dinsdag 13 februari 2024

Jeremiah 40: De vermiste


Hermann (Hermann Huppen) is een van de grote stripmakers. Hij heeft legendarische reeksen op zijn naam staan als Bernard Prince, Comanche, Jeremiah en De torens van Schemerwoude. Hij was al een heel tijdje bezig toen ik zijn albums ontdekte en ik heb er aardig wat tweedehands gekocht. Ook korte reeksen als Nick en de eerste twee delen van Jugurtha. 

De albums die Hermann maakte met scenarist Greg zijn allemaal wel goed. Maar later werkte hij samen met zijn zoon Yves H. en ook schreef hij zelf wel scenario's. Daarover zijn de meningen nogal verdeeld. In ieder geval halen ze het gemiddeld genomen niet bij de vroegere verhalen. 

Post-apocalyptische wereld

Jeremiah is een serie die al lang loopt. Het eerste deel, De nacht van de roofvogels verscheen in 1979. Er zijn twee hoofdpersonen: Jeremiah en Kurdy, met zijn helm en zijn ezel. De twee bewegen zich in een post-apocalyptische wereld, die troosteloos aandoet. Er staan hier en daar autowrakken, er zijn leegstaande gebouwen, er is eigenlijk geen georganiseerde staat. Blijkbaar is er ooit een ramp gebeurd en zoveel jaar na dato proberen de mensen een leven op te bouwen. 

Jeremiah en Kurdy komen in wonderlijke settings terecht. Er is gevaar, het is spannend, en uiteindelijk loopt het toch net goed af.

Intussen is de reeks aan deel 40 toe: De vermiste. Ik ben al lang gestopt om de albums te kopen, maar af en toe wil ik er nog wel eentje proberen en soms pakt dat ook nog wel goed uit. 

Tekeningen

De tekenstijl van Hermann is voor een deel hetzelfde gebleven. Zijn lijntje is altijd nog wel herkenbaar. Maar bij zijn vroege albums is er nadrukkelijk geïnkt. Die lijnen zijn in de loop der jaren minder hard en minder zwart geworden. Ook zijn de albums hun kleur kwijtgeraakt. Daarbij moet ik altijd denken aan de roman Labyrint (2004) van Fleur Bourgonje, waar een kunstenares ook de kleuren kwijtraakt. Ze komt terecht in de kleurrijke stad Fez. 

Bij Hermann zijn de tekeningen grauw geworden. Er lijkt ook vaak een soort mist te hangen. Je zou kunnen zeggen dat hij op zoek is naar de essentie en dat kleur blijkbaar afleidt of dat de grauwheid van de tekeningen symbolisch is voor de grauwe wereld waarin de personages zich bewegen. Voor mijn gevoel is er toch ook een soort fletsheid over de tekeningen gekomen, die ze minder sprekend maakt. De naargeestige sfeer van de leefwereld hangt wel duidelijk in het verhaal. 

Verhaal

In De vermiste speelt Jeremiah een beperkte rol. Kurdy wacht op zijn vriend, maar die komt maar niet opdagen. Hij vindt een fles met inhoud, merkt dat het geen whisky is, maar hij drinkt er wel van. Daardoor gaat hij halucineren en in de loop van het verhaal is hij vaak niet helemaal helder. Hij ontmoet een maatje, Sho, en samen proberen ze zich te redden. Er is een sekte, er zijn mensen met macht die samenspannen en er zijn mensen die daar slachtoffer van worden. Aan het eind van het verhaal worden (spoil, spoil) Kurdy en Jeremiah herenigd. 

Op scèneniveau zijn er nog steeds heel aardige passages en Hermann, al een eindje in de tachtig, is het tekenen nog niet verleerd, maar het verhaal als geheel heeft te weinig lijn, te weinig noodzaak, is te weinig dwingend. Eerlijk gezegd deed het me weinig en dat had ik liever anders gezien. 

Het is nog altijd prettig om een album van Hermann te lezen, maar er is eigenlijk niets in dit verhaal dat je bijblijft. Dat is jammer. Gelukkig is er nog genoeg ander werk van Hermann om te (her)lezen. 

Reeks: Jeremiah
Deel 40: De vermiste
Tekst en tekeningen: Hermann
Uitgeverij: Dupuis
48 blz. € 9,99 (softcover)

Eerder schreef ik over andere albums van Hermann:

maandag 12 februari 2024

Walter van den Broeck (1941 - 2024) overleden

Een klein berichtje, afgelopen week, op een van de sociale media, waarbij ik tijdens het scrollen even stilhield: een foto van een man met een hoed op die zich naar iemand overbuigt. Er stond bij vermeld dat Walter van den Broeck overleden is. Hij werd een zachtmoedig mens genoemd. Ik dacht alleen maar 'Ach, Walter van den Broeck' en ik scrolde weer door. Later wist ik niet meer waar ik het bericht gezien. 

Ook op Tzum las ik een bericht, vrij kort. Er is een tijd geweest dat ik over bijna elke overleden schrijver wel een stukje schreef. Maar daar kwam de klad in. Ik sloeg twee grote schrijvers over, Remco Campert en Jeroen Brouwers, omdat het me even niet uitkwam en ik er niet een kort flodderstukje van wilde maken. En toen was blijkbaar ook de vanzelfsprekendheid weg. Ik liet dit soort stukjes gewoon zitten. Maar nu is Walter van den Broeck overleden. 

Voor de gelegenheid heb ik zijn boeken van de plank gehaald. Het zijn er zeventien. Ergens op een stapel moet Terug naar Walden (2009) zich bevinden. Dat moet ik nog lezen. En in een doos bevinden zich nog twee boekjes met Hollandermoppen: 1 cola met 6 rietjes (1969) en Minder cola met nog meer rietjes (1976). Gekocht voor de aardigheid en vooral omdat de naam Walter van den Broeck erop stond. 

Leesgeschiedenis

In dit stukje probeer ik een soort leesgeschiedenis te schetsen. Wat las ik van Van den Broeck en wanneer? Gelukkig heb ik aan het begin van de jaren tachtig voor in de boeken geschreven wanneer ik ze aanschafte. 

Mijn eerste aanschaf was in 1983:  Brief aan Boudewijn (1980). Dat beviel me goed, want in dat jaar kocht ik ook nog: De troonopvolger (1967), Aantekeningen van een stambewaarder (1977) en De dag dat Lester Saigon kwam (1974). In 1984 kocht ik 362.880 x Jef Geys (1970), Groenten uit Balen (1972) en Tien jaar later: 't jaar 10 (1980). In 1985 verscheen Het beleg van Laken, dat ik meteen kocht. Een jaar later kocht ik Lang weekend (1968) en Aangewaaid. Mogelijk heb ik dat besproken voor een Vlaams blad, 't Kofschip, maar dat weet ik niet zeker meer. Verder gaat mijn administratie niet. 

Brief aan Boudewijn

Waarom ik Brief aan Boudewijn aanschafte, staat me niet meer bij. Mogelijk omdat het in 1982 bekroond werd met de Henriëtte Roland Holstprijs. Het zal niet de lovende recensie zijn die Jeroen Brouwers in 1980 in Vrij Nederland schreef, al zal ik die wel gelezen hebben. Ik had toen een abonnement en bewonderde het werk van Brouwers. Maar ik wachtte nog best een tijd met het kopen van het boek. 

In ieder geval kocht ik het en ik las het. Ik vond het geweldig. In Brief aan Boudewijn richt Walter van den Broeck zich tot koning Boudewijn. De koning heeft ooit Olen, de geboorteplaats van de schrijver, bezocht, maar toen werd de werkelijkheid bij hem weggehouden: er werden nieuwe grasmatten rond ''t fabriek' gelegd en de arbeiders kregen nieuwe overalls, die ze na het bezoek weer moesten inleveren. 

Van den Broeck leidt de jonge Boudewijn rond door de cité, waar de middenstanders wonen en ook de arbeiders. Uiteindelijk komen ze in de Koperstraat, waar Van den Broeck opgegroeid is. Huis voor huis wordt verteld wie er woont en zo krijgen we een beeld van de arbeidersgemeenschap. Bij Koperstraat 45 gaat de koning naar binnen, waar de kleine Walter woont. 

In een kamertje zit het jongetje, dat snikkend de koning aan de borst valt. De koning weert hem niet af en geeft hem zelfs zijn vulpen. 

En als u merkt dat hij er niet in gelukt zijn gesnik definitief te onderdrukken, reikt u hem uw vulpen aan.
Want, neen, helaas, u bent niet gekomen om hem mee te nemen naar het paleis. Rustig is het land nog lang niet en bovendien heeft de cité Walter nodig. Wie? Zeg eens wie anders dan hij zal later verslag uitbrengen van deze onthullende reis? Wie anders dan hij zal deze cité voor de komplete ondergang behoeden, door ze tijdig op schrift te stellen?
En daarom draagt u haar, door het schenken van deze vulpen, aan hem over. 

Een prachtig boek, vond ik. Natuurlijk is het goed geschreven, maar misschien raakte het mij ook wel dat hier een dorpsgemeenschap werd getekend. Mijn vader was geen fabrieksarbeider, maar hij zat wel eens piekerend en hoofdschuddend aan tafel als hij niet wist hoe hij de mulder moest betalen. We wisten wel dat we altijd te eten zouden hebben, want zoals mijn vader altijd zei: 'Een boer laten verhongeren en een vis laten verzuipen, dat valt niet mee.'

Aantekeningen van een stambewaarder

Daarna kocht ik het debuut van Walter van den Broeck, De troonopvolger (1967) . Een wonderlijk boek, dat ik wel aardig vond, maar daar bleef het ook bij. Maar bij Aantekeningen van een stambewaarder (1977) was ik weer helemaal verkocht. In deze roman gaat Van den Broeck het gesprek aan met zijn voorvaderen. 

Het boek kent verschillende pogingen tot een begin, met titels als 'Een eerste begin', 'Een tweede begin' tot en met 'Een vierde begin'. In 'Een tweede begin' vraagt Walter van den Broeck waarom hij dit toch allemaal opschrijft. 

Omdat ik een geldig antwoord wil formuleren op mijn gevoel van ontheemd zijn,
omdat ook ik gegrepen word door het fin-de-siècle-klimaat van deze tijd,
omdat ik weldra vijfendertig jaar oud zal worden,
omdat ik bang ben voor hetgeen nog uit de broeierige schoot van deze wereldkrisis te voorschijn kan komen. 

Uiteindelijk begint hij op een Bijbelse manier: met een geslachtsregister, beginnend bij Adam die Seth gewon en Seth die Enos gewon. Na Noach staan er puntjes en uiteindelijk komt hij uit bij iemand (maar hij weet niet zeker wie) de Jan-Baptiste van den Broeck gewon, een verre voorvader van Walter, die overleed in 1794. Via een rij Van den Broecken (Jan-Gerard, Petrus, Livinus en Peter Jules) komt hij uit bij zijn vader Robert Sidney en uiteindelijk bij zichzelf, Walter Stefaan Karel. Hij eindigt dat deel, en daarmee het boek, met 'Het einde van het begin.'

Voor het hele boek geeft hij zich de opdracht om niets te verzinnen en om zich te beperken tot wat hij weet. Ook in Brief aan Boudewijn bleef hij al dicht bij de werkelijkheid zoals hij die zich herinnerde. 

De dag dat Lester Saigon kwam

De dag dat Lester Saigon kwam (1974) verscheen voor Aantekeningen van een stambewaarder (1977). Ik las de boeken kort na elkaar. Ook hierin speelt de autobiografie van de schrijver een rol. Walter is getrouwd met Eliane (aan wie het boek is opgedragen) en heeft twee jonge kinderen. Zijn oudere broer Jules is verhuisd naar Amerika, toen Walter negen jaar oud was. 

Het huwelijk van Walter en Eliane verkeert in een crisis en Walter verlaat het gezin. Hij verhuurt zich als tuinkabouter, een toeristische attractie. Juist dan komt Jules uit Amerika. Hij krijgt in de roman de rol van de detective Lester Saigon. 

Walter vertelt over Walter van den Broeck in de hij-vorm. Voor een deel is het fictie, maar er staan ook brieven in het boek (van Eliane en Jules), die authentiek zijn  of dat in ieder geval zouden kunnen zijn. 

In zowel De dag dat Lester Saigon kwam, Aantekeningen van een stambewaarder als Brief aan Boudewijn speelt de werkelijkheid een prominente rol. Tegelijk vindt Van den Broeck voor elk boek een bijzondere vorm. Steeds zijn er elementen uit de werkelijkheid, maar de context is die van fictie, zodat je altijd twijfelt of je nu een verhaal zit te lezen of een verslag van wat er werkelijk gebeurd is. Ik vond dat indertijd mateloos spannend. 


Ik was zo vol bewondering dat ik, net vijfentwintig jaar oud, besloot een brief te schrijven aan Walter van den Broeck om te getuigen van die bewondering. Ik kreeg een heel vriendelijk briefje terug, geschreven in een prachtig handschrift. Het zal nog ergens zijn, in een doos op zolder, achter het schot. Alleen bij toeval zal ik het nog in handen krijgen. 

Toneelstukken

In 1984 kocht ik twee toneelstukken van Walter van den Broeck, Groenten uit Balen (1972), dat al aan zijn tiende druk toe was, en Tien jaar later, 't jaar 10 (1982). In deze toneelstukken blijkt de sociale betrokkenheid van Van den Broeck. Groenten uit Balen gaat over een staking in 1971 van de arbeiders die werkten bij Vieille Montagne in Balen. We volgen het gezin van een van de arbeiders, Jan Debruycker. 

Tien jaar later: 't jaar 10 speelt zich tien jaar later af. In het gezin is het nog steeds crisis: werkloosheid, druk van afbetalingen. Er is angst en uitzichtloosheid. 

Van den Broeck heeft een uitgebreid toneeloeuvre. Wikipedia noemt negentien toneelstukken, waaronder Amanda en de widowmaker (1993). Dat las ik als novelle, uit 1994. Verder las ik nog De rekening van het
kind
 (1975), maar het staat me niet meer bij wanneer. Het stuk speelt zich in ieder geval af op een middelbare school. Walter van den Broeck stond negen jaar lang voor de klas, dus hij kent de onderwijswereld. Achter op De rekening van het kind wordt het toneelstuk een afrekening genoemd. De leraar Nederlands heet Willy Taelman, de leraar wiskunde Rik Seifers en de lerares huishoudkunde Laurette de Kock. Dat klinkt in ieder geval behoorlijk flauw. 

Een multiepel

In 1984 kocht ik ook 362.880 x Jef Geys. De ondertitel is 'een multiepel'. Van den Broeck houdt van ondertitels, zo noemde hij De dag dat Lester Saigon kwam 'Een doorkijkroman', Lang weekend 'Een feuilleton' en Aantekeningen van een stambewaarder 'Een boekwerk'. 

Van 362.880 x Jef Geys herinner ik me vooral de vorm. Het boek bestaat uit acht delen, die in willekeurige volgorde gelezen kunnen worden. Dat wil zeggen dat je het boek op 362.880 verschillende manieren kunt lezen. In elk deel wordt eigenlijk hetzelfde verteld, maar steeds vanuit een ander perspectief. Als je alle delen gelezen hebt, moet je concluderen dat de waarheid niet bestaat. Ieder heeft zijn eigen waarheid en heeft vanuit zijn optiek gelijk. 

Ik heb dit boek vaak als voorbeeld gegeven als ik in de klas het vertelperspectief behandelde. 


Het beleg van Laken

In 1985 verscheen Het beleg van Laken dat als ondertitel 'Een moorddroom' heeft, een palindroom. Het is een soort vervolg op Brief aan Boudewijn. De schrijver Walter van den Broeck wordt meegevoerd naar het paleis in Laken, woonplaats van de koning. Op het koninklijk domein krijgt hij een chalet toegewezen. Hij is een soort gevangene, maar hij zal ook een grote opdracht krijgen. 

Hij ontmoet wonderlijke types en hij krijgt allerlei verhalen te horen. Intussen is er militair machtsvertoon bij de paleispoort. Hoe meer Van den Broeck te weten komt, hoe raadselachtiger zijn positie wordt. Ook de tijd blijkt niet betrouwbaar: de schrijver denkt mensen te zien die al niet meer leven. 

Van den Broeck krijgt verhalen te horen over het koningshuis, maar hij moet ook antwoord geven op de vraag 'Waarom schrijft u?' waarover hij ook al had nagedacht in Aantekeningen van een stambewaarder. 


De delen hebben titels die anagrammen zijn van de titel van de roman: 'Hellegat kan beven', 'Hete Belg van Laken', 'Hé, teelbal van 'n gek!', 'En Hegel beval Kant'. 

Later zouden er nog drie romans volgen, die met Het beleg van Laken 'de koningscyclus' zouden vormen. Ook die romans dragen dit soort titels: Gek leven na het bal! (1990), Het gevallen baken (1991) en Het leven na beklag (1992). Ik las van die drie alleen, maar een aantal jaren later, Gek leven na het bal!

Lang weekend

In 1986 las ik Lang weekend, een roman uit1968. Het verscheen een jaar na het debuut, De troonopvolger, maar het is een heel ander boek. Misschien lijkt het nog het meest op De dag dat Lester Saigon kwam, dat pas zes jaar later zou verschijnen. Ook in Lang weekend komt het personage Walter van den Broeck voor. Er staat me eerlijk gezegd niet zo heel veel meer bij van deze roman. Ik vermoed dat De dag dat Lester Saigon kwam zowel persoonlijker als fantasievoller is dan Lang weekend. 


Sterke verhalen

In het jaar dat ik Lang weekend las (in maart) verscheen ook Aangewaaid, dat ik in november kreeg. Ik vermoed dat ik het moest bespreken, maar ik weet dat niet zeker meer. In de inleiding van het boek heeft Van den Broeck het over moderne legenden, waarbij hij Broodje Aap van Ethel Portnoy noemt. Hij zegt dat hij in zijn verhalen sommige legenden als belevenissen heeft weergegeven en sommige belevenissen als legenden. 

Het boek stond me niet aan, als mijn geheugen mij niet bedriegt. Ik was nogal teleurgesteld door deze verhalen, die heel anders waren dan wat ik tot nu toe van Van den Broeck gelezen had. Niet zo persoonlijk, niet zo origineel van vorm, niet zo fantasierijk en vooral niet zo goed.


Na de teleurstelling door Aangewaaid liet ik het werk van Walter van den Broeck even voor wat het was.¡Querido hermano! (1988) kocht en las ik niet, net zoals de drie delen van de koningscyclus. Pas in 1998 kocht ik Verdwaalde post, dat toen net verschenen was. 

Verdwaalde post

Verdwaalde post is weer een typisch Van-den-Broeckboek. Voor deze roman heeft hij weer een vorm die op maat gesneden is. In dit geval is het de briefvorm. Het boek opent met een brief van Walter van den Broeck aan zijn uitgever. Hij schrijft dat hij een manuscript stuurt dat hem ongevraagd is bezorgd. Het is een soort pak van Sjaalman, dat begint met een brief van Martine Vervoort, de weduwe van de dichter Jonathan Siebens, auteur van drie dichtbundels die met gemengde gevoelens ontvangen werden. Het derde werd zelfs de grond in geschreven.

'Hoewel het verdict unaniem was, is het toch vooral úw schampere stukje geweest dat hem het diepst heeft gekwetst, schrijft de weduwe.' 

In de volgende brieven (en enkele tapes) gaat het over acht mysterieuze sterfgevallen. Florian Dedecker, voormalig reclameschrijver en tv-producent, gaat samen met enkele commissarissen van de Gerechtelijke Politie op onderzoek uit. Ze komen uit bij Jonathan Siebes. 

Het is goed om te bedenken dat Verdwaalde post maar enkele jaren na de arrestatie van Marc Dutroux uitkwam. Veel boeken van Van den Broeck gaan over België. Het lijkt erop of hij ook hier de stand van de staat peilt. Verder gaat het ook weer over hemzelf, al speelt hij niet de hoofdrol. 

Na Verdwaalde post had ik weer zin in meer werk van Van den Broeck. Mogelijk kocht ik toen Gek leven na het bal! en ook de novelle Amanda en de widowmaker (1994) waarvan ik me nog maar weinig herinner. Of zou ik dat boek later aangeschaft hebben? 

Een lichtgevoelige jongen

In 2001 verscheen Een lichtgevoelige jongen. De titel verwijst naar de hoofdpersoon, een jongetje met een camera (Valentijn-met-de-kodak), die zich op een dag in 1953 verder van huis waagt dan hij gewend is. Er is een militaire oefening aan de gang, die uiteindelijk uit de hand loopt. 


Heb ik deze roman besproken in het Nederlands Dagblad? Het zou kunnen, maar als dat zo is, is de recensie achter de betaalmuur verdwenen. Ik weet nog wel dat het boek me maar matig aanstond. Het melancholische (jongetje in 1953) zal me wel aangesproken hebben, maar wat pruimde ik dan minder goed? Is het te romantisch? Te onwaarschijnlijk? Vond ik de kalverliefde te zoetig? Geen idee. Het is in mijn geheugen gebleven als een matig boek. 

De beiaard en de dove man

Voor een deel geldt dat ook voor de volgende roman, De beiaard en de dove man. Een groot deel van het boek vond ik wel aardig, maar ook niet zoveel meer dan dat. Het onderwerp is interessant genoeg. Walter van den Broeck heeft afgesproken met zijn stokdove vader Robert. De relatie tussen die twee is lastig. 

Tot ergernis van zijn vrouw Eliane heeft Walter verzuimd een cadeau voor zijn vader te kopen. Dan bedenkt hij dat hij hem een hoorapparaat zal geven. 

Door vader zo'n apparaat cadeau te doen zou ik tegelijkertijd eindelijk, eindelijk, eindelijk een definitief einde kunnen maken aan zijn tirannie! Want alleen een vader die voortaan álles kon horen, zou ik, eindelijk, eindelijk, eindelijk alles maar dan ook álles wat ik hem te verwijten had naar het hoofd kunnen slingeren. 

Het verhaal kabbelt een hele tijd voort, maar het slot is prachtig. Tenminste, zo herinner ik het mij. Ik heb erover geschreven. De recensie heet 'Een slot dat een hele roman rechtvaardigt' en dat is ongetwijfeld een kop die ik niet zelf verzonnen heb. 

Niet gelezen

Na De beiaard en de dove man was ik eigenlijk wel weer gewonnen voor het werk van Van den Broeck. Heb ik toen pas Gek leven na het bal! gekocht? Ik heb het in ieder geval gelezen en vond het 'wel goed'. De verrassing van Het beleg van Laken was er niet, maar het is goed geschreven. 

In 2007 verscheen De veilingmeester. Ik las dat het er was en dacht dat ik dat boek maar moest kopen, maar het kwam er niet van. En daarna verloor ik een beetje het zicht op wat Van den Broeck schreef. Terug naar Walden (2009) kocht ik pas onlangs, tweedehands. Ik ga het zeker lezen, al kan het nog even duren. 

In 2011 verscheen de verhalenbundel Een vrouw voor elk seizoen. Het is mij ontgaan en waarschijnlijk zou ik het boek aan me voorbij hebben laten gaan. 

Over Het alfabet van de stilte (2013) las ik pas onlangs dat het een roman is over seksueel misbruik in de rooms-katholieke kerk. Over De vreemdelinge (2015), De babyboomboogie (2017) en Niets voor de familie (2019) weet ik helemaal niets. De boeken verschenen zonder dat ik het wist. Blijkbaar keek ik een andere kant op. Of kregen ze in Nederland toch al weinig aandacht?

Crossroads

In 2021 liep ik toevallig in een boekhandel aan tegen Crossroads, een kleine roman, die dat jaar verschenen was. Ik had de tweede druk, dus het werd verkocht. Voor in het boek staat: 'Al wie in dit boek voorkomt is een romanpersonage, ikzelf inbegrepen'. Dat doet denken aan het bericht voor in Het beleg van Laken: 'Doordat ze in dit boek voorkomen zijn alle èchte personen, plaatsen en gebeurtenissen net zo fiktief als de personen, plaatsen en gebeurtenissen die ik verzonnen heb.'

Crossroads gaat over de streek waar Van den Broeck is opgegroeid. Hij schetst het leven van twee ongetrouwde zussen en dat doet hij heel goed. Ingetogen, soberder dan ik van hem gewend was. Ik was zeer gecharmeerd van het boekje en nam het op in de lijst met beste boeken die ik in 2021 las. Ik schreef er ook over op mijn weblog (hier). Ik schreef dat ik zin had om meer van Van den Broeck te lezen. 

In 2022 verscheen Tijl Uilenspiegel maar dat trok me niet zo aan. Misschien omdat ik al Tijl van Daniël Kehlmann had gelezen. In 2023 verscheen De lastige liefde en daar heb ik niets van gemerkt. Anders had ik het waarschijnlijk wel gekocht. Ik heb de beschrijving ervan nu gelezen en ik moet denken aan De dag dat Lester Saigon kwam

Wel heb ik dus Terug naar Walden gekocht. Het is terechtgekomen op de stapel met boeken die ik wil gaan lezen. Het komt er nog wel van. 

Omvangrijk oeuvre

Van den Broeck laat een behoorlijk omvangrijk oeuvre na. Een deel ervan heb ik niet gelezen. Ik denk dat ik teleurgesteld was door een paar boeken, maar er zijn ook boeken waar ik met plezier en bewondering aan terugdenk: De dag dat Lester Saigon kwam, Aantekeningen van een stambewaarder, Brief aan Boudewijn, Het beleg van Laken, Verdwaalde post, Crossroads. Dat is toch heel wat. 

Elke schrijver heeft het recht om beoordeeld te worden op het beste wat hij of zij geschreven heeft en bij Van den Broeck zijn dat ook echt goede boeken. Het alfabet van de stilte moet ik eigenlijk nog lezen, vind ik en Terug naar Walden ook

Ik hou van het werk van Van den Broeck, niet alleen omdat het goed is, maar ook omdat veel van zijn boeken verrassend zijn. Hij vindt elke keer een vorm voor juist dat boek. Verder speelt hij met fictie en werkelijkheid en dat heeft ook altijd iets vrolijks. En altijd weer zijn ze typisch Walter van den Broeck. Ze zouden door niemand anders geschreven kunnen zijn, ook doordat hij zelf vaak als personage optreedt. 

Misschien vergis ik me, maar ik heb het idee dat het werk van Van den Broeck, op Brief aan Boudewijn en Het beleg van Laken na in Nederland niet zo bekend is. Dat is jammer, want hij heeft een goed en interessant oeuvre bij elkaar geschreven. Gelukkig kunnen we zijn boeken nog steeds lezen. 

vrijdag 9 februari 2024

Zaansch Veem (Freek de Jonge)


Freek de Jonge ken ik vooral als cabaretier. Ooit kocht ik een dikke bundel met zijn liedteksten (Iets rijmt op niets, 1990), waarin een stel goede teksten staan en ook teksten die het bij lezen minder goed doen dan bij luisteren. Ik heb er wel uit voorgelezen en zojuist heb ik gezien dat het boek niet meer in mijn kast staat. Ooit zal ik schrijven over de gaten in mijn boekenkast: de boeken die ik in mijn hoofd nog heb, maar die ik niet meer van de plank kan pakken. 

Ik heb ook enkele boeken gelezen die een soort weergave van een theatervoorstelling waren, waaronder een die getekend is door Dick Matena. Ik hou erg van het werk van Matena, maar juist dat boek kon me niet boeien. Te veel woordspelingen, niet interessant genoeg meer. 

Over De Jonge als cabaretier zul je mij trouwens niets vervelends horen zeggen. Hij is een van de grote vernieuwers van het cabaret en volgens mij is hij steeds op niveau gebleven. Het laatste wat ik van hem zag (op tv) was De suppoost, in 2019. Er waren dat jaar verschillende oudejaarsconferences. Ik herinner me dat ik die van De Jonge de beste vond. Mensen die afgeven op hem als cabaretier zitten vaak in hun hoofd met de persoon De Jonge, die buiten het podium graag meningen verkondigt. Denk ik. 

Memoires

Zijn proza heb ik altijd aan me voorbij laten gaan. Ik had het best willen lezen, maar het kwam er niet van. Ik hoorde hem wel in interviews vertellen over zijn memoires Reikhalzend verlangen (2017) en Kom verder (2021). Dit jaar verschijnt er weer een deel, De Zeeuwse jaren. Ik hou wel van memoires en ik heb wel eens gedacht dat ik er toch eens wat van moet kopen. Dat is niet gebeurd. 

Maar onlangs liep ik in een kringloopwinkel aan tegen Zaansch veem (1987) en ik kocht het. Het laatste hoofdstuk van dit boek heet trouwens 'Reikhalzend verlangen', net als het boek dat dertig jaar later zou verschijnen. Het is lastig om het boek te typeren. Je zou het een korte roman kunnen noemen, of een novelle (goed 160 bladzijden), maar het heeft ook wel iets weg van een verhalenbundel: elk hoofdstuk is een min of meer afgerond verhaal. De laatste twee hoofdstukken zijn wel twee episoden van hetzelfde verhaal en ook in de rest van het boek zijn er wel verwijzingen naar dingen die eerder gebeurd zijn. Voor het gemak noem ik Zaansch Veem een kleine roman. 

De verteller is steeds de kleine Freek, die ook voor op het boekje staat. Het is 1955 en Freek zit nog op de lagere school, zijn oudere broer Govert gaat al naar het voortgezet onderwijs. Het gezin is van Workum verhuisd naar Zaandam. In Workum kende hij de mensen. 

Hier, in Zaandam is het anders. Zij kennen mij niet, ik ken hen niet. Het zijn waarschijnlijk allemaal heidenen. 

Zo denkt de kleine ik-figuur. Hij is zoon van de dominee en hij is van plan zelf later ook dominee te worden. In hem brandt een heilig vuur. Hij gaat met zijn collectebusje langs de deuren om geld op te halen voor de bouw van een nieuwe kerk. En als de pontbaas vergeet hem de overtocht te laten betalen, kwelt zijn geweten hem. 

Hongaarse opstand

Je zit als lezer goed in het hoofd van het jongetje en je kunt zijn manier van denken goed volgen. Als dominee blijkt vader De Jonge niet het allerzwaarst te zijn, maar het geloof heeft zich wel vastgezet in het jongetje. Hij heeft het niet op de mensen van Het Blauwe Pad. 

'De asocialen', noemde moeder deze medeburgers. 
Ik vroeg niet wat het woord betekende, maar nam zonder meer aan dat het iets te maken had met tatoeages en vermolmde gebitten. Met snotneuzen die niet regelmatig door een grote mannenzakdoek werden afgeveegd en met buiten spelen tot laat in de avond, hoe klein je ook was. 
Vader zei, dat er veel communisten zaten. Smeerlappen dus. Dat beweerde vader wel niet met even zoveel woorden, maar mij hoefde je niets aan mijn neus te hangen. De Hongaarse opstand lag nog vers in mijn onbelast geheugen. 

In dit citaat kun je zien dat De Jonge af en toe uit het perspectief van het kind stapt. De volwassen verteller heeft het over 'deze medeburgers' en 'mijn onbelast geheugen'. Dat is jammer, want het creëert afstand. Het komt vaker voor in dit boek. Als het jongetje in zijn broek plast, staat er: 'Ik verloor de macht over mijn waterhuishouding.' Vaak is het maar een enkel zinnetje, waardoor het niet heel erg storend is, maar ik was als lezer liever dicht bij het jongetje gebleven. 

Er is ook iets met de tijd. Aan het eind van het eerste hoofdstuk is het 1955. De Hongaarse opstand was in 1956. Van iets wat op dat moment aan de gang is (of dat kort daarvoor gebeurd is) zeg je niet dat het vers in je geheugen ligt. Smokkelt De Jonge hier met de tijd of is dit gewoon niet zo handig geformuleerd? Verderop zegt het jongetje ook nog een keer (als smoes) dat hij collecteert voor Hongaarse vluchtelingetjes. 

Ach, blijf met uw genade

Sommige teksten van vroeger blijken nog goed in het hoofd van de verteller te zitten, maar hij gaat ook wel eens in de fout. Hij citeert het begin van een lied:

Ach blijf met uw genade
Almacht'ge ons nabij
en dek voor ons de schade
van ijd'le hovaardij

De werkelijke tekst luidt anders. Die is overigens wel aangepast. De oorspronkelijke is van Nicolaas Beets, die een tekst vertaalde uit het Duits. In de hervormde bundel van 1938 luidt de tekst:

Ach, blijf met uw genade,
Heer Jezus, ons nabij, 
opdat ons nimmer schade
des boozen heerschappij. 

De beide versies, van Beets en die uit 1938, vind je hier. Mogelijk is het ironie van De Jonge, maar ook dan nemen we weer afstand van het vertellende jongetje. 

Karel Appel

De Paaskerk komt er en Karel Appel mag de glas-in-lood-ramen verzorgen en een tekst op de muur schilderen. Het jongetje Freek is daaarvan getuige. Hij is erg onder de indruk. Eigenlijk is dan al wel duidelijk dat het jongetje geen dominee zal worden, maar aangeraakt is door de kunst. Dat Appel tegen het jongetje zegt dat hij maar aanrotzooit is dan weer onwaarschijnlijk en eigenlijk ook nogal clichématig. 

Het zijn kleine smetjes. Over het geheel is Zaansch Veem een goed boek, dat je meevoert naar de jaren vijftig en naar het hoofd van een jongetje dat het allemaal goed bedoelt, maar van wiens bedoelingen niet altijd even veel terechtkomt. 

Het slot van het boek is het hoogtepunt. De Paaskerk zal geopend worden en de nacht ervoor zal het jongetje logeren bij een vriendje. In het gezin voelt hij zich niet helemaal op zijn gemak en er gaat dan ook van alles mis. Dat hij de volgende ochtend een gekookt ei heeft met een kuikentje erin wordt goed beschreven en het is heel smerig, maar het is ook onwaarschijnlijk. Bij het koken gaat zo'n ei immers meteen drijven, waardoor je kunt zien dat het niet goed meer is. 

Hoogtepunt

Maar het slot is wel het hoogtepunt van het boek. Er speelt van alles tegelijk: het ongemak in het gezin, het songfestival, waarop Corry Brokken Nederland vertegenwoordigt, de inwijding van de kerk, waar het jongetje uiteindelijk niet naartoe gaat. 

Het doet aan als een breuk met het geloof, met wat je als kind is bijgebracht. Het heeft twee coladoppen gekregen (die hij kan ruilen tegen voetbalpoppetjes) en die gooit hij in het water, zoals hij aan het begin van Zaansch Veem de muntjes in het water gooide, omdat hij meende er geen recht op te hebben. 

De slotzin van het boek is: 'Korte tijd later verhuisde ik met mijn ouders naar de Schildersbuurt.' Episode afgesloten. Er begint een nieuw hoofdstuk in het leven van het jongetje en eigenlijk weet je al dat alles voorgoed anders is: hij kan niet meer het jongetje zijn dat hij in dit hele boek geweest is. 

Zaans Veem is een beter boek dan ik verwacht had. Ik zal meer van De Jonge moeten gaan lezen. 

woensdag 7 februari 2024

De slang en de speer, boek 3 - Vijf-Bloemen

Bij uitgeverij Silvester is een mooie reeks aan het verschijnen: De slang en de speer. Onlangs verscheen het derde deel, Vijf-Bloemen. Er zullen nog zeker twee delen verschijnen, dus we zitten midden in het verhaal. 

Voor wie instapt in dit derde deel, is er voor in het album een samenvatting van de eerste twee delen opgenomen. Over die delen schreef ik ook. De links vind je onderaan. 

Mummies

We bevinden ons in het rijk der Azteken, in de vijftiende eeuw. Daar worden mummies van meisjes gevonden en dat is zeer verontrustend. Twee speurders doen er onderzoek naar: Slang en Speer-Oog, die elkaar al hun hele leven kennen. In zekere zin zijn ze concurrenten, maar in dit deel werken ze noodgedwongen samen. 

In boek 2 was er een meisje gevonden dat volledig verward was. Mogelijk is ze aan de dood ontsnapt, maar dat kan ze niet vertellen. Slang en Speer-Oog besluiten om het gerucht te verspreiden dat ze wel praat en vertelt wat haar overkomen is. De veronderstelling is dat degenen die belang hebben bij haar zwijgen dan wel in actie zullen komen. 

Net als in de vorige delen bestaat in deel 3 een deel van het verhaal uit flashbacks naar de jeugd van Slang en Speer-Oog toen er ook moorden werden gepleegd. De dader werd aangeduid als De Zwerver of Nagual, maar er werd ook verteld dat die door de elite in het leven was geroepen om de aandacht van het volk af te leiden. 

Het feest van Ochpaniztli

Langzaam wordt duidelijk wat er in het verleden gebeurd is, vooral tijdens het feest Ochpaniztli. Speer-Oog had zijn meester beloofd om mee te gaan naar het Huis van de wetenschap om een geschrift te zoeken over een Chichimeeks wapen, maar hij ging liever mee met Acacitli, de zus van Slang en de moeder van Vijf-Bloemen. Daarna dreigde Slang haar te offeren als Speer-Oog de stad niet zou verlaten en haar niet zou vergeten.  

Intussen probeert Speer-Oog een patroon te ontdekken in de moorden. Hij heeft een macquette gemaakt waarop hij met veren en touwtjes heeft aangegeven waar en wanneer de moorden gepleegd zijn. Dat doet denken aan de werkwijze in veel hedendaagse detectiveseries. Veel mummies zijn gevonden vlak na een regenperiode. Er is er weer eentje op komst. Zal Vijf-Bloemen dan gevonden zijn?

Vijf-Bloemen is de dochter van Acacitli. Ze is in het vorige deel verdwenen en de vrees is dat zij slachtoffer is of zal worden van de moordenaar die rondwaart. Zij is ook de reden dat Speer-Oog en Slang samenwerken. 

De priester Cozatl speelt in ieder geval een duistere rol. Zal hij het hele onderzoek in de war sturen?

Scenario

De speer en de slang is een fascinerende reeks. Het is een verhaal dat zijn geheimen maar mondjesmaat prijsgeeft. Steeds duidelijker wordt er wat er werkelijk aan de hand is, maar de kern blijft een raadsel. Omdat Speer-Oog toch steeds een klein beetje dichter bij de oplossing lijkt te komen, heb je het idee dat de ontwarring van de kluwen dichterbij komt, maar de tegenwerking wordt ook sterker en de tijd dringt. 

Het verhaal zit ingenieus in elkaar. Zowel in het verleden als in het heden (1454) zijn er ontwikkelingen die je iets verder helpen en je tegelijkertijd nieuwsgierig houden. Psychologisch zijn de hoofdpersonen interessant. Slang en Speer-Oog hebben een verleden van haat en nijd, maar werken samen, de priester Cozatl was ooit de beste vriend van Speer-Oog maar werkt hem nu tegen. Maar kan hij dat eigenlijk wel over zijn hart verkrijgen?

De volgende delen van de reeks, Donder-Vlinder en Slang zijn in voorbereiding. Ieder die de eerste drie delen gelezen heeft, kijkt ernaar uit. 

Hub, De slang en de speer. Boek 3 - Vijf-bloemen. Uitgeverij Silvester, 112 blz. € 34,95 (hardcover, leeslint). Er zijn ook verschillende luxe, gelimiteerde edities. Een zelfs met een gigantische wandplaat. 

Eerder schreef ik over deel 1 en 2 van De slang en de speer

maandag 5 februari 2024

De eeuwige andere (Ina Boudier-Bakker)


Dat de tijd vliegt, is bekend, maar het tempo is hoger dan ik ingeschat had. Een aantal jaren geleden las ik De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker. Nu ik het nakijk, blijkt dat alweer ruim acht jaar geleden te zijn. Onlangs had ik ineens zin om een wat minder dik boek van haar te lezen en dat werd De eeuwige andere (1959). 

Ik had indertijd wel wat bedenkingen bij De klop op de deur, maar ik heb het toch met redelijk wat plezier gelezen en ik ik vond dat Boudier-Bakker wel heel goed een beeld kon geven van de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Uit de reacties op wat ik schreef bleek dat er behoorlijk wat mensen zijn die warme herinneringen koesteren aan het boek. Het is indertijd een echte bestseller geweest. 

De eeuwige andere verscheen in 1959. Ik las de zesde druk, een salamanderpocket uit 1963. Het verkocht dus goed. Ook hier zit Boudier-Bakker dicht op de tijd die ze beschrijft. 

Oorlog

In 1959 was de Tweede Oorlog nog geen vijftien jaar achter de rug. Op de kinderen na hadden alle Nederlanders dus herinneringen aan die oorlog. De eeuwige andere opent ermee. Een statig herenhuis, De Roosenbergh, staat aan de rand van het bos. Het heeft jarenlang toebehoord aan een oude man. Die is overleden en nu is zijn neefje, Peter van der Voorde van Roosenbergh de nieuwe bewoner. Die houdt van dieren. Met mensen heeft hij te veel nare dingen meegemaakt. Hij overleefde Buchenwald. 

Dieren stelden nooit teleur. Eerste verzachtende balsem op de schrijnende wond: de altijd wroetende afschuw van het geweld; het grote onoplosbare raadsel van onverdiend menselijk lijden - nooit meer te helen of te bedekken. Mensenslachting, mensontering - door mensen aan mensen. Het Bederf. De Verwording. 

Op het terrein van Van der Voorde staan vijf vakantiehuisjes, op de hei. Ze zijn lange tijd niet bewoond geweest, maar dit jaar heeft hij ze verhuurd. Zo'n vakantieparkje is in de jaren vijftig blijkbaar wat nieuws. Een echt park is het trouwens niet. Het zijn vijf huisjes. 

Schuldgevoel

We leren de bewoners kennen. Een man die aangeduid wordt als de Eenzame, is uit de oorlog gekomen met een schuldgevoel. Hij woonde alleen en een Joodse kennis vroeg om onderdak, samen met zijn vrouw. De Eenzame durfde het niet aan en eigenlijk zag hij ook op tegen de overlast. Uiteindelijk is het echtpaar weggevoerd en vergast. 

In het bos woont ook nog freule Alice, tante van Peter van der Voorde, die na de oorlog verliefd werd op een NSB'er, die gezocht werd. Ze hielp hem de grens over. Bij haar is Egidius in dienst, een in zichzelf gekeerde man, die ooit vrouw en kind verloor tijdens een epidemie

Alle huisjes zijn deze zomer verhuurd. Welke gasten zijn er? Naast de Eenzame is dat de jonge vrouw Lucie Berkhoven, die vaak alleen zit, omdat haar man voetbalt. 

Verder Emilie en Victor Rader met hun zoon John. Emilie schrijft om den brode en leest wat ze geschreven heeft dagelijks voor aan haar zoon, waardoor ze een hechte band hebben. Victor was ooit een succesvol dichter, maar dat succes was van korte duur. 

Dan is er nog het gezin Evenblij, waar het altijd heel druk is. Er zijn zes kinderen. De dochter van zestien, Lientje, krijgt wat met Victor en het jongste kind, Toosje, sluit vriendschap met Egidius. Vader is onderwijzer, maar hij kan geen orde houden. 

Dan zijn er nog de oude mevrouw Van Doorn met de jonge vrouw Greta, die haar gezelschap houdt. 

Epidemie

Het verhaal van De eeuwige andere beslaat slechts een zomervakantie, maar er gebeurt veel. Zo breekt er in het dorp een epidemie uit, die verschillende slachtoffers eist. Het wordt 'een soort kwaadaardige griep' genoemd, die mensen terug doet denken aan 'de gevaarlijke griep van vroeger jaren'. Dat zal de Spaanse griep geweest zijn, die woedde in de jaren 1918 - 1920 en in Nederland 38.000 mensenlevens eiste. Het zal ook deze epidemie geweest zijn waardoor Egidius vrouw en kind verloor. 

Door de epidemie, die niet zo heel lang duurt, worden oude herinneringen wakker, maar freule Alice kan zich ineens weer nuttig maken. Ze zit bijvoorbeeld aan het ziekbed bij de Eenzame. Over afstand houden in verband met het gevaar op besmetting wordt in het boek overigens niet gesproken. 

In de vakantie verandert er in elk huisje wel wat. Om een voorbeeld te noemen: Emilie raakt de band met haar zoon wat kwijt als hij verliefd wordt op een meisje uit het gezin Evenblij, maar zoon John groeit dichter naar zijn vader toe. Doordat de verschillende mensen vrij dicht bij elkaar wonen, en het onderlinge contact leidt al dan niet tot inzichten. 

De eeuwige andere

Daarnaar verwijst ook de titel. De oude dominee is erg actief tijdens de epidemie. Hij denkt op een gegeven moment:

'En dat is en blijft er voor ons allemaal: de eeuwige andere. Aan wien we gekoppeld zijn en blijven. Overal, en telkens weer. Volk aan volk, of mens aan mens. De andere - die geeft of neemt, eist, bedriegt, verwijt of dankt, haat of zegent - vloekt of bemint - geluk geeft of vernielt - Van Adam en Eva af, is er de andere geweest. Nooit niet geweest. Zal er voor ons allemaal zijn en blijven. Met eindelijk de Dood als laatste.' 

Het lot van iemand wordt bepaald door anderen en daar moet hij of zij zich toe verhouden. Peter van der Voorde komt getraumatiseerd uit de oorlog, Egidius sjouwt rond met zijn verdriet, de Eenzame met zijn schuld, Lucie vraagt zich af wat haar relatie voorstelt, Jeanne Evenblij is bang dat haar man hun huwelijksdag vergeet, Emilie Rader schrijft het boek maar niet dat ze eigenlijk wil schrijven, freule Alice heeft zich ooit verdacht gemaakt en vindt het lastig opnieuw zin te vinden in haar leven. 

Aan het eind van het boek zijn er wel wat ontwikkelingen waardoor mensen meer vrede hebben met hun lot. Dat was me net iets te positief, het deed me toch een beetje zoet aan. 

Maar van het grootste deel van het boek heb ik toch wel genoten. Boudier-Bakker switcht in dit boekje heel soepel van het ene personage naar het andere. Dat is werkelijk knap gedaan. Altijd komt het als heel natuurlijk over. 

Taalgebruik

In het begin moest ik wel even aan haar taalgebruik wennen, waarbij vooral de woordvolgorde niet altijd natuurlijk aandeed. Enkele voorbeelden:

Hij stond en dacht - zag zichzelf verlangend teruggekeerd in het eigen huis eindelijk, waar overal hij ontmoette sporen van ruw geweld, vernieling en verwaarlozing. 

En zij kon slechts vermoeden, zweeg ook, omdat zij kende den achtergrond van zijn ergernis - den roof aan zijn veilige eenzaamheid. 

Och - samen scharrelden ze er wel door, al dacht ze dikwijls tegenwoordig, nu zijn eigen huiswerk al meer van hem vergde, dat ze te veel hem betrok in haar werk. 

In het eerste voorbeeld is 'eindelijk' naar achteren geplaatst en 'overal' naar voren, net als 'ontmoette'. In het tweede voorbeeld is ook het werkwoord in de bijzin ('kende') naar voren geschoven. Bij het derde voorbeeld is 'te veel' voor 'hem' geplaatst. Het went allemaal overigens wel snel, je leest er doorheen en dan valt het niet meer op. 

Het zijn vooral de personages die je bijblijven. Voor geen van hen is het leven gemakkelijk. De oude mevrouw Van Doorn legt zich nog het gemakkelijkst neer bij hoe het allemaal gaat, maar vindt ook dat Greta meer aan haar eigen leven moet denken in plaats van het in dienst te stellen van een oude vrouw. 

Op leeftijd

Toen Ina Boudier-Bakker (1875 - 1966) De eeuwige andere schreef, was ze al op leeftijd: 84 jaar oud. Ze was een bekend schrijfster. Het ministerie van O. K. en W. had zelfs opdracht gegeven om een in koper gegraveerd portret van haar te maken. Het was enkele dagen voor haar verjaardag klaar, lezen we in De Maasbode van 9 april 1959. 

Er is volop belangstelling voor haar werk. Er wordt voorgedragen uit haar verhalen, de roman Aan de grote weg wordt herdrukt als Salamander en ondanks haar leeftijd bedient ze haar lezers met steeds weer nieuw werk. 

Na haar tachtigste publiceerde ze, voor De eeuwige andere, nog Altijd elders, Finale en Een vriendschap. Op 28 november 1959 bespreekt Jan Greshoff het in Het Vaderland en hij heeft vooral lof. Nergens is Boudier-Bakker wijdlopig, je leert de personages goed kennen en er is maar een enkel bijfiguur dat schematisch is weergegeven. 'Roman gebouwd op rijkdom van motieven' zet hij boven zijn recensie. 

Op dezelfde dag plaatst een boekhandel een grote advertentie met 'Boeken die de aandacht vragen'. De eeuwige ander neemt een prominente plaats in, rechts bovenaan. 


Recensies

Ook de recensie in De Volkskrant van 9 januari 1960 is positief, net als die in Trouw van 9 april 1960, al wordt daarin de stijl 'niet fraai' genoemd. Maar er staan voornamelijk waarderende opmerkingen in: 'zuiver aangevoeld', 'geen moment eenzijdig', 'geen detail is misplaatst.' Jos Panhuijsen is in Het Binnenhof van 9 april 1960 ook lovend. Boudier-Bakker schrijft soberder dan ooit, vindt hij. 

Kritisch

Kritisch is Garmt Stuiveling in Het Rotterdamsch Parool van 27 februari 1960. Hij maakt een vergelijking met De straat, waarin ook veel personages voorkomen. Dat vindt hij geslaagder. Dit boek vindt hij wat te veel (kwantitatief) en te weinig (kwalitatief). 

Het Rotterdamsch Parool, 27 februari 1960

Ook kritisch is Max Nord in Het Parool van 2 april 1960. Hij doet dat in een artikel waarin hij 'de damesroman' aanpakt. De stijl van Boudier-Bakker acht hij verouderd. 

