maandag 13 april 2020

Podcast: Cokevissers, Van Turner tot Stalin, Opa vertelt

De drie podcasts van deze week: over Urkers die cocaïne vervoeren, over een portret van een jonge vrouw die misschien wel de dochter van de schilder Turner is en over een Arnhemmer in de oorlog. 


Cokevissers

In 2017 wordt er een grote hoeveelheid cocaïne ontdekt in een Urker viskotter. Is dat een incident of bevinden de Urker vissers zich in een web van misdaad? Daarover gaat de podcast Cokevissers.

De podcast is gemaakt door Wouter Laumans, die in de inleiding van elke aflevering zegt dat wij hem misschien kennen van het boek Mocromaffia. Die titel kende ik wel, de auteur niet. De uitgever vindt overigens dat de titel, vreemd genoeg, als twee woorden geschreven mag worden: Mocro Maffia. 

Laumans heeft geen documentaire willen maken. Wel heeft hij zich verdiept in dossiers en wel heeft hij 'off the record' personen gesproken. Daar kan hij natuurlijk niet letterlijk uit citeren en dat is lastig bij een documentaire.

Verhaal

Hij heeft daarom besloten er een verhaal van te maken. Daartoe heeft hij ook fictieve personages toegevoegd. Daarmee is het Cokevissers fictie geworden, gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen.

Je zou de podcast een soort hoorspel kunnen noemen, maar zo te horen zijn de stemmen niet ingesproken door professionele acteurs. Veel stemmen klinken niet natuurlijk. Het best is degene die Jelle Hakvoort speelt, mede-eigenaar van de bewuste kotter, die overigens ook wel eens Jelle Hakford wordt genoemd in de serie.

De voice-over is door verschillende mensen gedaan, onder wie ook Laumans, als ik het goed hoor. Dat kan hij eigenlijk niet: te nadrukkelijke en onnatuurlijke accenten. In plaats van de tekst het werk te laten doen is hij duidelijk een tekst aan het neerzetten en dat had hij beter niet kunnen doen.

Clichés

Die tekst wemelt overigens van clichés. Urkers worden 'de trotse bewoners van het eilandje in de Zuiderzee' en ik kwam ook 'niets is minder waar' tegen. Om de Urkers te typeren wordt de Tachtigjarige Oorlog genoemd, met meteen erna de Afscheiding van 1834. Die zou staan voor onafhankelijkheid van de Urkers. Er waren overigens overal in Nederland Afegescheiden gemeenten.

Godsdienst is belangrijk in Urk. Er komt iemand voor die lid is van de Gereformeerde Gemeente. Verderop gaat het over de Gereformeerde Kerk, wat een andere denominatie is. De dominee houdt een donderpreek, maar niet in de bewoordingen die gebruikelijk zijn bij de bevindelijk gereformeerden. Dat de dominee voor bezoekers van de kerkdienst vlak voor aanvang aanspreekbaar is, is ook niet zo aannemelijk.

Journaliste

Een vreemde rol speelt de journaliste met de naam Anna van de Wal (ja, ja, ze is niet van het 'eiland'), die zich voorstelt als 'journalist van de lokale Urker krant'. Dat is niet zo'n pakkende naam voor een krant. Ze komt niet uit Urk. Waarom zou iemand die niet zo bekend is met Urk werken voor de lokale Urker krant? Het lijkt er meer op dat Laumans hier zichzelf, de buitenstaander, opvoert de persoon van een jonge vrouw.

Het grootste bezwaar tegen de podcast is dat er zo weinig lijn zit in het verhaal. Het luistert het lekkerst als je je kunt identificeren met een persoon en met dat personage meeleeft. Ook zou er in het begin een probleem moeten zijn dat je in de loop van het verhaal oplost of dat in de loop van het verhaal ingewikkelder wordt.

Dat is hier niet het geval: Anna is op zoek naar de waarheid, justitie ook en intussen krijg je een beeld van een klein deel van de Urker bevolking en van misdaad elders. Aan het eind weet je zo ongeveer wat met wat verknoopt is, maar de vraag is of je dat allemaal wilde weten.

Slecht acteerwerk

Over justitie gesproken: de vrouw die Hakvoort ondervraagt is een toonbeeld van slecht acteren: een vrouw die een slechte actrice speelt die speelt dat ze iemand ondervraagt. Met bedachte vertragingen in de zinnen, met bedachte stoerheid in de stem en in alles onnatuurlijk. Geen moment heb je het idee dat het een werkelijk mens zou kunnen zijn. Dat is in De Blankenberge Tapes (even naar beneden scrollen op de pagina) beter gedaan.

Er zitten best aardige dingen in de podcast, maar het verhaal was beter geworden als er duidelijker keuzen waren gemaakt en de maker niet 'alles' had willen laten zien. Dat is misschien aardig in een boek waarin je de ruimte hebt, maar niet in een verhaal daar verder moet. Ook het blijven hangen tussen documentaire en hoorspel in doet Cokevissers geen goed.


Van Turner tot Stalin

Podcast is ook een medium voor amateurs. Toch kom ik die nog niet zo heel veel tegen bij gesnuffel naar wat ik eens zou kunnen gaan beluisteren. Maar Van Turner tot Stalin is duidelijk afkomstig van een liefhebber, die enthousiast is over wat hij heeft ontdekt. 

Zijn naam is Ton Soons en de aanleiding is het portret van een jonge vrouw, geschilderd door Louis Buisseret, van wie ik nog nooit gehoord had. Al gauw is duidelijk is de vrouw Laura Turner is. Kan zij de dochter zijn van de beroemde schilder William Turner? Soons heeft het uitgezocht. 

Muziek

Daarover heeft hij het een en ander opgeschreven en dat leest hij voor. Op de achtergrond klinkt muziek, die meestal niets te maken heeft met wat er voorgelezen wordt. Hoe zou het met de rechten zitten? Eigenlijk vind ik dat de rechthebbenden dat maar even door de vingers moeten zien, want Soons heeft duidelijk geen winstoogmerk.

Soons lijkt alles interessant te vinden. Elk zijpad dat hij tegenkomt, slaat hij in. Hij lijkt dan de hoofdroute vergeten en wijst ons enthousiast aan wat hij nu weer allemaal ziet. Voor je het weet zit je bijvoorbeeld in het vrouwenwielrennen.

Grote lijn niet altijd duidelijk

Het gevolg is wel dat de grote lijn niet altijd even duidelijk blijft. Soons noemt de ene naam na de andere en voor je het weet ben je kwijt wie nu ook alweer een kind van wie was of getrouwd met wie.  Tijdens het strijken gaf ik het dan ook maar op om de lijn te volgen en pikte ik gewoon feitjes op die ik op dat moment hoorde. 

Turner en Stalin zijn grote namen. Zij doen er nauwelijks toe in deze podcast. Voor informatie over hen hoef je de podcast niet te beluisteren. Achteraf bezien is me er ook van de rest niet zo heel veel bijgebleven. Wel het enthousiasme van Soons, die met zijn zuidelijke tongval voorleest wat hij allemaal ontdekt heeft. 

Soons moet erg veel tijd gestoken hebben in zijn onderzoek en ik kan me voorstellen dat hij kleine dingetjes boven water heeft gehaald die een andere onderzoeker weer kan gebruiken. Wat de luisteraars er allemaal mee moeten, is me niet zo duidelijk. Maar ik vond het niet vervelend om naar te luisteren. 

Opa vertelt

Er zijn heel wat verhalen over de oorlog en juist in dit jaar krijgen die heel wat aandacht. Een van verhalen is Opa vertelt, waarin Evert Hüsken (1916 - 2000) zijn verhaal vertelt. Wie daar een podcast van gemaakt heeft, is mij niet duidelijk. 

Hüsken heeft zijn verhaal in 1981 ingesproken op een bandrecorder en dat is in vijf delen geknipt (volgens de beschrijving in zes, maar dat zesde lijkt te ontbreken). Je kunt aan het accent horen dat Hüsken uit Arnhem komt. Die stad had aardig wat te verduren in de oorlog en daarover wordt verteld. 

Bijvoeglijke naamwoorden

Hüsken houdt van stoere verhalen. Hij gebruikt veel bijvoeglijke naamwoorden om te laten merken hoe spannend of hoe erg iets was. Dat was niet nodig geweest. Bij een soberder vertelling was de inhoud misschien nog meer overgekomen. 

Van de oorlog heeft Evert heel wat meegekregen: zo werd hij te werk gesteld in Duitsland. Later moest de familie evacueren naar Friesland. 

Een ooggetuigeverslag is altijd informatie uit de eerste hand en dat is voor de identificatie altijd beter dan een algemeen verhaal. Het beeld dat mensen van de oorlog hebben zal er niet heel erg door veranderen, lijkt me, maar je krijgt wel een inkijkje in het leven van iemand. 

Bij het downloaden blijkt dat de afleveringen niet genummerd zijn, waardoor ze in alfabetische volgorde worden afgespeeld. Dat is niet zo handig. 

zaterdag 11 april 2020

De torens van februari (Tonke Dragt)


Dat Netflix een Nederlands kinderboek verfilmde en als serie uitbracht, was nieuws en niet alleen in Nederland. In maart van dit jaar was De brief voor de koning dan eindelijk te zien. De schrijfster van het jeugdboek, Tonke Dragt, noemt het geen verfilming van haar boek, maar een verfilming op basis van haar boek. 

In het boek komen vrouwen nauwelijks voor, maar in de serie spelen ze een cruciale rol. Ook is de casting zo inclusief mogelijk gedaan: spelers met verschillende etnische achtergrond en er zijn twee zoenende mannen te zien. 

Ach, het is een aardige serie en mogelijk brengt het mensen tot de boeken van Dragt. Hier legde ik al uit dat ik geen kenner ben van het werk van Tonke Dragt. Ogen van tijgers (1982) las ik snel na het verschijnen ervan, De brief voor de koning (1962) pas in de kerstvakantie 2018 - 2019. Intussen heb ik ook De torens van februari (1973) gelezen.

Geheugenverlies

Het boek begint intrigerend: een jongen komt bij op het strand. Hij heeft zijn schoenen aan de verkeerde voeten en verder weet hij niets: niet waar hij is, niet wat zijn naam is, niet hoe oud hij is. Hij heeft een opschrijfboekje bij zich en daarin houdt hij bij wat hij meemaakt. Het blijkt die dag 30 februari te zijn. 

De jongen blijkt veertien jaar oud te zijn en hij heet Tim (of Tom). Hij komt terecht in een wereld waar hij soms vaag iets van herkent, maar hij heeft geen concrete herinneringen. De mensen zijn vriendelijk, maar hij krijgt al gauw in de gaten dat het niet raadzaam is om te laten blijken dat hij zijn geheugen kwijt is. 

De lezer zit meteen goed in het verhaal. Net als Tim heeft hij vermoedens, maar hij weet niets zeker. Waar komt deze jongen vandaan? Van het schip dat net wegvaart? De vragen stuwen het verhaal voort.

Spiegelwereld

Voor degenen die het boek nog willen lezen: ik moet wel het een en ander over de inhoud verklappen, maar het slot geef ik niet weg. Tim blijkt niet op de aarde te zijn, maar op een wereld die op de aarde lijkt. Het is een soort spiegelwereld. Men heeft er daar bijvoorbeeld geen idee van waar flatgebouwen voor bedoeld zijn. 

Er is een doorgang tussen de aarde en de spiegelwereld, maar die is niet altijd open en er zijn mensen die hem het liefst voorgoed gesloten zouden willen hebben. 

Dragt houdt van raadsels en raadselachtige dingen. Misschien herinnert iemand zich de televisieserie De zevensprong, een verfilming van haar boek uit 1966. Verdwijnende en verschijnende mannen, toverspreuken, een geheim: het komt allemaal in dat boek voor. Je zou kunnen zeggen dat De torens van februari net zo'n boek is. 

Inburgering

Maar als je het boek met hedendaagse ogen leest, lijkt het ook te gaan over het lot van de migrant, die moet inburgeren en alleen in de nieuwe maatschappij kan functioneren als hij vasthoudt aan alles wat hem bindt aan zijn vorige wereld. 

Aan het eind van het boek moet Tim de rekening opmaken: moet hij in de nieuwe wereld blijven en op de koop toe nemen dat hij nooit iets zal weten over de wereld van zijn afkomst, of gaat hij terug naar de aarde, waarbij hij alles vergeten zal zijn wat hij in de spiegelwereld heeft meegemaakt? En kan hij eigenlijk nog wel terug?

Het leven in twee werelden doet ook een beetje denken aan de Netflixserie Outlander waarin iemand in twee verschillende tijdlagen kan leven. Maar daar blijft het geheugen intact. 

Dagboek

De vorm van een dagboek, waarin soms ook anderen dan Tim schrijven is een beproefd middel om de fictie werkelijk te laten lijken. Al in de Romantiek worden er romans geschreven op basis van zogenaamd gevonden manuscripten. In de Max Havelaar komt bijvoorbeeld het pak van Sjaalman voor. 

De vorm werkt wel, al zakt het verhaal soms een beetje in. Als geheel boeide het me. In De brief voor de koning zijn er duidelijk goeden en kwaden, in De torens van februari is dat veel minder helder. Tim besluit sommige mensen te vertrouwen, maar hij weet niet of ze wel of niet en verborgen agenda hebben. De karaktertekening is minder schematisch dan in De brief voor de koning.

Ook De torens van februari zou overigens prima verfilmd kunnen worden. Wie weet ziet Netflix er wat in. 

vrijdag 10 april 2020

Harpie (Hannah van Binsbergen)


Schrijven over wat je gelezen hebt, roept niet alleen reflectie op over het gelezene, maar ook over jezelf als lezer. In 2017 won Hannah van Binsbergen de VSB Poëzieprijs met Kwaad gesternte. Later, toen de publiciteit daarover alweer was gaan liggen en zelfs al sliep, heb ik de bundel gekocht. Ik heb de eerste gedichten gelezen. En de rest niet.

Dat lag niet aan de gedichten. Weliswaar heb ik iets meer moeite met langere gedichten en met gedichten met langere zinnen, maar ik schrik niet terug voor moeite, gewoonlijk. Maar de laatste jaren raak ik de poëzie een beetje kwijt. Ik weet niet hoe dat komt. Ik koop nog van tijd tot tijd een bundel en ik krijg soms nog een bundel cadeau, maar van lezen komt het meestal niet.

Dat kan ik niet goed verklaren. Het is ook niet wat ik wil, maar het gebeurt wel. Misschien moet ik mezelf krachtiger toespreken op dat punt. Jarenlang poëzie gerecenseerd en geredigeerd en altijd met plezier. Het zal toch niet zijn dat ik mijzelf dat plezier misgun?

Maar goed, intussen heb ik wel Harpie, de roman van Hannah van Binsbergen gelezen. De aanleiding, zegt mijn verstand, was een interview dat Gijs Groenteman met haar had bij Kunststof. Ik ben geabonneerd op de podcast, maar ik kan en wil niet elk interview beluisteren. Mijn dagen tellen immers nog geen dertig uur, dus het is passen en meten. Maar dit wilde ik blijkbaar horen en daarna wilde ik de roman ook wel lezen.

In een boekhandel, die handschoentjes uitreikte waarin je enorm zweethanden kreeg, pakte ik het boek op. Misschien vanwege het interview, misschien ook omdat de naam Van Binsbergen veel voorkomt in het dorp waar ik opgroeide. Je weet maar nooit.

Poelgeest

Hup, naar Harpie! Harpie Poelgeest is tweeëntwintig jaar oud en snijdt haar polsen open. Ze is geen zelfmoord aan het plegen, zegt ze. Uit het bloed komt een persoon naar voren, die uitgroeit tot een duivel, die ze dan ook Satan noemt. Met hem zal ze in de loop van de roman geregeld in gesprek gaan.

Je zou Satan kunnen zien als een alter ego of als een fictieve vriend (wat waarschijnlijk ook een alter ego is). Misschien is het ook wel een handige concretisering van het kwaad, al is Satan meestal niet zo heel erg boosaardig. Harpie zal wel niet voor niets Poelgeest heten, dat is ook bijna vragen om een geest uit de poel van vuur en sulfer.

Harpie besluit zichzelf een kans te geven. Tot haar verjaardag, over acht maanden. Overdag neemt ze een onzinbaantje op kantoor en daarnaast treedt ze in dienst bij een luxe escortbureau. We hebben dus niet alleen Satan (die ook uit Harpie voorkomt) en Harpie, maar ook de kantoor-Harpie en de gezelschaps-Harpie, die voor alles in is. Misschien zitten we dan ook in de splitsing Dr. Jekyll en Mr. Hide, al is dat voor mijn gevoel toch net iets anders. Daar lijkt de scheiding van de twee kanten definitiever lijken er minder verbindingen te zijn.

Tot je niet meer dood wilt

Harpie gaat zien of deze constructie genoeg is om haar leven te redden.
Gewoon dingen doen totdat je op een gegeven moment niet meer dood wilt. Dat is het plan.
Harpies leven tot dan toe is zo ongeveer tot stilstand gekomen: relatie met Albert afgelopen, studie gestopt en er komt geen inkomen binnen, waardoor de schuldeisers lastig worden. Het is al een meevaller als er stroom is. Er moet wel wat gebeuren.
Ze kan niet zo leven, ze kan niet terug naar het leven van hiervoor, en ze kan zich geen toekomst voorstellen waarin ze er niet ook vroeg of laat een mespunt achter zou zetten, mogelijk met veel grotere gevolgen, als ze zichzelf toestaat om dicht bij anderen te komen.

Bij zichzelf komen

Zichzelf toestaan om bij anderen te komen. Het is de vraag in hoeverre Harpie zich toestaat om bij zichzelf te komen. In de rol van escort is ze degene die de klant wil dat ze is en eigenlijk was dat ook al zo bij Albert. Ze wilde zo graag dat hij bij haar zou blijven, dat ze zichzelf leeg maakte. Bang voor het niets dat er over zou blijven als hij weg was, reduceerde ze zichzelf tot niets.

Al toen ze jonger was, experimenteerde Harpie met het gaan over grenzen. De transgressie geeft macht, het is  een manier om controle te houden of te krijgen. Misschien wel minder over anderen dan over jezelf. Het deed me denken aan het meisje in het titelverhaal van de bundel Begeerte van Manon Uphoff.

De duivel in onszelf

Harpie leeft, als een moderne Mariken van Nieumeghen samen met de duivel, maar misschien leven wij allemaal wel samen met de duivel in onszelf. Satan is ook haar coach, die haar weg probeert te krijgen van haar zelfdestructie.
Wat wil je wel niet helemaal van mij?
Dat je ophoudt gaten in jezelf te maken en begint met gaten in de wereld te slaan. 
Kan niet. (Harpie trekt haar jas aan.)
Zonde.
De drie werelden (Satan, kantoor, escort) gaan door elkaar lopen en het lijkt erop dat er een einde komt aan Harpies kantoorbaan. Op die dag dringt het besef door dat veel collega's net zo alleen zijn, een erkenning die juist weer verbindt. Niet het alleen zijn maakt dat je alleen bent, maar het voor jezelf houden dat je dat bent.

Het licht aan

Harpie vertelt het verhaal erover. Je bent ervan overtuigd dat er iemand is, in het donker. Je zou het licht aan kunnen doen om jezelf te bewijzen dat die persoon er niet is, maar je bent bang dat hij er dan nog steeds is. Je bent bang voor de mogelijke waarheid en de angst brengt je ertoe om verder door het donker te moeten bewegen.
Ik ben Harpie en ik heb het licht aangedaan. En weet je wat? De echte verschrikking is hoe we gegroeid zijn in het donker. Geen duivel, niet het kwaad. De knopen die we in onszelf gelegd hebben om niet te hoeven zien.
Bij alles in dit boek kun je je afvragen wat werkelijk is en wat zich afspeelt in het hoofd van Harpie. In ieder geval is ze tot een inzicht gekomen. Het vergt moed om het licht aan te doen, maar dat is wat er gebeuren moet. Het is ironisch dat iemand dat zegt of denkt bij wie voortdurend de stroom afgesloten dreigde te worden in het begin van het boek.

Optimistisch

Het slot van Harpie is onversneden optimistisch. Als lezer gun je het Harpie van harte, maar je vraagt je wel af wat er de volgende dag van over is. Maar goed, misschien moeten we de momenten vieren.

Of Harpie een goed boek is, weet ik eigenlijk niet. Het personage is interessant en het onderwerp geeft reden om eens na te denken over de duivels in het leven. En verder is er natuurlijk de stijl, met af en toe heerlijke zinnen, zowel scherp als humoristisch. Een voorbeeld:
Er zijn weinig dingen zo verstikt in betekenis als een vrouwenlijf. Het duizenddingendoekje van de zichtbare wereld. Het beeld van de schoonheid, maar ook het object waarvan de schoonheid het vaakst in de waagschaal ligt.
Dat citaat gaat nog veel verder, met een uitwerking die stevig neergezet wordt op een pagina zonder verdeling in alinea's, waardoor je als lezer weinig lucht krijgt en het geschrevene onontkoombaar wordt. Dat kan Van Binsbergen wel.

Interessant boek, dit Harpie. Met plezier gelezen. Intrigerend figuur. Omslagtekening waar ik niks van snap, maar snappen is soms het einde van het vermaak, dus prima zo.

Ik heb de neiging om braaf en muf te zeggen dat ik Kwaad gesternte toch eens moet gaan lezen. Dat wil ik eigenlijk niet schrijven, vanwege de stofwolken die er van zo'n zin komen en vanwege het zuinige mondje dat zo'n zin heeft. Maar probeer maar eens iets niet te schrijven wat er al staat. Onbegonnen werk.

donderdag 9 april 2020

Sonora, deel 1: Wraak (Pécau / Dellag)


De dood waart rond in het stripdrieluik Sonora. Die indruk krijg je tenminste als de cover, getekend door Nicolas Siner, bekijkt. Centraal staat een man in uniform, met een bebloede, afgebroken sabel in de hand. Achter hem een dode boom met gieren en om hem hen kruisen. Blijkbaar zijn er her en der en zonder enig systeem mensen begraven in de rotsige grond.

De man in uniform is Maximilien Bonnot, die nog maar een jonge jongen was in 1848 bij de junirevolutie in Parijs. Daarbij is zijn broer omgekomen en daaraan voelt hij zich mede schuldig. Hij heeft daarom besloten de dood van zijn broer te wreken.

Colt

Daarom vinden we hem drie jaar later in Amerika, waar veel Fransen heen trekken, op zoek naar goud. Onderweg ontmoet hij iemand die een nieuw soort wapen aan de man probeert te brengen: de Colt Dragoon model 1848. We kennen die uit de film Django Unchained. Voor die tijd is de colt revolutionair. Je kunt er maar liefst zes kogels achter elkaar mee afschieten. Maximilien krijgt van de vertegenwoordiger een colt.

Met de afgebroken sabel van zijn broer en met de colt gaat Maximilien op wraaktocht. Hij neemt een jongen mee in zijn kielzog en een 'madam', Lola Montez, de verloofde van een generaal, voor wie hij een lijfwacht is.

Herkenning

De elementen zijn niet nieuw, maar in een strip in een westernsetting verwacht je ook herkenning. Natuurlijk wordt er geschoten, is er een vrouw, is er een groentje en een hoofdpersoon met een missie. Die hoofdpersoon heeft iets duisters. Hij is nietsontziend, want hij wordt gedreven door wraak, die gevoed wordt door zijn schuldgevoel.

'Ik ben hier niet om de wereld te verbeteren,' zegt hij. Je vraagt je wel af wat hij moet met zijn leven als hij de wraak voltrokken heeft.

De hoofdpersoon is intrigerend en het verhaal pakt. Het tekenwerk van Benoît Dellag is niet al te gladjes en dat past bij het karakter van het verhaal, dat scenarist Jean-Pierre Pécau goed in elkaar heeft gezet. In het begin weet je nog niet waar Maximilien op uit is en als je het weet, wil je dat zijn tocht ook lukt, uit een soort rechtvaardigheidsgevoel.

Sonora zal drie delen gaan tellen. Met Wraak is het in ieder geval goed op gang gekomen.

Serie: Sonora
Deel 1: Wraak
Scenario: Jean-Pierre Pécau
Tekeningen: Benoît Dellag
Inkleuring: Scarlett Smulkowski
Covertekening: Nicolas Siner
Uitgever: Silvester
's-Hertogenbosch 2020, 56 blz. softcover € 9,95

































dinsdag 7 april 2020

Podcast: Woeste meuk, Een jongen in de oorlog, Over Godfried Bomans gesproken

De podcasts van deze week: een met interviews die eigenlijk meer gesprekken zijn, met verhalen over een jeugd in het oorlogse Rotterdam en met gesprekken over Godfried Bomans. 

Woeste meuk

Het is me nooit gelukt om een televisiekijker te worden en eerlijk gezegd heb ik er ook niet zo mijn best voor gedaan. Er gaat veel tijd in zitten en soms moet je wel door heel veel kaf heen om bij het koren te komen. Denk ik.

Nico Dijkshoorn is een naam die bij de tv hoort: bij De Wereld Draait Door. Ik heb er wel eens een glimp van gezien: veel hapsnap, veel korte items. En Dijkshoorn las dan aan het eind een column voor die hij ter plekke schreef.

Dijkshoorn schreef ook een paar romans, over zijn ouders. Die heb ik niet gelezen en de recensies nodigden ook niet uit om dat te gaan doen. Misschien waren die romans meer nodig voor de schrijver dan voor zijn lezers.

Maar op de podcast Woeste meuk abonneerde ik me wel, in een opwelling, vermoed ik. Dijkshoorn maakt die samen met Tim Knol. Maakt muziek. Best wel goed, geloof ik, maar ook daar weet ik niet zo veel van. Waarom ik dan toch naar de podcast luister? Eigenlijk had ik vooraf geen reden.

Gesprekken

Knol en Dijkshoorn gaan in de podcast samen op bezoek bij mensen: Rinus Gerritsen (van Golden Earring), Jelka van Houten, Wilfried de Jong en Johan Derksen. Leuke gesprekken, omdat Knol en Dijkshoorn oprecht geïnteresseerd zijn en zichzelf niet op de voorgrond plaatsen.

Waarom juist die twee elkaar gevonden hebben, weet ik niet, maar samen doen ze het goed en ze hoeven niet veel te doen om de gesprekspartners tot praten te brengen. Zo lijkt het. Maar natuurlijk hebben ze met zijn tweeën de situatie gecreëerd waarin iemand zich op zijn gemak voelt en gaat praten. Goed gedaan.

Je bent je als luisteraar steeds bewust van de omgeving waarin het gesprek zich afspeelt en ook dat is goed. Er zijn omgevingsgeluiden, je krijgt een indruk van een ruimte. Daardoor wordt de luisteraar dichterbij gebracht.

Afzondering

Maar ook Woeste meuk zit in afzondering. Daarom leest Dijkhoorn geregeld korte stukjes voor en die vind ik wel goed. Hij is goed in sprekende details, in treffende vergelijkingen. Zijn stukjes moeten het soms meer hebben van enkele zinnen dan van het geheel en af en toe is het op het effect gespeeld, maar dat is ook niet zo vreemd voor stukjes die er elke keer maar weer moeten komen. Ze zijn kort genoeg om even mee te snaaien, als een klein handje borrelnootjes.

Dijkshoorn leest ze in het goede tempo. Dat hij in plaats van een 'z' altijd een 's' zegt en in plaats van een 'v' altijd een 'f' neem ik op de koop toe.

Voorlopig volg ik Woeste meuk nog een tijdje. Je hoeft niet vooraf al een fan van de makers te zijn om de podcast interessant te vinden. Dat je het maar weet!

Goed logo, trouwens, met die gestileerde stierenkop en de titel is ook goed. Dat 'meuk' verraadt weinig pretentie en dat 'woeste' dat het alle kanten op kan. Benieuwd wat er allemaal na de coronatijd nog geboden wordt.

Er is een site. Daarop wordt Dijkshoorn ook een dichter genoemd. Dat had ik in zijn schrijfsels nu weer niet herkend. Wel heet een van de stukjes 'Laatste keer dichten bij DWDD'. Hij blijkt ook gitaar te spelen. Tim Knol heeft een baard laten staan en draagt een pet als Gilbert O'Sullivan. En hij fotografeert.  Je leert elke dag wat nieuws.


Een jongen in de oorlog

Koos Postema was zeven jaar oud toen de oorlog uitbrak. Enkele dagen daarna werd Rotterdam, waar Postema woonde, gebombardeerd. In de inleiding van elke aflevering vertelt hij dat hij het verhaal van die zevenjarige jongen gaat vertellen: 'die jongen was ik'. Dat klinkt een beetje als een belegen liedje van Cowboy Gerard, maar dat zal wel mijn particuliere associatie zijn.

Over het algemeen vertelt Postema wat er allemaal gebeurd is. Af en toe wordt hij bij een nieuw onderdeel ingeleid door een net iets te zwaar aangezette voice-over, zoals je in Met het oog op morgen wel hoort.

Dagelijkse dingen

Vertellen kan Postema goed en je luistert dan ook gemakkelijk naar wat hij te zeggen heeft. Het gaat natuurlijk over de grote dingen, want Oorlog schrijven we bijna als vanzelf met een hoofdletter. Maar meer nog over de gewone dagelijkse dingen.

Dat deed me  denken aan het gedicht 'Oorlog' van Willem Wilmink. De laatste twee strofen:
We hadden na een bombardement
nieuw speelterrein, met gras en cement.
Daar speelde je dat je gesneuveld was,
dan lag je een tijdje dood in het gras. 
Je maakte een voetbal of ook wel een bom
van proppen papier, elastiekje erom.
Het leven ging meestal gewoon maar zijn gang.
Soms was je toch bang. Soms ben ik nog bang.
Doordat Postema vertelt over zijn gezin, wordt de geschiedenis persoonlijk. Het verleden krijgt een gezicht dat je aankijkt. De oorlog blijkt ook maar een tijd waarin je moet leven en gewoon je dagen vullen met spelen of naar school gaan, waarin er ontbeten wordt (als er eten is) en waarin mensen elkaar helpen of juist niet.

Het is goed dat er aandacht is voor oorlog en bevrijding, maar vaak gaat het over politiek en over soldaten en over getallen. Natuurlijk ook dat is goed, maar ik ben blij dat bovendien dit er is: de geschiedenis van een gewoon gezin, dat het jouwe had kunnen zijn als je toen geleefd had en daar gewoond had. 

Er zijn vijf afleveringen, die je hier vindt. De maker van de podcast moet trouwens nog wel even genoemd worden: Dick Klees.


Over Godfried Bomans gesproken

Er was een tijd dat je niet om Godfried Bomans heen kon: hij was op de radio, op de tv, in de kranten en hij schreef ook nog boeken. Maar intussen is het al bijna vijftig jaar geleden dat hij overleden is. Wel kwam nog niet zo heel lang geleden een dundrukuitgave (De brandmeester) uit. Nee, niet gekocht; veel van Bomans' werk heb ik in oudere uitgaven.

Er is een genootschap dat Godfried Bomans nog altijd vereert en promoot en dat genootschap is een podcastreeks begonnen: Over Godfried Bomans gesproken. Dat is een niet zo sprankelende titel, maar in ieder geval maakt die wel duidelijk waarover de podcast gaat.

Gesprekken

Tot nu toe zijn er drie afleveringen verschenen: drie gesprekken over Godfried Bomans, door de voorzitter van het genootschap, Fred Berendse, met Hans Wiegel, Thérèse Steinmetz en Wouter van Dieren.

De intro wordt keurig, maar ook een beetje bescheten, gedaan door iemand die spreekt met een heel dunne ij-klank, wat ook wel eens prettig is, na al die dikke ai-klanken die je hoort. Maar je hebt wel het idee dat hij de tekst uitspreekt met de knieën tegen elkaar geklemd.

Berendse weet, als voorzitter van Het Genootschap, veel van Bomans af en kan wat zijn gesprekspartners te berde brengen meteen plaatsen en hij kan zinvolle aanvullingen geven en gerichte vragen stellen. Hij is bescheiden en plaatst zichzelf niet op de voorgrond. Het gaat om Bomans en de geïnterviewden. Soms is hij misschien net iets te bescheiden en maakt hij zich te klein. Je krijgt soms het idee dat hij opkijkt tegen met wie hij praat, wat, gezien zijn kennis, helemaal niet nodig is.

Wiegel, Steinmetz, Van Dieren

Wiegel weet aardige dingen te vertellen, maar heeft Bomans nauwelijks persoonlijk meegemaakt. Mogelijk opent het gesprek met hem de rij omdat Wiegel een bekende naam is. Het gesprek is overigens best aardig. Godfried schreef ooit over Wiegel en ook vader Bomans komt nog ter sprake.

Thérèse Steinmetz heeft Bomans veel beter gekend en kan dan ook veel sprekender anekdotes vertellen. In gedachten zien we bijvoorbeeld Bomans met zijn dochtertje aan de hand. Dat is een beeld dat niet zo vaak wordt opgeroepen.

Wouter van Dieren heeft veel informatie over Bomans in zijn tv-tijd bij de NCRV. Van Dieren werkte nauw samen met Bomans en vertelt dingen die ik elders nog niet las. Zo verbaast het mij dat er zo veel gescript was in de televisie-optredens, tot aan de grapjes toe. Van Dieren kende Bomans vanaf 1968, dus in de laatste jaren van diens leven.

Gefilmd

Wie van het werk van Bomans houdt, zal zeker genieten van de gesprekken. Toen ik ze beluisterd had, kwam ik erachter dat ze ook gefilmd zijn, met toelichtende beelden erdoorheen gesneden en soms een kort audiofragment. Dat is ook een mooie manier om ze te beluisteren. Mij bracht het ertoe de gesprekken, die ik dus al kende, nog een keer voor een deel af te spelen.

Je komt er bovendien op die manier achter dat Wouter van Dieren binnenshuis een Thijs-van-Leer-achtige hoed draagt, zoals poseurs doen of ijdeltuiten die hun kaalheid willen verbergen.

Alle gefilmde gesprekken zijn te zien op het kanaal van het Godfried Bomans Genootschap. Ze duren ongeveer een half uur. De podcasts vind je op de geëigende plaatsen, bijvoorbeeld hier. Grasduin gerust op des genootschaps site en zeker ook op de Facebookpagina, met mooie bijdragen over bijvoorbeeld Bomans en schaken of Bomans en beroemdheden. 

donderdag 2 april 2020

De roman van den schaatsenrijder (Cyriel Buysse)


In 1983 (als ik het mij goed herinner) deed ik examen Nederlands MO-A. Voor het vak Literatuur van de 19e en de 20e eeuw moesten we minimaal dertig boeken lezen. Wie meer las (en daarbij bijvoorbeeld meer boeken van dezelfde auteur las) had de hoop om daarmee het mondeling examen te beïnvloeden. Ik had verschillende boeken van Jeroen Brouwers op de lijst.

Bij het samenstellen van de lijst had ik ook boeken gelezen van auteurs die ik daarvoor niet kende. Ik las bijvoorbeeld Het recht van den sterkste (1893) van Cyriel Buysse (1859 -1932). Het is niet zijn sterkste roman, maar ik was wel onder de indruk van de zintuiglijke manier van schrijven. Als een cineast het in handen krijgt, kan hij het zo verfilmen, dacht ik.

Na het examen heb ik nog veel meer boeken van Buysse gelezen. Een greep: Het leven van Rozeke van Dalen (1905), 't Bolleken (1906), Het ezelken (1910) en Tantes (1924). Verder een paar toneelstukken, wat korter werk, hier een daar een roman. Ik kocht het verzamelde werk (dat intussen bij De Slegte lag) en werd lid van het Cyriel Buysse Genootschap, welk lidmaatschap ik na enkele jaren weer opzegde omdat ik niet toekwam aan het lezen van wat dat Genootschap uitbracht.

In mijn kast staat nog veel ongelezen werk van Buysse en in deze vreemde tijden trof ik mij ineens aan met De roman van den schaatsenrijder (1918) in mijn hand.

Roman?

Deze roman leest helemaal niet als een roman. Hij is geschreven in de ik-vorm en je kunt je bij die 'ik' iemand als Buysse voorstellen. Hij vertelt over de schaatsavonturen in zijn jeugd. In 1918 was Buysse negenenvijftig jaar oud en schrijft over de tijd dat de hoofdpersoon een jaar of achttien is. Hij brengt die herinnering op gang door te gaan kijken bij de tijd waar hij jaren geleden geschaatst heeft.
En een drietal jaren geleden, juist één jaar vóór den oorlog, die zoo schandelijk ons mooie land verwoest heeft, was ik toevallig 's winters weer op 't dorp en uit oude herinnering ging ik eens wandelen tot aan den "wal van 't Oarmhuis" waarop, naar men mij vertelde, schaats gereden werd.
De hoofdpersoon is redelijk welgesteld: hij wordt door boeren en arbeiders dan ook aangesproken met 'meniere'. Buysse was de zoon van een fabrikant en zal ook wel zo aangesproken zijn. Hij krijgt te horen dat sommige mensen die hij uit zijn jeugd kent al overleden zijn.

Hij verbaast zich ook over hoe oud mensen eruit zien. Iemand van tweeënvijftig, die jonger is dan de verteller, ziet er wel uit als was hij zeventig.

Als hij over dat heden (van enkele jaren geleden dus) vertelt, corrigeert hij zich: hij zou immers over het verleden vertellen.
Wat ben ik in mijn verhaal ver afgedwaald, of, beter gezegd, wat ben ik hard den tijd vooruitgeloopen! Want er ligt nog zooveel in mijn schaatsenrijdersleven tusschen dat ver verleden en de gebeurtenissen van den tegenwoordigen tijd. 

Figuren schaatsen

De hoofdpersoon kan goed schaatsen. Dat betekende in die tijd: kunstig kunnen schaatsen, waarbij je figuren op het ijs maakte. Op die manier maakte hij indruk en als jongeling probeerde hij natuurlijk vooral indruk te maken op de meisjes.

In deel 1 beschrijft hij twee van die pogingen, op twee verschillende ijsbanen. De natuurbeschrijvingen zijn nog altijd prettig om te lezen, maar er komt pas echt leven in het verhaal zodra het over mensen gaat en zeker wanneer ze beginnen te praten. De hoofdpersoon is geen held: zijn twijfels en zijn falen worden ook beschreven.

Amerika

Deel 2 speelt zich af in Amerika. Buysse bezocht Amerika verschillende keren. Dat waren zakenreizen. Ik herinner me ooit gelezen te hebben dat hij naar Amerika gestuurd was, omdat hij een arbeidersmeisje zwanger had gemaakt. Hij zou met haar hebben willen trouwen, maar dat werd hem niet toegestaan. Wel heeft hij haar altijd geldelijk ondersteund.

Zo herinner ik het me, maar ik kan op dit moment niet genoeg informatie vinden die dat bevestigt. Mogelijk word ik bedrogen door mijn geheugen.

In ieder geval was hij in Amerika. In De roman van den schaatsenrijder beschrijft hij hoe de hoofdpersoon onder de indruk raakt van een jonge vrouw, Maud. Haar familie ziet hem schaatsen, nodigt hem op de thee en langzaam wordt het contact nauwer. Hij kan echter niet zomaar zeggen dat hij verliefd op haar is. Dat moest in die tijd veel omzichtiger.

Illusie

We krijgen in de loop van het verhaal een kijkje in het hoofd van de hoofdpersoon. Soms gaan zijn gedachten met hem op de loop en achteraf moet hij constateren dat sommige dingen een illusie waren, een roman: de roman van de schaatsenrijder.

Nu wordt duidelijk waarom het boek niet leest als een roman. Het wordt ook niet gepresenteerd als een roman. Het kan net zo goed een autobiografisch geschrift zijn. Wat zich in het hoofd van de 'ik' afspeelt is de roman.

De roman van den schaatsenrijder is een boek dat net zo goed fictie als non-fictie kan zijn. Mogelijk berust de inhoud op wat Buysse heeft meegemaakt, maar wellicht heeft hij veel gefantaseerd. In een boek als dit kan dat ook, omdat het zo onduidelijk is qua genre. Eigenlijk doet het naar de vorm vrij modern aan. Misschien zouden we het nu 'autofictie' noemen.

Rozeke van Dalen

Buysse is een schrijver van wie je niet meer zo veel hoort. Dat is jammer. Hij verdient een groter publiek dan hij heeft. Mijn leerlingen hebben nog wel eens Het leven van Rozeke van Dalen gelezen in de Salamanderuitgave van 1983. Het is een mooi voorbeeld van een naturalistische roman. In het begin lijkt het Rozeke allemaal behoorlijk mee te zitten, maar haar man wordt ziek en om de zaak te behouden moet ze ook nog trouwen met de man voor wie ze bang is. Ook met haar vriendin de freule gaat het niet goed: die is getrouwd met een man die haar bedriegt.

Voor wie Buysse wil leren kennen, is Rozeke van Dalen misschien een goed begin. Maar de Schaatsenrijder lezen kan natuurlijk ook altijd.

Gedenkplaat aan Buysses voormalige woning in Nevele

woensdag 1 april 2020

Eeuwig 1913 (Marcel Ruijters)


Bij de titel Eeuwig 1913 weten we al waar het nieuwe boek van Marcel Ruijters ons zal doen belanden. Tijd die vastgezet is in 1913 kwamen al tegen in Pola en dat personage kwam ook al voor in Het 9e eiland.

Pola zit in dit nieuwe boek nog steeds vast in 1913. Ze is trambestuurder geworden en gaat om met enkele avantgardisten. We herkennen meteen Paul van Ostaijen. Een ander personage verwijst naar de Franse 'literaire gek' Raymond Roussel, vertelt het nawoord. Die naam zegt me dan weer niks. Verder komen we Henri Michaux tegen en Madame Blavatsky, de theosofe. Het is een bont en boeiend gezelschap.

Trambestuurster

Dat Pola een tram bestuurt, zegt misschien ook wel wat: je bent bestuurder, maar de route die je af zult leggen, ligt al vast. Dingen gaan zoals ze gaan en misschien heeft de menselijke geest daar niet zo veel invloed op.

Door het verhaal loopt verder nog een wezen uit Lemurië, half vlees, half geest en half vrouw, half man.  Ook hier weer wordt er gespeeld met grenzen en het doorbreken ervan.

Avantgardisten zijn hun tijd vooruit en zijn bij voorbaat onbegrepen. De buitenwereld zal het afwijkende al gauw bestempelen als gek. Pola komt dan ook in een inrichting terecht, die ook weer een wereld op zich is. Maar in tegenstelling tot het jeugdboek Hoe Mieke Mom haar maffe moeder vindt van Guus Kuijer, waar de wereld gek geworden lijkt en Mieke vindt het geluk pas tussen de gekken, is het verblijf voor Pola een marteling. Ze komt er overigens nog een oude bekende tegen, die ook alleen maar als freak wordt gezien. Gelukkig kan ze ontsnappen.

Stijging van de zeespiegel

Bijna aan het einde van het boek is de zeespiegel enorm gestegen, zodat mensen op het dak van hun huis leven. Het lijkt even alsof we niet in 1913 leven, maar in een nabije of verre toekomst.

De boeken van Ruijters zijn, ik schreef het al eerder, avonturen. Ze zijn humoristisch en speels, maar de speelsheid is niet vrijblijvend. Er is ook een altijd serieuze grondtoon, waarbij de grote vragen niet geschuwd worden.

Daarbij komt dat de lezer veel zelf mag doen. Er zit altijd lucht in de verhalen van Ruijters, zodat je zelf kunt ademhalen en zelf kunt nadenken over dicht bij de natuur leven of in de stad, over terug naar verleden willen of gericht zijn op de toekomst, over het leven in eigen hand hebben of de trambaan van het leven moeten volgen.

In ieder geval raak je gefascineerd door de wereld van 1913, die veel mogelijkheden blijkt te hebben. Juist de mensen in de omgeving van Pola zijn bezig het leven en de kunst te verkennen en wegen te gaan die niemand voor hen betreden heeft.

De stijl van Marcel Ruijters is vertrouwd krachtig: forse lijnen, de karakteristieke ingevallen koppen. En natuurlijk is er het verhaal, zoals alleen hij het kan bedenken.

Titel: Eeuwig 1913
Tekst en tekeningen: Marcel Ruijters
Uitgever: Sherpa
Haarlem, 2020. 176 blz. gebonden € 24,95