Over biografieën heb ik al verschillende keren geschreven. Wie wat door mijn weblog scrolt, komt ze tegen: van Karel van het Reve tot Geertruida Muysken-Kaptein, van Arthur van Schendel tot Heere Heeresma en van Ageeth Scherphuis tot Jan Blokker, Cissy van Marxveldt, Betje Wolff en Jacob van Lennep. Ik lees dit soort boeken graag. Ze geven niet alleen een beeld van de gebiografeerde, maar ook van een tijd en soms heb ik die tijd zelf meegemaakt.
Autobiografieën kwamen er minder op mijn pad. Meestal noemden de schrijvers van boeken over hun eigen leven het ook geen autobiografie, maar noemden ze het jeugdherinneringen of memoires. Tegenwoordig heet iets al gauw 'een memoir', als het iets beschrijft dat de auteur zelf heeft meegemaakt. In ieder geval heb ik geschreven over de jeugdherinneringen van Annie M.G. Schmidt (Wat ik nog weet, 1992) en verder las ik autobiografische boeken van bijvoorbeeld Justus van Maurik (Toen ik nog jong was, 1901), Maurits Dekker (Amsterdam bij gaslicht, 1949), Theo Thijssen (In de ochtend van het leven, 1941) en de vrouwenarts L.M. Muller (Aan de poort van het leven, 1948).
Drie delen en een epiloog
Maar deze keer gaat het over een heuse biografie, met een flinke omvang: de autobiografie van Marten Toonder (1912 - 2005), die later als een enkel boek verschenen is, maar die aanvankelijk uit drie delen (en een dunnere epiloog) bestond. Die delen zijn: Vroeger was de aarde plat (1912 - 1939), Het geluid van bloemen (1939 - 1945), Onder het kollende meer Doo (1945 - 1965) en ten slotte het deeltje Tera (epiloog 1998). De laatste drie delen had ik in de loop der jaren in kringlopen bij elkaar gescharreld, maar het eerste deel ontbrak. Ongeveer tegelijkertijd had ik er ineens twee exemplaren van: ik vond er een in een kringloop en mijn zoon had er eentje voor me gekocht, voor mijn verjaardag. Daarna kon ik eindelijk beginnen met lezen.
Bij zo'n autobiografie moet je altijd een beetje wantrouwig zijn. Grote kans dat de auteur zijn leven een beetje bijkleurt, minder gunstige gebeurtenissen weglaat. In hoeverre dat gebeurd is bij Vroeger was de aarde plat (1992) kan ik niet goed beoordelen, maar ik maak daar verder ook geen punt van. Ik lees gewoon wat er staat en zie wel.
Verteller
Toonder is een verteller en dat merk je ook in deze autobiografie, die een verhalende toon heeft. Dat leest erg lekker. Het korte openingshoofdstuk, dat je misschien als een soort proloog kunt lezen, begint als volgt:
Toen ik een walvis op het strand vond, was het erg mistig. Daardoor zag ik hem niet direct, maar de nevels die om me heen wolkten hadden een vreemde geur. Het was de geur van de dood: en toen dat tot me doordrong bleef ik staan en keek beklemd om me heen.
Dat zou het begin van een roman kunnen zijn, maar het is een herinnering van Toonder die een dode walvis ziet. Een man zegt tegen hem: 'Death is full of uncanny life'. In een latere periode van zijn leven moet Toonder daaraan terugdenken. Zijn echtgenote Phiny Dick (1912 - 1990) was intussen overleden en Toonder zocht de memoires op waar hij ooit aan bezig was geweest.
Ik besloot ermee verder te gaan. Het was een eenzaam werk, maar het hielp om oude herinneringen op te schrijven. Gouden kralen waren het niet; ze bestonden uit 'uncanny life', en dat is een soort 'vervreemd leven', waar de dood inderdaad vol van is.
Kapitein
In zijn jeugd was Toonders vader veel afwezig; hij was kapitein. Het gezin bestond in de praktijk dus vaak uit moeder, Marten en zijn twee jaar jongere broer Jan Gerhard, die ook schrijver zou worden. Moeder verhuisde vaak.
Iets wat ik een ouderlijk huis kan noemen heb ik niet gehad; mijn moeder kende geen rust, en wanneer het ene huis was ingericht, zocht ze al weer naar een ander.
