zaterdag 17 oktober 2020

Wachten op K... (Marc-Antoine Mathieu)


Een jaar geleden schreef ik over De Oorsprong, een album van Marc-Antoine Mathieu. We volgden daarin Maurits Cornelis van Esk in zijn wereld. Het is een strip die tegelijk een metastrip is: het verhaal laat de lezer nadenken over het medium waardoor het tot hem komt. 

Iets soortgelijks zien we bij Wachten op K..., waarin we het vervolg op het avontuur van Van Esk lezen. We zijn meteen weer in zijn wereld, waarin de natuurwetten anders werken dan in die van ons. Na een soort oerknal start het verhaal. 

Eigenlijk moet Van Esk nog in het verhaal komen. Hij valt in onze werkelijkheid (een stukje fotostrip), wat natuurlijk helemaal klopt. In de mensenwerkelijkheid is er een striptekenaar en daarmee begint het verhaal. Maar deze striptekenaar steekt net op dat moment een pagina van het stripverhaal in brand. De ijzeren logica van Van Esk zorgt ervoor dat hij zich daarover geen zorgen maakt: 'Vrees niet, Hilarion! Hij zal het vuur zo wel doven! Dat moet wel, het is volstrekt logisch, anders zouden we er nu niet meer zijn.'

Kafka

Even later zit Van Esk in het verhaal, in een kafkaëske wereld, waarin ambtenaren komen opmeten of je niet te veel ruimte in beslag neemt en waarin het laten openstaan van een lade je al fataal kan worden. 

Deel 3 van deze reeks zal Het proces gaan heten, wat ook een verwijzing kan zijn naar het werk van Kafka. Maar ook in dit deel komt al een proces voor, met rechters die wel erg hoog boven de verdachte uit torenen en met een zingende jury. Het zijn absurde elementen, geredeneerd vanuit onze wereld. Van Esk accepteert ze als vanzelfsprekend. 

Het is wellicht te vergelijken met de logica in dromen. In dit album zijn de dromen van Van Esk net zo werkelijk als de wereld buiten de dromen. Strikt genomen bestaat Van Esk alleen in dromen. Wij lezen wat de striptekenaar bedacht of misschien wel gedroomd heeft. De laatste tekst in het album is: 'Dromen kan altijd.'

Hilarion vraagt aan Van Esk of ze in zwart-wit dromen. Dat moet wel, want ze zijn immers in zwart-wit getekend. Maar een droom impliceert ook dat er een werkelijkheid buiten de droom is, een werkelijkheid waarin gedroomd wordt. Dat zou dus kunnen betekenen dat er in die werkelijkheid kleur is. We knikken bevestigend, terwijl we in onze gekleurde wereld een album in zwart-wit lezen. 

K...

Het album heet Wachten op K..., Ik schrijf 'K' met een hoofdletter, maar omdat de hele titel in hoofdletters is, is het de vraag of dat terecht is. Wel als 'K' een persoon is, zoals in Wachten op Godot van Samuel Beckett. Maar wie of wat 'K' is ontdekken we pas als we bijna door het album heen zijn. 

Net als De Oorsprong is Wachten op K... een album dat ingenieus in elkaar zit. Het verhaal van Van Esk is wonderlijk, maar ook spannend: je wilt weten wat hij allemaal zal beleven. Op metaniveau is het ook interessant: wat is droom en wat is werkelijkheid? Door wie worden wij gedroomd en wie leest het album waarin wijzelf de hoofdpersonen zijn? Dit soort lagen in een strip brengt Marcel Ruijters ook wel aan. In zekere zin zit je als lezer dan niet alleen een stripverhaal te lezen, maar ook een getekend essay over de strip. 

Wachten op K... is zeker ook te lezen als gewoon een leuk stripverhaal. Maar het is meer. Eigenlijk heb je twee producten voor de prijs van één. Ik zou zeggen: Grijp die kans. 



Titel: Wachten op K... Maurits Cornelis van Esk, gevangen in dromen
Auteur: Marc-Antoine Mathieu
Uitgever: Sherpa
Haarlem, 2020; 48 blz. hardcover € 19,95

vrijdag 16 oktober 2020

Podcast: Credo, BinnensteBuiten

 Deze week lag mijn weblog stil, door drukte op school en daardoor drukte in mijn hoofd. Maar nu de herfstvakantie aanbreekt, is er weer ruimte!

Twee podcasts deze week: een over de zanger Ede Staal en een met natuurgeluiden. Binnenkort meer. 


Credo - Het leven van Ede Staal

Sinds Normaal en Skik/Daniël Lohues is het niet vreemd meer om in een dialect te horen zingen. Ook veel mensen die het dialect niet machtig zijn, luisteren naar Gé Reinders, Gerard van Maasakkers, Twarres, Nynke Laverman, Rowwen Hèze of Broeder Dieleman. Een van de pioniers van het lied in streektaal was de Groninger Ede Staal (1941 - 1986).

Ooit heb ik enkele nummers van hem gehoord en het kan zijn dat ik ook een documentaire over hem heb bekeken, maar dat was allemaal wel een beetje weggezakt. Toen ik las dat er een podcast van RTV Noord over hem was, ben ik toch maar eens gaan luisteren. 

Presentator Erik Hulsegge praat met mensen die Ede Staal hebben gekend. Niet iedereen weet evenveel van de zanger. Een oud-docent van de middelbare school weet eigenlijk niet zo heel veel meer te melden dan dat Ede een onopvallende leerling was, maar soms zijn er ook in zulke afleveringen een paar opmerkingen die het beeld iets completer maken. En alle geïnterviewden kennen de muziek van Staal en hebben binnen dat oeuvre hun eigen voorkeuren. 

