vrijdag 14 maart 2025

De krater (Gerwin van der Werf)

 

Een Boekenweekgeschenk moet geschikt zijn voor een groot publiek. Het is niet te dik en het mag ook niet te moeilijk zijn. Er zijn immers ook mensen die alleen in de Boekenweek naar de boekhandel gaan en die wellicht toch de novelle gaan lezen. 

Het is al decennia zo, sinds De ortolaan (1984) van Maarten 't Hart, dat de schrijver gezocht wordt in de literatuur. Dat pakt meestal behoorlijk uit. Van het gezinsproject van vorig jaar was ik niet weg en Gezien de feiten van Griet Opdebeeck was een dieptepunt, maar meestal kan het er wel mee door. 

Het is voor een schrijver altijd aantrekkelijk als hij uitgekozen wordt. Meestal wordt een deel van zijn werk herdrukt en hij krijgt veel belangstelling. Maar enkele schrijvers zijn nog steeds niet aan de beurt gekomen. Geen Tomas Lieske, Kristien Hemmerechts (!), Oek de Jong of Vonne van der Meer. Hopelijk krijgen ze nog een kans. 

Voor de negentigste Boekenweek greep de CPNB terug op een oud concept: de novellenwedstrijd. Maar liefst 149 auteurs namen de moeite om een novelle te schrijven en De krater van Gerwin van der Werf werd uitgekozen. Het is te hopen dat de andere 148 nog wel iets kunnen doen met wat ze geschreven hebben. Anders zijn ze maanden voor niks aan het werk geweest. 

Broertje redden

In de krater gaat het over drie jongeren, van wie Eden de verteller is. Ze is twee jaar ouder dan haar veertienjarige broertje Benjamin (Benji) met wie het niet goed gaat: hij heeft een depressie. Johnny is haar oudere broer. Hij heeft een rijbewijs en een oude Volkswagen Golf. Eden heeft het plan opgevat om haar broertje te redden. Ze wil dat ze met zijn drieën een meteorietkrater in Duitsland gaan bezoeken. Dat zal Benji opvrolijken. 

Ook in het leven van de kinderen is ooit een meteoriet ingeslagen: hun vader pleegde tien jaar geleden zelfmoord door voor de trein te springen. Sindsdien heeft het hele gezin het moeilijk. Aan Johnny is dat misschien het minst te merken, al heeft hij wel een vreemde hobby: verkeersborden jatten. Dat blijkt uiteindelijk ook nog met de dood van vader te maken te hebben. 

Eden wil graag op een jongen lijken. We zouden het woord non-binair kunnen gebruiken, maar Eden wil het niet zo noemen. Ze wil haar broertje redden, die sinds twee jaar bezig is naar de verdommenis te gaan,  maar misschien is ze ook bezig zichzelf te redden?

Ik wil niet meer, zei een stem. Het klonk als mijn eigen stem, hoewel ik die niet goed ken: ik wil niet meer, het is wel goed zo. 

Hindernissen

Het wordt een reis met hindernissen. Ze gaan naar Steinheim, maar in Duitsland blijken er twee Steinheims te zijn; ze gaan aanvankelijk naar het verkeerde. Bovendien heeft de auto kuren: de motor moet de hele tijd blijven lopen, omdat hij anders niet meer wil starten. En de kinderen zijn bijna door hun geld heen.

Van der Werf heeft er een duidelijk verhaal van gemaakt, dat gemakkelijk leest. In het verleden blijken enkele dingen toch wat anders gegaan te zijn dan iedereen dacht, Benjamin vertelt waar hij nog meer mee worstelt en Eden krijgt ook meer zicht op zichzelf. 

Er is een motto over donkere energie en donkere materie en dat wordt mooi door het verhaal geweven, net als een uitspraak die opgenomen is op de gouden plaat die in 1977 met de Voyager de ruimte in is gestuurd. Aan het eind is er ook nog een verwijzing naar Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Veel te raden blijft er niet over. 

Als Boekenweekgeschenk zal De krater zeker voldoen. Voordeel is ook dat Gerwin van der Werf al aardig wat geschreven heeft: heel wat boeken waarmee hij (en zijn uitgever) de boer op kunnen. Ik besprak eerder de roman Strovuur (zie link onderaan). Eerlijk gezegd moest ik wel heel erg aan die roman denken:

Parallellen met Strovuur

Ook meisje van middelbare-schoolleeftijd die de verteller is, ook een tocht met een oude auto, ook jongeren die geen contact hebben met het thuisfront, ook een diefstal (niet van verkeersborden, maar van een Middeleeuws boek), ook een vader die een eind aan zijn leven heeft gemaakt, ook passages waarin de hoofdpersoon niet helemaal helder is en droomt of hallucineert. Het zijn wel erg veel parallellen. Ik wil niet zeggen dat Van der Werf zijn eigen verhaal in een iets andere setting heeft naverteld, want er zijn ook wel verschillen, maar wat mij betreft lijken de boeken wel te veel op elkaar. 

Voor de afzonderlijke boeken is dat geen bezwaar, maar als je ze allebei leest, gaat het wel heel erg opvallen. Maar goed, er zal misschien niet al te veel tijd zijn geweest, waarmee het misschien verklaard, maar niet verontschuldigd is. 

Wel ben ik benieuwd of de andere boeken van Van der Werf een beetje de moeite waard zijn. Twee ervan haalden ooit de longlist van de Libris Literatuurprijs: Wild (2011) en Een onbarmhartig pad (2018) en Strovuur werd genomineerd voor het beste boek voor jongeren 2021. 


Eerder schreef ik over een ander boek van Gerwin van der Werf:

En over eerder Boekenweekgeschenken:
Gezinsverpakking (De Chabotten)
De eerlijke vinder (Lize Spit)
Monterosso mon amour (Ilja Leonard Pfeijffer)
Wat wij zagen (Hanna Bervoets)
Leon en Juliette (Annejet van der Zijl)
Jas van belofte (Jan Siebelink)
Gezien de feiten (Griet Opdebeeck)
Makkelijk leven (Herman Koch)
Broer (Esther Gerritsen)
De zomer hou je ook niet tegen (Dimitri Verhulst)
Een mooie jonge vrouw (Tommy Wieringa)
De verrekijker (Kees van Kooten)
Heldere hemel (Tom Lanoye)

donderdag 13 maart 2025

Afgestoft: Te voorschijn stommelt het heelal (Rob Schouten)

Flap, flap, gaat mijn stofdoek. Deze keer haal ik weer eens een nummer van 't Kofschip onder het stof uit. Het is het tweede nummer van jaargang 17, februari/maart 1989. Daarin staat een recensie van Te voorschijn stommelt het heelal (1988), een dichtbundel van Rob Schouten. Onder de recensie staat: 'Herveld 23 augustus 1988, Theunis BUNT'. Waarom die woonplaats en die datum genoemd moeten worden, weet ik niet. Ik zal er niet zelf om gevraagd hebben. Dat mijn naam niet correct gespeld is, komt vaker voor. Ik heb wel met potlood een streepje door de 'h' gezet. 

Misschien heb ik het nummer van 't Kofschip gelezen met het potlood in de hand. Bij een gedicht van Emiel de Bolle schreef ik 'getver'. Het is ook wel een heel slecht gedicht. Verder onthield ik me van commentaar. Enkele vraagtekens en dat is het. 

Wat zou ik indertijd uit dit nummer gelezen hebben? Waarschijnlijk 'In het land van de lange schemeringen, een relevant gesprek met Staatsprijswinnaar Anton van Wilderode', door Ugo Verbeke. Maar ik zal ook veel overgeslagen hebben. 

Over Rob Schouten heb ik vaker geschreven. Onderaan neem ik links op naar een interview dat ik met hem had en naar de recensie van Zware pijnstillers. Voor zover ik weet heb ik ook geschreven over Infauste dienstprognose (2000) en Apenlier (2004), maar ik weet niet waar en ik kan de recensies nergens vinden. 

Nu ik de recensie van Te voorschijn stommelt het heelal teruggelezen heb, vind ik dat die grotendeels nog goed meekan. Helder genoeg en er zit wel lijn in. Om het slot moet ik wat beschaamd grinniken. Ik vond de bijbelse allusies indertijd 'zeer ongepast'. Dat vind ik nu helemaal niet meer en ik kon mij ook niet herinneren dat ik mij daar ooit zo aan gestoord had. 

Mocht je de poëzie van Schouten nog niet kennen, dan is dit misschien een gelegenheid om er een kennis mee te maken. 

Aan bed gekluisterd in ontzaglijke gedachten

Al in eerdere bundels van Rob Schouten kwamen we af en toe de slapeloosheid tegen. Zo lezen we in 'Nocturne' (Gedichten 2, 1979): 'Ik doodde veel die avond, zeer veel tijd. Op schoot een beest om steeds te strelen. / Dat sliep. Ik niet; ik zat mij voor te spelen / Hoe het straks gaan moest, in de eeuwigheid.' En in Carabas ontvlucht (1982) begint 'Eine kleine Nachtmusik' als volgt: 'Zwoele nacht, de ramen open, strijkmuziek, / de lakens paradijselijk opzijgeschoven, / peins ik en kan niet slapen van de machten boven.'

Zoals uit deze citaten blijkt, heeft de slapeloosheid te maken met denken over het bovennatuurlijke ('de eeuwigheid', 'de machten boven'). In Schoutens nieuwe bundel, Te voorschijn stommelt het heelal, is dit soort slapeloosheid nadrukkelijk aanwezig. Soms kan de dichter gewoon niet slapen van de hitte ('Slapen gaat naakt / en wil dan nog niet tot de dageraad / waarop het wachten is, vroeg maar toch laat.'), maar vaker wordt de slapeloosheid veroorzaakt door gepieker: 'Vannacht lag ik weer op de erwt. / te piekeren onder het baldakijn, zeer onbegrijpelijk besterd, / waarom ik er zo nodig op moest zijn.'

In de nacht wil de dichter het bestaan ontraadselen; niet zomaar als een intellectuele of filosofische bezigheid, het betreft zijn eigen bestaan, hij moet antwoorden zien te vinden op existentiële vragen. Hoezeer die vragen hem soms aangrijpen, blijkt uit bijvoorbeeld het gedicht 'Last', waarvan ik de laatste strofe citeer:

De klamste denkbeelden drijven me 's nachts
uit bed, ik sidder van het platonisme,
doelloze feiten treffen paradoxen,
de geest ritst open en wordt dichtgetrokken
etcetera... de hele poppenkast...
maar even later wil ik het weer weten,
de grote taaie raadsels om ons heen,
en zit recht overeind, mijzelf tot last. 

Wat dit betreft, is 'Hoofd' een wezenlijk gedicht. Niet voor niets ontleende Schouten de titel van zijn bundel eraan. Ik citeer het in zijn geheel.

Was ik om te beginnen hoofd der werkelijkheid
dan vloog met uiteraard terugwerkende kracht
de slapeloze nacht eruit, waarin je staart 
en er niet uitkomt, het idee van een verleden 
doorboort en dat het nooit wordt wat je niet zelf baart. 
Te voorschijn stommelt het heelal en het weerkaatst,
terwijl het nota bene pikkeduister is
en je jezelf onzichtbaar waant, je inzicht maar.
Aan bed gekluisterd in ontzaglijke gedachten...
Iedereen heeft het, neem ik achteraf graag aan. 
Was ik, dan schreef ik een Neanderthaler voor
of Bach de ganse dag. Het eindige moet blijven;
dat vind ik wel een nuttig, concreet onderscheid
want het is goed dat ik het niet altijd zou zijn. 


Het wordt nooit wat je niet zelf baart, je overstijgt nooit je eigen beperkingen en het heelal is niet te doorgronden; het laat alleen duidelijker je (gebrek aan) inzicht zien. Dat de beperking ook eindigheid impliceert is voor de dichter een troost, evenals het besef dat ook anderen wel met soortgelijke problemen zullen worstelen. 

Dat laatste is trouwens nog maar de vraag. Het gedicht 'Poging tot bedscène' begint namelijk zo:

Vannacht lag ik verschrikkelijk in bed
en stond maar op en op, dronk nog meer pils,
rookte een sigaret, trachtte opnieuw
maar nee, het lukte niet me weg te krijgen,
en niemand naast mij merkte alles op.
Daar sliepen ze en haalden onbedoeld
en almaar niet verduidelijkend adem, 
ja, der gerusten en onschuldigen. 

Het contact met anderen is overigens meestal nogal gebrekkig. De afdeling 'Liefhebberijen' gaat wel over de, voornamelijk lichamelijke, liefde, maar de dichter kan maar enkele keren tot uitspraken komen als 'We hadden erg veel zin en deden het'. Vaker loopt het op een teleurstelling uit: 'Gezellig is het nooit, / meestal te aangeschoten, / de zon al haast weer op.' In 'Huiselijke bui' komt de dichter tevergeefs onder de douche uit om de telefoon aan te nemen: 'Omgord met schaamte prevel ik vergeefs / tegen een wereld die mij niet meer draait / en druip weer af, door niemand onbegrepen.' De titel van de afdeling 'Uit de wereld' verwijst niet alleen naar de dood, maar ook naar het buiten het leven staan. 

Als tegenwicht voor de ernst heeft Schouten ook verschillende relativeringen in zijn gedichten aangebracht, vooral als hij schrijft over het eigen dichterschap, waarvoor hij weinig eerbied toont. 'De locale dichter staat / onuitgeslapen voor het raam', schrijft hij . En: 'Ik rook verstandig, als een assegaai de pen gericht / op wat de hersens lullen voor het eigen aangezicht.' En: 'Wat proppen poëzie moeten de deur maar uit'.

