woensdag 3 april 2024

Nu ik er nog ben (Dick Matena)


Dick Matena neemt in onze stripgeschiedenis een prominente plaats in. Sterker nog: hij schrijft die geschiedenis nog steeds, want hij heeft zijn tekenpen nog niet neergelegd. Tachtig is hij nu en als jong broekie is al begonnen aan zijn loopbaan. Al die jaren is hij heel productief geweest en in de loop der tijd ontmoette hij bijna iedereen die ertoe deed en doet in de wereld van de strips. Om maar een paar grote namen te noemen: hij maakte Marten Toonder en Hans G. Kresse van nabij mee. 

Over dat leven, rijk aan ervaringen en ontmoetingen, vertelt hij in het blad Eppo en die stukken lees ik altijd. En ook altijd met plezier. Want Matena heeft in al zijn stukken een stem. Als je ze leest, is het alsof je hem hoort, alsof hij naast je aan de bar zit en mooie verhalen vertelt over wat hij allemaal heeft meegemaakt. Een eerste bundeling is vorig jaar verschenen onder de titel Nu ik er nog ben. Hopelijk volgen er meer. 

Geen blad voor de mond

Het is een heerlijk boek geworden, waarin Matena vrijuit spreekt. Een enkele keer is hij discreet en laat hij zaken bedekt, maar meestal noemt hij man en paard, daarin heeft hij geen scrupules. Als het gebeurd is, mag het ook verteld worden. Met zoveel genoemde namen, van Martin Lodewijk tot Jan Wolkers, van Don Lawrence tot Theo van Gogh en van Peter de Smet tot Gerard Reve, was een personenregister achter in het boek eigenlijk wel passend geweest, maar dat ontbreekt. 

Gelukkig zijn er wel twee fotokaternen, met mooie foto's waarop naast Dick en zijn vrouw Nelleke zo'n beetje alle groten van de Nederlandstalige stripwereld afgebeeld staan, want Matena had met velen contact. 

Drank

Er wordt nogal gedronken in de stukken en dat heeft effect. Soms weet Matena niet meer precies wat er gebeurd is, maar veel dingen weet hij nog verrassend scherp. Er zijn geregeld scènes waarin hij opvliegerig reageert, wat mede veroorzaakt is door de drank. In ieder geval wordt de drank daarvoor als excuus aangevoerd. 

Het zijn sappige verhalen, met de aantrekkelijkheid van een roddelblad. Je wilt het graag lezen en hebt het idee dat de helden in het echt vertoond worden, zoals ze niet alleen voor maar ook achter de schermen zijn. 

Als iets gebeurd is op het gebied van de strips, dan was Matena erbij, lijkt het. We krijgen het verslag uit de eerste hand. En dan zullen we maar hopen dat het allemaal klopt wat Dick vertelt. In ieder geval vertelt hij het zoals hij zegt het zich te herinneren. 

Bovenal geef Matena een beeld van de stripwereld, die zich nog helemaal moest ontwikkelen. Matena vertelt ons nog van voor de tijd dat Donald Duck bestond. Met dat blad zou hij later nog te maken krijgen, evenals met Pep. Daarnaast verscheen zijn werk in buitenlandse media. Een deel van zijn leven woonde Matena in Spanje en in België. 

Controversieel

Soms koketteert hij met hoe controversieel zijn strips op een gegeven moment waren. Zou dat kloppen? Het zal wel. Ik heb ze nooit zo ervaren, maar ik ben dan ook vijftien jaar jonger dan Matena, dus uit een andere tijd. Maar zouden er echt leden van het Stripschap geweest zijn ('heel wat' zelfs) die hun lidmaatschap op wilden zeggen omdat Matena in 1986 de Stripschapprijs won? Het zou een sterk verhaal kunnen zijn. Maar misschien is het verhaal belangrijker dan de vraag of het waar is of niet. 

Matena kan kritisch en scherp zijn. Niet alleen op anderen, maar ook op zichzelf. Hij spaart zichzelf bepaald niet. Hij kan zijn kritiek ook relativeren en zijn eigen oordeel niet zo belangrijk vinden. Aan de andere kan hij ook heel goed bewonderen en dan is hij gul met zijn lof. 

Nu ik er nog ben is een heerlijk boek. De bijdragen zijn niet al te lang, zodat je ze gemakkelijk even tussendoor kunt lezen (als je tenminste kunt stoppen met lezen). Soms is de verteller chagrijnig, soms vilein, maar je vergeeft het hem graag. Hij geniet vooral van het vertellen en naar zo'n verteller willen we allemaal graag luisteren. Zeker omdat hij ook in elk stukje dingen weet te vertellen die nergens anders verteld zijn. Plagieerde Woody Allen Matena? Waarom gaf Anton Quintana Matena een flinke opdoffer? Waarom had Carry Brugman de Stripschapprijs moeten hebben? Lees het lekker zelf. In Nu ik er nog ben. 

dinsdag 2 april 2024

Van ver gekomen (Kristien Hemmerechts)

Als ik net een boek gelezen heb waarvan ik genoten heb, vraag ik mij vaak af waarom ik niet meer van de betreffende auteur gelezen heb. Dat overkwam me ook weer bij Kristien Hemmerechts. Ik las haar nieuwe boek Van ver gekomen. 

Toen Hemmerechts begon met publiceren, las ik best veel van haar: Een zuil van zout (1987), Weerberichten (1988), Brede heupen (1989), 's Nachts (1989), Zonder grenzen (1991), Kerst en andere liefdesverhalen (1992), Wit zand (1993). Hemmerechts was heel productief en ik hield haar aardig bij. Natuurlijk had ik het geluk dat lezen een stuk sneller gaat dan schrijven. 

Vanzelfsprekend las ik Taal zonder mij (1998) dat ze schreef over Herman de Coninck en zijn gedichten. Mooi, liefdevol, uitstekend geschreven. Ik heb het verschillende mensen cadeau gedaan. 

Interview

Van al die boeken genoot ik, maar van wat daarna verscheen, las ik er maar een paar. Het is me met meer schrijvers overkomen en er is eigenlijk geen goede reden voor. Tien jaar na de dood van Herman de Coninck interviewde ik Kristien Hemmerechts in de Poëziefabriek in Steenwijk. Er waren dichters die gedichten voorlazen (van wie ik me vooral Koos Geerds herinner) en Kristien sprak over Herman. 

Ze was aardig en in een goed humeur, maar het lukte me maar moeilijk om haar bij de vragen te houden. Dat was ook weer niet heel erg, want ze vertelde veel anekdoten, waar het publiek graag naar luisterde. 

Vijf jaar geleden schreef ik kort over haar podcast over de Brontës (even scrollen) en eerder las ik De dood heeft mij een aanzoek gedaan (2010) en Kronkelpaden van het geheugen (2012). De links plaats ik hieronder. Ik was enthousiast, maar daarna liet ik veel boeken ongelezen. Wonderlijk. 

Ik luister veel naar interviews en daar kwam onlangs Hemmerechts voorbij, naar aanleiding van Van ver gekomen, dat zojuist verschenen is. Dat heb ik toch maar gelezen. Weer heel goed. Daarna heb ik tweedehands Als een kinderhemd (2006) gekocht. Dat zal wel een tijdje blijven liggen, maar ik ben vast van plan het te gaan lezen. 

Zus, moeder, Heddy

Van ver gekomen heeft (voor zover ik kon ontdekken) niet een heel strakke opbouw. Kort na elkaar stierven Hemmerechts' zus Veerle (die een deel van haar leven in psychiatrische ziekenhuizen verbleef) en hun beider moeder. Ook overleed Heddy Honigmann, filmregisseuse met een indrukwekkend oeuvre. Ze werd vooral bekend door haar documentaires. 

Verder is Hemmerechts, die zich altijd tegen het geloof en vooral tegen de kerk heeft verzet, lid geworden van de katholieke lekengemeenschap Sant'Egidio. Ze noemt het in Van ver gekomen voor het eerst als ze nadenkt over mogelijke levens, parallelle levens in een andere wereld. 

Ze zou in zo'n leven een Kristien kunnen zijn die niet schrijft en die vrolijk oppervlakkig kan leven of een Kristien die nooit gescheiden is geweest en leeft in een gezin waarin niemand doodgegaan of ernstig ziek geworden is. 

De laatste tijd is er een derde Kristien, eentje die haar leven wijdt aan God. Ze breviert, ze zingt, ze is in gesprek met God. Woont ze in een klooster? Geen idee. Eerst dacht ik dit boek te beginnen met de zin: 'Ik wou dat ik meer tijd had voor U.' U, God.

Ze weet ook wel dat ze ergens tijd voor kan maken als ze dat wil en blijkbaar gebeurt dat niet. Maar ze gaat wel trouw ter kerke, er is sinds een jaar of drie (weer) een God in haar leven. 

Het komt goed

Haar moeder zegt 'Ge komt van ver' en vraagt daarna of die mensen daar meevallen. 'Het gaat niet om de mensen, mama,' antwoordt Kristien. Ze zoekt iets wezenlijkers. Wat ze zoekt in de mis?

Daarom moet ik iedere week naar die mis. Om de Blijde Boodschap te horen. Om te denken: misschien is het allemaal waar. Misschien mag ik hopen, geloven, vertrouwen. Het komt goed. Alles komt goed. Ook al is er veel dat ik niet begrijp, ook al kan ik niet altijd volgen en ebt mijn aandacht weg, ook al slaag ik er niet altijd in te blijven luisteren, ook al zou ik soms willen dat het langzamer ging en er tijd werd genomen om op een zin, een gedachte in te gaan. 'Daar dient de liturgie niet voor,' zegt priester Rik. - Waarom niet, denk ik. 

Daarbij blijft ze kritisch. Ze gelooft 'natuurlijk' niet in de transsubstantiatie of de onbevlekte ontvangenis van Maria. God is ook geen persoon voor haar met wie je een relatie zou kunnen hebben, maar ze probeert dicht te blijven bij het goddelijke in haar. 

Toen ze de diagnose borstkanker kreeg, had ze een gevoel dat ze opgetild werd door God. Juist op een crisismoment zul je gevoeliger zijn voor het irrationele of misschien moet ik zeggen het bovenrationele. Bij alles blijft Hemmerechts scherp observeren en het is prettig om haar daarin te volgen. 

Schuldgevoel

Ze vertelt over God in haar jeugd, over de angst voor de hel of het geloof dat er een engeltje en een duiveltje op je schouders zitten, maar ook hoe moeder kon dreigen met God. Schuldgevoel en schaamte zijn verbonden met het geloof. 

Schuldgevoel is er ook ten opzichte van haar oudere zus, die Kristien als het prinsesje van het gezin zag, wat niet strookte met de ervaring van Hemmerechts. De zus kwam te dichtbij, fysiek en mentaal. In Van ver gekomen verkent Hemmerechts hoe dat in hun leven werkte. 

Uiteindelijk kan ze tegen de zus zeggen:

Rust in vrede, zus. En vergeef me omdat ik niet de zus was die je gehoopt had dat ik zou zijn. Ik kon die niet zijn. Het was niet jouw schuld, het was niet mijn schuld, het was gewoonweg zo. 

En dan de moeder, die zo tekeer kon gaan. Er zijn beelden uit het verleden die tussen Hemmerechts en haar moeder in zijn blijven staan. Ja, er zijn ook goede herinneringen, maar er is ook reserve. En later hebben haar ouders moeite met Kristiens echtscheiding. 

Schaamte

Haar moeder en haar zus waren rolpatronen voor haar. Het waren voorbeelden, maar het waren ook voorbeelden die ze niet wilde navolgen. Hoe moest ze als vrouw leven? 

Er leeft in mij een Kristien die zich schaamt over de boeken die ze geschreven heeft, die zich schaamt omdat ze boeken geschreven en gepubliceerd heeft - wat niet wegneemt dat ik er lustig mee doorga. De rationele K weet dat het onzin is, wat andermaal niet wegneemt etc.

Er zijn veel tegenstrijdigheden, in het leven en in ieder mens, en het is mooi dat Hemmerechts die laat bestaan. Ze peutert de knopen van het leven uit elkaar, niet om tot definitieve antwoorden te komen, maar eerder om te ontdekken hoe het allemaal in elkaar zit en dat het onvermijdelijk is om van tijd tot tijd met losse eindjes te zitten. 

Scherp denkend observeren

Juist daarin, het scherp denkend observeren, zit het spannende in Van ver gekomen. De structuur is losjes, alsof Hemmerechts maar wat hardop zit na te denken en die losheid heb ik als aangenaam ervaren. Je slentert met de schrijfster door het boek, neemt hier een pad links, daar een pad rechts en uiteindelijk doorkruis je toch het hele gebied. 

Ook haar vriendschap met Heddy Honigmann heeft verband met haar zus. Honigmann noemt ze een van haar vervangzussen, de vrouwen met wie ze contact had mede door het ontberen van het echte contact met haar zus. 

