijgebleven. Of die nu zijn van een dorpscafé waar niemand meer komt of van een kaaswinkeltje op een boerderij. Het lezen van die gedeelten heb ik als een feest ervaren.

De passages over wat de verteller meemaakt bij zijn controles krijgen in de loop van het boek steeds meer een metaforisch karakter. Er zit veel tragiek in de kleine zelfstandigen die het hoofd boven water proberen te houden. Ze lijken vergelijkbaar met de ijker die het ambachtelijke handwerk steeds meer ziet verdwijnen en die ook maar moet proberen om zijn leven leefbaar te houden.

De ondertitel van Dijk is niet voor niets 'Een vergelijking'. Je kunt het leven van Dijk vergelijken met dat van de verteller, maar ook de geschiedenis van het IJkwezen met de Werdegang van Dijk en de verteller. En het ijken is natuurlijk per definitie gebaseerd op vergelijking.

Hoe ingehouden Dijk ook geschreven is, toch is het een emotioneel boek. Je merkt hoe de verteller betrokken is bij Dijk, al hebben ze dat onderling nooit in woorden expliciet gemaakt. Maar hij is ook betrokken bij zijn werk en tegelijkertijd bij de mensen die hij moet controleren; voor wie hij begrip heeft, zelf als ze frauderen. Hij moet rechtvaardig zijn, hij kan niet anders, en toch geeft hem dat soms een naar gevoel. Van den Brink beschrijft dat vanzelfsprekend mooier:
Ik keek hem nog eens aan, schudde mijn hoofd en verliet, nog steeds zonder een woord te zeggen, de zaak.
Zelfs na een kwartier lopen in de frisse lucht leek het alsof ik nog niet helemaal buiten was. Alles kleefde aan mij, ik raakte het niet kwijt, de zure kaaslucht, de kou die nooit uit de gebarsten plavuizen zou verdwijnen, de wollen truien van de man en de vrouw, de wanhoop van hun armoe, die traan die er wel of die er niet was geweest, het kleine, dierlijke gejammer.
Nu was ik correct geweest en eerlijk, ja zelfs vriendelijk, geen regel of voorschrift had ik overtreden, en toch voelde het alsof ik het niet slechter had kunnen doen. 
De vergelijking uit de ondertitel komt op verschillende plaatsen terug in het boek. Bijvoorbeeld als de verteller kijkt naar zijn kinderen. Ik citeer een lange passage.
Maar dat gevoel nam af naarmate ze groter en ouder werden. Ze leken verder weg maar tegelijkertijd dichterbij omdat de afstand me in staat stelde verschillen op te merken, te vergelijken. Ik zag Ada in hen. Ik zag mijzelf. En ik zag zoveel dat tot geen van ons beiden herleidbaar was, dat het niet anders kon of dat verschil was het bewijs van hun zelfstandigheid van hun eigen bestaan. En dat bestaan bewoog. Die beweging was eigenlijk het bewijs. Of nóg een bewijs. Het was helemaal niet noodzakelijk dat een van beide gewichten op de schaal onveranderlijk bleef. Het was zelfs van het grootste belang dat dat niet zo was, dat alles bleef veranderen. De directrice had gelijk. Evenwicht was niet wenselijk. Evenwicht was steriel. Evenwicht was dood. Dijk wist dat niet, want Dijk had geen kinderen. 
De verteller vergelijkt de kinderen met zichzelf, met zijn vrouw, met elkaar misschien en daardoor ziet hij dat evenwicht niet het laatste woord heeft. Dat beweging inherent is aan het bestaan. Maar voor een ijker is dat wel een lastig besef. Wat blijft er nog van je werk over als de grootheden waarmee je meet niet meer vaststaan? Voor Dijk blijven de grootheden bestaan, voor Dijk blijft het absolute de maatstaf. Dat maakt hem ook tot de tragische figuur, die het uiteindelijk niet zal redden.

Mischien gaat Dijk wel daarover: over absolute en relatieve normen. Of die wel bestaan. En of het goed is die op te leggen. Over de normen die Karl Dijk zichzelf en anderen oplegt. De verteller vergelijkt zich met Dijk. En de lezer? Wat is onze norm? Streven wij naar evenwicht?

Dit soort vragen stelt Van Den Brink niet of in ieder geval niet expliciet. Dat is het mooie ervan. Dijk lijkt eenvoudig: het verhaal van een man met een bijzonder beroep. Het evenwicht, de harmonie, wordt verstoord als hij niet op zijn eigen afscheid verschijnt. Dan pas zien we dat er al lange tijd van alles aan het verschuiven was en de verteller ziet het nog weer later, als hij meer dan een jaar later koortsig thuis is en Karl Dijk maar niet uit zijn hoofd kan krijgen.

Die koorts blijft de lezer waarschijnlijk wel bespaard, maar Karl Dijk zal ook nog lang in ons hoofd blijven hangen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen