vrijdag 29 augustus 2025

Lysbeth (Marlies Medema)

Sommige boeken zou ik wel willen lezen, maar ik kan ze ook best nog even laten liggen. En dat 'even' kan dan zomaar een maand of een paar maanden worden. Zo'n boek was Lysbeth (2023) van Marlies Medema. Het kwam uit bij uitgeverij Mozaïek en wat daar verschijnt, is nogal divers, is mijn indruk. Ik wist dan ook niet goed wat ik kon verwachten. 

Eigenlijk had ik toch wel een soort literaire roman verwacht, maar heel literair is Lysbeth niet. Medema is wel een onderhoudend verteller, maar je hoeft verder als lezer niet zoveel te doen, omdat alles uitgelegd wordt. Al die uitleg stond me tijdens het lezen wel tegen. 

De hoofdpersoon in de roman is iemand die ook in de werkelijkheid heeft bestaan, Lysbeth Philipsdochter de Bisschop (1566-1652). Het deel van haar leven waarover de roman gaat, speelt zich af aan het begin van de zeventiende eeuw, tijdens het Twaalfjarig bestand (1609 - 1621). 

Arminianen

Tijdens dat bestand waren er theologische twisten, die uitliepen op politieke onenigheid. Aan de ene kant stonden de aanhangers van Arminius (arminianen, remonstranten, rekkelijken), aan de andere kant die van Gomarus (gomaristen, anti-remonstranten, preciezen). De man van Lysbeth, Rem Bisschop, was een bekende figuur in kringen van de remonstranten. Op 19 februari 1617 ontstond er een oploop bij het huis van Rem en Lysbeth. De oproerlingen drongen het huis binnen en plunderden het. De bewoners konden ternauwernood ontkomen. 

Dat komt allemaal terug in de roman, die een goed beeld geeft van hoe ver de acties tegen de remonstranten gingen. Dat had ik allemaal niet zo scherp op mijn netvlies staan. Natuurlijk wist ik dat de arrestatie en de dood van Johan van Oldenbarnevelt met deze controverse had te maken, maar dat het verhaal van Hugo de Groot en zijn ontsnapping in een boekenkist ook hieraan gerelateerd is, stond me niet meer bij. Blijkbaar heb ik dat als kind onthouden als een verhaal zonder verdere context. 

Je snapt dat er genoeg spannende dingen gebeuren in het boek. Een plundering is heel bedreigend en Lysbeth liep daarbij zeker gevaar. Medema maakt ook duidelijk wat er allemaal speelt in het land en dat de controverse tussen remonstranten en contra-remonstranten een behoorlijk gewelddadige kant had. En natuurlijk een politieke kant. Maurits heeft er dankbaar gebruik van gemaakt. 

We krijgen ook de voorgeschiedenis van Rem en Lysbeth. Ze hebben ooit in Koningsbergen (het huidige Kaliningrad) gewoond, waar Rem zakelijk succesvol was. Maar ze hebben daar ook persoonlijk leed ondervonden. 

Meteen in het verhaal

Aan het begin van de roman zit je meteen goed in het verhaal:

Overal liggen scherven. De dakpannen zijn aan stukken gesmeten in de half gesmolten sneeuw. Het hout van de deur is versplinterd, alsof een leger mannen er met een bijl op heeft ingehakt. Ik doe een stap naar voren, voorbij een vrouw met een mottige bontstola en een mollige bakker met meel op zijn armen. Al dagen, weken, misschien wel maanden heb ik gevreesd dat er een ongeluk zou plaatsvinden, al wist ik niet precies hoe. Maar nu ik de feiten zie, kan ik het nauwelijks geloven. 

Dit is vlak na de plundering. Hoe het zover heeft kunnen komen, wordt later verteld, maar je wilt wel weten wat er gebeurd is, dus zo'n begin zet je wel aan het lezen. 

Dat wordt uit de doeken gedaan en daarna blijft er ook nog spanning in het verhaal. Rem is helemaal niet van plan om zich gedeisd houden, al brengt hij daarmee ook zijn eigen gezin in gevaar. 

Historische setting, taal van nu

Een historisch verhaal moet aan de ene kant kloppen met de geschiedenis, aan de andere kant moet het nu ook goed te lezen zijn. Alleen al in het taalgebruik moet het de geschiedenis enigszins geweld aandoen.  Die tweespalt is eigenlijk al aan de omslag te zien: een jonge vrouw met een kapsel dat ik eerder in het nu dan in de zeventiende eeuw plaats, maar ook met een kanten kraag die zeker historisch aandoet. Of Lysbeth qua karakter historisch verantwoord is en of de manier waarop zij denkt past bij een vrouw uit de zeventiende eeuw kan ik moeilijk beoordelen. Mocht ze wat moderner gemaakt zijn, dan lijkt me dat geen probleem. De historische illusie wordt er niet door verstoord. 

Dat het taalgebruik hedendaags is, is alleen maar handig, maar je moet er niet door uit het verleden gehaald worden. Bij een boek als De heks van Limbricht van Susan Smit ging dat te vaak mis. Smit is wat dat betreft nogal aan het rommelen geweest. 

Bij Medema is het beter gelukt om de lezer in het verleden te houden en toch vrij vlot te vertellen. Een woord als 'gefrustreerd' haalde mij wel naar het heden, omdat het begrip frustratie in die tijd domweg niet bestond. En soms begon ik te twijfelen. Er zullen in de zeventiende eeuw wel honden als huisdier gehouden zijn, maar werden ze ook aangelijnd? En van iemand van zestien zei je waarschijnlijk niet dat het nog maar een kind was. Maar misschien heeft Medema het allemaal uitgezocht en zouden verschillende dingen best mogelijk geweest zijn. Mijn indruk is dat ze behoorlijk in de studie van de historische setting gedoken is. 

Al met al is Lysbeth zeker geloofwaardig en kun je goed meegaan in het verhaal, maar de overdaad aan uitleg (die vooral in de dialogen gegeven wordt) was wel iets waar ik echt doorheen moest. Maar misschien heb ik gewoon de verkeerde verwachtingen gehad. Na lezing had ik het idee dat er best het een en ander uit dit boek geschrapt had kunnen worden en dat je dan een goede roman overgehouden zou hebben. Voor de roman zoals die nu is, ben ik niet de goede lezer, maar ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die juist van deze boeken houden. Die hebben in Lysbeth een degelijke roman, die aardig leest. 

donderdag 28 augustus 2025

Afgestoft: Voorbij mijzelf (P. van Klaveren)

Helemaal krijg ik het stof er niet af: de bundel Voorbij mijzelf (1992) van P. van Klaveren. Ik weet zelfs niet helemaal zeker of de bundel in 1992 uitgekomen is, maar in ieder geval verscheen de recensie in Bloknoot nummer 2, mei 1992. 

Ik was de bundel al vergeten en de dichter ook. Het boekje staat ook niet meer in mijn boekenkast, zie ik. Het kwam uit als nummer 8 in de Zwaluwreeks, die geredigeerd werd door Hans Werkman. 

Van Klaveren moet toch wel iets betekend hebben. Hij publiceerde in De schone zakdoek, waar mensen in schreven wier namen we nog steeds kennen. Kijk het hier maar na. En ook de tijdschriften Parade der profeten en Columbus stelden wel wat voor. 

Toen ik de recensie schreef, was Van Klaveren al een onbekende naam en ik was ook niet heel erg te spreken over zijn gedichten en dat liet ik ook merken: 'dit troosteloze dichterschap', schrijf ik en dat vind ik nu wel hard klinken, al zou ik nog steeds dezelfde kritiek hebben. 

Googlend naar meer informatie kwam ik nog een klein stukje tegen dat ik in Liter nr. 11 (jaargang 3, maart 2000) schreef: een signalering van een bundel van Van Klaveren (en van een van Nel Veerman). Daar hoefde ik indertijd niet direct een oordeel over te geven, maar over die bundels was ik niet heel enthousiast. 

Omdat ik toch een keer wat met al die kleine stukjes moet doen, voeg ik die twee hier maar bij. 

 

Troosteloze tak

Als nummer 8 in de Zwaluwreeks verscheen Voorbij mijzelf, een poëziebundel van P. van Klaveren. Die naam zei mij niets, maar gelukkig hielp de tekst op het achterplat mij: 'Piet van Klaveren (1920) debuteerde in 1941 in De schone zakdoek [...]. Later werkte hij mee aan Parade der profeten en Columbus.' Verder vermeldt de tekst onder andere dat de eerste van de vier afdelingen die de bundel telt, gedichten bevat uit de periode tussen 1950 en 1982.

Die eerste afdeling draagt de titel 'Hoe dit leven heet' en bestaat uit gedichten waaruit vaak een romantisch levensgevoel spreekt. De ik-figuur is duidelijk ongelukkig met het hier en het nu. In een gedicht denkt hij met weemoed terug aan zijn kindertijd, in een ander wordt zelfs naar het paradijs gezocht. Ook het verzet tegen de aanpassing die de maatschappij vraagt ('liever dood / dan in een colbert') past in de romantische traditie. 

Naar de vorm zijn deze gedichten weinig verrassend. In een gedicht over de beperktheid van de taal staat bijvoorbeeld: 'ik kan niet breken / uit de cirkel van zinnen / het vierkant van de letters / de ijzeren kooi van de klanken'. Dat doet nogal clichématig aan. 

Een enkele keer is de formulering origineler, is wat er staat geheimzinniger:

(...)
Kaaimannen roeien in en uit
verduisterde ramen;
golfplaten lengen de
stemmen uit.

De nacht is een vlakte met rails,
stemmen liggen plat op de tegels,
zigzaggen de portieken in. 
Het nare is, dat de kaaimannen mij onmiddellijk doen denken aan Rodenko's kangoeroes, die door de venstergaten keken, maar dat zal wel meer aan mij liggen dan aan het gedicht. 

Afdeling twee ('Het land, de tijden') begint en eindigt met een gedicht over tijd. Daartussen volgen de gedichten de loop van de seizoenen en dan vooral zoals die zich manifesteren in het landschap. Titels als 'Zomerlaan', 'Buitendijks' en 'Het land' wijzen al in die richting. 

'In memoriam' is de titel van de derde afdeling en de opdracht luidt: 'voor Coos'. Het achterplat (hoe handig toch!) vertelt dat Coos de overleden vrouw van de dichter is. De in-memoriamgedichten vertellen hoe de dichter haar mist. 

De laatste afdeling, die dezelfde titel draagt als de bundel, is gevuld met gedichten die bestaan uit observaties en overdenkinkjes. Het eerste: 'Bijna was ik / mezelf vergeten; / een lege man / was dan blijven staan / op een grijs perron.' Ik citeer dit gedicht, omdat het duidelijk de zwakke kanten van Van Klaverens poëzie toont. Niet alleen tref ik in Voorbij mijzelf bijna nergens een oorspronkelijke gedachte aan, de beelden die gebruikt worden zijn ook nog eens bijna altijd de meest voor de hand liggende. Hier struikel ik over 'mezelf vergeten' en over de afgesleten combinatie van 'lege' en 'grijs'. 

In de tweede afdeling is het het ergst. De eerste regel van het eerste gedicht is al: 'Tijd als water', een klassieke vergelijking. Ik weet best dat het moeilijk is daarmee nog iets origineels te doen in de Nederlandse poëzie, maar Van Klaveren probeert het niet eens. Die gemakzucht komen we ook tegen in de volgende gedichten. Als de dichter over herfst schrijft, schrijft hij over vallende blaadjes en kilte. Zijn landschappen zijn 'weids', zijn gif is 'bitter', zijn bootjes 'schommelen', zijn storm 'buldert' en zijn noodweer 'zwelt / tot een zwarte, woedende macht'.

De zon, het licht, als beeld voor de vreugde en de nacht, de duisternis, als beeld voor het verdriet - dat is intussen een cliché, zo groot als de zon zelf. Toch stelt Van Klaveren (in de derde afdeling) 'ochtenden van goud' tegenover 'het zwart van de nacht' en schrijft hij : 'heimwee naar jou / loeit naar de holten / van de onderste nacht'' In het gedicht waaruit ik het laatste citaat gelicht heb, laat hij ook nog handen teder wuiven en ogen glanzen. 

In de eerste afdeling, die nog het minst slecht gelukt is, lezen we een onzuivere beeldspraak als 'de uien uit mijn ogen / [...] zijn opgelost' en een cliché als 'vitrine, waar verloren tijd in stilstond'.

Niet alleen herhaalt Van Klaveren anderen, hij herhaalt ook zichzelf. Steeds dezelfde constructie doet op den duur wat gemakzuchtig aan: 'bitter van gif', 'leeg van verveling', 'doodstil van dikte', 'traag van vragen naar jou'.

'Voor dichterschap / moet je droevig zijn / met een scheutje leuks / als een warm, geel blaadje / aan een troosteloze tak', schrijft Van Klaveren. Voor dit troosteloze dichterschap kan ik meer ergernis dan droefheid voelen. 
Omslagtekening: Marcel Verbrugge

Nel Veerman


Bij het naderen van haar negentigste verjaardag stelde Nel Veerman haar achtste bundel samen. Naschrift bevat gedichten waarin, evenals in vorige bundels, veel natuur en geloof voorkomt. Bijvoorbeeld in dit gedicht:
De wind en de boom

De wind
hoe hij als een rivier
door een bedding van bomen stroomt
of in het voorbij gaan
bijna beschroomd
vluchtig even een blad beroert

hoe de wind de boom
bespeelt als een instrument
hoe de boom op de wind
haarfijn is afgestemd

De naderende dood is ook in verscheidene gedichten terug te vinden. De bundel eindigt hoopvol:
het was na Pasen
straks zou zijn ontkiemd en zijn ontloken
wat slapend in de aarde naar de lente lag gekeerd

De gedichten zijn bescheiden van toon en dat maakt ze sympathiek. Dat ze niet alle een even hoog niveau hebben, moet de lezer dan maar voor lief nemen. (Uitg. Merweboek, 48 blz., f 14,90.) [TB]

P. van Klaveren


Afdronk is alweer de derde bundel van P. van Klaveren die bij Merweboek verschenen is. Er staan wat liefdesgedichten in, wat natuurgedichten en wat gedichten met allerhande. De beeldspraak is meestal nogal gezocht, waardoor veel gedichten een gekunstelde indruk maken. Mijns inziens is een behoorlijk groot deel van de bundel literair gezien onder de maat, maar soms kom je toch een wat minder slecht gedicht tegen.
Visserswijk

In die buurt, zo vaak
door zeestorm geteisterd,
duiken uit lage deuren
vervaarlijke mannen op,
door scheldende vrouwen
gevolgd tot de kroegdeur;
hun tieren verwaait
in vliegend ziltschuim.

Tot diep in de dranknacht
beukt het lawaai
tegen de bierkaai.
(Uitg. Merweboek, 40 blz., f 14,90.) [TB]

woensdag 27 augustus 2025

Op zoek naar glorie 2: Huis Lagriote (Pascal Davoz / Philippe Eudeline)

Napoleons tocht naar Rusland is een beroemd voorbeeld van een veldtocht zonder glorie. Later zou Hitler een soortgelijke veldtocht organiseren, die op een even grote nederlaag uitliep. 

In april van dit jaar besprak ik het eerste deel van het vierluik Op zoek naar glorieHazenpad. Daarin volgen we de kleine trommelaar Hazenpad met zijn schat (een steek voor Napoleon). 

Terugtocht

In het tweede deel volgen we het leger op de terugtocht. De soldaten lijden honger. Gelukkig is er een vrouw die haar huis heeft opengesteld, zodat een groepje, onder wie Hazenpad, onderdak en warmte heeft. Hazenpad is klein en dat is handig: hij kan nog wel eens wat voedsel bietsen. 

In de schuur verblijven sergeant Bonneuil en soldaat Pijpenkop, van wie Hazenpad in het eerste deel veel last heeft gehad. Ze waren uit op zijn 'schat'. Ook in dit deel zijn ze de slechteriken. Al in het begin van het album doden ze het paard van de wasvrouw Fanfan de Morel en dreigen ze zich aan haar te vergrijpen. 

Behalve de kou en de honger zijn het de kozakken die het de restanten van het Franse leger zo moeilijk mogelijk willen maken. Via Litouwen en Polen probeert het leger het vaderland te bereiken. Mensen raken elkaar kwijt, weten niet wie het overleefd heeft en wie niet. 

Fanfan komt terecht in het noorden van Frankrijk in het huis van de gravin, de vrouw met kind die ze in het eerste deel hebben opgenomen. Uiteindelijk zal ze daar niet blijven. De groep gaat verder, als onderdeel van de keizerlijke garde. In het volgende deel zullen we lezen hoe het hun vergaat. 

Verloedering

In Op zoek naar glorie gaat het eigenlijk niet zo heel erg om de verhaallijn of om avonturen. Belangrijker dan wat er precies gebeurt, is de sfeer die je meekrijgt: de ellende van de soldaten, waardoor ze ook hun morele normen laten varen. Sommige restanten van de Grote Armée verloederen, maar er zijn ook mensen die het besef van goed en kwaad helder blijven houden. 

Dat je je het meest identificeert met een kind (Hazenpad) en een vrouw (Fanfan de Morel) is niet zo verwonderlijk. Ze hebben al een uitzonderingspositie in het leger en zijn niet geneigd zomaar mee te gaan met de verloedering. Daardoor blijft er in het verhaal, te midden van de ellende, steeds het uitzicht op het licht, er blijft hoop. De strip is dan ook niet deprimerend, maar je blijft als lezer lucht houden om je door het verhaal heen te ademen. 

De tekst is van Pascal Devoz, die graag de geschiedenis recht wil doen. Niet dat deze personages allemaal werkelijk bestaan hebben, maar de route van het leger zal wel kloppen. De tekeningen van Philippe Eudeline zijn realistisch genoeg om je een goede indruk te geven van de toestand van ruim twee eeuwen geleden. De sfeer van het soldatenleven is goed getroffen. 

Het vierluik Op zoek naar glorie is op de helft: we hebben nog twee delen te gaan. Degenen die de eerste twee delen gelezen hebben, zullen de volgende twee zeker ook willen lezen. 

Reeks: Op zoek naar glorie
Deel 2: Huis Lagriote
Tekst: Pascal Devoz
Tekeningen: Philippe Eudeline
Vertaling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2025, 56 blz. € 11,95 (softcover), € 21,95 (hardcover)

dinsdag 26 augustus 2025

Afgestoft: Het satijnen hart (Remco Campert)

De vakantie is voorbij en voordat alles goed op gang is in het nieuwe schooljaar zal ik ook af en toe op vrije dag wat moeten doen. Dat het maakt het lastig om regelmatig te schrijven, maar ik ga mijn best doen. Vier nieuwe recensies per week, zoals de afgelopen weken, zal wel niet lukken, omdat ik deze en komende week ook op zaterdag werk, maar drie probeer ik te redden. En anders zal ik af en toe een oude bespreking plaatsen die hier nog niet eerder te lezen was. 

Deze keer eentje die eerder te lezen was op 1 september van 2006 in Nederlands Dagblad. Het is een recensie van Het satijnen hart van Remco Campert.  Het is maar een korte recensie. Mogelijk had ik een aantal woorden gekregen waarbinnen het allemaal moest gebeuren, mogelijk was ik na een beperkt aantal woorden uitgepraat. Ik kan het niet meer nagaan. Voor zover ik weet heb ik ook nog ergens een stukje over Dagboek van een poes (2007) en over Om vijf uur in de middag (2010). Die heb je nog tegoed. 


       

Geen grote woorden, maar kleine daden 


Er gebeurt niet veel in de laatste roman van Remco Campert. De bejaarde schilder Van Otterlo schildert al jaren niet meer. Maar dan verneemt hij het bericht van de dood van Cissy, een vroegere vriendin van hem en langzaamaan beginnen er dingen te verschuiven in zijn leven. Het satijnen hart opent met de zin 'Mijn beste schilderij maakte ik toen ik tegen de zestig was'. Het is ook meteen zo ongeveer het laatste schilderij dat hij maakte en de lezer weet al gauw dat het iets met Cissy te maken heeft, al krijgt hij geen details, zodat er behoorlijk wat te raden overblijft. Het boek eindigt met: 'Ik ben alleen in een suizende stilte, het geluid van de kunst. Mijn ogen tasten het lege doek af.' Van Otterlo is klaar om weer te gaan schilderen.

Tussen begin en eind zijn er wat gesprekken tussen de schilder en zijn vriend (Jongerius jr.) en ook spreekt hij geregeld zijn halfzus Bettina. Zijn oude atelier wordt opgeknapt, er worden wat herinneringen verhaald en dat is het dan. Inhoudelijk mager, zou je zeggen en misschien is het dat ook wel.

Vervalsen

Toch boeit het boek. Natuurlijk door de soepele Campertstijl, maar dat niet alleen. Campert weet met kleine middelen duidelijk te maken wat er verandert in het leven van Van Otterlo. De schilder heeft veel succes gehad met zijn werk en dat succes heeft zijn werk misschien wel gecorrumpeerd. 

Is het mogelijk dat ik vanaf een bepaald moment in mijn leven mijn eigen werk heb vervalst? Dat ik iets nieuws heb toegevoegd in de stijl van het mij oude bekende, waarmee ik beroemd ben geworden en veel geld heb verdiend? Dat toen de passie gedoofd was ik dat niet wilde toegeven en niet beter wist te doen dan mijzelf herhalen? Kun je je eigen handtekening vervalsen?

Altijd heeft Van Otterlo zijn kunst op de eerste plaats gesteld. Dat was zijn grote liefde. De vriendinnen kwamen op de tweede plaats. Door de dood van Cissy moet hij zich realiseren dat hij mensen tekort heeft gedaan. Hij moet opnieuw zijn positie in het leven bepalen. 

Misschien heeft Bettina gelijk en valt er ook aan mij nog iets te doen. Grote kans natuurlijk dat het oude bouwsel dat ik ben instort als ik aan de constructie ga morrelen. Een nieuw behangetje is al heel wat. Dat moet dan wel van eigen makelij zijn.

Misschien is juist dat wel het knappe van Het satijnen hart: het doet bescheiden alsof iemand slechts een nieuw behangetje plakt op de muren van het huis dat zijn leven is, terwijl hij wezenlijke dingen aan de constructie verandert. Campert schreef al decennia geleden in een van zijn bekendste gedichten dat verzet niet met grote woorden begint, maar met kleine daden. Ook Het satijnen hart is een boek vol kleine daden. Er wordt een atelier opgeruimd, iemand gaat een schilderij maken. En ineens is alles anders.

Over andere boeken van Remco Campert:

maandag 25 augustus 2025

Tijd is een leeuwerik (Hilbrand Rozema)

 


Door drukte en vakantie ben ik wat achtergeraakt met het schrijven. Al in begin augustus las ik Tijd is een leeuwerik van Hilbrand Rozema. Toen dacht ik nog: daar kan ik veel over schrijven. Maar nu ben ik bang dat er toch weer veel uit mijn geheugen weggelekt is. Gelukkig heb ik heel wat streepjes in de kantlijn gezet. Daar laat ik me maar door leiden. 

Tijd is een leeuwerik is een verzameling van stukken die Rozema schreef voor het Nederlands Dagblad. Je zou kunnen zeggen dat het reportages zijn, maar je zou het ook columns kunnen noemen of, soms meditaties. In elk stuk is hij op reis gegaan en ergens in Nederland aangekomen. 

De ondertitel van de bundel is Reizen langs de rafelranden van Nederland. Waarom dat woord 'rafelranden' gebruikt is, weet ik eigenlijk niet zo goed. Weliswaar komt de Randstad niet zo heel veel voor en reist Rozema meer naar het platteland, waarbij hij soms ook de randen van Nederland opzoekt. Maar of die nu rafeliger zijn dan de rest van het land, werd me niet zo duidelijk. 

In de titel van een stukje wordt vaak al aangegeven waar de schrijver zich deze keer bevindt ('Spanjaarden in Empel', 'Gelukkig in Hengelo', 'Klokkenluiders in Cuijk'). Vaak is er een aanleiding en Rozema gaat vooral naar zo'n plaats om te kijken en om te luisteren. En om te overpeinzen wat dat nu betekent. 

Hij is bij bijzondere gelegenheden aanwezig. Bijvoorbeeld bij Grieks-Orthodoxen die de Waal zegenen en daarmee al het water, of in Harskamp, waar mensen afwijzend reageren op de komst van een opvangplaats voor asielzoekers of hij is bij een expositie over Piet Hein en over slavernij. 

Dat laatste leidt tot gedachten over ons omgaan met de geschiedenis. Mogen we nog wel trots zijn op onze geschiedenis of is daarin vooral schuld te vinden? En welk verhaal over Nederland houden we dan over? En hoe zal het zijn als wij uiteindelijk zelf geschiedenis geworden zijn?

Die overdenkingen heb ik met veel plezier gelezen, vooral ook omdat Rozema, niet zoals de meeste columnisten klaarstaat met zijn oordeel, maar dat oordeel graag uitstelt. Eerst maar eens kijken, eerst maar eens luisteren. Je eerst maar eens verbazen. Geen hypes, nergens iets opkloppen. Dingen laten bezinken en beschrijven hoe dat bezinken gaat. Dat staat mij zeer aan. 

Natuur

Dat er een leeuwerik in de titel zit, is niet zo verwonderlijk. Rozema heeft veel aandacht voor de natuur en zijn kennis over vogels is jaloersmakend groot. De natuur houdt natuurlijk ook niet van hypes, gaat rustig zijn gang en Rozema heeft er oog voor:

Vreemd is dat toch altijd weer, die natuur, die maar doorgaat. Onstuitbaar. Vreemd, maar mooi. En goed. Als ik het park uit loop, steken de krokussen de kop op, nog amper te zien, maar ze zijn er weer. 

Veel van de verhalen hebben iets persoonlijks. Natuurlijk omdat Rozema ze vertelt, omdat alles door zijn ogen gezien wordt en in zijn woorden verteld, maar vaak hebben ze ook met zijn geschiedenis te maken. Als klein kind woonde hij Groningen, later in Salland. Het zal een goede jeugd geweest zijn, want hij denkt met heel veel liefde terug aan de streken die hij van vroeger kent. 

En hij kent zijn familiegeschiedenis tot generaties terug. Hij weet veel over zijn voorvaders en voormoeders, soms al uit het begin van de zeventiende eeuw (Focko Ewens, begraven in 1602). Ook op die manier komt de streek of het verleden dichterbij en is er directe betrokkenheid. 

Tweede Wereldoorlog

Rozema schrijft dit soort stukken al vele jaren en hij heeft dus een keuze moeten maken. Daarbij is de keus opvallend vaak gevallen op zaken die te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog en daarbij vooral op hoe het de Joden toen vergaan is. 

Zo kwamen er bij een verbouwing in Groningen twee fietsen tevoorschijn, ooit op zolder achter het beschot verborgen, in de Folkingestaat, in het hart van de Joodse buurt. Rozema noemt de namen van de eigenaars, Heiman en Marieke van Zanten. De fietsen zijn er nog, ze hebben de oorlog overleefd. Het doet Rozema denken aan de kleerhangers van modezaken uit de provincie Groningen, die decennia na de oorlog opdoken in hotels in het Poolse stadje Oswiecim. 

Het stukje wordt als volgt afgesloten: 

Tegenover de synagoge vind je het monument voor de Folkingestraat, een bronzen deur met stoep: de toegang tot het verleden, die potdicht sloeg. 
Maar nu is het alsof die deur toch een keer krakend openzwaait. Om de karretjes van Heiman en Marieke te laten parkeren in de collectie in de synagoge. Voor de berijders worden Stolpersteine gelegd in de straat. 

Er komt, zeker in de oorlogsverhalen, veel ellende voorbij, maar nooit is het alleen maar zwart. Rozema laat zich ook graag leiden door de hoop, door de gedachte dat de ellende niet het laatste woord zal hebben. 

Die hoop leest hij ook uit het landschap en uit de overtuiging dat er een groter verhaal is, dat het aardse ontstijgt: 

'En dat voedt het besef, zegt zij, 'dat het leven elk moment afgelopen kan zijn, maar dat er dan weer andere mensen zullen zijn; want het leven gaat door.' Ik voel dat ook, plus heimwee naar de toekomst, naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en de finale schade-afhandeling, die zich al aftekent in het licht van elke lente, als de ploeg de klei weer keert, onder een wolkkolom van meeuwen. 

Drieslag

Rozema kende ik vooral als dichter. Hij weet wat hij met taal kan doen en soms houdt hij ervan stilistisch even uit te pakken. Bij de Grieks-Orthodoxen die de Waal gaan zegenen:

Dat is een doel, zo groots en weids, dat het op slag volkomen logisch is: natuurlijk! En je moet ergens beginnen. Dus waarom niet bij de Waal, waterbeest, zesbaans vaarweg en endeldarm van Europa.

De drieslag werkt vaak goed en Rozema maakt er dan ook geregeld gebruik van. Een voorbeeld:

Zij zijn de steentjes in de glanzend gepoetste Van Bommelschoenen, het zand in de motor van deze boomtown, de contrastvloeistof in het laboratorium dat Eindhoven heet. 

En in een ander stukje wordt de Waal ook vergeleken met een beest en een zesbaans snelweg. Als je zo veel schrijft, kun je ook niet weten wat je al eerder geschreven hebt. 

Het Grensland

Achter in de bundel is een lang gedicht opgenomen, 'Het Grensland', speciaal hiervoor geschreven, geloof ik, maar ik kan niet terugvinden waar ik dat gelezen heb. 

Onder de titel staat: 

Inspectie in het grensland (waarin ik me voorstel dat Z.M. Koning Willem-Alexander al wandelend de oostgrens van het koninkrijk inspecteert) 

Daarbij moest ik onmiddellijk denken aan Brief aan Boudewijn (1980) van Walter van den Broeck, waarbij de kleine Walter koning Boudewijn rondleidt in de arbeiderswijk (de cité). Rozema leidt Willem-Alexander rond: 'Uw bodyguard ben ik, zij het linguïstisch-topografisch'. Hij laat de koning plekken zien die hij waarschijnlijk nog niet kent, maar die wel bij zijn koninkrijk horen. 

Ook hier: aandacht voor de natuur, en voor de geschiedenis. En voor de verhalen, die altijd weer opduiken en die Rozema in zijn andere stukken ook graag mag noteren. Ik schrijf twee strofen over:

Pijnverhalen bij Regniet, Anholt, Dreibömer, Haing.
Je vraagt je toch af wanneer dat ooit voorbij zal zijn. 
Menselijkheid, humaniteit, komt niet in 't groot maar
klein. Het lijkt zo weinig: de schamele droom van 
lamplicht, kachel, dagelijks brood. een mens, met
zichzelf en de buurt in het reine. Zo gewoon. Toch

vertelde mij in deze regio een man, dat een buurman
vergeving vroeg, mei '45. Ik was fout, zei hij, en koos
verkeerd. De buurtschap nam hem in genade aan, niet
verleerd hoe dominees, pastoors, de man van Nazareth
verbeeldden toen wij met Duitsland weinig scheelden. 
Vergeving. Bij Hunnik en de Grote Steen: vergeving!
'Het Grensland' is een heerlijk gedicht. Ook het slot wil ik je niet onthouden, met die mooie vergelijking (van een iPhone met een vuistbijl) en het grapje aan het eind. 

Zo 

zie ik u, op de rug, naar de Eemsmond lopen, kijkend
soms naar dat laaghouten sterrenplafond. Uw iPhone
trilt, ligt u in de hand als een vuistbijl uit het veen. 
Dit is het land waar een vrouw uit Argentinië u
eindelijk vond. Ze stuurt net een berichtje. Waar u blijft.
De toekomst ligt open. U txt terug: 'Uw dienaar t'allen stond'.
Natuurlijk eindigt Rozema daarmee: 'De toekomst ligt open'. Altijd is er de hoop. Niet voor niets citeert hij ergens met instemming het nummer van Ede Staal: 'Het het nog nooit zo donker west, of het wér altied wel weer licht.' Iets van dat licht vinden zeker terug in deze stukken van Hilbrand Rozema. Helende stukken, die ook werken als je niet wist dat je gewond was. 

vrijdag 22 augustus 2025

Kinderen van de hemel (Desberg / Vrancken)


Van de scenarist Stephen Desberg heb ik al het een en ander besproken. Onderaan neem ik de links op. Hij heeft een enorme productie. Zo schreef hij ook het scenario van Kinderen van de hemel, een graphic novel waarvoor Bernard Vrancken de tekeningen maakte. 

Kinderen van de hemel is een ingewikkeld verhaal, met veel personages, maar het is wel een fascinerend verhaal. Centrale figuur is de archeoloog Alexander Dreuil. In 1936 vindt zijn vrouw Maya de dood. Aanvankelijk wordt gedacht aan een verkeersongeval, maar later blijkt dat ze gedood is bij een politiecontrole. Alexander wil de verantwoordelijke doden, maar loopt daardoor zelf gevaar. Voor zijn veiligheid wordt hij verborgen in het Vaticaan. 

Flavius Josephus en Justus van Tiberias

Hij zal zich gaan richten op de Joodse Opstand (66-70 na Chr.). Uiteindelijk wonnen de Romeinen en de tempelschatten, waaronder de menora (de zevenarmige kandelaar) werden meegevoerd naar Rome. De belangrijkste informatie komt van Flavius Josephus, een Romeins-Joodse geschiedschrijver. Maar klopt zijn verhaal? En zijn de tempelschatten wel echt meegevoerd?

Mogelijk is er een ander verhaal, dat opgetekend zou zijn door Justus van Tiberias. Maar zijn werk is verloren gegaan. We kennen alleen de pogingen van Flavius Josephus om de beweringen van Justus van Tiberias te weerleggen. 

Wat is waarheid?

Sinds de dood van zijn vrouw is het zoeken naar de waarheid een thema in het leven van Alexander. Hij krijgt enkele papyri te pakken die mogelijk van Justus van Tiberias zijn en die hem helderheid zouden moeten verschaffen, maar ze houden nog heel lang hun geheimen. Er kruisen veel mensen zijn pad die hun eigen waarheid hebben of die helemaal niet gebaat zijn bij het achterhalen van de waarheid. Intussen zitten we al in de Tweede Wereldoorlog. 

De Duitsers zijn gebaat bij het vernietigen van de Joodse schatten, de Engelsen willen Palestina rustig houden, waar de Joden en de Arabieren (onder leiding van de grootmoefti) het vooruitzicht krijgen van een eigen staat en de Russen willen juist onrust in die regio. Ze hebben een Joodse spion (Esther) ingeschakeld, die ze onzeker houden over haar familie en ze beloven zich in te zetten voor een Joodse staat. En dan is er nog een Arabier, Bilal, wiens broer gedood is en die uit is op wraak. 

Alexander zoekt naar de waarheid in het verleden en hij krijgt met alle partijen te maken. Het verhaal is niet altijd even gemakkelijk te volgen, door al die verschillende krachten en ook door alle verschillende locaties die bezocht worden. Dat mensen elkaar op locaties die zo ver uit elkaar liggen elkaar toch weer steeds ontmoeten is misschien net iets te toevallig, maar Desberg weet wel duidelijk te maken waarom ze juist daar zijn, wat hun drijfveren zijn en waarom ze zich zo inzetten voor het slagen van hun missie. 

Belangen en emoties

De levens van mensen met tegengestelde belangen raken elkaar, zoals dat ook in de tijd van Flavius Josephus en Justus van Tiberias gebeurde. Soms zijn het niet de belangen, maar de emoties die mensen sturen. Daardoor kunnen ze wreed zijn, maar soms overwint juist daardoor de menselijkheid. 

Zoals gezegd, het verhaal is ingewikkeld, al geeft Desberg alle informatie. Maar de hoeveelheid informatie is wel veel, zodat je moeite moet doen om het overzicht te behouden. Maar zo gauw je dat hebt, word je wel gegrepen door het fascinerende verhaal. 