Ondanks deze en andere relativeringen en ondanks de ruim aanwezige humor blijft Te voorschijn stommelt het heelal een ernstige bundel, die ik ook als zodanig waardeer. Ik heb respect voor de manier waarop Schouten de confrontatie met levensproblemen aangaat. Dat hij dat doet in een hortende en soms ronduit lelijke stijl, wil ik dan wel voor lief nemen. 

Waar ik wel bezwaar tegen maak, zijn de bijbelse allusies die meestal te onpas gebruikt worden. Als Schouten schrijft: 'Die bril die vond ik niks, die moest maar af. En zij zei tot mij, niet alleen mijn bril / maar ook mijn truitje en mijn onderbroek', dan doet de zinsconstructie mij wel heel sterk denken aan wat Petrus zei bij de voetwassing: 'Here, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.' Verderop in het gedicht lees ik nog: 'Toen zag ik dat het goed was'. De zin 'Kunt gij niet één tel met mij neuken' alludeert ook duidelijk op de Bijbel. Ik vind deze verwijzingen zeer ongepast.

Ondanks de bedenkingen blijf ik Te voorschijn stommelt het heelal een intrigerende bundel vinden. Ik ben benieuwd in welke richting Schouten zich verder ontwikkelt. 

Verder schreef ik over Rob Schouten:

woensdag 12 maart 2025

Los van de wereld (Hella de Jonge)


Vanuit mijn oog- of oorhoeken had ik het meegekregen: dat Hella de Jonge een boek geschreven had over haar jeugd. Leek me wel interessant, zoals veel boeken me interessant lijken, maar van lezen kwam het niet. Ik geloof dat ik het boek zelfs niet gezien heb en ik heb er ook geen recensies van gelezen. 

Maar toen ik het tegenkwam in een kringloop nam ik het wel mee. Het lag een tijdje in het kamertje waar een paar honderd boeken liggen die ik wil gaan lezen en op een dag haalde ik het eruit. 

Het gaat om Los van de wereld, dat verscheen in 2006. In 2012 verscheen een vervolg, Spring, en dat weet ik pas sinds vandaag, nu ik het opgezocht heb. Er is nog een boek: Hartschade (2018) en een documentaire, Verlies niet de moed (2014). Die gaat over de familie van haar ouders. Dat is me allemaal ontgaan. 

Hella de Jonge is getrouwd met Freek de Jonge. Ze is de dochter van Eefje Croiset en Eli Asser. Eefje en Eli zijn in de oorlog zo'n beetje hun hele familie kwijtgeraakt. Zij wisten te overleven door onder te duiken. In 2004 publiceerde Asser Alles is meegenomen, dat voor een groot deel bestaat uit brieven die hij en Eefje elkaar stuurden vanaf hun onderduikadressen. 

Roze schrift

Ook het leven van Hella is getekend door de oorlog en door wat die met haar ouders deed. Op de dag van de uitvaart van haar moeder krijgt ze een roze schrift van haar zoon Jelle. Daarin gaat ze schrijven. Dat resulteert uiteindelijk in Los van de wereld. 

De dag van de begrafenis is een heftige dag. De oudere zus van Hella zegt in een toespraak min of meer dat Hella medeverantwoordelijk is voor de dood van haar moeder. Later neemt haar vader geen afstand van die uitspraak en gaat zelfs aan de kant van zijn oudste dochter staan: 'Het moest maar eens door iemand gezegd worden.'

Aan de ene kant waren Hella en haar zus zeer gewenste kinderen: 'Wij waren de kinderen die alles goed moesten maken, die de gaten die in het familieleven van mijn ouders geslagen waren moesten dichten.' En dat is natuurlijk niet mogelijk. De kinderen kregen steeds te horen dat ze bijzondere kinderen waren en dat ze niet bestaan zouden hebben als hun ouders niet hun best hadden gedaan om de oorlog te overleven. 

Na de oorlog

Niet alleen wat in de oorlog is gebeurd, is bepalend geweest, maar ook wat daarna gebeurde. Aan die periode is uitgebreid aandacht besteed door Ellen Krol, in haar boek Onbevrijd gevoel.

De Jonge schrijft:

Mijn moeder, trots dat ze nog leefde, ging na de bevrijding naar het adres waar haar moeder gewoond had. Zij belde aan, met het volste vertrouwen dat de mensen die er nu woonden haar in triomf zouden binnen laten. Maar de deur werd voor haar neus dichtgesmeten en ze kreeg te horen: 'Nu zijn de stoelen van ons.'
Toen is er bij haar iets fundamenteels geknapt. Hier begon voor haar een nieuwe oorlog. Haar laatste beetje vertrouwen in de mens verdween en de hele wereld werd haar vijand.

Het is moeilijk leven met zo'n moeder. Als Hella vertelt dat ze zwanger is, antwoordt moeder: 'Ik wil geen oma zijn, ik ben al moeder genoeg.'

Eefje en Eli leven met leed, dat zo groot is, dat geen ander leed ertegenop kan. Zelfs niet het overlijden van Jork, het zoontje van Hella en Freek. 

Het zal je kind maar wezen

Vader Eli schrijft teksten. Mij schoot meteen het lied 'Vissen' te binnen: 

Ik hoef geen bungalow
Geen huis met patio.
Het hele huwelijksleven krijg je zo van mij cadeau.
Maar d'r is één ding wat ik nooit zou willen missen:
Vissen!

Over Hella zei hij wel eens: 'Het zal je kind maar wezen'. Daar moest ze aan denken, telkens als ze het lied hoorde. 

Op zaterdagavonden kwamen mensen, onder wie Ko van Dijk, luisteren naar de radio, als de teksten van Eli Asser te horen waren en dan was het een vrolijke boel. Maar verder was het in huis niet zo vrolijk. Asser kon ook woedend uitvallen. 

Geweld

Op een keer pakte hij Hella bij haar hoofd, sleurde haar aan haar haren naar de keuken en sloeg haar met haar hoofd tegen de verwarming. Een keer zei hij zelfs dat ze zijn zusje vermoord had. Het trauma speelde dan weer op. 

De Jonge heeft nog een andere verklaring voor het gedrag van haar vader:

Jij wilde mij kleineren, omdat jij boos was dat ik niet in jullie slachtofferrol mee wilde gaan. 

Vooral vakanties waren vreselijk. Op een vakantie loopt het hoog op en Hella weigert te eten. Ze is dan veertien jaar oud. Drie jaar lang zal ze zichzelf het eten ontzeggen, tot ze nog maar 37 kilo weegt. 

Ze brengt ook een vakantie door in Hopsy-Topsyland, dat we kennen uit een liedje van Freek. Ik heb altijd gedacht dat dat een verzonnen naam was, maar het blijkt echt bestaan te hebben. 

Vader en moeder staan zo ongeveer alleen in de wereld. Moeder heeft nog wel een tante, Tante Ro, maar dat is het dan wel. Ook Hella worstelt met de vraag waar ze nu bij hoort. Op het Joods lyceum vindt ze het in ieder geval verschrikkelijk. 

Haar ouders hebben het geloof afgezworen, maar als iemand hen niet begreep, was hij onmiddellijk een antisemiet. Dat deed me denken aan een stukje van Ischa Meijer, ook al een kind dat alles goed moest maken. Ik besprak zijn boek hier.

Onderduiken na de oorlog

Hella gaat vrij snel het huis uit, maar vraagt later toch om weer thuis te mogen wonen. Dat mag, maar ze mag geen overlast geven. Ze moet haar schoenen onder aan de trap uittrekken, moet voor zichzelf koken en als er bezoek is, moet ze boven blijven.

Later heb ik wel eens gedacht dat ik bij ze moest onderduiken, om me te laten ervaren was zij hadden doorgemaakt.

Dat het gezin waarin ze opgegroeid is, geen thuis voor haar is, komt misschien doordat haar ouders ontheemd waren, schrijft Hella de Jonge. Ze laat zien hoe moeilijk en hoe hard het is geweest, maar daarmee is Los van de wereld geen liefdeloos boek geworden. Steeds probeert ze begrip op te brengen voor haar ouders en na de dood van haar moeder probeert ze haar vader te naderen. 

Maar zolang de geest van mijn moeder hem kwelt, is het heel moeilijk hem lief te hebben. 

Vrede

Hella heeft veel steun aan de liefde van haar man (en van haar kinderen) en uiteindelijk kan ze tegen zichzelf zeggen: 'Wat ben ik een gelukkig mens. Ik heb de vrede gevonden.'

Ze krijgt zelfs uitdrukkelijk toestemming van haar vader om het boek te schrijven: 'Als jij het nodig vindt, moet jij jouw verhaal vertellen.'

Los van de wereld geeft het beeld van iemand die haar eigen weg heeft moeten zoeken, in lastige omstandigheden, maar wie dat uiteindelijk wel gelukt is. Het is bij momenten vastberaden, maar soms ook zoekend, naar wie ze zelf is, bij wie ze hoort en hoe dat eigenlijk moet, dat leven. 

Het boek leek me voornamelijk interessant uit menselijk oogpunt, maar het is stilistisch ook goed. Een enkele keer is een beeldspraak me net te zwaar aangezet, maar over het algemeen vind ik het boek goed en helder geschreven en De Jonge springt soepel heen en weer in de tijd. Er zijn sprekende details uitgekozen om zaken duidelijk te maken. Ik vind het literair best goed en dat had ik niet verwacht. 

Als ik zo'n boek gelezen heb, denk ik altijd dat ik meer van de auteur moet gaan lezen en soms schrijf ik dat hier ook, maar in de praktijk komt daar weinig van. Er is immers ook veel dat nu uitkomt en dat dringt zich ook aan me op en ik had het voornemen om echt meer oudere literatuur te gaan lezen, van bijvoorbeeld Arthur van Schendel, Simon Vestdijk en, hoog op mijn stapel, Madelon Székely-Lulofs. We zullen zien. 

dinsdag 11 maart 2025

Huidkruiper (Yasmine Stalpaert)


Luis is een pas gepensioneerde entomoloog. Een pensionering is altijd een markeerpunt in iemands leven en Luis gaat ook nog verhuizen, naar een nieuwe buitenwijk in het verre westen van de Verenigde Staten. Het is daar leeg en het kraanwater heeft een vreemde smaak. Hij heeft een drankprobleem en dat is de reden van de verhuizing: ergens op een nieuwe plek een nieuwe start maken. 

Zijn kleindochter Sunny vindt een tweeduizendpoot, die in een glazen bak wordt gezet. Net als haar opa is ze gek van insecten. Intussen heeft Luis last van rare klachten: er groeien vreemde uitsteeksels uit hem en hij krijgt problemen met zien. Het lijkt alsof hij in een insect verandert. 

Dossier

Dat is het verhaal van Huidkruipers van Yasmine Stalpaert. De strip is als hardcover verschenen, met achterin een uitgebreid dossier, waarin Stalpaert uitlegt dat haar eerst een ander project voor ogen stond, met drie verhalen rond drie personages: Franklin (een depressieve taxichauffeur), Luis (een gepensioneerde entomoloog) en Lucy (een voormalige kindster). Daarvan is dus alleen Luis overgebleven. 

Het dossier is uitgebreid, met bijvoorbeeld het complete storyboard (in kleine afbeeldingen) en veel schetsen (in verschillende stadia van uitwerking). Wie weet wordt daar ooit nog een strip van gemaakt. 

De verandering van een mens in een insect doet natuurlijk meteen denken aan Gregor Samsa, uit Die Verwandlung (1915) van Franz Kafka. Maar Samsa bleek ineens veranderd en bij Luis gaat die verandering geleidelijk. Sterker nog: het is niet helemaal duidelijk of die verandering er wel echt is. Is het niet gewoon de drank die Luis parten speelt? Of gebeurt die verandering alleen in zijn hoofd? Als hij denkt dat ook Sunny gaat veranderen, moet ze meteen naar de dokter, maar die constateert een onschuldige zonneallergie. 

Bovendien lijkt de omgeving van Luis de verandering niet zo op te merken. Het blijkt ook niet een doorgaand proces te zijn. In een later stadium is Luis weer minder insect dan daarvoor.

Voor mijn gevoel zwabbert het verhaal daarin wat. Je kunt zeggen dat Stalpaert de mogelijkheden openhoudt, maar voor mijn gevoel had ook een duidelijker keuze nog genoeg te raden kunnen laten. 

Jaren vijftig

De setting is niet alleen een nieuwe wijk in de leegte in Amerika, maar ook de jaren vijftig: Luis rookt pijp, Sunny draagt vlechten met strikken, er is een tv'tje met een antenne erop en op het aanrecht staat een radio (al heeft die niet op elk plaatje dezelfde kleur en hetzelfde formaat). 

De plaats heeft een functie: Luis is geïsoleerd en in zijn nieuwe omgeving kan hij niet terugvallen op zijn vertrouwde structuren. Waarom juist gekozen is voor de jaren vijftig, is me minder duidelijk. Misschien heeft dat te maken met ons beeld van huiselijkheid, duidelijke rolverdeling, stabiele relaties. Maar mogelijk liggen er alleen esthetische redenen ten grondslag aan de keuze. 

Tekeningen

De tekeningen van Yasmine Stalpaert hebben iets gemoedelijks en zijn sfeervol. Ondanks de dreiging gaat er ook een gezellige opgewektheid van uit. Als je ze nauwkeurig bekijkt, valt op dat Stalpaert minder belang hecht aan het consequent volhouden van details. Ik heb de radio al genoemd, maar dat geldt ook voor de sluiting van het overhemd van Luis, die per plaatje kan verschillen (links over rechts of juist andersom) en de voorkeurshand die de personen hebben. Het is onwaarschijnlijk dat mensen zo makkelijk wisselen van hand, alsof ze geen dominante hand hebben. 

Huidkruiper is een interessant album van een nieuwe stripmaker. Er is hier en daar misschien wel wat op aan te merken, maar ik ben vooral nieuwsgierig geworden naar waarmee Stalpaert ons nog gaat verrassen. 

Titel: Huidkruiper
Tekst en tekeningen: Yasmine Stalpaert
Uitgever: Menlu
2025, 56 blz. € 19,99 (hardcover)


maandag 10 maart 2025

Aan het einde van de oorlog (Bert Natter)

Er zijn veel goede boeken, maar sommige vallen je extra op. Ook in het hooggebergte zijn niet alle toppen gelijk. Aan het einde van de oorlog van Bert Natter is zo'n boek dat zich niet schuilhoudt tussen de andere boeken, maar dat meteen de aandacht opeist. 

Ten eerste is het bijna zo dik als een ontbijtkoek, het telt meer dan zeshonderd pagina's. Verder lopen er meer dan dertig personages in rond, die in het begin van het boek allemaal kort worden voorgesteld, bijvoorbeeld: 'SS-Obersturmführer Karl Zehlendorf (40). Eerste luitenant der SS, van Duitse komaf, plaatsvervangend kampcommandant, woonachtig in de villawijk nabij het kamp'. 

Waar die wijk gevestigd is, weet je dan al, want voor de lijst met personages, staat in het boek een plattegrond van de plaats van handeling: een concentratiekamp, ergens ten noorden van Berlijn.  Uit de titel hebben we kunnen afleiden dat het het ten tijde van het eind van de oorlog is. Meer precies, 20 en 21 april 1945. De geallieerden trekken op, het kamp zal weldra bevrijd (of veroverd) worden. 

Dat is een bijzondere setting. En het verhaal wordt ook op een opmerkelijke manier verteld: in korte stukjes, waarboven staat welke persoon het betreft en waar die zich bevindt, bijvoorbeeld 'Karl, in de feestzaal van de Kommandantur' of 'Christine, bij de kapper in het stadje'.

De verjaardag van de Führer

Als lezer ben je dus met je hoofd in een concentratiekamp of in de omgeving ervan en je leert het kampleven kennen. Het is 20 april, de verjaardag van de Führer, en de voorbereidingen voor het feest worden getroffen. Karl zal op de piano Beethoven spelen. Daar is hij nogal vol van. Hij had namelijk pianist willen worden, maar hij heeft het conservatorium niet afgemaakt. 

Anderen hebben heel andere bezigheden of zorgen. Suzie is bijvoorbeeld tewerkgesteld in het Beutegut-Lager, waar oorlogsbuit en voorraden worden opgeslagen. Ze zat in het linkse verzet en moet nu kijken of er nog iets bruikbaars zit tussen de kleren van de vergaste (en verbrande) gevangenen. En Eva is 'Chef Aufseherin'. Ze is opgegroeid in het nabij gelegen stadje en probeert ervoor te zorgen dat gevangenen gedisciplineerd en streng worden aangepakt. Ze lijkt met veel haatgevoelens rond te lopen, maar heeft een zwak voor haar hond Greif. 

Geleidelijk, en toch betrekkelijk snel, leer je de personages kennen. Ze lopen rond in hun deel van het kamp (of in de omgeving ervan) en doen wat ze moeten doen, alsof het normaal werk is, zoals in een kantoor ieder zijn eigen taak heeft, die nu eenmaal uitgevoerd moet worden, of je dat nu leuk vindt of niet. 

Gruwelijk normaal

Het lijkt bijna normaal werk en dat versterkt bij de lezer het gevoel van gruwel. Je weet hoe verschrikkelijk het allemaal is. Jij hebt het overzicht over het hele kamp, over de industrie die gericht is op de vernietiging en op bijvoorbeeld de experimenten die dokter Lance Weitze uitvoert op de patiënten, die verzorgd worden door Johanna. Het verschrikkelijke is dat het allemaal zo gewoon lijkt. 

Er zijn wel mensen die om zich heen kijken en zien dat er toch wel opmerkelijke zaken gebeuren, maar meestal is dan de veiligste gedachte: 'Het zijn mijn zaken niet.' En anderen hebben zich nooit afgevraagd wat er allemaal gaande is, bijvoorbeeld Herbert, de chauffeur van Karl. Hij is blij dat hij deze functie heeft, al moet hij dan in een oude DKW rijden, maar hij hoeft in ieder geval niet naar het front. Wat er binnen de poorten van het kamp gebeurt, heeft hij eigenlijk nooit beseft. 

Maar er is toch een crematorium, waarin lichamen van mensen verbrand worden? Natuurlijk, sommige mensen sterven aan een besmettelijke ziekte en voor de veiligheid worden hun lichamen gecremeerd. Dat is in ieder geval het geruststellende verhaal en waarom zou je daaraan twijfelen? Maar als Herbert beseft van wat voor kamp zijn baas ondercommandant is, wankelt zijn wereldbeeld. 

Karl woont in de villawijk in de buurt van het kamp, samen met zijn gezin: zijn vrouw Christine en zijn zonen Reinhart (15) en Ernst (11). Naast een chauffeur is er en dienstbode, Annemarie. 

Een verdwenen jongen

Als het verhaal begint, is de dag al aardig gevorderd. Het is een uur voor zonsondergang. Reinhart en Ernst zijn aan het vissen in het meer, ondanks het verbod van hun vader. Het loopt niet helemaal gesmeerd tussen de twee en Ernst laat zijn hengel en zijn broer achter. Wat er met hem gebeurt, is een belangrijke verhaallijn in Aan het eind van de oorlog

Voor de lezer wordt sneller duidelijk waar Ernst naar toe gegaan is, dan voor bijvoorbeeld zijn ouders. Hij is weg op een gegeven moment en in de hoofden van de mensen in de omgeving ontrollen zich allerlei scenario's. Hij zou bijvoorbeeld best verdronken kunnen zijn in het meer. 

Elk zijn eigen verhaallijn

Omdat er zoveel personages zijn, zijn er ook meer verhaallijnen. Eigenlijk heeft elk personage zijn eigen lijntje. Voor bijvoorbeeld Emanuel (17) is alles nieuw. Hij komt uit het stadje in de buurt, net als Aufseherin Eva en verpleegster Johanna, en het is zijn eerste dag. Hij staat op wacht voor de poort en probeert zo goed mogelijk te snappen wat er van hem verwacht wordt. 

De geallieerden naderen. Maar hoe ver zijn ze nog weg? Dat hun opmars vordert, is overduidelijk als er van hogerhand de opdracht komt om de administratie van het kamp te vernietigen. Voor sommigen zal de komst van de legers een bevrijding zijn, voor anderen zal dan de oorlog mislukt zijn. Alles is dan voor niets geweest. 

Onmogelijke positie

Aan het eind van de oorlog tekent het kamp, in zijn gruwelijke gewoonheid. Er gebeuren dingen waar je geen begrip voor en nauwelijks begrip van kunt hebben, maar waarin je toch meegenomen wordt. Je wordt gedwongen ze ook mee te maken, via het hoofd van de personen die allemaal hun eigen verhaal hebben. Het worden mensen voor je, tegenover wie je je als lezer ook menselijk wilt opstellen. Dat gaat eigenlijk heel gemakkelijk, zodat je ook zelf in een onmogelijke positie wordt gebracht. In ieder geval in een positie waarin je niet wilt zijn. Jij had ook in het kamp rond kunnen lopen, bezig met je taakje en je niet bemoeiend met dingen die je niet aangaan. 

Karl heeft bijvoorbeeld iets aandoenlijks. Hij loopt met een stok, door een ongeluk in het verleden. Hij is ambitieus en hij is er trots op dat hij de zaken zo goed geregeld heeft in het kamp. Maar de uitvoering van een stuk van Beethoven is ook belangrijk voor hem. Daarom moet de piano gestemd worden en wil hij niet horen wat er rond zijn zoon Ernst speelt: hij heeft nu andere zaken aan zijn hoofd. 

Tegelijkertijd kan hij genadeloos zijn. Als hij iemand met een pistoolschot moet doden, zal hij niet twijfelen. Zo iemand wil je eigenlijk helemaal niet aandoenlijk vinden, maar het gebeurt wel. 

Ook lichtheid

Natuurlijk is Aan het eind van de oorlog een ernstig boek, maar het is niet alleen maar een zwaar boek. Er is ook humor en er is ook lichtheid. Die heb je als lezer ook wel nodig. Het is opmerkelijk dat de lichtheid die er van tijd tot tijd is, de gruwel niet relativeert. Daarvan blijf je je altijd bewust. 

Het geweld, het sadisme misschien, is schokkend. Maar ook schokkend is de vanzelfsprekendheid waarmee mensen zich superieur achten aan anderen en hoe gemakkelijk mensen in soorten of rassen worden ingedeeld. 

Karl is ervan overtuigd gebleven dat alles wat een sterke wil heeft over de aarde zal heersen. Het ongedierte, de parasieten, als je daar eenmaal van af bent en je houdt alleen de mensen over die het werkelijk waard zijn dat ze leven, zal er een heerlijke tijd aanbreken. Daar zijn helden voor nodig, daar is meedogenloosheid voor nodig. 

Spannend

Dat Aan het einde van de oorlog ook een spannend boek is, waarin je maar blijft lezen, is ook al verwarrend. Je peurt toch iets van genot uit een verschrikkelijke geschiedenis. Dat dubbele gevoel raak je tijdens het lezen en ook daarna niet kwijt. Je kunt zeggen dat het een indrukwekkend boek is, maar niemand zal het een heerlijk boek noemen, en als je het wel zo dreigt te ervaren, springen het schuldgevoel en de schaamte meteen op je nek. 

In ieder geval brengt het de oorlog dichterbij. Niet alleen omdat je 'live' leest wat er gebeurt, maar ook omdat het geen beesten zijn die beestachtige daden verrichten, maar mensen, zoals jij en ik. Niemand kan gerust zijn over wat hij in extreme omstandigheden zou doen en het is maar de vraag in hoeverre we de menselijkheid die we voorstaan op kunnen brengen als het erop aankomt. 

Alle mensen in dit boek hebben hun verschillende kanten, hun verlangens, hun angsten, hun hoop. Sommigen gun je een goede afloop. Je weet dat de oorlog bijna ten einde is, en je hoopt dat ze dat einde zullen halen. Maar als lezer ben je machteloos. 

Aan het einde van de oorlog is een intens boek, dat geweldig goed geschreven is. Een boek dat je misschien liever niet leest, maar dat je wel moet lezen. Wegkijken helpt niet en ten diepste zijn het onze zaken wel. Altijd, dus ook nu. 

Eerder schreef ik over andere boeken van Bert Natter:

vrijdag 7 maart 2025

Afgestoft: Het besluit van Dola Korstjens (Elke Geurts)

Maar weer eens een recensie uit de krant. Die recensies zijn wat recenter dan die uit Kreatief , Bloknoot en Dietsche Warande & Belfort en zeker dan die uit 't Kofschip. 

Het besluit van Dola Korstjens (2008) is het debuut van Elke Geurts. Mijn recensie werd op 4 juli 2008 gepubliceerd in het Nederlands Dagblad. Werd het boek mij gewoon toegestuurd of heb ik mij gemeld toen de lijst met nieuw binnengekomen boeken langskwam? Ik weet het niet meer. 

Een tijdlang las ik zo nu en dan de weblog van Geurts, toen die zich nog op Blogspot bevond. Mogelijk deed ik dat al voor 2008. Maar wat was dan de aanleiding? Daarin helpt mijn geheugen mij niet verder. 

Ik vond indertijd Het besluit van Dola Korstjens wel goed. Later zou ik ook schrijven over Lastmens (2010) en over Geurts' eerste roman, De weg naar zee. Ik heb de recensies niet helemaal herlezen, maar ik geloof dat ik beide boeken met plezier heb gelezen, hoewel ik Geurts toch meer een verhalenschrijver dan een romanschrijver vond. In onderstaande recensie, maar ook in een andere eindig ik met het uitspreken van mijn waardering van het korte verhaal. Die neiging heb ik nog steeds als ik een verhalenbundel bespreek. Binnenkort schrijf ik over Achtertuinen van Robin Kramer. Het valt me op dat ik bij de verhalenschrijvers voornamelijk mannen noem. Daar zou ik mezelf nu niet meer mee weg laten komen. 

In 2017 verscheen van Elke Geurts Ik nog wel van jou, een roman die ik oversloeg, al weet ik niet meer waarom. Nou ja, je kunt niet alles lezen. Maar het vervolg, Wie is die vrouw? (2022) kocht en las ik. Sympathiek boek. En ook wel goed. Zo herinner ik het me in ieder geval. Ik heb er ongetwijfeld reclame voor gemaakt in de klassen waar ik toen voor stond. Toegankelijke literatuur. 

Alleen Ik nog wel van jou heb ik dus niet gelezen. Dat moet ik nog maar een keer opsnorren. Dat ben ik echt van plan, maar je moet zo'n voornemen ook weer niet al te serieus nemen. Ik heb nog stapels boeken die ik echt wil lezen. Vandaag kocht ik in een kringloop zes boeken: van Marnix Gijsen, Inez van Dullemen, Flip Willemsen, Charlotte Mutsaers, Marjolijn Februari en Elvis Peeters. Eigenlijk wil ik ze allemaal lezen, maar ik zal beginnen met Flip Willemsen, omdat ik van haar nog nooit eerder iets las. Maar eerst de dikke roman van Bert Natter uitlezen. Daar zal ik volgende week over schrijven. 


Er loert altijd gevaar 

Het leven zit vol dreigingen. Een bankstel dat aan een hijskraan hangt boven de plek waar jij loopt, kan zomaar op je hoofd vallen, vogels kunnen je aanvallen omdat je een stuk brood in de hand houdt dat zij willen hebben en je kind kan zomaar een fles wc-reiniger aan zijn mond zetten. In de verhalen van Elke Geurts ligt er vaak gevaar op de loer. Soms zie je het en kun je het onschadelijk maken, maar je kunt niet alles voor zijn. 

In Het besluit van Dola Korstjens, de debuutbundel van Geurts, merken de personages dat je het leven niet uit kunt stippelen, dat er altijd onverwachte dingen gebeuren en dat je dus je bestaan nooit helemaal op orde krijgt. Voor jezelf is dat al lastig, maar het wordt helemaal moeilijk als je ook nog een klein kind hebt waarvoor je je verantwoordelijk voelt. 

Er dwalen nogal eens moeders met een kind rond in Geurts' verhalen. Soms hebben ze geen partner die hen bijstaat in de zorg, soms wel, maar hoe dan ook, ze moeten altijd op hun hoede blijven. En als lezer krijg je steeds meer het gevoel dat dat tevergeefs is, dat ze de ramp toch niet af kunnen wenden. 

In bijvoorbeeld 'Het geluk van de tussenbuurvrouw' waarschuwen anderen (de 'ideale moeders') de moeder voor de 'tussenbuurvrouw', die de etage bewoont boven moeder en dochtertje Mascha en beneden de zolder, waar Mascha slaapt. Moeder houdt haar dochter in de gaten; zelfs als ze even naar buiten gaat om het huisvuil in de container te doen, neemt ze nog de babyfoon mee in haar jaszak. De tussenbuurvrouw ziet Mascha min of meer als haar kleinkind. Veertig jaar geleden is haar dochter bevallen van een dood meisje en sinds die tijd heeft zij al gedroomd van een kleindochter die Mascha zal heten. Het oude vrouwtje is ontegenzeglijk aardig, maar ze is ook dwingend aanwezig. Zo laat ze een envelop achter met geld voor Mascha's studie en ze klopt aan omdat ze denkt dat er misschien iets met haar 'kleindochter' is. Je voelt al aan dat er een moment zal komen dat op de babyfoon het rode lichtje zal gaan branden: system not linked. Wat zal er gebeuren als moeder dat niet ziet? En waar zal de tussenbuurvrouw dan zijn? 

Niet alleen is de moeder dan machteloos, je bent het ook als lezer. Daarom zijn de verhalen van Geurts verontrustende verhalen. De lezer identificeert zich met de hoofdpersoon en merkt dat hij alles net niet in de vingers heeft, dat dingen altijd net iets anders gaan dan hij voorzien heeft. Er is geen controle, er is eigenlijk geen grote lijn, je bent een weerloos schepsel. Het is knap van Geurts dat ze dat gevoel op de lezer over weet te brengen. Ze plaatst hem in een deprimerende wereld, met weinig uitzicht op een goede afloop. Maar de personages laten zich daardoor niet uit het veld slaan. Ze houden dapper vol. 

Soms helpt hun verbeelding, en soms zit die alleen maar dwars. Je kunt je immers van alles in het hoofd halen. Je kunt je allerlei rampen voorstellen die er niet zijn, maar je kunt je ook troosten door tegen anderen te vertellen dat je de moeder van een dochtertje bent dat er helemaal niet blijkt te zijn. Het zijn in ieder geval geen opgevers, die personages van Elke Geurts. Nadat Dola Korstjens, de hoofdpersoon uit het titelverhaal, in elkaar is gezakt, is ze ervan overtuigd dat ze dood is. Maar zoals ze zich getraind heeft in het ophouden van haar plas, besluit ze ook de dood op te houden als een plasje en gewoon door te gaan. 

'Het belangrijkste-mensenlijstje' eindigt met: 
In het voorbijgaan knik ik Ozon toe, ik zwaai, steek mijn duim naar hem op. Ozon ziet me niet. Ik wend mijn blik af, naar voren. Het is graag of niet. 
Dat klinkt heel zelfverzekerd, maar je vermoedt dat ze zoiets vooral tegen zichzelf moet zeggen om zich niet neer te leggen bij haar teleurstelling. Tanden in de lip. Aandoenlijk van dapperheid. 

Korte baan 

Van Geurts' verhalen blijven je na lezing vooral de personages bij, meer dan bijvoorbeeld de stijl, al is daar weinig op aan te merken. En zeker minder dan de plot, die vaak ontbreekt, maar dat past hier eigenlijk wel. De verhalen zijn uitsneden uit levens en in het leven lopen gebeurtenissen ook meestal niet mooi naar een plot. Het schrijven van korte verhalen is iets anders dan het schrijven van romans. Natuurlijk, er zijn schrijvers die beide genres prima beheersen of beheerst hebben: Bernlef, Hugo Claus, Frans Kellendonk en Jan Wolkers, om maar een paar groten te noemen. Maar we hebben ook schrijvers die nagenoeg uitsluitend excelleren op de korte baan: J.M.A. Biesheuvel, F.B. Hotz, Sanneke van Hassel. Van mij mag Elke Geurts nog heel lang een verhalenschrijver blijven.

Ook op Bunt Blogt:

donderdag 6 maart 2025

Afgestoft: Beginselen van archeologie (Frans Deschoemaker)

Poëzie besprak ik vooral in Kreatief en Poëziekrant en soms in 't Kofschip. De exemplaren van de Poëziekrant heb ik niet meer. Die zal ik bij de laatste verhuizing wel weggegeven hebben. 