Ook bij Honigmann was er wat te verwerken in de relatie tussen ouder en kind. Haar vader had een jaar verbleven in Mauthausen als politiek gevangene en was uiteindelijk ontsnapt. Dat jaar had hem ontmenselijkt. Wie bij zo'n vader opgroeit, heeft het niet gemakkelijk. Hemmerechts wilde een boek over haar leven maken. 

Ik wilde er een boek over haar levensverhaal van maken, over de weg die ze had afgelegd, over de rol van het toeval, maar ook over haar wilskracht, haar intelligentie, haar sluwheid, haar overlevingsinstinct, waarvan ik overtuigd was dat ze die van haar vader had overgeërfd. 

Humor

Van ver gekomen gaat niet over lichte onderwerpen, maar het is geen zwaar boek. De humor is nooit ver weg bij Hemmerechts. Ik heb bijvoorbeeld breed moeten grijnzen om haar controverse met het Nederlands Bijbelgenootschap dat haar gevraagd had een bijdrage te leveren op hun weblog. Dat deed Hemmerechts (over Maria en Martha), maar toen was het NBG weer bang voor de reacties die dat zou opleveren. Het is mooi dat je je als lezer daarover tegelijk vrolijk kunt maken en ergeren. 

Verder is er veel warmte en vertrouwen in Van ver gekomen. Hemmerechts noemt zichzelf een vertrouwende. Maar Kristien Hemmerechts blijft ook kritisch nadenken en daarbij is wantrouwen nodig, niets als vanzelfsprekend willen ervaren, maar willen weten hoe het werkelijk zit. 

In zekere zin is het boek een biecht, maar niet tegenover de kerk of tegenover God (denk ik), maar tegenover zichzelf. Hemmerechts heeft onderzocht wat bijvoorbeeld haar zus voor haar betekende en waarom het tussen hen moeilijk liep en moet dat onder ogen zien nu ze het verwoordt heeft. 

Tegelijkertijd is er een gevoel van vrede. 

Het vreemde gevoel dat ze nu veilig zijn, Veerle zowel als mijn moeder. Dat ik me om hen geen zorgen meer hoef te maken. 

Nietsontziende warmte

Van ver gekomen is een wonderlijk boek, maar ik vind het mooi. Scherpte en mildheid zijn er allebei en ze blijken uitstekend samen te kunnen gaan. Het hele boek ademt een gevoel dat ik maar zal benoemen als nietsontziende warmte, wat een gebrekkige omschrijving is, maar wat wel ongeveer de leeservaring weergeeft. 

Natuurlijk moet ik meer van Hemmerechts lezen en dat ben ik ook vast van plan, zoals ik dat van plan ben bij meer goede schrijvers. Maar even zien of het me lukt mijn voornemen ten uitvoer te brengen. 

donderdag 28 maart 2024

Afgestoft: Het leven heeft geen geheimen (Koos van Zomeren)

Maar weer eens de stofdoek gehanteerd. Toen de wolken stof optrokken kwam daar deze recensie van een boek van Koos van Zomeren onderuit. Hij stond op 20 januari 2005 in het Nederlands Dagblad. 

Ik hou erg van het werk van Van Zomeren, al duurt het soms even voordat ik daadwerkelijk lees. Hij kreeg (als mijn herinnering klopt) behoorlijk wat publiciteit met Otto's oorlog (1983), maar ik las het pas na Het verhaal (1986), dat wel meteen na het uitkomen las. Toen was ik ook wel verkocht. Ik las dus Otto's oorlog en ook De witte prins (1985) en Oom Adolf (1980). 

In 1987 kocht ik ook meteen Sterk water en las het, maar Van Zomeren publiceerde zoveel dat ik hem niet bij kon houden. Ik had echt wel zin in de columns in Een vederlichte wanhoop (1987) en ghet dagboek Een jaar in scherven (1988), maar het kwam er niet van. Wel pikte ik het dunne Van school (1989, met Benno Barnard) mee, maar daarna duurde het tot eind 2004, toen ik Het leven heeft geen geheimen (2004) las. De recensie daarvan staat hieronder. 

Ooit ontmoette ik Van Zomeren, toen hij de opening van een expositie verrichtte, maar veel hebben we niet gesproken. 

Van Zomeren schrijft aan een intrigerend oeuvre en als ik ergens een boek van hem tegenkom in een kringloop neem ik het mee. Als je nog nooit wat van hem gelezen hebt, heb je nog veel moois tegoed. 


Een schijnbaar glasheldere roman

Niets is heerlijker dan je verliezen in een roman. In het hoofd en dus de gedachtewereld van een hoofdpersoon kruipen, zijn angsten, vreugden en verlangens delen en zolang je leest helemaal weg zijn van de tijd en de plaats van het heden. Veel jeugdboeken heb ik indertijd zo gelezen. Ik ben Buffalo Bill geweest en Paddeltje en later was ik Iskander of Rozeke van Dalen. Escapisme natuurlijk, maar de vraag is of dat erg is. 

Een geoefende lezer heeft die argeloosheid verloren, zoals ook de literatuur niet meer inspeelt op zo'n argeloze lezer, die zich identificeert met de hoofdpersoon. Sommige boeken dragen nadrukkelijk de boodschap uit dat de opgeroepen wereld niet de echte wereld is, dat het slechts literatuur betreft. 

Een mooi voorbeeld daarvan is Quissama van F. Springer, waarin de hoofdpersoon, Charles Enders, zich gedurende de roman meer en meer begint af te vragen wat er nu waar is van de verhalen die zijn tegenspeler, King Velderman, opdist. Op de laatste bladzijde blijkt ook Enders maar een romanpersonage te zijn. Een personage dat de vrees bekruipt dat hij maar een personage is en niet 'echt' bestaat. 

Ook in Het leven heeft geen geheimen van Koos van Zomeren vertelt de schrijver ons uitdrukkelijk dat het literatuur, verbeelding, is wat wij lezen. In het eerste deel leren wij een traditioneel romanpersonage kennen. Hans Riggeling, ex-cabaretier, die de kost verdient door zijn stem te verhuren, maar hij is brodeloos geworden sinds hij zijn stem kwijt is. Dat gebeurde nadat hij van een mountainbiker een klap op zijn strottenhoofd kreeg. Lastig voor Riggeling, niet alleen omdat hij voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn stem, maar ook omdat hij de behoefte heeft om zich uit te spreken over de wereld. Riggeling is vol woede over veel in de wereld. Die woede heeft hem ook zijn stem gekost. 'Sodemieter op met je teringfiets!' riep hij tegen de mountainbiker, maar halverwege die uitroep stokten de woorden hem al in de keel. 