Als vader weer eens thuis is, brengt hij op een keer Weekly Comics mee, stripbijvoegsels van Amerikaanse zondagsbladen. Er stonden verschillende strips in, waarvan Felix the Cat Toonders favoriet werd.
Toonder beschrijft zijn vroege jeugd onderhoudend, met leuke details, zoals deze:
Maat was een dienstmeisje dat ik me goed herinner, omdat ze altijd een hoed droeg tegen haar kiespijn; een geneeswijze die sindsdien in onbruik is geraakt.
Zo is er ook nog een buurvrouw die 'tweehonderd pond' weegt en die dagelijks urenlang piano speelt om te vermageren.
Ipsen
Verschillende dingen uit het leven van Marten zullen later in zijn werk opduiken. Met een vader als zeeman, ligt kapitein Walrus misschien wel voor de hand. En dan deze passage:
Het was toen, dat ik een boomgroepje ontdekte waar een oud vloerkleed over de onderste takken hing. Daarvoor brandde een vuurtje, en een gebogen figuur zat in het blikje te roeren dat erboven hing.Dit was niet zo geheimzinnig als ik verwacht had, maar ik liep er toch nieuwsgierig naar toe. De roerende figuur bleek een verschrompelde grijsaard te zijn die een afgedragen hoed droeg, waaronder vervilte haarpieken staken. Toen hij me hoorde, keerde hij zijn hoofd met een ruk naar me toe en keek me aan met felle ogen.
De figuur noemt zich Peregrinus en hij heeft een opmerkelijk taalgebruik. Hij begroet Marten met: 'Goed dag, jong man,' en later zegt hij:
'Ipse,' zei hij met plotselinge verheffing van stem. 'Ipse, ipsum, ipsimus! dat zal help geven.'
Het kleine volkje (Pee Pastinakel, Kwetal/Kweetal) zal het werkwoord 'ipsen' later nog veel gebruiken. Hier is dus de bron.
De titel van dit eerste deel is ook aan Peregrinus ontleend:
'Aarde is plat,' verklaarde hjij plechtig. 'De zon wielt onderdoor en bovenheen: niet recht, maar kwart.'
Verderop komt Toonder nog eens terug op die platte aarde, maar dat laat ik even voor wat het is.
De formuleringen die Toonder gebruikt, na decennia lang schrijven over Tom Poes en Olivier B. Bommel, zouden soms zomaar uit een Bommelverhaal kunnen komen.
Alles wat met magie te maken heeft moet geheim blijven, anders gebeurt er iets vervelends. Dat voelde ik toen al heen fijn aan, hoewel ik nog nooit met zoiets van doen had gehad.
Ik voel dat heel fijn aan is ook de titel van een bundel waarin twee verhalen van Toonder ('De opvoedering' en 'De aamnaak') gebundeld zijn.
De vader van Toonder tekent trouwens. Hij vertelt over de lotgevallen van Abraham en tekent die dan ook. Wat dat betreft valt de appel niet ver van de boom.
Gewonere vader
In de loop der jaren is Toonders beeld van zijn vader veranderd. Vader is daarin gewoner geworden.
Hij begon als de hoofdfiguur van een mythe; een soort Vliegende Hollander, die in eerbied gememoreerd moest worden wanneer de storm om het huis huilde. Langzaamaan veranderde hij in een God der Wrake, die in regen en wind ons welzijn op het oog had, maar die bij misstanden deerlijk zou toornen. En omstreeks de Abraham-tijd leek hij een gemoedelijke man te zijn, wel veel van huis, maar verder niets bijzonders. Zelfs was het zo dat men zich soms af kon vragen, wie nu eigenlijk de baas in dat huis was, en dan is het natuurlijk ver gekomen.
Maar als vader thuis is, hangt er toch een soort spanning, die weer opgetrokken is als hij naar zee is. Als Marten acht jaar oud is, maakt het gezin een reisje mee met vader, naar Hamburg. Dan pas beseft hij hoezeer de wereld van vader anders dan die van de rest van het gezin.
Phiny Dick
Op dansles leert Marten de dochter van een andere zeeman kennen: Afine Kornélie Dick. De familie noemde haar Fientje, maar zij had een hekel aan die naam en noemde zichzelf Phiny. Ze zijn een tijdje buurkinderen. Hij zou later met haar trouwen.