Opzet

De opzet is te vergelijken met die van de Grote Harry Bannink Podcast. Staal is maar vierenveertig jaar oud geworden en veel mensen in de podcast hebben hem dus minder lang gekend dan de mensen die in de podcast van Gijs Groenteman geïnterviewd worden over Harry Bannink. Ook is het oeuvre van Bannink veel en veel groter. Maar het grondpatroon is hetzelfde; interviews met hier en daar een lied. 

Voor Groningers zijn de liedjes van Ede Staal wellicht net zo bekend als de klassiekers van Harry Bannink, maar voor mij zijn ze dat niet. Vaak wordt er in de podcast maar een deel van een lied gedraaid of er wordt behoorlijk doorheen gepraat, waardoor je de muziek moeilijker kunt volgen. Ik had graag gehad dat er meer liederen tijdens de podcast te horen waren geweest. Maar goed, Spotify biedt natuurlijk uitkomst. 

In het Gronings

Een (groot) deel van de podcast is in het Gronings en dat lijkt me een goede keuze. Ede Staal zong immers in het Gronings en het publiek van RTV Noord bestaat uit Groningers. Maar de podcast zal ook door niet-Groningers beluisterd worden. Hadden die niet beter bediend kunnen worden met een podcast in het Nederlands?

Dat vind ik niet. Als je mensen aan het woord laat over iemand die dicht bij hen gestaan heeft, kan dat het best in hun eigen taal en dat is het Gronings. De afstand is dan minder en dat hoor je in sommige interviews. Het Gronings is soms lastig voor een buitenstaander. Toen ik dacht dat het over een tune ging ('Mien toentje'), bleek het over een tuin te gaan, maar meestal is de drempel niet te hoog om te nemen. En als iemand geïnteresseerd is, mag hij ook best wat moeite doen. 

Binnen het dialect is er overigens ook variatie. De interviewer spreekt bijvoorbeeld de achternaam van de zanger uit als 'Staal', maar er zijn ook mensen die 'Stoal' zeggen. 

NSB'er

Staals vader was NSB'er en hij heeft na de oorlog ook een behoorlijke straf gehad. Uiteindelijk heeft hij twaalf jaar van zijn straf uitgezeten. Dat heeft het leven Ede Staal natuurlijk getekend: in zijn vroege jeugd was zijn vader er niet. 

Behalve zanger en docent was Ede Staal medewerker van Radio Noord. Voor die zender had hij ook een column. Verschillende keren wordt er in de podcast verwezen naar die columns, die, dacht ik, verhaaltjes of vertelseltjes, worden genoemd, maar in de eerste tien afleveringen wordt er nooit echt op ingegaan. Intussen zijn er negentien afleveringen online gezet. Die ga ik wel allemaal beluisteren. Mogelijk dat een latere aflevering er aandacht aan besteedt.

Melodieën

De liederen van Ede Staal liggen gemakkelijk in het gehoor. De melodieën zijn niet bijzonder interessant. Vele ervan zitten zelfs tegen het clichématige aan. Ze zijn overigens wel goed geproduceerd, met het gebruik van verschillende instrumenten die de liederen body te geven. 

Het is muziek die iets eerlijks heeft: Staal zingt over de gewone dingen in zijn omgeving, de dingen die hem aan het hart liggen. Hij is in zijn liederen dicht bij huis gebleven. Daartussendoor heeft hij ook liedjes voor de lol, waar het maakplezier overigens altijd doorheen klinkt. Er zijn ook nummers waarvan je je kunt afvragen waarom hij ze ooit heeft opgenomen, zoals 'Amsterdam', geheel in het Nederlands. Daar is niet zo veel aan te beleven, in mijn ogen, of eigenlijk in mijn oren. 

Maar de podcast Credo ga ik wel helemaal beluisteren. Erik Hulsegge is geen Gijs Groenteman, maar hij weet veel van het werk van Staal en zijn betrokkenheid is groot. Dat lijkt me een voorwaarde voor een podcast als deze. Groningers zullen zich intussen wel geabonneerd hebben. Het is te hopen dat ook mensen buiten Groningen de moeite nemen om de afleveringen te beluisteren. 


BinnensteBuiten - Het geluid van de Nederlandse natuur

Een 'innovatieve 3D-audio-ervaring' wordt het op de website genoemd. De streepjes in het lange woord zijn van mij. Hoe innovatief audio in 3D is, weet ik niet, maar het geluid in de podcast BinnensteBuiten is wel heerlijk. 

Het mooie is dat er niet te veel in gekletst wordt. Een inleidinkje, af en toe een zinnetje en dat is het. Voor de rest luister je alleen naar geluiden: van de Biesbosch, van Texel, van de boerderij, van kikkers. Geluiden uit de natuur en zo opgenomen dat je er als vanzelf beelden bij krijgt: bij gezoem zie je de bij om een bloem vliegen en bij de geluiden van de boerderij kun je de activiteiten die erbij horen voor je zien. 

De geluiden zijn rijk: je hoort kwakende kikkers, maar ook plonsjes in het water , zoemende muggen en veel vogels. De zinnetjes tussendoor liggen meestal op een bedje van gitaarmuziek, die goed combineert met de geluiden. Bij het begin van een stukje tekst is er eerst al even muziek, waardoor je voorbereid wordt op de menselijke stem. 

Koptelefoon

Het effect van het geluid ervaar je het best met een koptelefoon of met oortjes in, maar een aflevering op je laptop beluisteren kan ook goed. Je hebt nog steeds het idee dat het geluid om je heen is. 

Natuurlijk is BinnensteBuiten heel geschikt voor natuurliefhebbers, maar wie is dat eigenlijk niet? Volgens mij vindt iedereen het prettig om naar natuurgeluiden te luisteren. 

Waarom de podcast BinnensteBuiten heet, was mij aanvankelijk niet duidelijk, omdat de geluiden vooral over buiten gaan. Maar er blijkt ook een tv-programma te zijn dat zo heet. Wat dat met deze podcast te maken heeft, weet ik niet. Het wordt een lifestyleprogramma genoemd. Gespeld als twee woorden, trouwens. Zo'n programma lijkt me dan weer minder interessant. 

De derde aflevering wijkt een beetje af. Ook hier hoor je wel vogels en andere dierengeluiden, maar je hoort ook de geluiden van een boerenbedrijf, wat iets minder  'Nederlandse natuur' is.

Maar ook die aflevering heb ik met plezier beluisterd. BinnensteBuiten is een podcast om een keer te proberen. Als het bevalt, wil je waarschijnlijk alle afleveringen horen. Tot nu toe zijn er vier verschenen. 

zaterdag 10 oktober 2020

De jongen, de mol, de vos en het paard (Charlie Mackesy)


Waarom je het ene doet en niet het andere is niet altijd gemakkelijk te achterhalen. Al maandenlang heb ik De jongen, de mol, de vos en het paard in de winkel zien liggen. Ik heb er niet in gebladerd, ik heb niet overwogen om het te kopen. Misschien (maar ook dat weet ik niet zeker) mede omdat duidelijk voor op het boek staat: 'vertaald door Arthur Japin'. 

Waarom zou je in vredesnaam reclame moeten maken met de vertaler? Een slecht boek wordt door een goede vertaler niet beter. Bovendien weet ik helemaal niet of Japin een goede vertaler is. Ik ken hem alleen als schrijver. 

Misschien kreeg ik een aankoopduwtje door een moeder van een leerling. Ik had het over een verhaal waarin de zin 'Het paard weet de weg' voorkomt en ze vertelde dat dat ook staat in 'dat boek dat vertaald is door Arthur Japin.' Dat verbaasde mij een beetje en misschien dat ik daarom, toen ik wat kinderboeken kocht, ook ineens dit boek op mijn stapeltje legde. Voor de goede orde: het verhaal waarover ik het tegen die moeder had, staat niet in dit boek, dat overigens geschreven is door Charlie mackesy. 

Tekeningen

Het boek ziet er prachtig uit. Mackesy kan gewoon goed tekenen. Hij heeft een mooie lijn, waarin je de hand nog herkent: losjes, goed gewerkt met dik en dun. Hier en daar zijn de afbeeldingen ingekleurd. Er is veel ruimte om de tekeningen, zodat het wit van het papier veel kan doen en soms zijn er grapjes: de afdruk van een theekopje ('Is het de maan?') of een tekening met iets morsigs waarvan we moeten geloven dat er een hond overheen gelopen heeft. 

De letters wekken de suggestie dat ze met de hand geschreven zijn. Dat zal wel niet, maar daardoor krijgt het boek wel iets persoonlijks: alsof iemand het voor jou heeft geschreven (en getekend). 

Vriendschap

Het verhaal gaat over vriendschap. Een jongen ontmoet achtereenvolgens een mol, een vos en een paard. Ze praten met elkaar en ze verplaatsen zich, maar verder is er niet zoveel verhaal. Het praten bestaat vooral uit levenswijsheden. 

Heel positief en warm en aangenaam. Verschillende teksten kunnen zo op een tegeltje: 'Wees nieuwsgierig'; 'Om hulp vragen beteken niet dat je opgeeft,' zei het paard. 'Het betekent dat je weigert op te geven;'Degene die je het moeilijkst kunt vergeven, ben je vaak zelf.'

Tegelijk zit ook juist daar het punt van ergernis: alles wordt uitgelegd, alles wordt expliciet gemaakt. Liever had ik een verhaal gehad, waar de levenswijsheden de conclusies waren die ik zelf had moeten trekken. 

Voor kinderen is het misschien wat minder erg dat er wat meer wordt uitgelegd, maar het boek is duidelijk niet alleen voor kinderen bedoeld. Of zouden kinderen ook meteen naar een boek grijpen als er op de voorkant staat dat het door Arthur Japin is vertaald?

Maar goed, er blijkt publiek voor  De jongen, de mol, de vos en het paard  te zijn en hopelijk zijn er veel lezers die er iets aan hebben. Zoals er ook mensen zijn die zeggen veel te hebben aan de gedichtjes van Toon Hermans, zelfhulpboeken of de muziek van Jan Smit. Aan mij is het wat minder besteed. 


woensdag 7 oktober 2020

3Pak 2020 (Bakhuis / Lanen / Fretz / Van het Nedereind)


De Boekenweek voor Jongeren is alweer achter de rug: die was van 18 tot en met 27 september 2020. Vorig jaar kreeg ik nog doos met geschenkboeken gestuurd voor mijn leerlingen, maar dit jaar is dat niet gebeurd, mogelijk door mijn eigen onoplettendheid. De hele week is een beetje aan mij voorbijgegaan.

Je kunt je ook afvragen voor wie zo'n boekenweek geschikt is. We hebben al de Kinderboekenweek. Die is niet alleen bedoeld voor de basisschool. De boeken voor de oudste jeugd zijn zeker ook geschikt voor de onderbouw van het middelbaar onderwijs. Voor de bovenbouw hebben we de gewone Boekenweek al. 

Het Boekenweekgeschenk voor Jongeren heet sinds enkele jaren 3Pak, omdat er drie verhalen in staan. Dat van vorig jaar besprak ik hier. Het eerste verhaal van Margje Woodrow was goed, maar wel duidelijk jeugdliteratuur. Het tweede, van Joost Klein, was ronduit slecht en het derde was goed op niveau. Mooi werk van Karin Amatmoekrim. 

Dit jaar is de opzet vergelijkbaar: het eerste verhaal is een jeugdverhaal, het laatste is literair. Het tweede is deze keer een strip. Eigenlijk is alleen het laatste verhaal, van Johan Fretz, gelukt. 

Jeugdverhaal

Daniëlle Bakhuis tekent voor het jeugdverhaal, met de titel 'De Virgin'. Waarom er niet is gekozen voor 'The virgin' of 'De maagd' is me niet duidelijk. De titel verwijst naar een tv-programma, waaraan Hannah meedoet. Ze draagt een kuisheidsgordel. De andere deelnemers zijn 'heren'. Elke ronde valt er eentje af en in de finale zal ze ontmaagd worden. 

Zo'n onderwerp zou een interessant programma kunnen opleveren. Er zijn intussen heel wat amusementsprogramma's waarin kandidaten een voor een afvallen. Bakhuis laat zien dat de deelnemers voor de programmamakers niet van belang zijn. Het gaat om het programma, om de kijkcijfers en daarvoor mogen mensen blijkbaar opgeofferd worden. 

Een verhaal over zo'n thema heeft een zekere actualiteitswaarde, al is de gedachte dat het spel ten koste van de mensen gaat nu ook weer niet zo origineel. Zo'n beetje iedereen vermoedt wel dat dergelijke programma's niet draaien om het integer omgaan met gevoelens. Dat Hannah op die manier de liefde van haar leven denkt te vinden is dan ook nogal naïef. 

Dystopisch

Bakhuis heeft van 'De Virgin' een dystopisch verhaal gemaakt. De personages leven in een maatschappij waarin iedereen dezelfde kleding draagt en hetzelfde voedsel eet. Hoe dat voedsel verstrekt wordt is niet helemaal duidelijk en ook is niet helder waarom op het menu de ene dag de groente wordt genoemd die gegeten moet worden en de andere dag het verplichte vlees. 

De maatschappij heet het Collectief, maar ook de machthebbers worden het Collectief genoemd. Er blijkt ook een muur om het land heen te staan. Ingewikkeld, weinig geloofwaardig gemaakt en bovendien: volstrekt onnodig voor het verhaal. 

Er wordt ook niet uitgelegd waarom het televisieprogramma niet valt onder de wetten van het Collectief: daar worden namelijk wel afwijkende kleren gedragen en is er voedsel te eten dat in de rest van de maatschappij verboden is. 

Te veel gedoe, niet genoeg doordacht en een stijl die ook al niet uitblinkt. Bakhuis schrikt niet terug voor zinnen als 'Mijn hart raast als een bezetene' of 'Ik voel de zeewind me omarmen.' 

Strip

Het tweede verhaal is een strip: de tekst is geschreven door Pepijn Lanen, de tekeningen zijn gemaakt door Floor van het Nederend. De titel is 'De afzat-knalavonturen van Faber Wilhelm'. Eigenlijk is het meer een heel rijk geïllustreerd verhaal dan een echte strip. Veel tekst van de verteller en weinig dialoog. De plot is mager. We volgen een ridder, in een harnas, maar verder ongewapend en rijdend op een ongezadelde ezel. Hij heeft wel een smartphone, want dat is blijkbaar grappig. 

De tekeningen kloppen niet altijd met de tekst. De ridder zou een maliënkolder aan moeten hebben maar die is niet getekend. De ezel heeft verder poten waarvan de gewrichten soms net andersom gaan dan bij echte ezels en de ogen staan aan de voorkant van zijn kop in plaats van aan de zijkant. De plaatjes zijn nogal statisch. Het lukt de tekenaar niet goed om vloeiende bewegingen in zijn tekeningen te krijgen. 

Maar een groter bezwaar is het scenario met een dunne rode draad die uitloopt op een teleurstellende plot. Het door elkaar lopen van de tijd (Bono en Elton John in de riddertijd) is ongetwijfeld geestig bedoeld, maar er is mij niet duidelijk wat dat eigenlijk toevoegt aan het verhaal. 

De vorige Stripmaker des Vaderlands heeft heel veel moeite gedaan om graphic novels binnen de literatuurlessen te krijgen. In Nederland zijn er uitstekende stripmakers, die hun sporen ruimschoots hebben verdiend. Juist in een boekje voor jongeren hadden die kunnen uitpakken met een goede strip. Nu moeten de jongeren het doen met een verhaaltje dat ze, gok ik, niet tot het einde zullen lezen. 

Naar Mancora

Gelukkig is er ook nog het derde verhaal, van Johan Fretz. Eerlijk gezegd had ik hiervoor nog nooit wat van deze schrijver gelezen, al kende ik wel zijn naam. 'Naar Manorca. Een tori voor 3Pak' is een goed verhaal. Die ondertitel had voor mij niet gehoefd. Het verhaal is ook buiten de context van dit bundeltje goed leesbaar. 