Omdat het zoeken naar waarheid zo belangrijk in Kinderen van de hemel ga je je ook afvragen hoe waar alles is wat Desberg ons voorschotelt. Hij lijkt zich goed in de stof verdiept te hebben, maar ook hij heeft natuurlijk een belang: het vertellen van een goed verhaal. Dat goede verhaal is natuurlijk ook in het belang van de lezer en dat belang is zeker gediend. 

In de loop van het verhaal zijn er veel parallellen en spiegelingen. De tijd van de Joodse Opstand is te vergelijken met de tijd van de Tweede Wereldoorlog, het manipuleren om de waarheid naar eigen hand te zetten, komt in beide tijden voor. 

Maar er zijn ook parallellen tussen Maya en Esther, tussen Esther en Bilal die beiden een verplichting voelen ten opzichte van hun familie, maar ook tussen Alexander en de Duitse historicus Von Wiesenbach. Kinderen van de hemel is een mooi web van verhalen.

Tekeningen 

De tekeningen zijn van de hand van Bernard Vrancken en ze zijn ingekleurd door Colette Vercouter. Qua kleurstelling zijn de tekeningen die het verhaal van de Joodse Opstand weergeven duidelijk te onderscheiden van het verhaal van Alexander. Er is veel donkerheid in de tekeningen, omdat veel van de locaties ondergronds zijn. Sepia en zwart domineren, maar er zijn ook bladzijden die meer petrolkleurig zijn. 

Vrancken heeft een realistische stijl, die goed past bij de aard van het verhaal en de setting geloofwaardig: we wanen ons in een andere tijd op andere plaatsen. Dat alles helpt om in het verhaal te duiken en de loop ervan te volgen. 

Kinderen van de hemel is een strip die herlezen kan verdragen en die dat misschien ook wel nodig heeft. Na lezing kun je er nog een tijdje op kauwen en ervan nagenieten. 

Titel: Kinderen van de hemel
Scenario: Stephen Desberg
Tekeningen: Bernard Vrancken
Inkleuring: Colette Vercoute
Vertaling: Frederik van Wonterghem
Uitgever: Silvester Strips
2025, 184 blz. € 39,95 (hardcover)

Over andere strips van Stephen Desberg:

donderdag 21 augustus 2025

Afgestoft: Het lied van Iram (Ivo van Orshoven)

Wat komt er nu weer onder het stof uit? Een recensie van Het lied van Iram, Een verhaal van verwachting (1987) van Ivo van Orshoven. Het stukje werd gepubliceerd in de zestiende jaargang van 't Kofschip, nr 3 (mei/juni 1988). In hetzelfde nummer stond ook mijn recensie van Een heilige van de horlogerie van Willem Frederik Hermans. 

Van Ivo van Orshoven had ik nog nooit gehoord toen ik Het lied van Iram thuisgestuurd kreeg. Ook later las ik nooit wat over hem en daarom zocht ik nu maar wat informatie op. Die vond ik op de site Schrijversgewijs. Daar lees ik dat Van Orshoven (1946 - 2000) al vijfentwintig jaar geleden overleed. Voor Het lied van Iram, zijn debuut, heeft hij de Emiel Vlieberghprijs ontvangen. Vliebergh was een centrale figuur in de katholieke Vlaamse beweging. 

Van Orshoven schreef ook nog Diplodocumenten (1988) en de verhalenbundel Guffa (1991). Verder schreef hij jeugdboeken. 

Onder mijn recensie schreef ik in potlood '23-12-87' en dat zal de datum zijn waarop de recensie op de post ging. Op 31 december stuurde ik de recensie van het boek van Hermans op. Het was een welbestede kerstvakantie. 



Een prenatale maatschappij

Geboren worden - het is ons allemaal overkomen en niemand van ons herinnert zich er nog wat van. Aan de eerste paar levensjaren heb ik trouwens ook nauwelijks herinneringen. Wat dacht ik toen? Hoe redeneerde ik? Ik kan het alleen maar raden. 

Nu is het best leuk om daar eens naar te raden. K. Schippers deed dat in het boek Eerste indrukken, waarin hij een driejarige haar memoires laat vertellen. Het aardige van dit boek is dat de peuter niet van buitenaf maar van binnenuit beschreven is. 

Ivo van Orshoven is nog een stap verder gegaan dan Schippers. Hij beschrijft het leven van de embryo Iram in Het lied van Iram. Ook Iram wordt van binnenuit beschreven, van het eerste begin, de versmelting van zaadcel en eicel, tot het einde, de geboorte. 

Iram voelt zich in zijn baarmoeder allerminst eenzaam. Al snel merkt hij dat andere embryo's in andere baarmoeders op een klankloze manier met hem in contact proberen te komen. Na verloop van tijd kan Iram zelf ook signalen uitzenden en kan hij met hen communiceren. 

Er blijkt een complete embryomaatschappij te bestaan, met een eigen regering (het Lichaam), een eigen wetenschapsafdeling, een eigen ordedienst, eigen wetten, een eigen geschiedenis en meer zaken die wij ook terugvinden in onze grote-mensenmaatschappij. 

Dit is natuurlijk een prachtige vondst van Van Orshoven. Hij kan zo steeds onnadrukkelijk en toch heel duidelijk parallellen aangeven tussen de embryomaatschappij en de onze. Als voorbeeld geef ik een stukje dat handelt over de voeding van de embryo's:
Er waren fijnproevers die elkaar receptjes doorspeelden en pochten op ongekende geneugten die ze bereid hadden. En er waren droogstoppels die beweerden dat er een verband bestond tussen voeding en gezondheid, en dat je om moeilijkheden vroeg als je zomaar at waar je zin in had. 
De grootste verschrikking voor de embryo's is het ouder worden. Als je eenmaal vingertjes gekregen hebt, tel je niet meer mee. Geen embryo praat dan nog met je. Met foetussen mag zelfs niet eens gesproken worden. Omdat zij geloven dat de uitstoting (de geboorte) niet het einde betekent, maar het begin is van een ander leven, vaardigde het Lichaam een communicatieverbod uit. 

Het ouder worden gaat ook met aftakelingsverschijnselen gepaard. Vlak voor de geboorte weten foetussen nog maar heel weinig van hun allereerste bestaan. Dat is er natuurlijk de oorzaak van dat wij ons niets meer van voor onze geboorte herinneren. 

Voor Het lied van Iram ontving Van Orshoven de Vlieberghprijs. Als reden voor die toekenning geeft de flaptekst vooral de keuze van het originele thema aan. Belangrijk lijkt mij vooral de manier waarop dat thema uitgewerkt is. 

Heel goed beschrijft Van Orshoven het hele groeiproces van Iram. Een van de fraaiste momenten daarin is het punt waarop Iram zich bewust wordt van zijn eigen hart. Verderop in het boek treffen we de spiegelpassage aan: als Iram zich bewust wordt van het moederhart. 

Een grote verdienste van Van Orshoven vind ik ook dat hij zijn prenatale maatschappij zo doordacht geconstrueerd heeft, dat zij volstrekt geloofwaardig is. De lezer heeft er geen enkele moeite mee om, binnen de fictie van het boek, deze maatschappij de accepteren. De parallellen met onze maatschappij zijn vaak verrassend en soms zelfs humoristisch. Bijvoorbeeld als er verteld wordt over de 'prenatalte depressie' waarmee de foetussen te kampen hebben. 

Het is alleen jammer dat Van Orshoven niet consequent het perspectief bij Iram gelegd heeft. Soms kan de verteller het niet laten er zelf iets tussendoor te zeggen. Ik geef een paar voorbeelden. 

- Over een conferentie van wetenschapsembryo's schrijft Van Orshoven:
Nu mag men zich deze Conferentie niet voorstellen zoals de Conferenties die wij kennen, met charmante hostesses in keurige mantelpakjes (...).
- Op een andere plaats lezen we:
Werken voor een tegenprestatie als geld is in de embryonale wereld natuurlijk uitgesloten. 
-  En weer ergens anders:
Het ontging Iram niet dat er zich ook aan hem veranderingen voltrokken. Hij had natuurlijk geen spiegels om zich te bekijken (...).
Dat de schrijver zich zo vaak laat verleiden tot deze terzijdes doet duchtig afbreuk aan het consequent de lezer mee laten leven met Iram. De lezer wordt op zulke momenten ineens buiten het verhaal gezet en wordt van deelnemer toeschouwer. Ik vind het jammer dat Van Orshoven, in een boek dat verder goed is, zulke steken laat vallen.  

woensdag 20 augustus 2025

Luister (Sacha Bronwasser)



Aan het eind van elk jaar maak ik niet alleen een lijstje van de beste boeken die ik gelezen heb, maar ook van de beste boeken die ik niet gelezen heb. Dat lijstje is natuurlijk uit de losse pols samengesteld en het is meer een geheugensteuntje voor mezelf dan dat het verder enige waarde heeft. Wel geeft het aan dat ik naar sommige boeken nieuwsgierig was, maar dat het van lezen niet gekomen is. Van de tien boeken die ik vorig jaar op die lijst zette heb ik er intussen vijf gelezen en eentje ligt er klaar. 

In 2023 zette ik Luister van Sacha Bronwasser op nummer twee, na Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen en voor Nirwana van Tommy Wieringa (dat ik nog steeds niet gelezen heb). Intussen heb ik het boek van Bronwasser uit. Inderdaad: goed boek. 

Al op de eerste pagina is duidelijk dat er een verteller is, een 'ik', die een lezer of luisteraar op het oog heeft. Wie die 'ik' is, wordt dan nog niet genoemd, maar het is Marie. De 'jij' is Flo, oud-docente van Marie. Wat die twee meegemaakt hebben, is dan nog niet duidelijk
Hiervandaan stuur ik je deze berichten. Onze geschiedenis was een steentje in mijn schoen dat ik negeerde, maar toen ik het tevoorschijn had gehaald kreeg ik het niet meer teruggeduwd. Je zult er even de tijd voor moeten nemen. 
Luister.

Het verhaal van Philippe

Het is den 2021 en er is dan al veel gebeurd. Marie is in 1989 naar Parijs gegaan, waar ze au pair werd bij Philippe en Laurence Lambert. Ze had iets achter de rug met Flo, en het echtpaar had ook al wat meegemaakt, met een vorige au pair, Eloïse. Dat laatste lezen we in 'Het verhaal van Philippe, 1986', dat Marie aan Flo vertelt. 
Philippe blijkt al als kind aan te voelen dat er gevaar dreigt. Hij krijgt daar ook beelden bij. 
Beelden waar hij nooit iemand over vertelde, waar ook Laurence niets van weet: dode dieren langs de kant van de weg, afgerukte ledematen, een lichaam drijvend in een rivier, water dat huizen wegslaat, een kind dat stikt in een snoepje, kakkerlakken die maar uit de plinten blijven komen, omvallende boekenkasten die kleuters verpletteren, kettingbotsingen, ziektes die zorgen voor een zwarte tong. 
Dat Philippe de au pair Eloïse stalkt, heeft te maken met dat voorgevoel voor gevaar. En gevaar is er zeker in Parijs in een tijd waarin er van tijd tot tijd aanslagen zijn. 

Het verhaal van Marie

In 'Het verhaal van Marie, 1989' wordt verteld hoe Marie au pair wordt in het gezin dat dan al een verleden heeft. Marie heeft dat ook. Ze studeerde fotografie en Flo was haar docent 'narratieve technieken'. Aan het eind van 'Het verhaal van Marie, 1989' besluit Marie om wat ze meegemaakt hebben op te schrijven. 
Dus dat deed ik. In een paar avonden schreef ik alles op. Ik heb de pagina's die daarin staan, ongeveer een half schrift, onlangs op de laptop ingevoerd en natuurlijk heb ik erin gerommeld. Geredigeerd. Zaken veranderd, aangescherpt, weggelaten - jij weet als geen ander wat montage kan doen, Flo. Wat blijft is de versie die als laatste wordt vastgelegd, die gestold is en in de plaat geëtst, en die ik je nu zal vertellen.

Flo en M.

Dat is het volgende deel, 'Flo en M., 1987 - 1989'. Flo heeft de naam van Marie teruggebracht tot M. Ze heeft haar toegelaten tot de kring om haar heen en Marie voelt zich bevoorrecht. 
Ik vraag me af of je misschien verliefd op me bent, een gedachte zo hoogmoedig dat ik hem meteen afknijp. 
Marie vermagert, omdat Flo een opmerking gemaakt heeft over haar 'goede botten'. 
Als ik, heel af en toe, mijn ouderlijk huis bezoek maakt mijn moeder zich zorgen, zegt mijn vader dat ik er 'armoedig' uitzie. Ik neem me voor dit vol te houden. Je zou kunnen zeggen dat ik per verloren kilo er een aan zelfvertrouwen win. Je zou ook kunnen zeggen dat ik mezelf kilo voor kilo inlever. Ik denk dat het allebei waar is, eigenlijk. 
Wat er precies voorgevallen is tussen Marie en Flo, laat ik nu even in het midden. Tijdens het lezen vond ik het nogal verrassend en dat wil ik daarom liever niet verklappen. Als je het boek nog gaat lezen, moet er nog wel wat te ontdekken zijn. 

Als een wasmachine

Het volgende deel in het boek is 'Marie, Philippe 1989 - 1990'. Philippe doet daarin zijn verhaal aan Marie en vertelt wat er de laatste tijd is voorgevallen. Philippe zegt tegen Marie dat ze geen idee heeft hoe moeilijk het is, hier. 
Nee, ik had geen idee. Het kwam me vreemd parallel voor dat dit de afgelopen maanden had gespeeld, terwijl ik bijna dagelijks in dit gezin aan het werk was geweest. Als een huishoudelijk apparaat, nu een beetje gepromoveerd tot klankbord. Ik verschoonde hun lakens, ik waste hun ondergoed, ik hield hun kinderen in leven maar ik wist niets van hen, zoals zij ook niets wisten van mij. We hadden allemaal geen idee. 
Philippe heeft al een keer eerder een au pair vergeleken met een wasmachine. Hij realiseert zich dat hij weinig van de au pair weet of snapt, maar dat dat in de dagelijkse praktijk ook niet nodig is. Een au pair is te vergelijken met een wasmachine; je hoeft niet te weten hoe die werkt, als die het maar doet. 

Het verhaal

Het laatste deel is 'Het verhaal van Flo, 2015'. We zijn dus een hele tijd later. Marie is uitgenodigd voor een expositie van Flo in Parijs. Ze probeert na te gaan wat er met Flo gebeurd is tot het moment waarop het allemaal uitgedraaid is (en dat ik weer in nevelen gehuld laat zijn). Als Marie ook dat verhaal voor haarzelf rond heeft, zegt ze: 
Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het.
Luister gaat over de levens van mensen. Die levens raken elkaar en ze worden deel van een verhaal. Marie heeft haar verhaal verteld en nu bestaat het. Het leven is vluchtig, maar het verhaal blijft bestaan. Ars longa, vita brevis. Ieder vertelt zijn eigen verhaal. In het kunstproject van Flo, vertelt die een verhaal, dat verschilt van het verhaal zoals Marie dat vertelt. Pas als Marie dat ziet, realiseert ze zich dat er een knoopsel van verhalen is en dat elk mens zijn eigen verhaal heeft. 

Niet voor niets heet bijna elk deel van Luister 'Het verhaal van...' Met dit boek heeft Marie uiteindelijk haar eigen verhaal verteld, heeft ze het rond gemaakt en daarmee bestaat het. Dit is het verhaal waarmee ze verder kan of in ieder geval moet leven. Dit is het verhaal voor Flo, die zelf moet weten wat ze daarmee doet en hoe ze het in haar eigen verhaal kan opnemen. 

Luister is een heerlijk boek. Het is een spannend verhaal, dat je wilt blijven lezen, omdat je wilt weten wat er nu gebeurd is. Tegelijkertijd geeft het commentaar op het vertellen van verhalen, op hoe je kijkt en hoe je gezien wordt en hoe je jezelf ziet. Ook dat is een verhaal en de enige die dat verhaal rond kan maken en kan vertellen ben jezelf. 

Nu ik Luister gelezen heb, kan ik alleen maar concluderen dat ik het terecht in 2023 in het lijstje zette van mogelijk goede en interessante  boeken. Het leest lekker, het zit slim in elkaar en het lijkt me geschikt voor een breed publiek. Van Bronwasser moet ik maar eens wat meer gaan lezen. 

dinsdag 19 augustus 2025

Lotusbloem Compleet 1: Yu Lien

Al eerder heb ik geschreven dat ik geen kenner ben van strips, alleen maar een liefhebber. Het voordeel is dat ik nog geregeld verrast word door wat uitgevers me toesturen, zoals nu door Lotusbloem Compleet 1 (Yu Lien) van Franz.  

Franz heet voluit Franz Drappier (1948 - 2003). Je kunt hem kennen van series als Jugurtha, Lester Cockney, Thomas Noland en Gord, maar hij heeft ook losse albums gemaakt. In mijn bespreking van Het licht aan het einde van de loop van Martin Michael Driessen noemde ik zijn album Kaliber .38, omdat dat thematisch met het besproken boek te vergelijken is. 

Dossier

Door dat te zeggen geef ik overigens blijk van schijnbelezenheid, want ik heb het album van Franz niet gelezen. De informatie daarover haal ik uit het dossier dat opgenomen is voor in het eerste deel van deze integrale uitgave. Dat is een mooi en heel informatief dossier, dat je een goed beeld geeft van Franz en zijn oeuvre. Het is rijk geïllustreerd, zodat je aan de illustraties kunt zien wat de tekst bedoelt. 

Omdat deze uitgave opent met het dossier, ben ik dat als eerste gaan lezen. Daardoor heb je als lezer al behoorlijk wat informatie voordat je aan de strip zelf toekomt. Het gevolg is dat het verhaal al context heeft gekregen voordat je aan de strip begint. 

In deze uitgave zijn de eerste drie albums opgenomen: Nacht vol geweld (1988), De bronzen klauw (1989) en De vergeten koningin (1990). 

Het verhaal speelt zich af in het Chinese rijk, tijdens de T'ang-dynastie (618 - 907). Drie jonge meisjes, een jaar of zeventien oud, zijn op weg naar het stadje Feng Tsjioe, waar ze een nieuw leven zullen beginnen. Yu Lien is een van hen. Als ze op een dag afstand zijn, overnachten ze in een herberg. Dan blijkt dat ze aan mannen lichamelijk diensten moeten verlenen. Maar nog voor dat goed en wel kan gebeuren, wordt de stad aangevallen door barbaren, aangevoerd door de jonge Timok. Samen met de kleine Amandelbloesem vlucht Yu Lien te voet naar Feng Tsjioe, waar ze de magistraat te spreken vragen. 

Yu Lien komt terecht in een 'huis van bloemen en wilgen' waar ze onder de naam Lotusbloem mannen moet plezieren. Maar Timok kan Yu Lien niet uit zijn hoofd zetten en gaat naar haar op zoek. Hij bevrijdt haar uit het huis en neemt haar mee. 

De eigenzinnige Timok heeft niet alleen de Chinezen als tegenstander, maar hij heeft ook in eigen gelederen het een en ander uit te vechten. Zo moet hij op de vlucht voor zijn eigen vader. Tussen Timok en Yu Lien loopt niet alles vanzelf, maar ze blijkt wel loyaal aan hem te zijn en in sommige benarde situaties is het maar goed dat zij er is. 

Hoog tempo

Franz is zowel de scenarist als de tekenaar van Lotusbloem. Hij werkte in een hoog tempo. Die vaart heeft ook het verhaal. Steeds weer weet de auteur Timok en Yu Lien in situaties te brengen waarin ze zich moeten zien te redden, met moed, kracht of inventiviteit. Uiteindelijk zijn het winnaars, met wie je je als lezer graag identificeert. 

Timok is echt een held, die de grootste moeilijkheden weet te overwinnen, maar die bepaald niet onkwetsbaar is. Met Yu Lien leef je de hele tijd al mee, omdat je wilt dat ze zich veilig weet te houden. In het verhaal en ook in de tekeningen wordt de rauwheid niet geschuwd. Het zijn andere tijden en het is een andere beschaving en vaak geldt het recht van de sterkste, wat ook het recht van de slimste kan zijn. Op een mensenleven meer of minder wordt niet gekeken. Dat rauwe, dat niets verbloemende heeft ook wel wat. Het verhaal is in ieder geval niet zoetsappig. 

De reeks begon eind jaren tachtig, waarin de normen anders waren dan nu. Bij heruitgaven van strips wordt soms een disclaimer opgenomen: wat indertijd geaccepteerd werd, is dat nu niet altijd meer. Maar om een strip van toen recht te doen, moet je die ook in zijn geheel afdrukken. De lezer moet dan maar in zijn achterhoofd houden dat we niet alleen te maken hebben met een verhaal dat je nu leest, maar ook met een verhaal dat ontstaan is in het verleden. 

Male gaze

Had Franz de strip nu uitgebracht, dan zou hij op zijn minst de verdenking van exotisme op zich geladen hebben. Juist het exotische is aantrekkelijk en Yu Lien wordt als aantrekkelijk getekend, mede doordat zij exotisch is. Ze wordt vaak geheel of half ontkleed afgebeeld. Seks gaat verder verschillende keren met geweld gepaard en Yu Lien laat soms te zien dat niet erg te vinden, wat wel opmerkelijk is. Tegenwoordig zouden we zeggen dat de strip wel erg de male gaze toont. 

Die bezwaren zouden de strip enigszins gedateerd kunnen maken, maar zo ervaar je het tijdens het lezen niet, omdat je meegesleurd wordt door het verhaal. Dat blijkt nog steeds goed te werken. Het zal ook komen door de tekeningen, die wel heel soepel op papier gezet zijn en gemakkelijk de sfeer van een andere plaats en een andere tijd oproepen. Franz tekende graag paarden en dat kan hij heel goed, maar dat geldt ook voor mensenlichamen. De proporties kloppen altijd, hij weet precies waar welke spieren zitten en de bewegingen zijn altijd natuurlijk. 

Lotusbloem laat Franz op zijn best zien en het is goed dat er nu een integrale uitgave van is, die ook nog eens mooi verzorgd is. De strip geeft niet alleen een blik op het Chinese Rijk in de negende eeuw, maar ook een blik op de tijd waarin het verhaal geschreven en getekend is. 

Reeks: Lotusbloem Compleet
Deel 1: Yu Lien
Tekst en tekeningen: Franz
Vertaling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2025, 176 blz. € 34,95 (hardcover), € 59,95 (luxe hardcover, in linnen gebonden, met ex-libris, gelimiteerde oplage)


maandag 18 augustus 2025

Een vrije geest, Het uitzonderlijke leven van Betje Wolff (Marita Mathijsen)


Als er iemand is die veel heeft gedaan voor de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw, is het Marita Mathijsen wel. Het was een eeuw die bij sommigen een wat stoffig imago had, maar zij heeft die tijd laten glanzen. Ik weet nog wel dat ik het originele De geest van de dichter (1980) van haar las, waarin ze schrijvers uit die tijd interviewde. De antwoorden die de schrijvers gaven kwamen uit hun geschriften. De auteurs waren al lang overleden, maar ineens leefden ze weer. 

Hier besprak ik de Een bezielde schavuit, de biografie van Jacob van Lennep, een boek waar ik met heel veel plezier aan terugdenk. Niet alleen heeft Mathijsen de zaken omtrent zijn leven en werk goed uitgezocht, maar ze heeft ze ook nog zo beschreven, dat je het leest als een spannend boek. 

En nu heeft ze een biografie van Betje Wolff geschreven: Een vrije geest. Het uitzonderlijke leven van Betje Wolff. 

Toen ik me wat serieuzer met de literatuur bezig ging houden, laten we zeggen vanaf 1980, was Piet Buijnsters de man van de achttiende eeuw. Toen hij in 1980 de Sara Burgerhart van Wolff en Deken uitbracht in twee mooie delen, heb ik die onmiddellijk gekocht. Pas onlangs heb ik de boeken weggegeven aan iemand bij wie ze meer toekomst hebben. Maar ik was toen wel meteen gegrepen door het boek en door de auteurs. En ik hield natuurlijk de publicaties van Buijnsters in het oog. 

Maar toen hij in 1984 de biografie van Wolff en Deken uitbracht, las ik die weer niet. Daar heb ik na zoveel jaren geen verklaring voor. 

Emobiografie

Mathijsen heeft natuurlijk dankbaar gebruik gemaakt van het werk van Buijnsters, maar ze heeft ook veel nieuwe informatie boven water gehaald. Ze richtte zich alleen op Betje Wolff (en dus niet ook op Aagje Deken), al komt Aagje natuurlijk ook veel voor in het levensverhaal van Betje. Bovendien wilde Mathijsen een 'emobiografie' noemen. Ze legt uit wat ze daarmee bedoelt:
(...) ik schrik er niet voor terug te proberen de gevoelens op te roepen van deze uitzonderlijke vrouw. Ik haal ze uit brieven en uit haar werk, en vaak moet ik ook gissen, maar in elk geval interpreteer ik, meer dan eerder gedaan is. Ik probeer te lezen wat ónder de geschreven letters staat. 
Hoe dat werkt, laat Mathijsen al meteen zien, bij het begin van de proloog:
Naast haar stond de man die ze pas veertien dagen kende en met wie ze in ondertrouw gegaan was. Vanaf de boot zag ze Vlissingen kleiner worden. Er stond een zuidwestenwind en het was koud, die tweede november 1759. Het vroor niet, maar ze moesten nog ver en er was regen en noordenwind in aantocht. Eerst moesten ze over water, door de Westerschelde, de Noordzee op. Alles was haar vreemd, het reizen, het afscheid van haar familie, de man die zoveel ouder was dan zij en die er in zijn donkere domineespak nog ouder uitzag dan hij al was. 
Dat zou het begin van een roman kunnen zijn, maar het gaat over Betje Wolff, die Vlissingen ontvlucht na haar avontuur met de vaandrig. Ze is 21 en gaat trouwen met een man van 52 jaar oud. Hoe oud was een man van die leeftijd in die tijd? Hoe zag hij eruit? Had hij zijn tanden nog? Hoe rook hij? Dat zijn de vragen die Mathijsen stelt en meteen komen de personen dichterbij, zien we hen voor ons (en ruiken we hen ook een beetje). 

Matthijs Gargon

In juli 1755, op haar zeventiende verjaardag, was Betje ervandoor gegaan met een jonge militair, de vaandrig Matthijs Gargon. In mijn hoofd was dat een kort avontuur geweest, misschien vergelijkbaar met dat van Jacob van Lennep en Doortje Ringeling. Mathijsen haalt een nieuwe bron boven water waaruit blijkt dat de twee waarschijnlijk zeker een maand samen zijn geweest. 

De vader van Betje heeft het verzoek gedaan aan de schepenbank van Vlissingen (op 23 augustus 1755) om hem te laten beschikken over het aandeel van Betje in de erfenis van haar moeder, zodat zij dus niet meer bij haar geld zou kunnen. Op 9 september worden Betje en Matthijs door de kerkenraad onder censuur gesteld, wat bijvoorbeeld inhoudt dat ze niet meer mogen aangaan aan het Heilig Avondmaal. 

De censuur wordt voor Betje pas op 1 mei 1756 opgeheven en die van Matthijs pas op 17 december 1757. Het moet een enorme vernedering zijn geweest voor Betje. Met dat in het achterhoofd is het beter te snappen dat ze zich later zo zal afzetten tegen de orthodoxen, de fijnen, die trouwens ook voorkomen in De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Tante Hofland zei tegen Broeder Benjamin: ''t is niet altyd het effen wegje, Broêrtje'. Dat was het voor Betje dus ook niet. 

Hoezeer dit alles haar aangegrepen heeft, vertelt ze in een brief uit 1770: 
Met een hart, gescheurd tot aan den wortel toe, en wiens wonde na tien jaren treurens, nog niet nalaat somtyds eens te bloeden, heb ik de verrukkingen eener jeugdige liefde betaalt.
Betje Bekker trouwt dus met dominee Wolff en ze gaan wonen in De Beemster. Betje legt zich toe op het schrijven. Al in een vroeg werk, Bespiegelingen over den staat der rechtheid (1765) spreekt ze zich uit over de positie van de vrouw. Vrouwen kunnen ook dichteressen, schilderessen, wiskundigen of filosofen worden. Ze hoeven hun talenten niet te verstoppen. Een vrouw heeft de vrijheid én de plicht om zich te ontdoen van het juk der mannen. Dat zijn voor die tijd uitzonderlijke uitspraken. Buijnsters noemde het dan ook 'een feministisch manifest'. 

Agressieve periode

De jaren 1772 -1777 worden door Mathijsen 'de agressieve periode' genoemd, waarin Betje verschillende publicaties het licht doet zien, waarin ze zich scherp uitlaat en die ook weer scherpe reacties uitlokken. De menuet en de domineespruik (1772) staat in mijn boekenkast, maar van veel andere geschriften had ik zelfs niet gehoord, zoals van De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis (1772), terwijl dat gewoon in DBNL te vinden is. 

De Brieven van Constantia Paulina Dortsma (1776) wordt door Mathijsen tot Betjes beste werken gerekend en ook dat kende ik niet. Ik heb nog veel te lezen. 

Soms komt de biografe ineens met haar eigen gedachten tussen het levensverhaal van Betje door. Die tekst in het blauw afgedrukt. Een voorbeeld:
Waar haalde Betje de moed vandaan om zo op te treden? Geen vrouw in de literatuur van voorgaande of volgende eeuwen durfde zo tekeer te gaan als zij deed. Anna Bijns misschien. Maar wie durfde het aan om een heel belangrijk deel van de bevolking zo rechtstreeks in hun overtuigingen aan te vallen? De agressieve periode noem ik dit tijdvak in haar leven en ik kan niet anders dan er met grote bewondering over te schrijven. 
Daarna beschrijft ze nog hoe ze Betje voor zich ziet: een klein vrouwtje in een afgetimmerde, koude zolder van de pastorie. En hoe ze maar doorging met haar 'mokerslagen op het betonnen vat van het geloof'. Ze krijgt veel kritiek, maar haar man, dominee Wolff, neemt het wel openlijk voor haar op. 

Als hij overlijdt verandert de positie van Betje. Als zijn lichaam nog boven de aarde staat, komen de boedelbeschrijvers al om een lijst te maken van alles wat er in huis is. 

Betje heeft intussen contact met Aagje Deken en samen gaan ze wonen in De Rijp. Van 1782 tot 1788 wonen ze in Beverwijk. In die tijd (1782) wordt de Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart gepubliceerd. 

Patriottisme

Mathijsen schetst uitgebreid hoe in die tijd het patriottisme zich ontwikkelt en welke positie Wolff en Deken daarin hebben. Dat er ook in Sara Burgerhart een tegenstelling is tussen de echte burgerij (Abraham Blankaart) en de verloederde aristocratie (de heer R.), was nog nooit tot mij doorgedrongen. 

Sara Burgerhart heeft succes, maar het succes van het overige werk is beperkt. Ik heb me nooit gewaagd aan de lezing van werken als Historie van den heer Willem Leevend (1784 - 1785, acht delen) en Historie van mejuffrouw Cornelia Wildschut (1793 - 1796, zes delen). Ik heb indertijd wel Lotje Roulin gelezen, dat uit Willem Leevend is gehaald, maar eerlijk gezegd is me daar weinig van bijgebleven. 

Wolff en Deken vluchtten, onder druk van de politieke toestand, naar Frankrijk, waar ze best een tijd verbleven, van 1788 tot 1797. Daarna kwamen ze weer terug. Ik moet daarbij altijd denken aan de korte roman Rivierlandschap in de winter (1989) van Theun de Vries, die een goed beeld geeft van een patriot die terugkeert en hoe de omgeving daarop reageert.

Hoe Wolff en Deken het daar gehad hebben in Frankrijk, heb ik me eigenlijk nooit afgevraagd. Hoe kwamen ze aan geld? Hoe voorzagen ze in hun levensonderhoud? Wat merkten ze eigenlijk van de Franse Revolutie? Mathijsen reconstrueert het zo goed mogelijk. Betje was een fanatiek briefschrijfster, maar juist uit die tijd is er nauwelijks correspondentie overgeleverd. Hun geld hebben ze in bewaring gegeven, maar uiteindelijk zullen ze het nooit meer terugzien. Als ze terugkeren is hun positie niet te benijden. 

Behoeftige omstandigheden

En dan is er nog de laatste periode, 1797 - 1804. Het tweetal leeft in behoeftige omstandigheden en Betje is gedwongen vertaalwerk te doen, om nog wat te verdienen. 

Hier krijgen we weer een gedeelte in het blauw:
Dit is het moment dat de biograaf stokt. De ellende van die twee zieke, moegestreden vrouwen die moeten bedelen bij vrienden die hun weelde gekend hebben, grijpt me aan. Mijn keel schroeft zich dicht, mijn borst voelt zich zo bedrukt dat ik moeizaam ademhaal. Al die ellendige momenten uit het leven van Betje komen naar boven: de moeder die te vroeg sterft, de uitsluiting in Vlissingen, de aankomst in de Beemster bij de vijandige dochter en het huis dat rook naar de vorige bewoonster, de aanvallen van de kwaadaardige stijven, de stervende dominee, de vlucht naar Frankrijk, het bedrog van de vriend die het kapitaal verslond, de schamele terugtocht, en dan nu - kokhalzen van het vertalen...
En dan wordt Betje ook nog ziek, wat ook voor Aagje zwaar is. Zij ziet (en hoort) haar vriendin lijden. Begin 1804 schrijft Aagje daarover in een brief waarin ze uitlegt waarom ze geen gedicht voor een almanak kan leveren. 
De deerniswaerdigen toestand mijner dierbaare vriendin, die niet beschreeven kan worden, die men, om er zich eenig begrip van te kunnen vormen moet bijwoonen, liet mijn geest niet vrij om gereegeld te denken of te schrijven, dan schreeuwd zij uuren agter een van woedende kramppijnen in de Borst en Maag, waar zich de meeste zenuwen bevinden en men dus het allergevoeligst is, dan heeft zij heevige zenuwkoortsen die een etmaal duuren, dan doodelijke benauwdheden, dan de kramp op de Long waardoor zij een a twee uuren afmattend hoest, dan schreid zij heele daagen werktuichlyk, lijd de aakelijkste angsten, en heeft gewaarwordingen alsof zij inwendig van een onzichtbaar Wezen met koorden getrokken word, dikwijls slaapt zij in geen dri nagten, dikwijls schijnen alle krachten los te laaten. men voeld geen pols meer - zij koomd weer bij om dien zelfden cirkel van smarten op nieuw door te gaan, en dit heeft nu bijna, zonder rustige tusschenpoozingen, twee jaar en twee Maanden geduurd, dit lijden hebbe ik al dien tijd Dag en Nagt bijgewoonde, oordeel des, hoe veel lust mij overblijfd tot schrijven. 
Op maandag 5 november 1804 overleed Betje. Aagje overleed op 11 november. Daarmee eindigt de biografie. Mathijsen sluit af, weer in het blauw: 'Amsterdam, 31 december 2023, 15.47. In tranen.'

Een vrije geest  is een prachtige biografie, waarin we dicht bij Betje komen en veel informatie over haar krijgen. Heel veel heb ik ongenoemd gelaten. Bijvoorbeeld voor welke schrijvers ze waardering had (en hoe die waardering soms ook veranderde) en dat ze zich uitdrukkelijk uitsprak tegen slavernij en nog veel meer. 

Maar dat geeft niet, want je moet gewoon de biografie zelf gaan lezen, geboeid raken door de levendige, dappere Betje, die zich niet terug liet schrikken, maar schreef wat ze wilde schrijven. En door de betrokkenheid waarmee Mathijsen ons Betje toont en natuurlijk door de stijl die zo helder is en zo lekker leest, zodat je soms het gevoel hebt dat je een roman leest in plaats van een biografie. Maar altijd ben je je ervan bewust dat het hier gaat om een echt mens, die veel moois geschreven heeft tijdens haar moeilijke leven. Laten we haar eren door veel van haar te (her)lezen en laten we Mathijsen eren door veel reclame te maken voor deze mooie biografie.