Uit een boekje met artikelen over het werk van Koos van Zomeren (Want je ziet niet alleen wat je ziet), blijkt dat Riggeling in die woede samenvalt met Van Zomeren:
Waar eerst een wandelpaadje was waar je ook kon fietsen, is nu een fietspad waar je ook kunt wandelen - als je tenminste bestand bent tegen de bloedstollende oerkreten waarmee slierten toerfietsers je aan de kant brullen. Ik persoonlijk kan daar slecht tegen. Ik vind het helemaal niet vanzelfsprekend dat snelheid voorrang heeft op traagheid, ik vind helemaal niet dat ik altijd aan de kant moet, en dan kan het Groene Hart me eigenlijk gestolen worden - ik ga de polder niet redden om hem vervolgens te verliezen aan die fietsmaniakken, ik ga me niet inzetten voor de natuur in Nederland om haar vervolgens aan flarden te laten rijden door mountainbikers. 
Er is wel wat aan te merken op dat eerste deel van Het leven heeft geen geheimen. Het probleem van Riggeling wordt wel duidelijk, maar erg veel gebeurt er verder niet. 

In deel 2 is ineens de schrijver zelve aan het woord, die zit te puzzelen op zijn roman en hetzelfde mankement ook erkent. Daardoor is het gebrek ineens geen gebrek meer, maar iets wat bewust zo gedaan is, niet door de schrijver in het boek (die natuurlijk ook maar een personage is, al lijkt hij in alles op wat wij van Koos van Zomeren weten, maar door de schrijver buiten het boek. 

De schrijver wil Riggeling in verband brengen met een gebeurtenis uit de Tweede Wereldoorlog, maar weet niet goed hoe hij dat moet doen. Het gaat om een Duitse soldaat die gevangengenomen is door de Russen. Ze laten hem piano spelen tot hij niet meer kan, en schieten hem daarna dood. 

In deel 3 zijn we weer terug bij Hans Riggeling, bij wie vragen opkomen over zijn broertje Julius, die op jonge leeftijd omgekomen is doordat hij overreden is door een motor. Riggeling is aan het rekenen geslagen en vraagt zich af of zijn vader wel de vader van Julius kan zijn. Was vader in de tijd van de conceptie wel in huis? De enige die hem verder kan helpen is tante Caecile, de jongere zus van Hans' moeder. Zij vertelt hem dat de zaken anders in elkaar zaten dan Hans begon te vermoeden. 

Dingen te weten

Intussen heeft Hans ook de gebeurtenis van de pianospelende Duitse soldaat in zijn hoofd, maar hij weet niet waar het verhaal vandaan komt. Het gezicht dat hij voor zich ziet, kan bijna niet zijn van een Duitser die hij ooit gezien heeft. Hans komt erachter hoe de zaken zitten, maar de vraag is of hem dat wel verder helpt. 'Het leven heeft geen geheimen,' hoorde hij zijn vader ooit zeggen. Tante Caecile verwoordt het aan het eind van de roman zo:
Ik ben zelf ook wel eens dingen te weten gekomen over mijn leven... dingen die ik nooit verwacht had... diengen die... en eerst heb je het gevoel: dat verandert alles, eerst vind je het prachtig of juist verschrikkelijk om die dingen te weten, maar op den duur merk je... er verandert eigenlijk niets, er verandert eigenlijk nooit wat - alles wat goed was blijft goed en alles wat verkeerd was blijft verkeerd. 
Op dat inzicht valt wel wat af te dingen, maar eigenlijk gaat het daar in deze roman nauwelijks om. De thematiek zit hier meer in de vorm, dan in een of andere filosofische grondgedachte. Van Zomeren, wil ons laten geloven dat ook de roman geen geheimen voor ons heeft, dat hij de lezer uit de doeken doet hoe hij geworsteld heeft met de materie en hoe uiteindelijk het eindresultaat tot stand gekomen is. De lezer zal dat echter alleen aannemen, als hij bereid is om identificerend te lezen, waarbij hij zich niet alleen identificeert met het personage Hans Riggeling, maar ook met het personage Koos van Zomeren. En dat kan bij Het leven heeft geen geheimen de bedoeling niet zijn. We weten dat buiten het boek er een gniffelende schrijver is, die alles in de hand heeft, die het geheim van de schrijver mooi voor zich houdt en ons intussen zoet houdt met een schijnbaar glasheldere roman. Knap werk. 


Eerder schreef ik over:
Rondom Staal (2012)
Hooiberg (2018)

woensdag 27 maart 2024

Iemand om mee te praten (Grégory Panaccione)


Samuel Verdi, vijfendertig jaar oud, heeft niet zo'n vrolijk leven. Op zijn werk heeft hij een baas die hem op de huid zit en veel contacten heeft hij ook al niet. Zo viert hij zijn verjaardag altijd in zijn eentje. Hij drinkt dan te veel en belt zijn ex op, omdat hij niemand anders heeft om te bellen. Deze keer verknoeit hij ook nog zijn smartphone, zodat hij aangewezen is op de vaste telefoon. 

Maar om die te gebruiken moet je nummers uit je hoofd kennen en het enige nummer dat hij zich herinnert, is dat van het huis waarin hij opgroeide als kind. Tot zijn verbazing en zijn schrik overbrugt de telefoonverbinding niet alleen de afstand in de ruimte, maar ook die in de tijd: hij krijgt zijn jongere ik aan de lijn, het jongetje Samuel. 

Li-Na

Op zijn werk maakt hij kennis met Li-Na, een jonge vrouw uit China, die het team tijdelijk komt versterken. Samuel vindt haar leuk, maar durft dat eigenlijk niet te laten merken. Verder heeft hij contact met zijn onderburen, Marcel en Marcelline, bij wie hij wekelijks eet. 

Het bijzonderst is natuurlijk het contact met Samuels jongere ik. In de literatuur komt zo'n lus in de tijd vaker voor, bijvoorbeeld in Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen en Alles kantelt van Tomas Lieske. Het is voor een schrijver een gecompliceerde situatie. Als de hoofdpersoon ingrijpt in het verleden, klopt het heden immers niet meer. 

Samuel wil zijn jongere ik graag behoeden voor verdriet, maar hij weet ook dat dat niet kan. Zo is de moeder van het jongetje ziek. Samuel weet dat ze nog maar kort te leven heeft, maar dat kan hij natuurlijk niet zeggen. 

Na een van de gesprekken gaat het jongetje wel een pester op school te lijf. Dat zal dus in het verleden ook werkelijk gebeurd moeten zijn, al herinnert de oudere Samuel zich dat niet meer. Hoe het jongetje zich uit een lastige positie omhoog werkt, is weer een voorbeeld voor de Samuel van later. 

Toenadering

De gesprekken met zijn jongere ik doen Samuel goed. Uiteindelijk kan hij zelfs met Li-Na praten over zijn gevoelens. Maar dan is ze plotseling verdwenen. Wat er dan allemaal gebeurt, hou ik even voor me, om het leesplezier niet te bederven. Nee, ik ga ook niet vertellen of het goed afloopt. 

Iemand om mee te praten is een menselijk boek. Het gaat niet over helden, maar over mensen met hun beperktheden, hun onhandigheden, hun ongemak. Mensen zoals wij dus, krabbelaars. De ene keer gaat het wat beter, de andere keer wat moeilijker. 

Wat Samuel kracht geeft en weer initiatief is het gesprek met zijn jongere ik. Dat zou een metafoor kunnen zijn voor het in gesprek gaan met kind dat in ieder van ons zit. Het kind dat zich in het verleden gered heeft toen het leven ook af en toe best lastig was. Dat kind dat zich er toen doorheen geslagen heeft, zit nog steeds ergens in ons. 

Stappen zetten

Dat contact zorgt ervoor dat hij stappen gaat zetten, gaat proberen zijn leven in de hand te krijgen. Ten opzichte van zijn baas, ten opzichte van Li-Na en dat boek waar hij ooit aan begonnen was, daar moet hij ook nog wat mee.  Allemaal best lastig, maar hij doet het toch maar. Marcel en Marcelline zijn er getuigen van. Zij beschouwen hem min of meer als de zoon die ze nooit gehad hebben. Gewoonlijk verlaten kinderen het nest als ze twintig zijn, maar toen kwam Samuel juist in het leven van zijn buren. 

Het verhaal van Iemand om mee te praten is gebaseerd op een roman van Cyril Massarotto. Panaccione heeft er echt een strip van gemaakt, waarbij de tekeningen een groot deel van het verhaal vertellen. Samuel heeft alleen per telefoon contact met het jongetje dat hij ooit was, maar het voelt alsof ze samen buiten lopen, voetballen, in bomen klimmen. 

Samuels gedachten, bijvoorbeeld over wat hij zijn baas toewenst, zijn vaak als tekening weergegeven. Dat werkt goed. Het hele boek door is het leestempo vrij hoog en de beelden blijven je bij. Het boek is ingedeeld in overzichtelijke hoofdstukken, met op de titelpagina van elk hoofdstuk een eenvoudige tekening. 

Er is behoorlijk wat afwisseling, bijvoorbeeld tussen tekeningen met en zonder kader. In het laatste hoofdstuk komt een brief voor. De tekeningen daarbij zijn schetsmatig, zodat de tekst wat meer aandacht krijgt. Soms pakt Panaccione uit met een grote tekening. Vaak markeert die een belangrijke scène in het boek, maar die zorgt ook voor een rustmoment, na een serie kleinere tekeningen. Zo kan de lezer even op adem komen. 

Humor

Er zitten passages in Iemand om mee te praten die wat zwaarder zijn, maar gemiddeld genomen is de verteltoon licht en de humor is nooit ver weg. Als Li-Na ermee akkoord gegaan is dat Samuel en zij elkaar voortaan met 'je' aanspreken, is hij de koning te rijk. Panaccione laat hem zweven van geluk. Daarbij stoot hij dan wel weer zijn hoofd tegen het plafond. 

De tekeningen doen me qua stijl denken aan die van Aimée de Jongh. Dat heeft te maken met de lijnvoering, maar ook met de manier waarop de (soms vrij grote) ogen expressie uitdrukken. En misschien komt het ook wel door het soort verhaal. Ook Aimée de Jongh zit altijd dicht op het menselijke. 

Iemand om mee te praten wordt afgesloten met een korte epiloog van twee bladzijden. Het verhaal wordt daarmee mooi rond gemaakt. Niet alleen weten we nu dat het precies een jaar geduurd heeft, maar ook welke beslissende ontwikkeling Samuel heeft meegemaakt. 

Grégory Paccione heeft niet alleen een goede strip gemaakt, maar het is ook een positief verhaal, dat veel lezers een warm gevoel zal bezorgen. Je leeft mee met Samuel en je wilt dat het goed met hem afloopt. Vooral als het tegenzit. Het boek spreekt mensen aan op hun mededogen, doet een beroep op hun empathie en die hebben we maar al te graag met dit personage. En misschien gaan we na het lezen wel een goed gesprek aan met het kind in ons. 

Titel: Iemand om mee te praten
Tekst en tekeningen: Grégory Panaccione
Vertaling: James Vandermeersch
Uitgeverij: Lauwert
256 blz. € 38,95 (hardcover)

dinsdag 26 maart 2024

Peachez, een romance (Ilja Leonard Pfeijffer)

Hoe meer je leest, hoe meer je beseft wat je allemaal niet gelezen hebt. Dit jaar ga ik wat meer oudere literauur bijlezen. Ik plaatste bijdragen over Ina Boudier-Bakker, Clare Lennart, A.H. Nijhoff en Arthur van Schendel. Van twee van deze auteurs heb ik al weer een boek ter lezing klaarliggen. 

Maar ook bij de meer recente literatuur is er veel ongelezen gebleven. Daarmee word ik soms geconfronteerd als ik mondelinge examens afneem. Daarom zal ik dit jaar ook nog iets lezen van bijvoorbeeld Thomas Oldeheuvelt. 

Dat ik een boek niet gelezen heb, verhindert mij meestal niet om erover te vragen. Ik lees een paar goede samenvattingen en dan kom ik er meestal wel mee weg. Zo heb ik ook al verschillende keren gevraagd over Peachez, een romance (2017) van Ilja Leonard Pfeijffer. Maar gelezen had ik het niet. 

Eigenlijk had ik ook wel zin in het boek. Ik had er wel vertrouwen in dat het een leuk boek is om te lezen. Maar ik kende de plot al. Ik vroeg me af of dat het leesplezier zou bederven. 

Dat bleek niet het geval. Als je helemaal niet weet waar het verhaal heen gaat, is het boek nog net iets leuker natuurlijk, maar het het boeide me, ook met voorkennis, gemakkelijk. 

Capre diem

De hoofdpersoon is een wat oudere man, classicus, die een mailtje krijg van ene Sarah. Daarin schrijft ze 'capre diem', wat hij toch even moet verbeteren. In de loop van de weken blijven ze contact houden. Tussendoor heeft Proffie, zoals ze hem noemt, het druk met het organiseren van een Tertullianuscongres te zijner ere. 

Het is vermakelijk om te zien hoe Sarah Proffie om haar vinger windt. Hij is daarin wel erg naïef, maar je gaat als lezer wel in het verhaal mee. Sarah stuurt hem ook foto's en dan komt hij erachter dat een deel van haar verhaal niet klopt. Ze werkt namelijk niet in een bar, maar is fotomodel: Sarah Peachez. 

Dat geeft ze ook toe en ze legt ook uit waarom ze dat niet verteld heeft. Dat klinkt redelijk geloofwaardig en Proffie gaat helemaal mee in haar verhaal. Hij is zelfs bereid voor haar naar Curaçao te vliegen, ondanks zijn vliegangst. 

Gevangenis

Als het boek begint, is het hele verhaal eigenlijk al achter de rug. Proffie schrijft een verslag van wat er gebeurd is, als een soort bekentenis. Hij bevindt zich op dat moment in de gevangenis. Hij neemt Sarah overigens niets kwalijk. Voor hem is ze de liefde van zijn leven. 

De enige reden waarom ik de mij toegewezen advocaat, die verder ook weinig meer voor mij kan doen, heb gevraagd om mij een pen en een ongelinieerd notitieboek te laten bezorgen en waarom ik het voornemen heb om in een kort bestek maar met zo groot mogelijke precisie op te schrijven wat mij is overkomen, is dat ik elke mogelijke indruk wil wegnemen dat haar iets valt verwijten. Haar treft geen blaam. Zoals zal blijken uit mijn nauwkeurige reconstructie van de gebeurtenissen, is zij onschuldig. 

Pygmalion

Ook als de classicus weet dat het beeld dat hij van Sarah heeft niet klopt, houdt hij eraan vast. Niet voor niets noemt hij de mythe van Pygmalion, de beeldhouwer die een beeld van Aphrodite maakte. Hij werd verliefd op het beeld en op zijn gebed kwam het beeld tot leven. 

Het is een van de weinige verhalen uit de Griekse mythologie die goed aflopen en volgens Sarah zegt dat iets over hen tweeën. Ook dat verhaal zal goed aflopen. 

Misschien is dat ook gebeurd. Weliswaar is de hoofdpersoon allerlei narigheid overkomen, maar in zijn hoofd is het beeld van zijn geliefde onaangetast. 

Peachez is een mooi boek. Het is een liefdesverhaal, met een zeker schattigheidsgehalte, door de naïeve hoofdpersoon. Hij formuleert vrij plechtig en vaak in lange zinnen, wat mooi contrasteert met de ongepolijste Sarah. Naar het verhaal van Pygmalion verwijst ze een keer als 'wat je me vertelde over die pygmee met zijn beeld.' Dat vind ik heel erg grappig. 

Naar de ondergang

Je leeft als lezer gemakkelijk met de hoofdpersoon mee. Je ziet hoe hij zijn eigen ondergang bewerkstelligt en je kunt niets doen. Zo moet hij al de hele tijd de president van Koninklijke Academie bellen, om het congres financieel rond te krijgen. Tot die tijd staat hij zelf garant. Hij belt maar niet, hij laat het gewoon lopen. Door de garantie blijkt later zijn bankrekening geblokkeerd.  

Sarah Peachez is een bestaand model, al heeft het model dat zich zo noemt niets met dit verhaal te maken. Pfeijffer baseerde zijn verhaal op wat er gebeurde met de deeltjesfysicus Paul Frampton, die in een soortgelijke situatie terechtkwam, met het model Denise Milani. 

Steppolitetetralogie

In de Verantwoording schrijft Pfeijffer dat Peachez, een romance te zien is als het derde deel van wat hij de Steppolitetetralogie noemt. Daarin verschenen ook Rupert. Een bekentenis en Dolores. Elegieën. Het tweede deel, Morgonder en Algruel. Een zomernachtsdroom, moet nog verschijnen. Daar zijn intussen Grand Hotel Europa (2018) en Alkibiades (2023) tussendoor gekomen. 

Na die laatste pil van Pfeijffer, die je niet zomaar wegleest, was het wel lekker om een luchtig en vermakelijk boek van hem te lezen. Ook dat zit trouwens goed in elkaar. Als iemand nooit wat van Pfeijffer gelezen heeft, is het een mooi instapboek. Ik snap ook wel dat leerlingen het graag op hun lijst zetten. Het boek is intussen verfilmd. 

Ik heb nu ook wel zin om Rupert (2002) te gaan lezen. Het was Pfeijffers eerste roman en het werd bekroond met de Anton Wachterprijs. Maar er zijn nog heel wat boeken die ik wil gaan lezen, dus maar zien wat ervan komt. 

Boven op mijn stapel liggen nu boeken van Kristien Hemmerechts, Leo Pleysier en Marijke Schermer. Daarover kun je dus binnenkort bijdragen verwachten. 


Eerder schreef ik over:

maandag 25 maart 2024

De kosmonaut (Jan Vriends)

Nog niet zo heel lang geleden is Jan Vriends benoemd tot stripmaker des vaderlands. Degenen die zijn werk nog niet kennen, kunnen er nu meteen mee kennismaken, want er is net een nieuwe graphic novel van hem uit: De kosmonaut.

Het boek is speels vormgegeven, met een cirkelvormig gat in de kaft. Door het gat, als door een raampje in een raket, zien we een deel van een planeet, de aarde. Verder zien we een ruimtevaarder, die verliefd is (hartje boven zijn hoofd), een zwevend potlood en nog veel meer, maar dan moet je heel goed kijken. In het donkere blauw is in zwarte lijnen het interieur van een raket getekend, met daarbij een hamer, een schroevendraaier, een radio en een avocadoplant. 

Vladimir

De ruimtevaarder is Vladimir Vasiljevitsj. Hij deed al tijden braaf zijn werk als wetenschapper, waarbij hij verschillende keren tot medewerker van de maand werd uitgeroepen, voordat hij uitverkoren werd om de opleiding tot kosmonaut te volgen. In een eenpersoonsraket, de Olova, wordt hij in een baan om de aarde gebracht. Intussen moet hij experimenten doen. Maandelijks wordt hij bevoorraad door juffrouw Monaco met haar raket. 

Ondanks dat de contacten maar kort zijn, raken Vladimir en Monaco zeer op elkaar gesteld. Maar dan krijgt Vladimir een technisch probleem en moet hij met de raket een noodlanding maken in een onherbergzaam gebied, waar gelukkig nog een een oudere vrouw woont op een boerderijtje.  