Deze keer plaats ik hier een recensie van een bundel uit 1990 van Frans Deschoemaeker, Beginselen van archeologie. Het was de vierde bundel van Deschoemaeker, uitgekomen bij de vierde uitgeverij. Het zou dertien jaar duren voor er weer een bundel verscheen, bij Poëziecentrum, waar nog weer acht jaar later de zesde bundel gepubliceerd werd. Als ik lieg, is me dat ingeblazen door Wikipedia

De recensie stond in de vierentwintigste jaargang van Kreatief, nummer 4, van oktober 1990. In datzelfde nummer besprak ik ook Uiterwaarden van Marijke van Hooff. Als ik mijn stukje nu teruglees, erger ik me aan die nadrukkelijk afrondende laatste zin. Ik heb wel vaker de neiging om aan het eind nog iets afrondends te schrijven en meestal is dat gemakzucht, vrees ik. Zo kun je makkelijk een eind aan je recensie breien. 

Verder vind ik het vooral leuk om de poëzie van Deschoemaeker weer eens te lezen en om die, door het plaatsen van de recensie, weer eens onder de aandacht te brengen. 

Voor op het nummer van Kreatief staat vermeld wat je in het blad kunt verwachten: 'Umberto Eco en de universele paranoia' en 'Nieuw Vlaams proza'. 

Er zijn vijf verhalen opgenomen, van schrijvers die mij niet veel meer zeggen. De bekendste is Bart Plouvier, denk ik. Maar mogelijk ken jij Bert Vanheste, José Planckaert, Leander Hanssen of Daniël Van Hecke wel. 

Het stuk over Umberto Eco is geschreven door Koen Vermeiren, die in dit nummer met nog drie stukken present is: over Pol Hoste, Alstein en Willem Brakman. Ik las ooit van hem de roman De vrolijke eenzaamheid maar ik weet niet meer wat ik ervan vond. Mogelijk heb ik erover geschreven. Dan kom ik dat nog wel tegen. 

Verder zijn er twee bijdragen van Erik Vermeulen, over J.K. Huysmans en over Susanne Lilar. Dat is lang niet alles wat in Kreatief staat, maar ik laat het hier even bij. 


Wat niet is, maar blijk geeft van aanwezigheid

Beginselen van archeologie noemde Frans Deschoemaeker zijn poëziebundel en niet voor niets: de hele bundel draait om overblijfselen uit het verleden en om wat verdwenen is. 

Met de kracht van geheugen en verbeelding kan het verleden soms teruggeroepen worden. 'Nog bijna achterhaalbaar; van de kaart / geveegde spijbelpaden, oude karresporen / krimpend in de klei van het geheugen', lezen we in 'Bavikhoeve' en in 'Jaagpad': 'De iepen zijn gerooid, de rietkraag rust / onder beton. En toch dringt zich de geur op // van die oude zomer.'

Maar het verleden kan natuurlijk nooit volledig gereconstrueerd worden. 'Wij raken altijd het spoor bijster. / Verleden rolt zich op in de vergrijzing / van een kei, een braakland, een timpaan // te Vézelay.' Juist de blinde vlekken, het verdwenene, het onachterhaalbare, interesseren Deschoemaeker. Een van de kerngedichten lijkt me dan ook 'Resonantie'

Wat niet is. Wat een witte wig
drijft in archief en plattegrond.
Wat dode hoek is en geheugenwak. 

Wat vertwijfeld ruimte zoekt
voor resonantie. Landinwaarts. 
In alikruik, ganglion, hersenfjord. 

Soms, de oorschelp tegen het behang, 
beluistert hij bij nacht het suizen
in de buizen van een verre metropool. 

Wat niet is, maar doordringend blijk
geeft van aanwezigheid, ritselt onder
taalpartikels, beeft in de papierkorrel. 

In de laatste strofe van dit gedicht komt de taal ter sprake. Ook in de taal moet gegraven worden naar oorspronkelijke bedoelingen, oorspronkelijke betekenissen: 'In de moerasgewassen van de etymologie / hakten wij met moeite een gedachtengang' en 'Aan de dagzoom van de taal / wrikt hij betekenisgehelen los.'

Maar de taal is ook een middel om aan het voorbijgaan van de tijd te ontsnappen. 'Soms is tijd een zomerdag die eirond, / als een dooier, wegzinkt. In tijde- / loosheid van een ansicht, geen gedicht.' Hoe sterk de dichter zelf in die ontsnapping gelooft, is nog maar de vraag. In ieder geval eindigt het laatste gedicht uit de bundel met: 'Herfst wist ons allen uit'.

De gedichten in Beginselen van archeologie zijn soms filosofisch, algemeen (zoals het geciteerde 'Resonantie'), soms anekdotisch. Maar bij de anekdotische gaat het nooit om het verhaal op zich, ze zijn concretiseringen van de filosofische thematiek. Een voorbeeld hiervan is 'Zomerkamp'. 

Dit bos. De zomers bijgezet. Opgerold
in de spiraal der jaren onder elke bast.
Ooit sloot zich dit bos hermetisch

om dijspierweefsels: daar lag zij,
ingebed in bereklauw en wilde akelei.
Dauw glom in de dalkom. Een balkje zon

vlekte op huid en blond struweel
waarin de roofmier vastliep. Glycogene 
schemerzone, oorverdovend houtland-

De hopman blies de hoorn. Zij liepen 
met zijn allen de hazepaden, de rozetten
de spiralende zwarte gaten van de bossen in. 

'Dit bos. (...) daar lag zij.' Het lijkt of de plekken voor de lezer aangewezen worden. De natuur levert de aanknopingspunten voor het geheugen. Het verleden gaat in de natuur niet verloren. Alle zomers die intussen voorbijgegaan zijn, zijn opgeslagen in de jaarringen van de bomen. 

In bovenstaand gedicht is de natuur haast erotisch geladen. 'Benedenwindse bossen. Glinsterende / schimmelrijken, vorstelijk en vaginaal', lezen we ergens anders. 

De erotiek komt op meer plaatsen voor. Alle keren wordt ze vooral visueel beschreven. 'Valavond, haar fiets / in de berm, de niet eindigende lijn / van haar dij in groene klaverlabyrinten.' Ze heeft vrijwel altijd iets prils en dat is niet verwonderlijk. De hele bundel door zijn er nogal wat verwijzingen naar de kindertijd. 

De sterke concentratie op het hoofdthema en de heldere en hechte opbouw maken Beginselen van archeologie tot een coherente bundel. Ook de zorgvuldige woordkeus draagt hiertoe bij. Woorden die in het ene gedicht oplichten, komen vaak terloops in een ander gedicht terug. Zo zijn de gedichten in hun samenhang nog sterker dan ze afzonderlijk al waren. 

De stijl van Deschoemaeker houdt een aangenaam midden tussen helderheid en geheimzinnigheid. Zijn beeldgebruik is verrassend, zonder dat het gezocht klinkt. 'Zo komt een die door de buitendijkse meersen / en het kreupelland van zijn verbeelding waadt / haar tegemoet', vind ik bijvoorbeeld een mooie zin. De beeldspraak (door meersen en kreupellaan waden) sluit naadloos aan bij het tegemoet komen. Iemand die zo schrijft, laat zien dat hij kan dichten.