Het Parool, 2 april 1960

In De Telegraaf van 13 april 1960 vindt Ed Wingen de stijl ook wel wat verouderd, maar dat neemt hij de schrijfster niet erg kwalijk. Hij vindt het mooi dat het verhaal verder van elke franje ontdaan is. 

Eind januari 1960 overlijdt Anna van Gogh-Kaulbach op negentigjarige leeftijd. Ze wordt in veel kranten herdacht. Verschillende keren (bijvoorbeeld in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant) worden verwante schrijfsters van haar generatie genoemd: Top Naeff, Margot Scharten-Antink en Ina Boudier-Bakker. Volgens De Telegraaf is Boudier-Bakker nu de oudste schrijfster. Zij zou ouder worden dan Anna van Gogh-Kaulbach en ze zou ook nog enkele boeken schrijven. 

85 jaar

In maart 1960 wordt Boudier-Bakker 85 jaar oud. Dat is voor behoorlijk wat kranten kranten (bijvoorbeeld de Emmer Courant) aandacht aan haar en haar werk te besteden. Ze heeft dan zo'n dertig boeken geschreven. Enkele tientallen berichten worden aan haar gewijd en ze krijgt veel waardering. In De Volkskrant van 9 april wordt ze geïnterviewd. Daarbij begint ze zelf over De eeuwige andere. 

Ze krijgt op haar verjaardag de burgemeester van Utrecht op bezoek, met de mededeling dat er een straat naar haar genoemd zou worden. Van de gemeente Amsterdam was er een bloemstuk, net als van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (De Volkskrant, 16 april 1960). Ze kwam blijkbaar ook nog op tv in de weekendshow van de Avro.  Ze werd geïnterviewd door dr. P.H. Ritter. Volgens enkele zinnen in de Arnhemsche Courant van 19 april was dat een mislukking: 'Daarvoor had men een jongere kracht moeten nemen.' 

Schrijvers verschijnen ook op plaat. In de serie Levensbeelden zijn ze te beluisteren. Er wordt in het vooruitzicht gesteld (De Volkskrant, 19 mei 1960) dat binnenkort ook de stem van Ina Boudier-Bakker opgenomen wordt. Na alle aandacht in de kranten voor haar verjaardag wordt ze ook nog door het PEN-centrum Nederland benoemd tot erelid. 

Over waardering en belangstelling heeft de oude Boudier-Bakker niet te klagen. Intussen is die aandacht wel weg, is mijn indruk. Ik heb maar twee boeken van haar gelezen en dat is weinig, gezien de omvang van haar oeuvre. Ik kom haar boeken niet zo vaak tegen in kringloopwinkels, maar als ik Finale of De straat tref, moet ik het toch maar meenemen. 

Eerder schreef ik over:
Ida Boudier-Bakker, De klop op de deur

Over een ander boek uit deze tijd:
Clare Lennart, De ogen van Roosje

vrijdag 2 februari 2024

Jeff Rylander 2: Noodweer op Curaçao (Willem Ritstier / Eric Heuvel)


Nog geen jaar geleden schreef ik een stukje over het eerste deel van Jeff Rylander, Paniek op Curaçao. Nu ik het terugleees, zie ik dat ik me nog niet helemaal aan de strip kon overgeven. Die leest weliswaar vlot, is goed getekend en het verhaal zit ook nog goed in elkaar, maar ik maakte toch een klein voorbehoud, al twijfelde ik aan mijn eigen twijfels. 

Nu is deel 2 er, Noodweer op Curaçao. Net als in deel 1, heeft het verhaal vaart. Het begint met een zonnig vakantietafereel, maar al op de tweede tekening moet een politieagent informeren naar een diefstal van een laptop en aan het eind van de pagina weten we al dat iemand op zoek is naar Jeff Rylander. De verwikkelingen gaan snel. 

Rylander is een prachtig karakter: een rommelig levende man, die eigenzinnig zijn weg gaat. Hij struikelt zich vaak van de ene gebeurtenis naar de ander, maar als hij iets in zijn hoofd heeft, zet hij wel door. Er is een groep mensen om hem heen die wel eens met hun hoofd moeten schudden als ze hem bezig zien, maar op wie hij wel kan rekenen. 

Net als in deel 1 komt er weer van alles samen: er duikt een ex op aan wie Rylander nog alimentatie verschuldigd is, er is sprake van een vervloeking in een voodooritueel, er breekt brand uit, er zijn machinaties van een projectontwikkelaar en dan is er ook nog noodweer op komst, de orkaan Oswald. 

Benarde situaties

Natuurlijk loopt het allemaal goed af, maar Rylander komt wel in benarde situaties terecht en de kans dat het mis kan gaan, houdt de spanning erin. Niet alleen heeft Rylander problemen op het persoonlijke vlak, maar zijn leven loopt ook daadwerkelijk gevaar als hij zijn neus te nadrukkelijk steekt in zaken van iemand die niet gediend is van bemoeizucht. 

De covertekening van Eric Heuvel maakt dat al duidelijk. Net als bij deel 1 heeft de hardcover een andere omslagtekening dan de softcover. De echte liefhebbers kunnen dus van beide versies een exemplaar kopen. 

Willem Ritstier heeft de touwtjes van het verhaal weer stevig in handen. Er speelt van alles tegelijkertijd en je moet goed doseren om de lezer al die lijnen goed te laten volgen. Dat is heel goed gelukt: het verhaal blijft helder en het blijft ook de hele tijd op tempo. 

Curaçao is nadrukkelijk de plaats van handeling. Soms is een plaats alleen maar decor en had het verhaal zich net zo goed ergens anders kunnen afspelen. Dat is hier niet het geval. Steeds ben je je ervan bewust waar je bent. Het album ademt de sfeer van Curaçao. 

Wanneer het verhaal speelt, is lastig te zeggen. In ieder geval al een tijdje geleden. Er zijn wel mobiele telefoons, maar nog geen smartphones en er zijn wel computers, maar een scherm is nog een heel gevaarte. Misschien is de tijd ook wel af te leiden uit de types auto's, maar daar heb ik helemaal geen verstand. 

Luchtig

Hoeveel gevaar er ook in het verhaal zit, het blijft altijd luchtig. Steeds zitten er geestigheden in verwerkt. De magische spreuk bij de vervloeking luidt bijvoorbeeld 'Oeloe-wapwap! Di-end!' Ik ben opgegroeid in een tijd dat oelewapper nog een gangbaar scheldwoord was en ik moest hierom dus breed glimlachen. 

De tekeningen van Heuvel zijn weer dik in orde. De helderheid daarvan helpt ook mee het verhaal helder te houden. Ze 'lezen' nu eenmaal gemakkelijk. 

Noodweer op Curaçao is gewoon een lekker verhaal. Het is gecompliceerd genoeg om interessant te zijn, helder genoeg om makkelijk leesbaar te zijn, luchtig en fris. En vooral is Jeff Rylander een persoonlijkheid die je graag ziet rondlopen in een verhaal. Die kan nog heel wat delen mee. 

Reeks: Jeff Rylander
Deel 2: Noodweer op Curaçao
Scenario: Willem Ritstier
Tekeningen: Eric Heuvel
Inkleuring: Roberto Burgazzolo Cabrera
Uitgever: Personalia
48 blz. € 9,95 (softcover), € 19,95 (hardcover)