Vladimir trekt bij haar in en werkt aan zijn terugkeer. Intussen is hij vooral boer. Hij gaat houden van het boerenleven. Zal het Vladimir lukken om terug te keren naar de bewoonde wereld? En zal hij juffrouw Monaco ooit nog zien?

Jaren zestig

Vriends neemt ons mee naar de beginjaren van de ruimtevaart. Jaren zestig, gok ik. Dat is ook te zien aan de radio van Vladimir, zo'n buizenradio, met twee grote knoppen, die hij meeneemt op zijn ruimtereis. Dat kan natuurlijk eigenlijk niet, maar daar til je tijdens het lezen niet zo zwaar aan. 

Zo zijn er meer kleinigheden die net niet kloppen. Hoe komt de boerin aan koffie? En aan elektriciteit? Degenen die Vladimir moeten zoeken, weten vrij nauwkeurig waar hij zich bevindt. Het is een ruimte van vijftig km², een gebied van ruim zeven bij zeven kilometer. Een boerderijtje zou dan vanuit de lucht te vinden moeten zijn, lijkt me. 

Kleine genoegens

Het zijn maar details en ze storen niet, want het verhaal van Vladimir gaat over iets anders. Al in het begin van het verhaal blijkt Vladimir niet de held die bijzondere daden verricht, maar de man die zijn werk zo goed mogelijk verricht, zonder uit te zijn op eigen roem. Hij geniet van de kleine dingen: zijn radio, zijn avocadoplant. Hij is een vriendelijke en bescheiden man die zijn leven leidt in dienstbaarheid en tevreden is met kleine genoegens.

Juist hij wordt geroepen tot iets hogers, maar die status stijgt hem niet naar het hoofd en later op de boerderij gedijt hij uitstekend. Je zou kunnen zeggen dat hij ook in de ruimte al met twee benen op de grond is blijven staan, waarbij hij weinig meer verlangt dan het leven hem biedt. 

Verlangen

Maar dan is er ineens juffrouw Monaco, die het verlangen aanwakkert. Er komt iets in zijn leven wat het dagelijkse te boven gaat. Daarom doet hij er ook alles aan om terug te keren. 

In De kosmonaut wordt zowel de bescheidenheid als de liefde gevierd. Wied je tuintje, aai je dieren, geniet van je koffie. Het zijn maar kleine dingen. Vladimir zou zich daarmee tevreden kunnen stellen, maar er is toch nog iets wat alles gloed kan geven en dat is de liefde. 

Positief

De kosmonaut is strip waarin zoveel positiefs zit, dat je er eigenlijk niets tegen kunt hebben. Dat zou iets zoets kunnen hebben en misschien heeft het dat ook wel, maar doordat Vriends het allemaal klein houdt, is het goed te verteren. Zijn verhaal gaat niet over de grote wereldproblemen, maar over een mens die een avocadopit met liefde behandelt en uit laat groeien tot een plant. 

Zelfs de tragiek is klein. Pas als hij dronken is, vertelt Vladimir dat hij juffrouw Monaco mist en de boerin heeft ook wel wat te vertellen waar Vladimir pas laat achter komt. Hij had er domweg niet naar gevraagd. 

De viering van het kleine en de afwezigheid van alle opgeblazenheid, maken De kosmonaut tot een aangenaam boek. Voor een lezer die moet stofzuigen, de kliko aan de straat moet zetten en op zijn werk de opdrachten moet uitvoeren die op zijn bureau liggen is Vladimir, ondanks dat hij kosmonaut is, iemand die binnen bereik ligt. 

Het verhaal zit slim in elkaar en tegen het eind wordt duidelijk waarom er op de cover prominent een potlood aanwezig is. Daarover ga ik verder niets verklappen. 

Soms is een tekstballon half over een tekstvak geplaatst, soms andersom. Dat is in de passage dat Vladimir druk is met zijn experimenten. Alsof er te veel te doen is om dat allemaal te kunnen vertellen. Verder zijn er paginagrote tekeningen waarop getoond wordt hoe Vladimir het jaar rond werkt op de boerderij. Ze zijn groot gemaakt, omdat ze het complete leven van Vladimir uitbeelden. 'Vier verschillende seizoenen, maar elk jaar lijkt hetzelfde.' In zo'n opmerking schemert het gemis van Monaco al door. 

Tekeningen

De tekeningen van Vriends zijn helder. Ook wat dat betreft is eenvoud de norm. Dat wil niet zeggen dat ze simpel zijn. Iets er eenvoudig uit laten zien, is vaak nog een heel werk, maar het lukt Vriends uitstekend. De tekeningen laten zich gemakkelijk lezen en de manier van tekenen past goed bij het karakter van Vladimir, die van poeha ook niets moet hebben. 

Door het hele boek heen zijn er tekststroken. Op de laatste bladzijde staan ze allemaal onder elkaar en vormen een soort gedicht, dat De kosmonaut afsluit. Vladimir heeft zijn bestemming gevonden. 

Jan Vriends, De kosmonaut. Uitg. Scratch Books, 2024; 144 blz. € 24,95

vrijdag 22 maart 2024

Afgestoft: Dooi (Rascha Peper)

Ooit interviewde ik Rascha Peper. In het gesprek ervoor (of erna) vertelde ik dat ik de indruk had dat personages die Olga heten altijd naar haarzelf verwijzen. Dat bleek te kloppen. Maar er is meer autobiografisch. In Wie scheep gaat huurt een man een appartement met een afgesloten ruimte. Daarin blijkt een heel gezin te wonen. Dat is haar man overkomen. 

Na afloop bracht ik haar naar het station in mijn oude auto. Peper bedacht dat ze nog een boekje in haar tas had dat ze mij wilde geven, maar het lampje in mijn auto deed het niet, zodat ze maar op de gok iets moest opschrijven. Ze zei: 'Ik schrijf er niet in: Voor Teunis, Op de tast.'

Op 29 september 2000 stond in het Nederlands Dagblad de recensie die ik schreef van Pepers roman Dooi. Bij het nalezen heb ik wel af en toe moeten fronsen. Klopt alles wel? Ging het wel om een woonboot? Klopt 'de komende dagen' wel? Ik zou ook niet meer schrijven 'heel subtiel' en wat bedoel ik in vredesnaam met 'de kleine gebaren waarin het verhaal zich voltrekt'? 

Ik laat het allemaal maar zo. Zo stond het in ieder geval in de krant. 

De coelacanth en de liefde

Velen van ons zullen als kind het verhaal gelezen of gehoord hebben. Robinson Crusoë komt na een schipbreuk op een onbewoond eiland terecht en moet zich dan zien te redden. En natuurlijk waanden we ons allemaal Robinson en vonden we het spannend ons in te denken hoe het zou zijn in zo'n situatie. 

Ruben Saarloos is de hoofdpersoon van Dooi, de nieuwste roman van Rascha Peper, en hij is ook zo'n Robinson. Hij ligt met zijn woonboot vastgevroren in het ijs voor de kust van een onbewoond eilandje in het IJsselmeer. 

Aanvankelijk is zijn isolement nog niet zo groot, want over het ijs is hij zelfs per auto bereikbaar. Maar als het boek begint, heeft de dooi al ingezet. Rubens vrouw is alweer naar het vasteland en zijn enige gezelschap zijn de konijnen die hij bij zijn dagelijkse rondgang over het eilandje ontmoet. Ruben had gehoopt heel wat te kunnen doen aan zijn werk (hij vertaalt een boek over vissen), maar daar komt het niet zo van. Zijn dagen zijn eentonig: een rondje over het eiland, af en toe een telefoongesprek met zijn vrouw en voor de rest grauwheid. 

Die eentonigheid wordt doorbroken door een jonge vrouw op schaatsen. De vlam van haar vuurrode haar contrasteert met het ijs en de grauwheid die Rubens dagelijkse leven zijn geworden. Hij is dan ook blij verrast door haar komst, te meer omdat hij niet verwacht had dat hij over het dooiende ijs te bereiken zou zijn. De schaatsster komt de komende dagen terug, waardoor Rubens bestaan verandert. Hij heeft iets om naar uit te zien, zoals een ziekenhuispatiënt naar het bezoekuur.  

Je merkt als lezer dat er zich iets ontwikkelt tussen de twee, zonder dat er nog iets gebeurt. Maar Rascha Peper verstaat de kunst bijzonder goed om met heel kleine middelen de spanning op te voeren. 

In een vorig boek, Rico's vleugels, beschreef ze hoe een bejaarde schelpenverzamelaar verliefd wordt op een kansarme jongere. Ook daar gebeurde weinig, maar werd de sfeer steeds broeieriger. Iets soortgelijks gebeurt hier. 

Het is een soort blijde verwarring die Ruben overvalt. Hij had die op zijn leeftijd (hij is bijna zestig) niet meer verwacht en hij weet ook niet goed wat hij ermee aan moet. 
Wat sloeg hem zo uit het lood? Was hij verliefd? Het woord alleen al wekte een hevige irritatie. Misschien was het maar beter als dat meisje morgen niet meer kwam. Vrouwen hadden dat soort dingen snel in de gaten en hij wilde zich niet belachelijk maken. Maar alleen de gedachte al dat ze niet meer zou komen, veroorzaakte een wezenloos hol gevoel in zijn borst. 
Als het verhaal van Ruben alleen maar een liefdesgeschiedenis zou zijn, zou het al ruimschoots geslaagd zijn. Peper is heel subtiel in het beschrijven van Rubens verwarring. Ze beschrijft mooi het krachtenspel tussen wat Ruben voelt en zijn reflectie erop waarin hij zich afremt. 

Maar Peper biedt meer. Het vissenboek dat Thomas vertaalt, besteedt ook een paragraaf aan de coelacanth, de vis die iedere literatuurlezer kent uit Achterbergs gedicht 'Ichtyologie'. De coelacanth is een vis die men in 1938 ontdekte. Tot die tijd had men aangenomen dat het dier al miljoenen jaren uitgestorven was. 

Rubens vader was gefascineerd door de coelacanth. Hij gaf alles op, zelfs zijn gezinsleven, om er een te vangen, maar het lukte hem zijn leven lang niet. Een dwaze passie, zou je kunnen zeggen, die bovendien het gezin mogelijk geschaad heeft. Ruben vraagt zich wel eens af of hij een ander mens geweest zou zijn als zijn vader normaal voor zijn gezin gezorgd had. Tegelijkertijd vindt hij het groots dat zijn vader zo veel overhad voor zijn bezetenheid. 

Ruben vertelt de geschiedenis van zijn vader aan de vrouw, waardoor zij er ook in deelt. Het is gemakkelijk om lijntjes te trekken tussen de twee geschiedenissen. De vrouw die tegen elke verwachting in opduikt en daarna weer verdwijnt, is te vergelijken met de coelacanth en Rubens speurtocht naar haar als ze niet meer komt, lijkt wel op de even vruchteloze speurtocht van zijn vader. 

Net als de coelacanth is de vrouw mysterieus. Ruben weet bijzonder weinig van haar. Hij denkt haar naam te kennen, maar het blijkt de naam te zijn van iemand die al gestorven is. 

Ook Rubens verliefdheid heeft wel iets van een coelacanth. Hij dacht dat die al jaren uitgestorven was en opeens overvalt hem dat vreemde gevoel. 

Zo zijn er heel wat verbanden te leggen. In Dooi heeft alles met alles te maken, mer op een natuurlijke, onnadrukkelijke manier. De lezer mag de verbindingen maken als hij dat wil, hij mag het ook nalaten. De schrijfster dringt het niet op en dat bevalt mij zeer. 

Uiteindelijk is het de dooi die het prille contact tussen de schaatsster en Ruben verder onmogelijk maakt. De dooi, waar Ruben eerst zo naar uitkeek, maar die hij later meer en meer ging vrezen. Hij doet nog wat naspeuringen naar zijn vlam, maar tevergeefs. 

De geschiedenis van Ruben is eenvoudig, maar zij krijgt allure door de ogenschijnlijk dwaze passie van de vader, die op de achtergrond meeklinkt. De eenvoud, de kleine gebaren waarin het verhaal zich voltrekt si ook goed tot het einde volgehouden. 

In het eerder genoemde Rico's vleugels viel het slot naar mijn smaak volstrekt uit de toon door een overdreven dramatiek. Dooi zit technisch goed in elkaar en is geschreven in een mooie, soepele stijl. Behalve dat is het ook een meeslepend boek. Ruben is met zijn onhandigheid en verwardheid zo menselijk dat iedereen zich gemakkelijk met hem kan identificeren. Daardoor ben je als lezer net zo nieuwsgierig als Ruben naar wat er verder zal gebeuren. 

Wat ruben meemaakt, is allemaal veel minder spectaculair dan wat Robinson ooit meemaakt. Maar zoals we met Robinson meeleefden, kunnen we ons ook mee laten slepen door het verhaal van Ruben. Dooi is een boek dat geen lezer koud zal laten.