Verder vertel ik iets over uitjes met het gezin. Dat waren er niet zoveel, maar als we weggingen, was het feest. We zijn ook wel eens weggeweest met het gezin van tante Cor en ome Henk. Ik weet dat daar een kleurenfoto van is, waar mijn moeder ook op staat, maar ook die is onvindbaar. Ik heb wel een foto waarop ik sta met mijn neefjes, Tonnie en Henkie en Ome Henk. Ik heb het idee dat ik wat ongemakkelijk probeer te glimlachen en dat de andere drie vrij chagrijnig kijken. Maar of dat klopt met hoe we ons voelden, weet ik niet. De foto zal wel gemaakt zijn door tante Cor. Het is vreemd om te beseffen dat van de vier op de foto ik de enige ben die nog leeft.
Al met al zijn het maar terloopse opmerkingen en zit er weinig verhaal in. Er zou veel meer over te vertellen zijn, maar dat heb ik indertijd niet gedaan. Dat moet ik misschien later nog maar eens doen. Ik kijk nu naar wat ik al ooit geschreven heb.
Als ik op de lagere school zit, is er elk jaar een schoolreisje. We gaan dan naar een dierentuin met een speeltuin of naar Madurodam of zo. We stappen dan in een grote bus en dat is een hele belevenis. Mijn moeder heeft voor die dag kadetjes klaargemaakt, wat een feestelijk gevoel geeft. Die eet je anders nooit. Ik krijg ook wat geld mee.
De eerste keer vind ik het een beetje spannend, maar vooral leuk. Er is een meisje uit een hogere klas dat een beetje op mij let. Ze heet Aaltje en haar zusje Gerrie zit bij mij in de klas.
Mijn moeder kent het gezin goed. Ze heeft daar vroeger gediend als meisje voor dag en nacht. Ze had de zorgen over de kinderen, want de moeder verbleef toen in een inrichting. Die had in de oorlog veel meegemaakt. De vader van de kinderen had in ‘het kamp’ gezeten. Dat weten we, maar we praten er nooit over. Dat doet hijzelf trouwens ook niet.
Mijn vader verkoopt wel eens biggen aan hem, voor zestig gulden per stuk. Als hij weer een keer biggen komt kopen, zegt mijn moeder dat die nu wel tweeënzestig gulden moeten kosten. Dat vindt Methorst (zo heet hij) best.
Het is lastig bij zo’n schoolreisje om te bepalen waar je je geld aan uitgeeft. Er is een motor waarop je kunt gaan zitten. Je kunt een kwartje in een gleuf gooien en dan gaan er rollen lopen, waardoor de wielen van de motor gaan draaien. Je kunt heen en weer sturen. Iemand maakt een foto van mij op de motor. Aaltje en Gerrie staan ook op de foto. En achter mij zit hun oudere broer Dik.
Er is ook een kraam waar je patat kunt kopen. Ook al zoiets feestelijks. Patat krijgen we eigenlijk nooit. We hebben geen frituurpan. Ik denk dat er nog maar weinig van die pannen zijn, want niemand in de familie heeft er een. Er zullen wel frietzaken zijn, maar niet bij ons in de buurt.
Wel bakt mijn moeder soms broajertjes. Dat zijn krieltjes. Soms worden bij het rooien van de aardappels alle kleintjes verzameld. Die moeten dan geschild worden, of geschrapt. Dat is veel werk en mijn moeder heeft daar meestal geen zin in. Maar dan helpt mijn vader mee, zoals hij ook wel meehelpt met het schillen van de stoofperen.
Als de broajertjes geschild zijn, gaan ze in een grote braadpan met veel boter. Wij vinden ze heerlijk.
Maar hier staat dus een heuse frietkraam! Ik bestel een zakje patat. ‘Met of zonder?’ vraagt de man. Ik heb geen idee waar hij het over heeft. ‘Zeg maar zonder’, zegt Aaltje en dan zeg ik dat. Ik krijg het zakje. Er zit geen mayonaise op de patat. Dat hebben andere mensen wel. Ik durf daar niks van te zeggen en zonder smaakt de patat ook lekker.
Mayonaise hebben we trouwens niet in huis. We hebben alleen slasaus, die we dus over de sla gebruiken en mijn moeder roert die ook door het slaatje heen dat ze zelf maakt.
Zo’n schoolreisje is heerlijk. Het is altijd heel ver rijden en zo ver kom je anders nooit. Soms gaan we met het gezin een dagje weg, maar in de zomer heeft mijn vader het altijd erg druk. Dan gaan we samen met het gezin van tante Cor en ome Henk of met dat van ome Wout en tante Met.
Als ik op de lagere school zit, is er elk jaar een schoolreisje. We gaan dan naar een dierentuin met een speeltuin of naar Madurodam of zo. We stappen dan in een grote bus en dat is een hele belevenis. Mijn moeder heeft voor die dag kadetjes klaargemaakt, wat een feestelijk gevoel geeft. Die eet je anders nooit. Ik krijg ook wat geld mee.
De eerste keer vind ik het een beetje spannend, maar vooral leuk. Er is een meisje uit een hogere klas dat een beetje op mij let. Ze heet Aaltje en haar zusje Gerrie zit bij mij in de klas.
Mijn moeder kent het gezin goed. Ze heeft daar vroeger gediend als meisje voor dag en nacht. Ze had de zorgen over de kinderen, want de moeder verbleef toen in een inrichting. Die had in de oorlog veel meegemaakt. De vader van de kinderen had in ‘het kamp’ gezeten. Dat weten we, maar we praten er nooit over. Dat doet hijzelf trouwens ook niet.
Mijn vader verkoopt wel eens biggen aan hem, voor zestig gulden per stuk. Als hij weer een keer biggen komt kopen, zegt mijn moeder dat die nu wel tweeënzestig gulden moeten kosten. Dat vindt Methorst (zo heet hij) best.
Het is lastig bij zo’n schoolreisje om te bepalen waar je je geld aan uitgeeft. Er is een motor waarop je kunt gaan zitten. Je kunt een kwartje in een gleuf gooien en dan gaan er rollen lopen, waardoor de wielen van de motor gaan draaien. Je kunt heen en weer sturen. Iemand maakt een foto van mij op de motor. Aaltje en Gerrie staan ook op de foto. En achter mij zit hun oudere broer Dik.
Er is ook een kraam waar je patat kunt kopen. Ook al zoiets feestelijks. Patat krijgen we eigenlijk nooit. We hebben geen frituurpan. Ik denk dat er nog maar weinig van die pannen zijn, want niemand in de familie heeft er een. Er zullen wel frietzaken zijn, maar niet bij ons in de buurt.
Wel bakt mijn moeder soms broajertjes. Dat zijn krieltjes. Soms worden bij het rooien van de aardappels alle kleintjes verzameld. Die moeten dan geschild worden, of geschrapt. Dat is veel werk en mijn moeder heeft daar meestal geen zin in. Maar dan helpt mijn vader mee, zoals hij ook wel meehelpt met het schillen van de stoofperen.
Als de broajertjes geschild zijn, gaan ze in een grote braadpan met veel boter. Wij vinden ze heerlijk.
Maar hier staat dus een heuse frietkraam! Ik bestel een zakje patat. ‘Met of zonder?’ vraagt de man. Ik heb geen idee waar hij het over heeft. ‘Zeg maar zonder’, zegt Aaltje en dan zeg ik dat. Ik krijg het zakje. Er zit geen mayonaise op de patat. Dat hebben andere mensen wel. Ik durf daar niks van te zeggen en zonder smaakt de patat ook lekker.
Mayonaise hebben we trouwens niet in huis. We hebben alleen slasaus, die we dus over de sla gebruiken en mijn moeder roert die ook door het slaatje heen dat ze zelf maakt.
![]() |
| De jongens uit de vijfde klas (en eentje uit klas 6) |
Zo’n schoolreisje is heerlijk. Het is altijd heel ver rijden en zo ver kom je anders nooit. Soms gaan we met het gezin een dagje weg, maar in de zomer heeft mijn vader het altijd erg druk. Dan gaan we samen met het gezin van tante Cor en ome Henk of met dat van ome Wout en tante Met.
Met tante Cor en ome Henk gaan we naar de Efteling. Dat is een groot sprookjesbos, waar je steeds weer iets nieuws tegenkomt. Je kunt propjes papier in Holle bolle Gijs gooien, er zijn paddestoelen met muziek, er is een kasteel van Doornroosje, een fakir op een vliegend tapijt, een reus met een heel lange nek. En er is een speeltuin, waar je heel lang kunt schommelen of elke keer van de hoge glijbaan kunt roetsjen. Heerlijk!
Met ome Wout en tante Met gaan we naar de dierentuin. Er is een kameel die er niet best uitziet: de vellen hangen erbij. Mijn nicht Johanna zegt tegen haar broertje: ‘Loop maar door, Wim. Die gaat toch zo dood.’
Zoals gezegd, meestal gaat mijn vader niet mee, omdat hij dan nog druk in het fruit is. Maar op een dag zegt hij dat we ‘s middags weggaan. Schoenen aan! Mijn moeder is verbaasd. Ze weet van niets. Het is een verrassing van mijn vader. We gaan naar Avifauna, dat is een dierentuin met alleen maar vogels. Mooi hoor, maar ik wil liever naar de speeltuin.
Als we genoeg vogels hebben gezien, mogen we naar de speeltuin. Het mooist vind ik de familieschommel. Aan de beide einden van de schommel is er een soort gazen hok, waar je in kunt staan. Het is alleen aan de achterkant open.
Ik ga daarin staan. Dat betekent dat je de schommel op gang moet brengen. Ineens is er een mager meisje, met een muizig gezichtje en afgevreten haar. Ze komt zomaar bij mij in het gazen hok staan en helpt mij mee. Ze is in badpak, waardoor je goed kunt zien dat ze maar mager is. Op haar bovenbeen, vlak onder haar bil heeft ze een blauwe plek.
Maar ze is wel taai en sterk en samen krijgen we de schommel heel hoog. Het is een wonderlijke ervaring, een meisje zo dicht bij je. Ik heb een geweldige middag.
We gaan ook verschillende keren naar de Flevohof. Dat is een park dat met de landbouw te maken heeft. Als je binnenkomt, zie je twee heel grote pratende aardappelen. Veel dingen weet ik al wel, maar er zijn ook heel moderne ontwikkelingen, zoals koeien die met een machine gemolken worden.
Met ome Wout en tante Met gaan we naar de dierentuin. Er is een kameel die er niet best uitziet: de vellen hangen erbij. Mijn nicht Johanna zegt tegen haar broertje: ‘Loop maar door, Wim. Die gaat toch zo dood.’
Zoals gezegd, meestal gaat mijn vader niet mee, omdat hij dan nog druk in het fruit is. Maar op een dag zegt hij dat we ‘s middags weggaan. Schoenen aan! Mijn moeder is verbaasd. Ze weet van niets. Het is een verrassing van mijn vader. We gaan naar Avifauna, dat is een dierentuin met alleen maar vogels. Mooi hoor, maar ik wil liever naar de speeltuin.
Als we genoeg vogels hebben gezien, mogen we naar de speeltuin. Het mooist vind ik de familieschommel. Aan de beide einden van de schommel is er een soort gazen hok, waar je in kunt staan. Het is alleen aan de achterkant open.
Ik ga daarin staan. Dat betekent dat je de schommel op gang moet brengen. Ineens is er een mager meisje, met een muizig gezichtje en afgevreten haar. Ze komt zomaar bij mij in het gazen hok staan en helpt mij mee. Ze is in badpak, waardoor je goed kunt zien dat ze maar mager is. Op haar bovenbeen, vlak onder haar bil heeft ze een blauwe plek.
Maar ze is wel taai en sterk en samen krijgen we de schommel heel hoog. Het is een wonderlijke ervaring, een meisje zo dicht bij je. Ik heb een geweldige middag.
We gaan ook verschillende keren naar de Flevohof. Dat is een park dat met de landbouw te maken heeft. Als je binnenkomt, zie je twee heel grote pratende aardappelen. Veel dingen weet ik al wel, maar er zijn ook heel moderne ontwikkelingen, zoals koeien die met een machine gemolken worden.
In de Flevohof is er een kinderafdeling met allemaal vierkante houten gebouwen. In elk gebouw kun je iets anders doen. Je mag bijvoorbeeld zelf een pannenkoek bakken. Dan krijg je wel een stempel op je kaart. Zoiets kan natuurlijk maar een enkele keer. De pannenkoeken zijn heel dun en dat vind ik juist zo lekker.
De pannenkoeken van mijn moeder zijn ook lekker, maar die zijn altijd dik. Soms breken ze als je ze oprolt. Dan kun je er minder van op, denk ik, en dan hoeft ze er dus ook minder van te bakken.
Er is ook een soort cowboydorp, met een echte saloon. De Flevohof is altijd leuk. We gaan er verschillende keren heen. En mijn vader gaat dan ook mee, wat extra feestelijk is.
De pannenkoeken van mijn moeder zijn ook lekker, maar die zijn altijd dik. Soms breken ze als je ze oprolt. Dan kun je er minder van op, denk ik, en dan hoeft ze er dus ook minder van te bakken.
Er is ook een soort cowboydorp, met een echte saloon. De Flevohof is altijd leuk. We gaan er verschillende keren heen. En mijn vader gaat dan ook mee, wat extra feestelijk is.
![]() |
| Henkie, Tonnie, Teunis, Ome Henk van de Veen |



Geen opmerkingen:
Een reactie posten