woensdag 24 april 2013

Zorg

Column, voorgelezen op een debatavond over de zorg.

Gerard Reve schreef een gedicht dat hij opdroeg aan de Zusters van Liefde te Weert:
Roeping
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ’s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.
Het gedicht is gepubliceerd in een bundel die in 1973 verscheen. Zuster Immaculata heeft werkelijk bestaan en ze werkte dus in de zorg. Naast haar zijn er nog heel wat mensen in die sector werkzaam. Sommigen van hen zijn vanavond hier aanwezig.

Ik heb het vermoeden dat Zuster Immaculata nooit sprak over haar ‘cliënten’. Het waren mensen die aan haar zorgen waren toevertrouwd en geen cliënten die het product zorg van haar afnamen. Ze deed haar werk met haar hele hart. Niet voor niets heet het gedicht ‘Roeping’.

Waarschijnlijk geldt dat voor veel mensen die in de zorg werken. Ze sloven zich uit voor hun medemensen, proberen ze te helpen, te ondersteunen, te informeren. Kortom, ze dragen zorg voor hen. Of dat nu kraamzorg of ouderenzorg is, mantelzorg of thuiszorg, jeugdzorg of gehandicaptenzorg. Als ik mensen spreek die werken in een ziekenhuis of een verzorgingshuis, vertellen ze me over hun beroep, vaak met een betrokkenheid die me doet vermoeden dat het ook hier om een roeping gaat.

Ze zien nooit hun naam vermeld, hun gezicht verschijnt niet op de tv, schreef Gerard Reve. Maar ik vermoed dat Zuster Immaculata daar ook helemaal niet op zat te wachten, net zoals de mensen die nu in de zorg werken. Als ik ze hoor klagen, is dat niet omdat ze geen aandacht krijgen en ook niet vanwege het geld (al zouden ze natuurlijk best wat meer willen verdienen). Wel zouden ze wat minder onder druk willen werken. Van tevoren is namelijk bepaald hoeveel minuten ze over elke handeling mogen doen en even rustig bijpraten met hun patiënten is er dan niet meer bij. Ze willen zorgdragen, maar ze moeten productie leveren. De zorg is verzakelijkt. Niet door degenen die er werken, maar door de managers en door de politiek.

In de politiek geldt het primaat van de economie: alles wordt in geld uitgedrukt. Dat geldt overigens niet alleen voor de zorg, maar voor zo ongeveer alle beleidsterreinen. Ik heb sterk de indruk dat er niet in de eerste plaats gevraagd wordt wat er nodig is op een bepaald gebied, maar hoeveel er bezuinigd kan worden. Dan wordt er gekeken op welke manier het goedkoper kan en pas daarna worden er argumenten bedacht die ons ervan moeten overtuigen dat dit toch echt de beste maatregelen zijn.

Natuurlijk snap ik dat de overheid op de kosten moet letten, maar economische argumenten mogen volgens mij nooit de eerste argumenten zijn als het om zorg voor de medemens gaat. Als een van onze geliefden, een kind of een ouder bijvoorbeeld, hulp nodig heeft, geven we die, zonder uit te rekenen of ons dat niet te veel kost, laat staan dat we zouden nagaan of het ons iets oplevert. We willen voor hen zorgen.

Dat lijkt de overheid niet meer te begrijpen. Daar denkt men in geld. Een duidelijk voorbeeld daarvan lijkt mij het zogeheten mantelzorgcompliment. Als iemand voor bijvoorbeeld een familielid of een buurman zorgt, wil de overheid laten merken dat ze dat waardeert. En die waardering wordt uitgedrukt in geld, een bedrag dat eenmaal per jaar kan worden aangevraagd voor één mantelzorger per patiënt. Het heet een compliment, maar het wordt niet spontaan gegeven. Je moet het aanvragen door het invullen van een formulier.

Het zal best aardig bedoeld zijn, maar het berust op een misverstand. Belangrijke dingen in het leven zijn namelijk niet in geld uit te drukken. De liefde van je partner, je ouders, je kinderen; de bevlogenheid van een docent die je zoveel mogelijk wil leren; en ook de betrokkenheid van de mensen in de zorg, de zusters Immaculata, die hun hart willen volgen, die willen omzien naar hun medemens.

Op deze mensen moeten we zuinig zijn en niet alleen omdat we misschien ooit zelf van hun zorgen afhankelijk zullen zijn. Belangrijker is dat zij onze samenleving menselijk en dus leefbaar houden. Ze doen belangrijk werk en het zou mooi zijn als iedereen dat aan hen liet merken. Anders voelen ze zich, voor je het weet, niet meer dan een kostenpost. Take care. 

maandag 22 april 2013

De verrekijker



De verrekijker, het boekenweekgeschenk dat geschreven is door Kees van Kooten, zwierf al een paar weken rond in mijn huis, maar ik kwam er maar niet toe. De recensies waren zuinig met hun lof en wat scheutiger met hun kritiek. Dat nodigde ook al niet uit. Uiteindelijk heb ik het boekje toch maar gelezen.

Aan de bovenkant van de pagina's plaatste Van Kooten een literaire agenda (door hem 'Literagenda' genoemd). In de loop van het boek raakte hij blijkbaar de lol kwijt in het bijhouden van die agenda, want in de laatste maanden zijn er weken waarin niets genoteerd is.

In de agenda zijn ook de sterfdagen van zo'n twintig schrijvers opgenomen. Dat zijn bijna allemaal mannen. Alleen Hella Haasse en Annie M.G. Schmidt drongen door tot Van Kootens eregalerij van dode collega's. Geen Doeschka Meijsing, Patricia de Martelaere of Christine D'Haen, geen Marijke Höweler of Thea Beckman. Zij mogen vergeten worden.

Verder noemt Van Kooten de bekende namen: Claus, Hermans, Lucebert, Kopland, Komrij, Bernlef, Mulisch. Opmerkelijk is dat Reve en Wolkers ontbreken. Dat is des te vreemder, omdat Van Kooten bijvoorbeeld wel Karel Glastra van Loon, Jan Blokker, Kees Fens en Boudewijn Büch noemt, die toch niet de statuur van Wolkers en Reve hadden. Vinkenoog en Wilmink miste ik ook.

Het verhaal over De verrekijker viel me niet eens tegen. Intussen zal het wel bekend zijn dat het vertrekpunt de verrekijker is die Van Kootens vader gevorderd heeft. Enkele keren bedenkt Van Kooten hoe dat gegaan zou kunnen zijn. Op die momenten zijn wij als lezers getuige van de inbeslagname van de kijker. Dat zijn fraaie passages. Ook het verslag van Van Kootens speurtocht is aardig om te lezen.

Maar daar tussendoor krijgen we stukjes maatschappijkritiek. Steeds licht van toon en soms zelfs humoristisch, maar ik kon mij niet aan de indruk onttrekken dat ik het gemopper van een oude man zat te lezen, die vertelde dat het vroeger allemaal beter was. Toen hadden mensen nog een fraai handschrift, toen kon je nog aan iemands boekenkast zien wat hij voor iemand was en een typemachine is toch eigenlijk beter dan een computer. Ja, ja, maar Van Kooten weet niet meer dat je de wagen van die typemachine niet met de rechter- maar met de linkerhand terugschuift.

De woordspelinkjes (kleeftijd, verderkijker) zijn altijd al Van Kootens handelsmerk geweest. Hij noemt zichzelf 'dwangmatig woordspelig'. Vervelend, zo'n handicap, want die woordspelingen vervelen wel heel erg.

Had Van Kooten zich maar beperkt tot het verhaal over de verrekijker, sober opgeschreven. Dat zou een aardig boekje geweest zijn.

zondag 21 april 2013

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat (Knipoog 20)


Literatuur is overal. Schrijvers, journalisten en filmmakers laten geregeld met een knipoog naar een gedicht of een roman zien dat ze niet van de straat zijn. Zo'n knipoog betreft altijd een klassieker, want dan weet je zeker dat je knipoogje begrepen wordt.

In Trouw van zaterdag 20 april 2013 gebeurde het ook: Hilda Schipper schreef het artikel 'Domweg gelukkig in een verzorgingshuis', waarin ze ingaat op de mode om ouderen zo lang mogelijk in hun eigen huis te houden. Schipper belicht de voordelen van een verzorgingshuis. In de titel verwijst ze naar de slotregel van het gedicht 'De Dapperstraat' van J.C. Bloem: 'Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.'

Ook in het artikel van Pieter van den Blink over Fatima Elatik dat deze week in Vrij Nederland staat, komt de regel nog even voorbij. Van den Blink meldt dat op de hoek van de Commelinstraat in Amsterdam te regel op een gevel te lezen is, maar zonder komma.

Bloems gehele gedicht:


De Dapperstraat
Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.
Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.


Het gedicht van Bloem is zo overbekend dat al veel dichters er parodieën op gemaakt hebben. U vindt ze hier. The Nits maakten er ooit een lied over.

In 1990 verscheen er een bloemlezing Domweg gelukkig, in de Dapperstraat met daarin veel evergreens uit de Nederlandse poëzie. Bloems gedicht stamt uit 1945 en het is al heel lang bekend bij velen, vermoed ik. Het zou me niet verbazen als de bloemlezing (die goed verkocht, voor zover ik weet) het gedicht nog een extra zetje heeft gegeven. Het is dan ook geen wonder dat er nogal eens naar geknipoogd wordt.

Op IDFA 2013 is er een film te zien die Domweg gelukkig heet, In het Brabants Dagblad van 13 april staat 'Domweg gelukkig op 013' en in de Telegraaf van 1 december is men 'Domweg gelukkig in een vinexwijk. Er zijn verwijzingen naar allerlei straten waar men domweg gelukkig kan zijn, zoals de Pekelharingstraat, de Javastraat of de Weverstraat, maar men kan ook domweg gelukkig op het platteland zijn, of met twee keer modaal, een gevangen kauw of een schaduwtuin. De zoekopdracht 'Domweg gelukkig' geeft 129.000 hits, dus kies maar uit.

De kans is  groot dat u in de komende weken ergens zult lezen dat iemand 'Domweg gelukkig' is. Dan is het weer tijd om even terug te denken aan J.C. Bloem.



zaterdag 20 april 2013

Laura

Over het koningslied/kroningslied is ophef, vanwege de kwaliteit van de tekst. Dat verbaast me. De meeste Nederlandstalige liedteksten zijn beroerd. Acda en De Munnik kwamen ooit op nummer 2 in de Top 40 met een lied waarin prominent een foutieve samentrekking staat: 'Ik ben mezelf niet of al die jaren nooit geweest'. Het lied stond tweeëntwintig weken in de top 40, waarvan veertien weken in de top 10, waarvan negen weken in de top 5. En er zijn meer, veel meer voorbeelden.

Eind december 2010 schreef ik onderstaande tekst, nadat ik overvallen was door een lied van Jan Smit.


In deze dagen luister ik met tussenpozen naar de top 2000. Ik hoor er oude bekenden voorbijkomen, maar ook nummers die ik helemaal niet kende. Een van die nummes is Laura, van Jan Smit. Het staat bij de beste 800, dus er zullen veel mensen op gestemd hebben.

Dit pareltje was geheel aan mij voorbijgegaan. Als je gisteren aan mij gevraagd zou hebben waarover het lied gaat, zou ik het je niet kunnen zeggen. Als je het mij nu vraagt, dan kan ik antwoorden dat, tja, nou ja, dat het lied over Laura gaat.

Wacht, ik zoek de tekst even voor je op. Er blijken heel veel punten in te staan...
Kijk... ze lacht zonder gevoel
Een onbereikbaar doel...wordt er toch nog naar gestreefd..
Ik weet niet of je kunt zien of iemand zonder gevoel lacht. Misschien wel. In ieder geval had de tekstschrijver dat woord 'Kijk' nodig. Later begint hij zinnen met 'Ruik' , 'Proef' en 'Hoor'. Wie die tekstschrijver is, kan ik overigens niet vinden. De man of vrouw wenst blijkbaar anoniem te blijven.

Maar goed, ze (en dat zal Laura wel zijn) lacht zonder gevoel. Een onbereikbaar doel. Wat is dat doel? Lachen met gevoel? En lacht ze zonder gevoel omdat het doel onbereikbaar is? Het is niet duidelijk. De tekstschrijver geeft ons een losstaand zinsgedeelte en we moeten maar zien wat we ermee doen.

‘Wordt er toch nog naar gestreefd’. Hier zou een vraagteken achter kunnen, waarna we iets krijgen in de betekenis van: wordt er toch nog naar het doel gestreefd, hoewel het onbereikbaar is? Maar misschien is de zin als mededeling bedoeld: het doel is onbereikbaar, maar er wordt toch nog naar gestreefd. Tekstschrijver wenst het in ieder geval niet duidelijk te maken.
Ruik... de geur van grootse moed..
het stroomt toch door haar bloed...maar waarom
Simon Knepper noemde ooit een bundel De geur van Zeeuwse meisjes. Daar kan ik me nog iets bij voorstellen, net als bij de geur van spruitjes, net gebakken brood, zweetsokken, ammoniak, verse mango's of wierook. Maar, help me eens, hoe ruikt grootse moed ook alweer?

Het stroomt door haar bloed. Je verwachtte het niet, maar het stroomt tóch door haar bloed. Wat eigenlijk? Het geur? Of het grootse moed? En waarom? Ja, Tekstschrijver weet het ook niet.

Haar naam is Laura...
Een hele lieve meid...
Als ik in haar ogen kijk ben ik de weg heel even kwijt...

Over dat 'hele lieve' in plaats van 'heel lieve' zeur ik niet. De spreektaal is al lang in onze schrijftaal gedrongen en dat vind ik ook niet zo erg. De ik (voor het gemak noem ik die maar even Jan Smit) is even de weg kwijt als hij in Laura's ogen kijkt. Het zou flauw zijn om te zeggen dat je je ogen ook op de weg moet houden. Maar waarom is hij de weg kwijt? Wat weet hij niet meer? Hij vindt haar lief, maar blijkbaar is hij toch in verwarring. Waarover dan? Ja, ze is wel lief, maar... Nou, zeg het dan! Nee, Tekstschrijver zegt het niet.
Ooh Laura
Een leven vol verdriet... al haar vrienden lopen buiten
Maar voor Laura geldt dat niet...
Wat geldt niet voor Laura? Dat haar vrienden buiten lopen? Je kunt niet zeggen dat buiten lopen niet voor haar geldt. Waarschijnlijk bedoelt Tekstschrijver: al haar vrienden lopen buiten, maar Laura niet. Of voor mijn part: maar Laura wil dat niet. Of: Laura kan dat niet.

Wat zijn dat trouwens voor vrienden die buiten gaan lopen terwijl hun vriendin binnen zit te kniezen? Ze heeft een leven vol verdriet, wat ik wel snap, als je zo alleen wordt gelaten door je vrienden.

Ik begin te vermoeden dat Laura erg ziek is. Maar dan zouden haar vrienden waarschijnlijk wel naar haar omkijken. Of blijven ze buiten omdat Jan Smit bij haar is en maar in haar ogen zit te kijken?

Nu weet ik ook waarom Smit de weg kwijt is. Laura is wel 'een hele lieve meid', maar ja, ze is wel ziek. Om nou met zo iemand iets te beginnen... Het is wel eerlijk, maar ik vind het ook cru.
Proef... de smaak van haar gevecht
Het is zo onterecht, maar daar legt zij zich bij neer....
Ook hier weer: een gevecht kun je natuurlijk niet proeven. Wat is het trouwens voor een gevecht? Het is blijkbaar onterecht. Een onterecht gevecht? Is het onterecht dat Laura dat gevecht moet leveren? Of gaat het inderdaad om ziekte en is het onterecht dat Laura ziek is?

En waarom is dat dan onterecht? Omdat ze 'een hele lieve meid' is? Tekstschrijver vindt misschien wel dat alleen krengen ziek mogen worden. Tja.

Maar ook als het over ziekte gaat: wat voor gevecht voert Laura dan? Meteen in de volgende regel staat dat ze helemaal niet vecht, maar zich erbij neerlegt. Misschien had Jan Smit deze tekst bij zich toen hij bij haar op bezoek kwam. Laura probeerde erachter te komen waarover de tekst gaat. Dat bleek nog een heel gevecht.

Zoiets?
Hoor... de stemmen in haar hoofd... waardoor ze weer gelooft...
maar waarom...
Ik weet dat er mensen zijn die stemmen in hun hoofd hebben. Maar dat die stemmen zo hard klinken dat anderen het kunnen horen, lijkt me nogal sterk.

Vroeger was Laura gelovig. Ze dankte de Heer op haar blote knietjes, zong devote liedekens en riep om de haverklap 'Halleluja!'. Maar ja, je groeit op, vervreemdt van je geloof, gaat de dingen doen die de dominee verbiedt en geniet daarvan.

Maar dan wordt Laura ziek. Ze gaat stemmetjes horen. Stemmetjes in haar hoofd. En prompt wordt ze weer gelovig. 'Maar waarom?' vraagt Tekstschrijver. Ja, als hij, die de tekst heeft geschreven, het al niet weet, hoe kunnen wij het dan weten?
Haar naam is Laura..
Een hele lieve meid...
Als ik in haar ogen kijk ben ik de weg heel even kwijt...
ooh Laura..
Een leven vol verdriet... al haar vrienden lopen buiten
Maar...Voor Laura geldt dat niet...
Een herhaling, maar dat heb je nu eenmaal bij refreinen.
Maar waarom....
Is alles nu voorbij...
Laat het leven je nooit meer vrij...
Wanneer laat het leven je vrij? Je zou kunnen zeggen dat je pas bij de dood vrij van het leven bent. De derde regel uit bovenstaand couplet betekent dan: zul je voor eeuwig moeten blijven leven? Nee toch? Wees maar gerust, mijn kind, dat je de dood wel vindt of dat de dood jou vindt. Zit daar maar niet over in.
Haar naam is Laura...
Een hele lieve meid...
Als ik in haar ogen kijk ben ik de weg heel even kwijt..
Oooh laura...
Een leven vol verdriet... al haar vrienden lopen buiten
Maar... voor Laura geldt dat niet...!
Lied uit. We weten nog niets meer dan in het begin. Er is geen ontwikkeling geweest, er is geen kop, geen staart. Niks, niks, niks.

En toch stemmen mensen op zo’n lied. Met mijn kleine hersentjes (ja, ja, citaat van Johnny van Doorn) kan ik het niet snappen. Blijkbaar hoef je als zanger alleen af en toe op een poster te gaan staan in een onderbroek van C&A om in de top 2000 te komen. We zijn niet meer te redden.


'Laura' stond zestien weken in de Top 40 en reikte tot plaats 7.

Op één puntje van wat ik in 2010 schreef, moet ik terugkomen. Jan Smit zingt niet 'het stroomt toch door haar bloed', maar 'het stroomt nog door haar bloed', hoor ik nu. Ik ging af op deze site. Eén bron is geen bron. 


dinsdag 16 april 2013

Herr Merz



Ach, wat wist ik nou helemaal van Kurt Schwitters? Bij hem moest ik meteen aan Dada denken en aan het feit dat hij tijdens een lezing over Dada in de zaal zat en als een hond blafte. Nog een paar kleine weetjes en dat was het dan wel. Maar nu heb ik Herr Merz van Lars Fiske gelezen en nu weet ik wie Kurt Schwitters is.

Schwitters zal geen gemakkelijk man zijn geweest voor zijn omgeving. Hij maakte bouwsels die waarschijnlijk niemand begreep en noemde dat geen kunst maar Merz. In zijn bouwwerk liet hij witte ratten loslopen, die elektrische lichtjes ontstaken. Maar ze pisten overal, zodat er kortsluiting ontstond.

Fiske volgt Schwitters en zijn ontwikkeling en wij maken het mee. Hoe Schwitters aansluiting zoekt bij expressionisten en dadaïsten. Beroemd is de anekdote over Schwitters en Grosz. Schwitters belt aan bij George Grosz. Deze opent de deur, zegt dat hij Grosz niet is en slaat de deur weer dicht. Schwitters belt een tweede keer aan en zegt: 'En ik ben Schwitters niet'.

In de jaren twintig maakt Schwitters kennis met Theo van Doesburg en toert met hem door Nederland. In 1937 vlucht hij naar Noorwegen en later naar Engeland. Hij overlijdt in 1948.

Fiske vertelt niet alleen hoe het leven van Schwitters verliep. In 2006 reist hij naar plekken waar Schwitters geweest is, om te zien wat er nog van de kunstenaar te vinden is. Het wordt een mooie speurtocht, die je als lezer graag volgt.

Herr Merz is een voorbeeldig boek, niet alleen boeit het van begin tot eind, maar Fiske verantwoordt ook nog eens alles wat hij vertelt: achter in het boek noemt hij bij verschillende tekeningen de bronnen waarop ze gebaseerd zijn.

En dan is er natuurlijk de stijl van tekenen en de vormgeving van de bladzijden, die aangepast zijn aan de tijd en de context van Schwitters. Daarin heeft Fiske zich op verscheidene pagina's weinig gelegen laten liggen aan het traditionele stripverhaal met ingekaderde tekeningen, precies zoals het moet bij een boek over iemand die zich moeilijk in een hokje laat stoppen.

Maar bovenal is Herr Merz een indrukwekkend portret van een gedreven kunstenaar, die zijn hele leven in dienst stelde van Merz, zijn kunst. Een weinig begrepen man, vervuld van ideeën die misschien wel te groot of te particulier waren voor zijn tijd of zijn omgeving. Je voelt op elke bladzijde de betrokkenheid van Fiske bij Schwitters en dat doet weldadig aan.

Wie van beeldromans of beeldbiografieën houdt, mag Herr Merz niet ongelezen laten. Het is een bijzonder boek.









Kleur van geluk


Zomaar een passage uit Kleur van geluk, de nieuwste roman van Thomas Verbogt:
Natuurlijk nam ik vaak afscheid in mijn leven, van mensen, van situaties, van gewoontes misschien, van verwachtingen, van plannen, van vertrouwen dat ik had in iemand of iets, maar ik dacht er nooit over na, hooguit vluchtig. Dat is meteen een probleem dat ik met mijn manier van leven heb: ik ga te vluchtig met alles om, inclusief mezelf. Het is net alsof ik het als tijdverlies beschouw lang stil te staan bij wat me overkomt. Ik ben er niet bang voor, ik heb haast, nerveuze haast, en ik weet niet waarom. Ik begin een hekel aan mijn haast te krijgen, maar kan die niet stoppen. 
Dit is het begin van het hoofdstuk 'Zalig Pasen'. Er lijkt niet zoveel mis mee: helder geschreven, zinnen die prettig lezen. Maar opzienbarend zijn ze bepaald niet, niet qua stijl en zeker niet qua inhoud. Overpeinzinkjes die iedereen wel eens heeft.

Van dat soort overpeinzinkjes staan er wel erg veel Kleur van geluk. Ze vertellen over iets in plaats van het te tonen, vertragen het verhaal en voegen te weinig toe. Op den duur begon ik me er een beetje aan te ergeren en begon ik het gekeutel te vinden.

Er blijft je ook weinig bij van al die mijmeringen, maar dat is toch al een probleem bij Verbogt. Zo heeft hij ook een ongelukkige hand van titels kiezen. Kleur van geluk zal ik als titel waarschijnlijk net zo snel vergeten als Perfecte stilte, Verdwenen tijd of Vroeg licht. Herfst in het oosten staat me daarentegen nog wel bij.

Van de spectaculaire gebeurtenissen moet Verbogt het niet hebben en dat is niet erg. Juist in het weergeven van het kleine is hij wel goed. De hoofdpersoon is een schrijver, die wel wat wegheeft van de auteur. Hij ontmoet een jongen die hij nog van de middelbare school kent. Ze waren zo ongeveer elkaars tegenpolen. Verder ontmoet hij de bejaarde moeder van een meisje dat bij hem op school zat. Moeder zit in een rolstoel en herkent niemand meer. In het verleden had ze bijzondere belangstelling voor de hoofdpersoon.

Dit soort ontmoetingen kan Verbogt goed beschrijven. Er hangt dan altijd een beetje weemoed boven de bladzijden, zonder dat het al te week wordt. Verbogt kan met een glimlach schrijnende dingen vertellen.

Zijn boeken zal ik altijd wel met een zeker genoegen lezen en ook Kleur van geluk vond ik niet vervelend om te lezen. Maar een goed boek is het niet.

maandag 15 april 2013

De grootste truc aller tijden


De meeste schrijvers ontkomen in hun werk niet aan hun autobiografie. Wat ze meegemaakt hebben tijdens hun leven, is ergens in hen opgeslagen en bewust of onbewust komt daar tijdens het schrijven het een en ander van boven. Ik geloof dat het Louis Ferron was die een van zijn personages laat zeggen: 'Zelfs een bloembollencatalogus is nog autobiografisch'.

Theodoor Holman heeft in De grootste truc aller tijden aantoonbaar geput uit zijn eigen leven, maar het boek is geen autobiografie. De hoofdpersoon, Jopie Ising, heeft de oorlog meegemaakt, Holman is in 1953 geboren. De ouders in het boek zullen wellicht overeenkomsten hebben met Holmans ouders, maar ze zijn het niet. Wel wordt er terloops verwezen naar de vrouw van de assistent-resident en dat zou best eens de echte Holmanmoeder kunnen zijn.

In De grootste truc aller tijden worstelt een zoon met zijn vader. Vader heeft gewerkt aan de Birmaspoorlijn en moeder heeft in een Jappenkamp gezeten. Na terugkeer in Nederland ziet vader geen andere kans om in zijn levensonderhoud te voorzien dan als goochelaar en later als bedenker van goocheltrucs. Hij treedt op onder pseudoniemen als Indra Bobo, Wong Tong of Johan Karnemelk en woont in 'Het huis van de magische zeewind'.

Jopie vindt zijn vader een goochelaar van niks. En eigenlijk ook een vader van niks. Op een gegeven moment verdwijnt hij zelfs en geeft af en toe tekenen van leven door bijvoorbeeld filmpjes te sturen. Als Jopie zijn opleiding heeft afgerond en gepromoveerd is, gaat hij, met zijn proefschrift in de hand, vader opzoeken. Het deed me denken aan de beroemde confrontatiescène in Karakter. Alleen heeft Jopies vader zijn zoon niet tegengewerkt. Of meegewerkt. Jopie voelt zich superieur aan zijn vader en tegelijkertijd verafschuwt hij dat gevoel bij zichzelf.

De grootste truc aller tijden is een heel aardig boek, waarin je Jopies geworstel meebeleeft. Als vader en zoon eindelijk samen zijn, schrijft Holman: 'Hij kwam naast me staan. We waren precies even groot.' Dat is het moment waarop er iets vergelijkbaars is tussen vader en zoon. Het moment waarop vader zo groot is, dat je hem aan kunt kijken. Een ontroerend moment en Holman houdt het mooi klein.

Vader Ising werkt zijn leven lang aan 'de grootste truc aller tijden'. In het begin van het boek wordt de doodskist van vader geopend en zal de zoon eindelijk getuige zijn van die grote truc. Vader had zich over trucs al uitgebreid uitgelaten. De oorlog was de slechtste truc aller tijden, vond hij: 'oorlog is het totale gebrek aan elke vorm van illusie.' De beste truc was God ('De beste die ik ken. Die had ik willen bedenken') En het dichtst bij God komt geld: 'Dat is zo mooi. Dat is eigenlijk God. (...) Als je geld hebt, ben je God.' En zou de zoon van de magiër getuige zijn van een grote verdwijntruc. Aan het eind van het boek lezen we wat die truc is.

De grootste truc aller tijden is geen grootse roman, maar het boek is heel behoorlijk geschreven en zit aardig in elkaar. De schrijver hoeft zich er bepaald niet voor te schamen.