Hoofpersoon in het verhaal is Benji (Benjamin), 21 jaar oud, vastgelopen in zijn studie en eigenlijk ook in zijn leven. Hij gaat backpacken, al heeft hij een hekel aan het woord. Hij wil niet dat zijn identiteit bepaald wordt door zijn rugzak. Hij ontmoet een jonge vrouw die een jaar ouder is en is meteen verkocht. Dat is niet bepaald een nieuw thema, maar Fretz geeft het diepte door het te verbinden met de doodsangst (levensangst?) van Benji.

Zijn moeder is verongelukt toen hij nog een baby was en daarover heeft hij zich altijd schuldig gevoeld. Het meisje, Lupe, brengt hem ertoe zijn doodsangst in de ogen te zien en gelukkig is Benji daarna niet meteen van de problemen af. Die gemakkelijke afslag heeft Fretz niet genomen. 

'Naar Mancora' is een verhaal dat zeker geschikt is voor jongeren. Er zit een spannende fietstocht in, waarin het leven van de hoofdpersoon gevaar loopt, er zit een relatie in waarvan je niet weet of die op iets meer dan een kortstondig pleziertje zal uitlopen en de hoofdpersoon heeft een karakter dat niet al te plat is. 

Zo'n verhaal kan bij jongeren de interesse voor literatuur wekken en het lijkt me dat dat een van de belangrijkste redenen is waarom 3Pak verspreid is. De andere twee verhalen moeten we dan maar op de koop toe nemen. 

dinsdag 6 oktober 2020

Zwanendrifters (Dido Drachman)


Gezinnen waar iets mee is - ze komen in de literatuur veelvuldig voor.Bijvoorbeeld in De avond is ongemak (Marieke Lucas Rijneveld), Zomervacht (Jaap Robben) of Kinderen van het ruige land (Auke Hulst). Ook in Zwanendrifters van Dido Drachman. Treffen we zo'n gezin aan: moeder is er niet meer, vader krijgt zijn leven niet goed op orde, zoon glijdt af naar de criminaliteit en dochter moet zich maar zien te redden. 

De dochter is Bettie. Ze zit nog op de basisschool (in het boek gespeld als 'basischool') en begint vragen te stellen bij de afwezigheid van haar moeder. Haar is altijd verteld dat moeder dood is, maar ze weet dat dat niet zo is. Haar moeder heet Zwaantje, vandaar ook de titel. Een zwanendrifter is ook iemand die zwanen houdt, als een vorm van pluimveehouderij. Ik zie wel het verband met de naam van de moeder en misschien ook wel met het op drift zijn van het gezin, maar niet met wat een zwanendrifter is. 

Het verdwijnen van de moeder is voor vader blijkbaar nogal traumatisch, want hij wordt al boos als het woord 'zwaan' valt. Dat leek me een beetje sterk. 

Het verhaal stelt op gebeurtenisniveau niet zo heel veel voor: kleine gebeurtenisjes, die Bettie steeds meer ingeven dat ze op zoek zou moeten gaan naar haar moeder. Maar in Zwanendrifters draait het ook niet in de eerste plaats om die gebeurtenissen. Het is per slot van rekening geen avonturenboek. 

Onmacht

De verhouding tussen de personages is het interessantst. De leden van het gezin hebben het moeilijk met elkaar, maar er is ook een zekere genegenheid. De vader schiet aan alle kanten tekort, maar hij zegt wel dat het maar goed is dat Bettie de pasta met rode saus maakt. Als haar broer dat doet, is het niet te eten. Met de broer (Lukas/Luuk) kan Bettie ruzie maken, maar hij haalt wel 's avonds op als het nodig is. Er is vooral onhandigheid in de omgang met elkaar en weinig van wat ze voor elkaar voelen wordt uitgesproken. Je voelt de onmacht van alle personages. 

Verder is er vaders broer, van wie Bettie niet veel moet hebben en zijn vrouw, met wie ze zich juist wel verbonden voelt. En de vrouwen Dina en Neel, van wie Bettie informatie krijgt over haar moeder. Neel wil graag dat Bettie meegaat naar de kerk, maar dat draadje blijft in het verhaal een beetje los hangen. 

Zachtheid

In de tekeningen zit een zekere zachtheid. Dat heeft te maken met het materiaal en met kleurgebruik. Ik ben geen kenner, maar ik vermoed dat er waterverf gebruikt is. Er komen veel pasteltinten voor. De lijnen zijn niet geïnkt en soms zijn er zelfs nauwelijks lijnen. Er zijn ook geen kaders, waardoor de tekeningen soms lijken uit te vloeien op de pagina. 

Dat past wel bij de sympathie die de lezer heeft voor Bettie. We leven met haar mee, kijken door haar ogen, zitten in haar hoofd en raden hoe zij zich voelt. 

Soms hebben de tekeningen iets onbeholpens: dan is bijvoorbeeld een onderlijf aan de korte kant of zit een been wat onhandig aan een romp. Een vuist die op tafel slaat zou krachtig moeten zijn, maar door de manier van tekenen heeft die eerder iets aandoenlijks. Het tekenen van fietsen is ook lastig voor Drachman en dat is nogal onhandig, want Bettie gebruikt haar fiets nogal vaak. Een poging om dat op te vangen is de fiets recht van voren tekenen. Meestal blijft het iets ongemakkelijks houden. 

Heel erg is dat nu ook weer niet. Sfeer en psychologie bepalen meer het verhaal dan gebeurtenissen en realistische weergave. Mooi zijn soms de details die Drachman eruitlicht: de handen van vader die een shaggie rollen, een rugzak die klaar staat. Je kijkt dan als lezer mee met de hoofdpersoon of je blik wordt gericht naar dingen die voor haar belangrijk zijn. 

Witte zwanen, zwarte zwanen

Het liedje 'Witte zwanen, zwarte zwanen,' een oud kinderlied, speelt ook een rol. Het lied staat bol van symboliek: wit/zwart, leven/dood en Engeland is misschien wel engel-land. Gelukkig wordt dat door Drachman niet expliciet gemaakt. Voor en achter in het boek is de binnenkant van het kaft en het schutblad gevuld met een soort mozaïek van witte en zwarte zwanen. Het is een mooie manier om de symboliek van de zwanen te verbinden met moeder Zwaantje. 

Zwanendrifters is een aardige beeldroman. Het verhaal had voor mijn gevoel wat krachtiger gekund. Je kabbelt er een beetje doorheen.  Je blijft er wel bij, maar het grijpt je niet direct aan, althans mij niet. Het is wel een sfeervol boek, dat empathie oproept. Een sympathiek debuut. 

Titel: Zwanendrifters
Tekst en tekeningen: Dido Drachman
Uitgever: Scratch Books
z.pl. 2020, 136 blz. € 24,90 hardcover



maandag 5 oktober 2020

Reizigers van een nieuwe tijd (Abdelkader Benali)

 


Het is de Maand van de Geschiedenis en daarbij hoort een essay. Dit jaar is dat Reizigers van en nieuwe tijd van Abdelkader Benali. De titel zegt nog niet zo duidelijk waarover het boek gaat, maar de ondertitel verklaart meer: 'Jan Janszoon, een Nederlandse piraat in Marokkaanse dienst. 

Jan Janszoon was een Nederlandse kaper, die zonder werk kwam te zitten toen in 1609 de wapenstilstand werd getekend in de oorlog tussen de Republiek en Spanje. Het zou het begin zijn van het Twaaljarig Bestand. Vanaf dat moment waren de Spaanse schepen taboe. 

Op de dezelfde dag waarop het verdrag werd getekend tussen Spanje en wat later Nederland zou worden, werd er opdracht gegeven om de nazaten van de Moren uit Spanje te verdrijven. Velen waren trouwens al vertrokken: de laatste Moorse stad, Granada was al in 1492 ingenomen. 

Naar Noord-Afrika

Jan Janszoon gaat naar Noord-Afrika. Hij wordt moslim en laat zich besnijden. Vanaf Marokko en Algerije gaat hij schepen kapen. Daarbij worden ook Nederlandse schepen het slachtoffer en ook de bemanningsleden van die schepen worden tot slaaf gemaakt. Benali zegt relativerend dat velen weer vrijgekocht zijn, maar hoe erg indertijd de slavernij al dan niet was, wordt niet uitvoerig verhaald. 

Jan Janszoon neemt de naam Moerad Raïs aan en maakt carrière in de streek waar hij terechtgekomen is. Hij heeft veel verstand van schepen en scheepvaart en dat heeft daar ongetwijfeld bij geholpen. Hij wordt admiraal van Salé en later gouverneur van het kasteel bij het kustplaatsje Oualida. Daarbij heeft hij zich ook ingezet om Nederlandse gevangenen vrij te krijgen. Hij was dus nog loyaal aan zijn vaderland. 

Het is een opmerkelijke geschiedenis. Eerlijk gezegd had ik nog nooit gehoord van deze Jan Janszoon en ook wist ik niet veel van slavernij in Noord-Afrika en van de piraterij aldaar. Salé kende ik alleen uit het gedichtje over admiraal De Ruyter in Woutertje Pieterse. 

Persoonlijke geschiedenis

Abdelkader Benali verbindt het verhaal over Jan Janszoon met zijn persoonlijke geschiedenis. De plaats waarvandaan de kapers vertrokken, ligt vlak bij het dorp waar Benali opgroeide. In de loop van het essay volgen we hem op zijn zoektocht: hij vertelt met welke mensen hij praat en welke informatie hij van hen krijgt. 

Daarnaast, en dat verraadt de titel ook wel, wil hij laten zien dat het van alle tijden is dat mensen zich in veiligheid willen brengen over zee, in dit geval de Middellandse Zee. Die zee krijgt ook al aandacht in het begin van De dood van Murat Idrissi. In het heden gaat het om de vluchtelingen die Italië of Griekenland proberen te bereiken, in het verleden om mensen die Spanje moeten zien te verlaten om Marokko of Algerije te bereiken. 

Voor in het boekje staat een oude afbeelding van Salé. Graag had ik ook een kaartje gezien met de kustplaatsen van Noord-Afrika, zodat ik mij tijdens het lezen iets beter had kunnen oriënteren. 

Kort door de bocht

In het begin springt Benali wat heen en weer in de tijd. Dat maakt het essay wat minder overzichtelijk. Ook zijn sommige opmerkingen wat kort door de bocht. Over het protestantisme aan het begin van de zestiende eeuw schrijft hij dat daarin de beleving van de het geloof persoonlijker is. Maar ook binnen ons land werd het protestantisme soms van boven opgelegd en had het niets te maken met een persoonlijke keuze. 

Net als Jente Posthuma citeert hij een lichtelijk corrupte variant van het lied 'Kap'ren varen'. Oorspronkelijk komen daar niet de namen Piet en Joris in voor, maar Pier en Tjores. ('Jan, Pier, Tjores en Corneel'). En verder had een oplettende redacteur er nog wel wat foutjes uit mogen halen. Benali heeft het bijvoorbeeld verschillende keren over het strijken van de vlag als hij het hijsen van de vlag bedoelt. De uitdrukking 'Turks gaan' voor moslim worden, is net iets te joviaal voor mijn taalgevoel. En zo zijn er meer kleinigheden. 

Maar het verhaal van Jan Janszoon in de context van de kaperij in Noord-Afrika staat en bevat wonderlijke details. Zo werden er zelfs rooftochten naar IJsland en Ierland georganiseerd. Voor mij was dat een minder bekend stuk van de geschiedenis. Het is mooi dat Abdelkader Benali dat nu voor een groot publiek toegankelijk heeft gemaakt en ook dat het een persoonlijk verhaal is geworden. Veel boeken over historische onderwerpen zijn het gevolg van een fascinatie; Benali maakt dat  ook expliciet. 

Het essay voor de Maand van de Geschiedenis is voor een prikje te koop in elke boekhandel, evenals het blad dat ter gelegenheid van deze Maand is uitgekomen. Daarin staan interessante tips, maar ook artikelen die de moete waard zijn. 
Van de boeken die genomineerd zijn voor de Libris Geschiedenisprijs las ik alleen het boek van Enny de Bruijn. Hier schreef ik daarover. 

vrijdag 2 oktober 2020

Uit elkaar (Bette Westera / Sylvia Weve)


Kinderen houden van versjes en gedichten. Denk ik. In ieder geval ken ik nog gedichten uit het hoofd die ik op de lagere school heb geleerd, zoals het versje over Juffrouw Pierewiet en haar groene grasparkiet. Ik weet niet hoe het nu is in het onderwijs, maar vroeger werden er ook wel dingen aangeleerd via een liedje of een gedichtje: 'Rood, wit en blauw zijn de kleuren van de vlag.'

Gelukkig is er ook nu nog aardig wat kinderpoëzie. Eerder schreef ik hier over Edward van de Vendel en Jaap Robben. En dit jaar kreeg Bette Westera de Gouden Griffel voor de dichtbundel Uit elkaar. 

Nog nooit had ik iets van Westera gelezen, maar dit boek heb ik toch maar gekocht. Ook omdat het er schitterend uitziet: speelse en uitgekiende tekeningen van Sylvia Weve en prachtig typografisch werk van Bockting design. De bladzijden zijn dubbel, alsof ze nog niet opengesneden zijn. Dat ziet er mooi uit en het bladert ook prettig. Bovendien is het handig bij het drukken, als je bijvoorbeeld tekst van de ene pagina wilt laten overlopen op de volgende. 

Relaties

De titel doet meteen denken aan het lied (en de film) van Herman van Veen en je weet al meteen dat het in dit boek over relaties gaat. In de meeste gedichten ligt het perspectief bij het kind. Het traditionele gezin, vader, moeder, kind(eren), wonend in hetzelfde huis, voor eeuwig en altijd, is bepaald niet meer vanzelfsprekend. Vaders en moeders scheiden, gaan hun eigen weg, krijgen nieuwe partners, er zijn half- en stiefbroers en -zussen. En verder kan een kind twee vaders of twee moeders hebben of meer opa's of oma's dan twee. Over de verwarring (en de woede) die een scheiding kan veroorzaken gaat bijvoorbeeld het boek Gips van Anna Woltz waarover ik onlangs schreef. 

Westera kruipt in de gedichten vaak in het kind en laat de verwarring, het schuldgevoel, maar ook het plezier zien dat een kind kan beleven dat zich een weg moet kappen door de relatiejungle van zijn ouders. 

De kant van het kind

In alle gedichten ligt de sympathie van Westera onvoorwaardelijk bij het kind en dat hoort ook zo. Als in een gedicht een kind zich afvraagt of hij misschien iets had kunnen doen (of laten) om de scheiding te voorkomen, staat er een groot kruis door de bladzijde en het gedicht heet 'Onzin'.

Onzin 
Zou het anders zijn gegaan
als hij liever had gedaan?
Als hij nooit met vuile schoenen
op de stoelen was gaan staan? 
Als hij nooit had lopen zeuren
of gesmeten met de deuren
of gemopperd op het eten?
Nooit zijn gymtas was vergeten?
Niet bij Brian was gaan spelen 
en zijn fiets had laten stelen?
Nooit zijn iPhone was verloren
ook een keertje wél zou scoren,
zelf zijn zakgeld zou verdienen,
altijd negens had en tienen,
al zijn toetsen goed zou leren, 
zelf zijn meeneembrood zou smeren, 
nooit meer onzin uit zou kramen? 
Waren ze dan nu nog samen?

Tussen de gedichten over mensen door staan er gedichten over dieren: over de monogame gieren en zwanen (die eigenlijk niet helemaal monogaam zijn in dit gedicht, maar wel bij elkaar blijven), over twee mannetjespinguïns die een ei adopteren, over een koekoeksjong, over een spin die het mannetje doodbijt na de paring. De dierenwereld troost soms (het kan altijd nog erger) of is een spiegel van hoe het gaat in de mensenwereld. 

Metrum

De gedichten zijn bijzonder strak van metrum. Wat dat betreft is Westera net zo streng als Annie M.G. Schmidt indertijd was. Ze wisselt door de bundel heen wel af: soms hebben haar zinnen iets weg alexandrijnen en in andere gedichten zijn er juist weer korte zinnen. Ook een minder gangbaar metrum als de dactylus ('Op een wat mistige dinsdag in mei / kroop ik nog nat van het struif uit mijn ei.') of de amfibrachys ('Hij wilde de borden, zij wilde de glazen / hij wilde de stamper en zij de vergiet.') worden door Westera gebruikt en altijd lopen de zinnen even soepel.

Ze zorgt ervoor dat een gedicht geen dreun wordt, door handig gebruik te maken van enjambementen. Daardoor komt er stroming in het gedicht, waarmee je tijdens het lezen of voorlezen gemakkelijk meegaat. Ik bleef alleen wat haperen bij het gedicht 'Halfzus', maar wellicht ligt dat aan mij. 

Uit elkaar is een bundel die gericht is op inclusiviteit. Elk kind hoort erbij, in welke gezinssituatie het ook opgroeit. Grappig is een gedicht over een meisje wier ouders niet gescheiden zijn. Dat wordt daar namelijk mee gepest.

Lichte toon

Hoewel de onderwerpen niet altijd licht zijn, is de toon dat vaak wel. Dat maakt, samen met de vrolijke tekeningen, dat dit geen zwaar boek is geworden. Er valt heel wat te lachen, zonder dat de problemen gerelativeerd worden. Erg grappig vind ik 'Goede antwoorden op foute vragen'. Een kind met twee moeders krijgt bijvoorbeeld de vraag wie nu de echte moeder is en als vader een nieuwe vriendin krijgt wordt er gevraagd of het kind die vriendin nu 'mama' gaat noemen. De antwoorden zijn heel gevat:

Ga je haar nu mama noemen?
Mama? Nee, dat denk ik niet.
Rosalinde vind ik mooier. 
Maar ze heet gewoon Margriet. 

Op de tekst is weinig aan te merken. Toen ik voor de tweede keer 'in voor- en tegenspoed' las, vond ik dat net een keer te veel. En dat er twee verschillende Irenes in de bundel voorkomen leek me ook niet handig. Het onderwerp van 'Neef Guillaume', de man die zijn eigen grootvader is, is misschien net iets te bekend. Maar misschien niet bij kinderen en het is wel voor het eerst dat er een gedicht van gemaakt is. Ach het zijn kleinigheden.  In de bundel staan gewoon veel mooie, lieve, grappige en vooral goede gedichten. 

Totaalbeleving

De kwaliteit van Uit elkaar schuilt niet alleen in de gedichten. Het lezen van de bundel is een totaalbeleving, waarbij de tekeningen een wezenlijk onderdeel uitmaken van waar je je in onderdompelt. In het gedicht 'Mijn vader' wordt verteld dat er in huis zoveel verdwenen verdwenen is dat aan de vader herinnert. Sylvia Weve heeft daarbij voor een tekening gezorgd waarin de vader bijna helemaal doorgekrast is. Bovendien wordt vader min of meer vallend getekend, met zijn koffers in de handen. Blijkbaar heeft hij in huis geen grond meer om op te staan. Zelfs de geur van de macaroni die hij altijd op vrijdag maakte, is doorgekrast. 

Het gedicht werkt al goed: juist in zijn afwezigheid is de vader aanwezig, maar de tekening maakt het compleet. Niet alleen is vader weg, hij is verwijderd, geëlimineerd. De pijn die dat doet, wordt nog duidelijker door de agressie van het doorkrassen. 

De tekeningen zijn zorgvuldig afgestemd op de gedichten: in een gedicht over een breiende tante, bestaan de getekende figuren uit draadjes, in het gedicht 'Nooit blij' reist een kind heen en weer tussen de huizen van vader en moeder. De hoofden van de ouders zijn huizen. Huis en ouder vallen op die manier samen. Hetzelfde gebeurt bij 'Even thuis'. 

Typografie

Ook de typografie helpt bij het beleven van de bundel. Titels staan meestal niet boven het gedicht, maar op een andere plaats op de bladzijde, zodat ze niet alleen een labeltje voor het gedicht zijn, maar zelfstandig betekenis krijgen. In het gedicht 'Niets gemeen' is de titel zelfs opgenomen in het gedicht.

De lettergrootte verschilt per gedicht, de strofen staan soms naast elkaar in plaats van onder elkaar. De woorden zijn altijd goed leesbaar, ook tegen een gekleurde achtergrond. En vooral: de pagina's zijn altijd een geheel. Het zijn geen gedichten met plaatjes, maar er is goed nagedacht over de compositie van elke bladzijde. 

Uit elkaar is een heerlijk boek, om te lezen, om te hebben, om doorheen te bladeren. Het moet maar veel gelezen en bekeken worden. Volgens mij snapt iedereen het dat het een Gouden Griffel en Zilveren Penseel heeft gekregen. Juichen mag niet meer in deze tijden van corona, maar we kunnen wel een diepe buiging maken en blij en dankbaar kijken. Laten we dat dan maar doen. 

Vooruit, nog een toetje:

Scheve schalen 
Als Madelon voor Moederdag
iets maken moet of maken mag,
dan komt ze altijd tijd tekort, 
waardoor haar werk heel slordig wordt. 
Ze maakt een schaal en nog een schaal. 
Ze horen rond en niet ovaal. 
Wanhopig knijpt ze in haar klei.
Het knutseluurtje vliegt voorbij. 
Twee scheve schalen, groen en rood.
Totaal mislukt, ze schaamt zich dood.
Twee scheve schalen, rood en groen. 
Soms is twee moeders niet te doen.

Uit elkaar is verschenen bij uitgeverij Gottmer. Het werd eerder dit jaar bekroond met de Woutertje Pieterseprijs.






Klik voor een grotere afbeelding