De scholen gingen moeizaam bij de jonge Marten. Hij kreeg het advies om naar de ambachtsschool te gaan, maar dat werd de mulo en later de hbs. In 1931 vaart hij naar Zuid-Amerika, waar hij kennis maakt met Jim Davis, die gewerkt heeft bij de schepper van Felix the Cat en met Dante Quinterno, die opgeleid is door Walt Disney.
Marten moet zijn weg zoeken en hij wil graag tekenen. Zijn vader zegt dat hij een jaar lang mag proberen of hij er een broodwinning van kan maken.
Thuisgevoel
Voortdurend staan er in het boek reflecties op het gezinsleven:
Ik realiseerde me toen ineens, dat ik eigenlijk geen ouders had gehad. Twee mensen die ieder in een eigen wereld leefden - en in die wereld speelden kinderen geen rol. Materieel hadden mijn broer en ik het goed: we waren zelfs nogal verwend. Maar een ouderlijk huis kenden we niet, en ook geen ouders om mee te praten of een opvoeding van te krijgen.
Het thuisgevoel heeft hij meer in de verhalen die hij verzint:
Ik zag in, dat ik eigenlijk altijd in verhalen geleefd had: ook later toen ik met Phiny naar dansles ging en een club oprichtte. Met de werkelijkheid had dat allemaal niet veel te maken. Ik was me daar diep van bewust, wanneer ik aan het doel van mijn leven dacht.
De vaders van Marten en Phiny zien niet veel in een verbintenis van hun kinderen en de kapiteins kunnen onderling ook niet goed overweg. De moeders maken geen bezwaar. Als Marten zijn militaire dienstplicht vervult, is hij geregeld een weekend bij Piny. Ze wandelen samen in het Baarnse bos.
Ach ja, de verlatenheid en de diepe stilte van dat woud, waar de herfstnevels tussen de oude stammen kronkelden en het meertje te glinsteren lag in het licht van de maan; het dwarrelen van de dorrende bladeren, de geuren van de paddestoelen, de zachtheid van het dichte mos - tja, dat waren de hoogtepunten van de diensttijd.
Bij zo'n beschrijving zie ik al voor me welke tekening Toonder er later bij zou maken. Is hier het Donkere Bomen Bos geboren?
Toonder krijgt zijn eerste krantenstrip, Bram Ibrahim, waar zijn vader wel enthousiast over is. Het is intussen 1933 en vader vertelt over wat hij in Duitsland heeft gezien.
Hij had 's morgens vroeg de postbodes in het gelid uit het postkantoor zien komen, en er marcheerden zingende troepen mannen in hun bruine kielen door de straten. Allemaal met laarzen. 'Het dreunt daar van de laarzen,' zei hij nadenkend. 'Als je nu in Duitsland laarzen in de grond plant, komen er soldaten uit.'
Marten heeft een krantenstrip en werkt als illustrator bij de Rotogravure. Hij moet daar ook cartoons tekenen, wat hij eigenlijk niet kan. Hij haalt ze uit obscure tijdschriften en moderniseert ze, wat een vorm van plagiaat is.
Terpen Tijn
Hij maakt kennis met de kunstenaars Onnaerd en Eterman. Als ik ze hoor over vibraties, moet ik wel aan de schilder Terpen Tijn denken.
'Maar dat is toch evident,' zei de kunstenaar. 'Momenteel verstarren de vibraties; het vleeslichaam overheerst de etherische krachten. Ik voelde de noodzaak fijnere trillingen te zoeken dan de steen kan geven, om mijn astrale ik niet de prooi van de catastrofische invloeden te laten worden. (...)Deze groftrillende malverseur een kunstenaar! Ha!'
Ze had het in een van die liefhebberijen ver kunnen brengen als ze gewild had; maar omdat ze voor zichzelf geen eerzucht kende, had ze daar geen behoefte aan. Soms probeerde ik haar duidelijk te maken wat ze kon bereiken; ik heb haar op mogelijkheden gewezen, maar daar had ze geen belangstelling voor.'Dat is meer iets voor jou. Jij bent zo knap,' zei ze dan, zodat ik me ontmoedigd terugtrok om Al Peppernose te gaan tekenen.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten