maandag 16 februari 2026

The Mythmakers, De wonderlijke vriendschap tussen C.S. Lewis & J.R.R. Tolkien (John Hendrix)

Eigenlijk ben ik niet de meest geschikte persoon om een bespreking te wijden aan The Mythmakers van John Hendrix. Het boek gaat over de vriendschap tussen Tolkien en C.S. Lewis De eerste is bekend van In de ban van de ring en De Hobbit en de tweede van De kronieken van Narnia. Waarschijnlijk weet iedereen ongeveer waarover die boeken gaan, al is het maar door het kijken naar de verfilmingen en er zullen ook wel prentenboeken van zijn of andere bewerkingen. 

Eerlijk gezegd heb ik wel enkele van de films gezien en heb ik ook wel wat over de boeken gelezen, maar ik heb de boeken zelf nooit gelezen. En de films vond ik best aardig, maar ik ben ook niet een heel grote liefhebber van het genre. 

Stripvorm

Toch was ik wel meteen geïnteresseerd toen ik las dat het boek The Mythmakers in het Nederlands verscheen. Het is een boek over de vriendschap tussen Tolkien en Lewis en daar wist ik helemaal niets van af. Ik had er zelfs geen idee van dat die twee elkaar kenden. Maar nog belangrijker is: voor een deel wordt het verhaal verteld in de vorm van een strip. 

Een deel is in proza, maar die prozagedeelten zijn wel rijk (en leuk) geïllustreerd en een deel is helemaal in stripvorm. Verder is de vorm heel origineel. In het begin hebben we twee vertellers: een leeuw en een tovenaar, met wie we als lezer op stap gaan. Er zijn allerlei deuren waaruit ze kunnen kiezen en dan kom je in het verhaal van de vriendschap terecht. Dat wordt redelijk chronologisch verteld, maar je hebt op verschillende momenten de mogelijkheid om door een deur in een portaal terecht te komen, waarin de hoofdpersonen een wasbeer en een distel zijn die ons meenemen door een stripverhaal. In die portalen worden begrippen als mythe, epos en sprookje uitgediept. Die stukjes staan achter in het boek. 

Je kunt het boek ook gewoon bladzij voor bladzij lezen, maar dat je heen en weer kunt bladeren (en daarbij toch de weg niet kwijtraakt), is wel een heel aantrekkelijke vorm. Het geeft een zekere speelsheid aan de opzet. 

Oorlog

Als Lewis (ook Jack genoemd) en Tolkien (ook Ronald of Tollers genoemd) elkaar ontmoeten, hebben ze al een deel van hun leven achter de rug. Daarin speelt de Eerste Wereldoorlog een rol. Tolkien is geboren in 1892, Lewis in 1898 (ze hadden mijn grootouders kunnen zijn). Ze hebben niet alleen de Grote Oorlog bewust meegemaakt, maar ze hebben er ook aan deelgenomen. Het was niet de eerste keer dat ze met de dood geconfronteerd werden. Beiden waren hun moeder al verloren. 

Lewis die altijd veel twijfels heeft gehad bij het begrip God, krijgt steeds meer twijfels over zijn twijfel en zal uiteindelijk toetreden tot de Anglicaanse kerk. Tolkien is katholiek. Ze hebben met elkaar te maken in Oxford, waar ze wekelijks bij elkaar komen met een vriendengroep, de Inklings. Die becommentariëren elkaars teksten en jutten op die manier elkaar op. Ze scherpen elkaar. 

Lewis en Tolkien hebben belangstelling voor mythen, sprookjes en volksverhalen, maar dat niet alleen. Ze dagen elkaar uit om te schrijven over tijdreizen en ruimtereizen. 

De ster van Lewis rijst al snel. Hij is bijzonder productief en in de Tweede Wereldoorlog houdt hij voordrachten voor de radio. Tolkien is veel detaillistischer in zijn manier van werken, kan eindeloos schaven aan onderdelen en het zal lang duren voordat hij uiteindelijk In de ban van de ring publiceert. 

Verwijdering

In de loop van de tijd komt er verwijdering tussen de twee schrijvers. Er komt iemand bij de vriendengroep die Tolkien ervaart als concurrent in zijn vriendschap met Lewis en nog weer later zorgt het huwelijk van Lewis voor afstand. Lewis trouwt met een Amerikaanse vrouw, die dat huwelijk nodig heeft om in het Verenigd Koninkrijk te kunnen blijven. Je zou kunnen zeggen dat de liefde van Lewis voor Joy zich pas ontwikkeld heeft toen ze al getrouwd waren en zeker toen bleek dat Joy ernstig ziek was. 

Het probleem was dat Joy een gescheiden vrouw was. Lewis en zij konden een burgerlijk huwelijk aangaan, maar dat kon niet kerkelijk ingezegend worden. Na heel veel tijd is dat uiteindelijk wel gebeurd. Een huwelijk is een ingrijpende gebeurtenis, maar Lewis vertelde niet aan zijn omgeving dat hij getrouwd was en dus ook niet aan Tolkien. 

Zo raakten de twee uit elkaar en werd de vriendschap niet wat die misschien had kunnen worden. Later was de afstand misschien wat minder groot, maar de vriendschap werd nooit meer zoals in het begin.

Sympathie

John Hendrix geeft een mooi beeld van de twee schrijvers. Niet alleen kom je de feiten uit hun leven te weten, maar je krijgt ook een goed beeld van hun persoonlijkheden. Ze worden zo gepresenteerd dat je ze met sympathie beziet en begrip voor ze hebt. De aandacht waarmee ze beschreven (en getekend) worden, verraadt de betrokkenheid van de auteur. 

Dat zie je vooral in het slot als hij in de verbeelding de twee oud-vrienden samenbrengt en hen uit laat spreken wat ze voor elkaar betekend hebben. Dan verschijnt er ineens ook meer kleur in de tekeningen, zodat het verhaal warmer wordt. 

In de rest van het boek is het kleurgebruik vrij sober. De tekeningen staan in dienst van het verhaal en de afwisseling van proza en strips werkt goed. Op beide manieren wordt de geschiedenis van een vriendschap verteld. 

Smetjes

The Mythmakers is vertaald door Daan Savert, die de titel onvertaald liet. Mij is niet helemaal duidelijk waarom, maar misschien waren er contractuele verplichtingen die hem daartoe noopten. In de Nederlandse versie zijn wel een paar foutjes geslopen, waarvan de ernstigste is dat de sterfdatum van Lewis niet klopt: die was niet op 2 november 1963, maar op 22 november van dat jaar. De sprookjes van Grimm krijgen twee verschillende jaartallen (1812 en 1857), een persoon heet de ene keer Morris, de andere keer Morries, maar vooruit, het zijn maar kleine smetjes. 

Ik heb The Mythmakers met veel plezier gelezen en dan behoor ik misschien niet eens tot de doelgroep. Er zijn veel fans van het werk van Lewis en Tolkien en die zullen heel erg genieten van de manier waarop Hendrix laat zien hoe hun ideeën en hun oeuvre zich ontwikkeld hebben. Daarin vind ik hem bijzonder helder. Kenners kunnen beoordelen of het ook allemaal klopt, maar op mij kwam het in ieder geval heel aannemelijk over. 

Het is ook wel heel gepast dat de vriendschap tussen twee originele geesten op zo'n originele manier verteld wordt. Er zijn al heel veel stripbiografieën, waarvan ik er verschillende hier besproken heb, maar zo'n mengvorm van geïllustreerd proza en strips is veel minder gebruikelijk. Door al die tekeningen is het een extra aantrekkelijk boek geworden, dat geschikt is voor een breed lezerspubliek. 

John Hendrix, The Mythmakers. De wonderlijke vriendschap tussen C.S. Lewis & J.R.R. Tolkien. Vertaling: Daan Savert. Uitg. KokBoekencentrum, 2026. 218 blz. € 27,99




donderdag 12 februari 2026

Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma (Anton de Goede)

Het lezen van biografieën trekt mij aan, maar waarom eigenlijk? Mannen van een zekere leeftijd keren zich een beetje af van de fictie en lezen meer non-fictie, heb ik al vaak horen zeggen, maar ik hou nog evenveel van de fictie. Toch lees ik van tijd tot tijd met heel veel plezier een biografie. Onder de bespreking van die van Arthur van Schendel nam ik een lijstje op met recensies die ik van biografieën heb geschreven. Het waren er meer dan ik verwachtte. 

Voor een deel speelt misschien mee dat sommige biografieën gaan over een tijd die ik zelf meegemaakt heb. Ze beschrijven een deel van mijn levenstijd, ze frissen zaken op die ik alweer een beetje kwijt was. Je leest nooit alleen een boek, maar ook jezelf. 

In ieder geval lees ik graag biografieën en ik zou er nog meer willen lezen. Dat moet maar na mijn pensionering. Eerst maar zien dat ik het halve jaar tot die tijd ongeschonden doorkom en dat zal nog lastig genoeg zijn. 

Anton de Goede schreef Een gat in het hoofd; Leven en werk van Heere Heeresma en ik zeg het maar meteen: een boek waar ik erg van genoten heb. 

Leesgeschiedenis

Het werk van Heeresma leerde ik kennen in 1977 toen er jongen in het internaat kwam wonen, Mijndert, die boeken bij zich had die ik nog niet kende: het werk van Nescio, Het zwarte licht van Harry Mulisch en ook Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972). Ik las dat boek en genoot ervan. Het was wonderlijk hoe humor en tragiek samenkwamen in een boek. Ik besloot meer van Heeresma te gaan lezen. 

In 1978 werd ik lid van boekenclub ECI en mocht voor een tientje drie boeken uitzoeken. Als mijn geheugen mij geen loer draait, koos ik voor Heeresma Helemaal (zijn verzamelde verhalen), het boek van Rien Poortvliet over de kabouter en een boek over Escher. 

Die verhalen van Heeresma zijn me steeds bijgebleven. Toen ik docent Nederlands was, heb ik er een stel voorgelezen en ik heb ze ook wel gekopieerd om ze klassikaal te lezen. Helemaal zeker ben ik er niet van, maar ik vermoed dat dat in ieder geval 'Een winkelier keert niet weerom' en 'Meneer Frits en juffrouw Lenie' waren. Intussen had ik andere boeken van Heeresma geleend uit de bibliotheek en de meeste heb ik naderhand ook aangeschaft: Een dagje naar het strand (1962), De vis (1963), Geef die mok eens door, Jet! (1968). Ik heb ook De verloedering van Swieps (1967) en Hip, hip hip voor de Antikrist (1969), maar daar heb ik maar een vage herinnering aan. 

Het gekke is, dat ik er later niet meer toe kwam om Heeresma's werk te lezen. Ik had zeker wel zin in Een jongen uit plan Zuid (2005) en eigenlijk wil ik dat boek (eigenlijk twee boeken) nog steeds lezen. Het is nooit gebeurd. 

Pornopersiflages

Kwam dat doordat Heeresma op een gegeven moment ook porno ging schrijven? Zelf noemde hij het pornopersiflages. Voor mijn gevoel was hij terechtgekomen in een sector waar ik weinig van verwachtte. Ik weet nog dat een leerling (ik ken zijn naam nog), zo'n boek op de lijst wilde zetten. Ik vroeg of hij dat nou wel moest doen en of zo'n boek wel op een literatuurlijst paste. Hij vond van wel en ik wilde het niet verbieden, maar ik zei dat hij op zijn mondeling dan wel uit moest leggen waarom het boek terecht op zijn lijst stond. Het mondeling ging moeizaam en toen ik de kandidaat vroeg waarom waarom Een hete ijssalon (1982) -het kan ook Gelukkige paren zijn geweest- recht had op een plek in de literatuur zei hij dat hij daar niet zo over had nagedacht. Op de enige vraag die hij vooraf al wist, had hij geen antwoord. Ik geloof dat ik hem een drie gegeven heb. 

Maar nu de biografie. De Goede vertelt over het leven van Heere Heeresma, van wie de broers Marcus en Faber ook een zekere bekendheid zouden krijgen. Met Marcus raakte hij ernstig gebrouilleerd en Faber werd niet oud. Waarschijnlijk maakte hij zelf een einde aan zijn leven. De Goede zet de aanwijzingen daarvoor op een rijtje. 

De vader van Heeresma was een soort evangelist, met een eigen tijdschrift, De flambouw. Die vader zal een grote invloed gehad hebben. Ook Heeresma hield zich bezig met het doorvorsen van de Bijbel en hij voelde zich verbonden met het jodendom. In zijn taal klinkt de Bijbel vaak door. Heeresma vond dat zijn aandacht voor de Bijbel onderbelicht is gebleven, maar De Goede maakt er ruimte voor vrij. 

Aanwezige auteur

Een gat in het hoofd is een levendige biografie. Bronnen zitten vaak niet verstopt in voetnoten, maar de auteur beschrijft hoe hij ze spreekt en onder welke omstandigheden. Dat betekent dat De Goede, die lang contact met Heeresma heeft gehad, ook zelf in de biografie aanwezig is. Ik vind dat prettig. Als lezer heb je het idee dat je hem vergezelt op zijn zoektocht naar Heeresma. 

De schrijver moet geen gemakkelijk mens zijn geweest en dat laat De Goede duidelijk zien, maar hij laat hem niet vallen en ook dat vind ik prettig. Hij verbloemt niets, maar praat ook niets goed. En hij heeft een zeker wantrouwen tegenover alles wat Heeresma beweert. Hij weet hoe diens fantasie op hol kan slaan en dat of iets een goed verhaal is voor hem vaak belangrijker is dan of het waar is. 

Heeresma zei dat zijn hele leven zich achter een brandscherm afspeelde en dat hij daar niemand achter liet kijken. Hij deed zijn best om zich af te schermen. Vooral ook van de overheid. Daarom haalde hij zijn zoon van school om hem thuis te onderwijzen, werd hij het liefst contant uitbetaald en waar hij woonde, was bij velen onbekend. Hij had al lang de pensioengerechtigde leeftijd bereikt voordat hij AOW aanvroeg. Toch krijg je door deze biografie de indruk dat je Heeresma zo goed mogelijk hebt leren kennen. 

Bij de mensen in zijn omgeving veroorzaakte Heeresma ongemak en richtte hij schade aan. Hij brak met de dochter uit zijn eerste huwelijk en zijn zoon, Heere Heeresma jr. verbrak het contact met zijn vader na de dood van zijn moeder. Voor de buitenwereld was de schrijver vaak onbereikbaar, maar dat gold wellicht in zekere zin ook voor de mensen die hem na stonden.

Populair

Het werk van Heeresma is ongekend populair geweest. Veel meer dan ik mij ooit gerealiseerd heb. Hij noemde zich de meest verfilmde schrijver van Nederland en De Goede gaat op elk van die verfilmingen in. Een dagje naar het strand werd zelfs twee keer verfilmd. 

Maar op een gegeven moment komt de klad in het werk van Heeresma. Er verschijnt weinig nieuw werk. Pas tegen het eind van zijn leven zal hij weer werk van niveau publiceren: Een jongen uit plan Zuid en Kijk, een drenkeling komt voorbij (2006). Toen hij minder publiceerde, was hij nog wel voor de radio te horen. In 2014 werden transcripties van zijn radiomonologen uitgegeven onder de titel Kaddish voor een buurt

In Een gat in het hoofd doet De Goede zowel de schrijver als zijn werk recht. Hij trekt ook mogelijke lijnen tussen de inhoud van het werk en het leven van Heeresma, maar daarin is hij voorzichtig. Dat lijkt me terecht. 

Boeiend

De biografie boeit van begin tot eind. Ik heb al genoemd dat de auteur ook een persoon binnen het boek is, maar er is meer. De Goede heeft de stof soepel geordend, staat zich zijwegen toe om toch weer feilloos op de hoofdweg terecht te komen en wijst op wat er nog komen gaat. Dat houdt de spanning erin. Zo krijgen we al in het begin van het boek te lezen dat het niet goed is gegaan tussen Heere Heeresma en zijn broer Marcus, maar de toedracht lezen we pas veel later. De hele tijd was ik benieuwd naar wat er tussen hen gebeurd was. 

Heel vaak komen andere mensen aan het woord, die Heeresma meegemaakt hebben en De Goede is gul met zijn citaten. Hij drukt een interview af dat niet eerder in druk is verschenen of citeert een complete recensie. Het werkt allemaal goed. Je leest het leven van iemand over wie gepraat wordt, over wie anderen iets vertellen, maar die ook veel te raden overlaat. 

In Een gat in het hoofd is natuurlijk een fotokatern opgenomen en aan het eind is er een handig namenregister. Nu wel met bladzijnummers. Heeresma hield dat tegen bij Vlieg vogel vlieg met me mee tralala.

Wie werk van Heeresma wil lezen heeft tegenwoordig Heeresma houdmaar tot zijn beschikking, een van de mooie dundrukboekjes die verschijnen bij uitgeverij Van Oorschot. Eerlijk gezegd heb ik het niet gelezen, omdat ik vermoedde dat er veel in zou staan wat ik al kende. Dat had ik natuurlijk wel moeten controleren. Maar dat kan ik alsnog doen. 

Naast geschreven heeft Heeresma ook veel gesproken, als een soort dagsluiter op de radio. Ik meen gelezen te hebben dat daarmee ook nog iets gebeurt, maar nu ik het zoek kan ik het niet vinden. 

Het is mooi dat een markante schrijver als Heeresma een goede biografie heeft gekregen. Zijn werk verdient herlezing of een nieuw publiek. Niet alles is goed, maar wel is alles helemaal Heeresma en kun je van een groot deel van zijn werk genieten. 

Anton de Goede, Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma. Uitg. De Arbeiderspers, 2025. 520 blz. € 34,99 (gebonden, stofomslag)

woensdag 11 februari 2026

Volgen

Deze week kreeg ik een aardige mail van een aardig iemand over een oude blogpost, die over Gekleurd grijs, over Gerard Bilders, en over Kneppelhout. Het boek staat mij nog heel goed bij en een maand geleden zag ik nog schilderijen van Bilders (en zijn vader) op een expositie in Nunspeet. Afgelopen zondag wandelde ik nog in Wolfheze, langs de Wodanseiken, die in de negentiende eeuw veelvuldig zijn geschilderd door de Veluwezoomschilders.

Ik heb een voorliefde voor de negentiende eeuw en als je zoekt in Bunt Blogt vind je daar allerlei bijdragen over die tijd, van die over Waarheid en droomen (Jonathan) of De kiesvereeniging van Stellendijk (Lodewijk Mulder) tot de Dichterlijke nalatenschap (E.A. Borger) en de biografie van Jacob van Lennep. Als je die stukken zoekt, vind je ze wel. 

De mailschrijfster vroeg mij hoe ze mijn weblog kon volgen. Hoe kun je ervoor zorgen dat je een mailtje krijgt als er weer iets op Bunt Blogt verschenen is. Ik wist het niet. Ik heb een leeslijst, van weblogs die ik ooit wilde volgen en ook wel gevolgd heb, maar eerlijk gezegd doe ik daar niet veel meer mee. 

Maar jij weet wellicht hoe dat op een eenvoudige manier kan. Zou je dat willen laten weten? Daar help je iemand mee. 

Terwijl ik dit aan het tikken ben, komt er een berichtje van mijn dochter binnen: Cees Nooteboom overleden. Oud geworden en toch nog verscheiden voordat hem de Nobelprijs toegekend werd. Ik zal binnenkort over hem schrijven. 

Als plaatje bij deze blogpost koos ik de omslag van een boek van Wam de Moor. Wordt zijn naam ook weer eens genoemd. Ik las zijn recensies indertijd in De Tijd en ik volgde ooit een cursus bij hem, toen men aan het uitvinden was hoe het vak culturele en kunstzinnige vorming eruit moest gaan zien. 

Gebundelde kritieken - die verschijnen ook niet meer, vermoed ik. Ik kocht ze indertijd: van Tom van Deel, van Carel Peeters en dus ook van Wam de Moor. Hopelijk zijn hun namen nog niet vergeten. 

Door de illustratie lijkt het een beetje of ik oproep om Bunt Blogt te volgen, maar dat is niet de bedoeling. Maar ik zou wel willen weten hoe je een weblog op blogspot volgt, om iemand ter wille te zijn. Alvast bedankt voor je medewerking. 

dinsdag 10 februari 2026

De omloop Het Hoofd

Van sport weet ik vrij weinig, maar ik herinner mij dat er ooit een wielerwedstrijd bestond die 'De omloop Het Volk' heette. Corrigeer me als ik het fout heb, maar volgens mij was (of is) Het Volk een krant. Ik vond de benaming altijd een beetje vreemd. Het was niet De omloop van Het Volk, maar blijkbaar heette De omloop gewoon Het volk. 

Deze weken heb ik meer te kampen met De omloop Het Hoofd: mijn hoofd loopt om. Aan drukte ben ik wel gewend. De weekends hou ik zoveel mogelijk vrij (op een enkele boekbespreking bij de lokale omroep na), maar door de week werk ik de hele dag en vaak ook in de avond. Dat is me meestal goed af gegaan: de ene drukte ontspande van de andere. Maar ik merk dat me dat sinds kort niet meer lukt: het is moeilijk om het overzicht te bewaren en dat levert stress op. 

Ik maak lijstjes die ik moet afvinken en als ik al bezig ben met de opdrachten, schieten mij nog weer andere dingen te binnen die ook nog op het lijstje moeten. Soms raak ik zo'n lijstje in de loop van de dag ook weer kwijt, wat mij diep doet zuchten en voor de derde keer een stapel papieren door doet bladeren. Af en toe word ik overvallen door afspraken die ik over het hoofd heb gezien. 

Op andere momenten staar ik naar mijn scherm, niet meer wetend wat ik ook alweer aan het doen was, waarnaar ik aan het zoeken was. Dan loopt de machinerie even vast. Diep zuchten helpt dan wel eens. 

Gelukkig zijn mijn collega's aardig en begrijpend en ondersteunend. Ook zij hebben het druk, ook zij werken hard. Ze werken op deze plek wat langer en weten beter hoe alle systemen werken. En ze zijn jonger, wat natuurlijk ook scheelt. 

Elke week probeer ik hier drie nieuwe recensies te plaatsen en meestal schrijf ik twee ervan op maandag. Dat is lastig. Als je hoofd de hele tijd vol gezeten heeft van het ene boek, schakelt het lastig over naar het volgende. Bovendien loopt ook mijn maandag vol met andere werkzaamheden. Al verschillende maandagen moet ik halverwege stoppen met het schrijven, omdat ik dan op stagebezoek moet. Vorige week naar Voorthuizen en Barneveld, deze week naar Scherpenzeel. 

Gisteren schreef ik een recensie van de graphic novel Lucien. Ik hoop dat mijn geschrijf niet al te zeer te lijden heeft van mijn volle hoofd, al zal er wel iets van te merken zijn. Over het stuk dat ik schreef over Anja Meulenbelt, vorige week, was ik trouwens tevreden. Gistermiddag ging ik aan de slag met de recensie van Een gat in het hoofd, de biografie die Anton de Goede schreef van Heere Heeresma. Toen ik al een eind was, vond ik het ineens genoeg. 

Ik wist dat ik ook de hele avond bezig zou zijn: een schaakwedstrijd, waarvan ik pas om 00.30 uur thuis was. Ik schoof mijn bureaustoel achteruit en besloot naar de apotheek te wandelen, waar mijn medicijnen voor de komende maanden klaar lagen. Even naar buiten. Dat heeft mij goed gedaan. 

Ook vanavond zal ik niet verder schrijven aan de recensie. Ik was vanochtend om kwart over zeven op mijn werk. Ik had om 17.30 uur nog een stagebezoek en was om 18.30 uur weer thuis. Toen was het wel mooi geweest. Ik zou wat kunnen  lezen, maar lezen is bij mij een rare mengeling van ontspanning en werk. Ik vind meestal dat ik een bepaald aantal bladzijden moet lezen op een dag (want anders kan ik die drie besprekingen niet schrijven). Dus misschien moet ik ook het lezen vanavond maar helemaal laten zitten. 

In ieder geval wilde ik even melden dat er deze week waarschijnlijk wat minder online komt. Volgende week heb ik voorjaarsvakantie, maar die week kan ik nog moeilijk overzien. Op donderdag werk ik gewoon bij 113 en mijn lief en ik gaan waarschijnlijk nog wel even weg, maar dat heb ik nog niet helder. Plannen is sowieso lastig voor me, merk ik. Ik hecht sterk aan mijn papieren agenda. Die geeft me wel wat overzicht. 

Straks zal ik nog even een plaatje bij dit stukje zoeken en dan doe ik even helemaal niks. Op een recensie moet je dan meer even wachten. De eerstvolgende zal die van de biografie van Heere Heeresma zijn en verder lees ik in een boek, gedeeltelijk een strip, over de vriendschap tussen Tolkien en C.S. Lewis (The mythmakers) en in een jeugdboek van Ida Vos. Kijk er maar naar uit en heb geduld. 

maandag 9 februari 2026

Lucien (Rani De Prée)

Lucien draagt het licht in zijn naam, maar hij heeft vooral te strijden met de duisternis. Soms voelt hij een vuur in zich branden en daarna gaat er iemand dood. Er rust een vloek op hem, denkt hij. Hij moet wel een monster zijn. 

Zijn moeder probeert dat uit zijn hoofd te praten en geeft hem een kistje met een soort dobbelstenen met daarop doodskoppen. Op deze manier kan hij de oorzaak van de dood van anderen buiten zichzelf leggen: de stenen bepalen die. Maar Lucien heeft nog een lange weg te gaan. 

De Lucien is de hoofdpersoon van de graphic novel Lucien van Rani De Prée. Na een proloog op een begraafplaats volgen we Lucien, een jongen met een wat armoedig uiterlijk: hij loopt op blote voeten en de onderkant van zijn broekspijpen is gerafeld. Maar misschien is ook wel de boodschap dat hij met zijn blote voeten op de aarde staat. 

Wonderlijke brief

Op een dag komt op een wonderlijke manier een brief bij hem, uit een soort andere werkelijkheid. Juist dan is er een zonsverduistering, waarin de duisternis het lijkt te gaan winnen van het licht. In die tijd moet Lucien aan de slag. 

Hij ontmoet in het paleis Caelesta, de hoedster van de sterren. Maar ook in haar wereld rukt de duisternis op. Zij heeft de hemel in haar naam, maar ook zij moet de duisternis bestrijden. Lucien zal haar vergezellen. 

Je kunt de tocht en de strijd zien als een symbolische tocht, die Lucien nodig heeft om zijn leven op orde te krijgen, als een innerlijke strijd. Maar ook als een kosmische strijd tussen het goed en het kwaad. Ook de noties leven en dood spelen er steeds doorheen. Zo zijn sterren niet alleen hemellichamen, maar staan ze ook voor de levens van overleden mensen. Het boek gaat ook over dealen met de sterfelijkheid. Daarin gaat het niet om de eigen sterfelijkheid, maar ook die van de geliefden, bijvoorbeeld de moeder van Lucien. 

Epiloog

Net als de proloog speelt de epiloog van Lucien zich af op een begraafplaats. Maar nu is er geen angst, maar juist rust en de kleuren die gebruikt worden, geven iets vredigs aan het geheel. De strijd is voorbij. 

Wat de kern van Lucien is, is lastig uit te leggen. Waarschijnlijk wilde De Prée het mysterie intact laten en ze heeft er vooral in symbolen over verteld, maar het geeft het boek ook iets vaags. Dat heeft natuurlijk ook een voordeel: je kunt je interpretaties bijna de vrije loop laten. Maar eigenlijk had ik wel wat meer helderheid gewild. Het verhaal blijft voor mijn gevoel nogal zweverig en daarin had ik wat meer stevigheid wel op prijs gesteld. 

Vertelplezier

Aan de andere kant merk je ook wel het vertelplezier. Het verteltempo is vrij laag, maar dat stoorde mij niet zo erg, omdat er in de verschillende passages wel een aangename intensiteit zit. Het geworstel van Lucien speelt zich af op existentieel niveau en misschien zou daar geen recht aan gedaan zijn als de ontwikkelingen zich sneller hadden afgespeeld. 

De Prée heeft een bijzondere manier van tekenen: de verschillende tekeningen hebben geen kaders en er wordt geen inkt gebruikt bij de omlijning van de verhaalfiguren. Passend bij de inhoud van het verhaal wordt er veel gewerkt met licht (en vooral ook) donker, wat heel bepalend is voor de sfeer van het boek. Na zoveel donkerheid, ben je ook wel toe aan de kleurrijkheid van de epiloog. 

Lucien is het debuut van Rani De Prée en het is een intrigerend boek. Ik ben benieuwd welke wegen De Prée nog gaat bewandelen. Het is een bijzonder verhaal, maar de indruk die Lucien bij me nalaat is toch meer 'interessant' dan 'goed'. Ik denk dat het boek had kunnen winnen bij een strakker scenario en bij meer helderheid. Maar misschien was dit boek er dan niet geweest en dat zou toch ook jammer zijn. 

Titel: Lucien
Tekst en tekeningen: Rani De Prée
Uitgever: MENLU
2026, 208 blz. € 29,99 (hardcover)

vrijdag 6 februari 2026

Afgestoft: Dit is alles (Aidan Chambers)

Wat was het eerste boek dat ik van Aidan Chambers gelezen heb? Helemaal zeker weet ik het niet, maar ik vermoed dat Tirannen (1986) is geweest, een boek over pesters. Ik was toen docent op een mavo en beheerde daar ook de biliotheek. Eigenlijk las ik zo'n beetje alles wat ik nieuw aanschafte en Tirannen was een van die boeken. 

Mogelijk, maar ik moet enkele slagen om de arm houden, las ik daarna Het geheim van de grot, dat een jaar eerder was uitgekomen. Ook een aardig jeugdboek, maar ik was pas echt onder de indruk toen ik Nu weet ik het (1990) gelezen had. Daarna heb ik nog veel meer boeken van hem gelezen en volgens mij heb ik hier in huis nog ergens Verleden week (1979) ongelezen liggen. 

Over het dikke boek Alles is anders schreef ik in Liter nummer 52, jaargang 11 (2008). Over Nu weet ik het heb ik ook in Liter geschreven. Dat stukje zal ik nog een keer afstoffen. 



Een hoofdkussenboek


Volgens Ivan Morris is een hoofdkussenboek ‘een dagboek, of verzameling dagboeken, bewaard op een veilige, min of meer geheime plek, waarin van tijd tot tijd indrukken worden genoteerd, dagelijkse gebeurtenissen, gedichten, brieven, verhalen, ideeën, beschrijvingen van mensen, etc.’ Deze Morris, die mij verder onbekend is, noteerde dat naar aanleiding van Het hoofdkussenboek van Sei Shÿnagon (begin elfde eeuw), dat mij ook onbekend was, maar dat blijkt te gaan over wat Shÿnagon aan het hof beleefde.

Aidan Chambers noteert het citaat van Morris aan het begin van zijn dikke boek (bijna achthonderd pagina's) Dit is alles en dat is wel begrijpelijk. Het boek heeft immers als ondertitel Het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn. Zo'n ondertitel lijkt een vrijbrief om van een boek een allegaartje te maken en misschien is het dat voor een deel ook wel geworden, maar wie eerder werk van Chambers heeft gelezen, weet dat hij zijn boeken altijd zorgvuldig opbouwt.

Dit is alles (vertaald door Annelies Jorna, Querido, Amsterdam 2007, 784 blz., €27,90) is bedoeld als sluitstuk van de cyclus Dance sequence, die bestaat uit Verleden week (1979, 1990), Je moet dansen op mijn graf 1985), Nu weet ik het (1990), De tolbrug (1993) en Niets is wat het lijkt (2000). Pas bij het tweede boek besloot Chambers dat hij een serie ging schrijven. De boeken moesten elkaar opvolgen, maar ze moesten ook op zichzelf kunnen staan, zoals dansen die elkaar opvolgen.

Chambers' boeken zijn bedoeld voor de oudere jeugd, zo ongeveer van vijftien jaar en ouder, maar een goed is boek is natuurlijk voor alle leeftijden. In elk boek leven we mee met een jongere, dus iemand die opgroeit en met de problemen van dat opgroeien te maken krijgt. Mij sprak vooral Nu weet ik het aan, een boek waarin de spanning tussen rationeel denken en geloof verkend wordt. De hoofdpersoon Nik, die aanvankelijk niets van het geloof afweet, bekeert zich, maar wordt niet gelovig. In de andere boeken schrijft Chambers over lichamelijke en zintuiglijke waarnemingen, emotie en obsessie, het herkennen van vriendschap en het verkennen van grenzen. Terwijl ik dit schrijf, besef ik hoezeer ik Chambers tekort doe door zijn boeken terug te brengen tot een thema.

In Dit is alles moeten al die thema's samenkomen en dat doen ze ook. Het is voor het eerst in deze serie dat Chambers het verhaal vertelt vanuit een vrouwelijke hoofdpersoon, Cordelia Kenn, bijna twintig jaar oud, die zwanger is en het hoofdkusssenboek schrijft voor haar nog ongeboren dochter. Ze wil haar het boek overhandigen als ze zestien is, zodat moeder en dochter min of meer tegelijk volwassen kunnen worden: moeder zal in het boek immers net zo oud zijn als de dochter in werkelijkheid is.

Of het Chambers gelukt is een jonge vrouw realistisch te tekenen, zou eigenlijk beoordeeld moeten worden door een vrouw. Op mij komt Cordelia in ieder geval als geloofwaardig over.

Dit is alles bestaat uit zes boeken, die als titel aanduidingen hebben als ‘De rode kussendoos’, ‘De groene kussendoos’ enzovoort, waarmee ze verwijzen naar de dozen waarin Cordelia haar aantekeningen bewaart. Die verschillende boeken (ik zal voor het gemak de aanduiding ‘hoofdstukken’ gebruiken) verschillen onderling van opzet. Van het tweede hoofdstuk zijn de rechterpagina's als één doorlopend verhaal te lezen en de linkerpagina's ook, zodat je steeds moet kiezen: lees ik de ene verhaallijn eerst en daarna de andere, of wissel ik het af. In het vierde hoofdstuk verwijzen onderhoofdstukjes naar elkaar. Soms staat aan het einde van zo'n stukje waar je het vervolg kunt lezen. Het kan ook zijn dat je dat al gelezen hebt, omdat het eerder in het boek opgenomen is. In het laatste hoofdstuk wordt steeds de aanduiding ‘Scène’ gebruikt, alsof het over een toneelstuk gaat.

Hierdoor is Dit is alles een boek waarin je als lezer vrijheid hebt. Het is prettig om een beetje aan te kunnen rommelen, terwijl je toch het idee hebt dat de schrijver op de achtergrond greep op je leesgedrag heeft.

Cordelia wandelt in dit boek op het pad van de liefde, al is het aanvankelijk helemaal niet haar bedoeling om dat pad op te gaan. In een tijdschrift over het seksleven van jongeren heeft ze gelezen dat het gemiddelde meisje voor het eerst seks heeft op een leeftijd van zestien jaar en drie maanden en omdat Cordelia niet doorsnee wil zijn, besluit ze dat ze met een jongen naar bed geweest moet zijn voordat ze die leeftijd bereikt. Ze kiest daarom uit een handje gegadigden Will (William Blacklin) als jongen met wie ze ‘alles onthullende, alles omvattende seks’ wil. Ze had gehoopt dat hij meer ervaren was dan zij, maar dat valt tegen. Wel wordt ze verliefd op hem en deze liefde blijkt hun beider leven nogal te compliceren.

Cordelia's vader zou misschien een voorbeeldfiguur kunnen zijn, maar hij is dat niet. Sinds zijn vrouw is overleden, heeft hij af en toe een vriendin, maar enige stabiliteit zit er niet in deze verhoudingen. Wanneer hij toch een vaste relatie opbouwt met een vrouw, is dat met Cordelia's vertrouwenstante Doris, iemand die ze eerst min of meer voor zichzelf had en die ze nu kwijtraakt.

Cordelia heeft wel een soort mentrix, die gaandeweg haar vriendin wordt. Het is Julie, die we nog als jongere kennen uit het boek Nu weet ik het, waar ze een tijdje optrekt met hoofdpersoon Nik. Julie is lerares Engels en doet ook wat denken aan meneer Osborn uit Je moet dansen op mijn graf: een wijze volwassene, die raad geeft, zonder daarbij zijn wil op te leggen. Julie zet Cordelia aan het nadenken over wie ze is en wat ze betekent. Ze doet dat naar aanleiding van een gedicht van Veronica Forrest-Thomson dat ‘Cordelia’ heet. Een gedicht moet niet iets betekenen, maar iets zijn volgens Forrest-Thomson en Cordelia komt na lang nadenken tot de conclusie dat ze betekent wat ze is. De reactie van haar lerares: ‘Heel slim, Cordelia. Nu moet je nog bewijzen dat het waar is wat je zegt.’

Chambers houdt van overpeinzingen en Cordelia is dan ook een meisje dat graag de dingen op een rijtje zet. Van mij mocht dan het verhaal wel weer gewoon verder gaan, omdat personages immers niet alleen en misschien wel niet in de eerste plaats getypeerd worden door wat ze denken, maar vooral ook door hoe ze handelen.

Gelukkig kan Chambers ook de lezer meeslepen door het verhaal, dat soms uitgesproken spannend is, bijvoorbeeld wanneer Cordelia in de macht is van de gewelddadige Cal.

Toch werd al het gereflecteer mij wel eens wat veel en ook de lijstjes die Cordelia opstelt (mooie spreuken, citaten, eisen waaraan mijn geliefde moet voldoen, vreemde uitdrukkingen met het woord ‘ogen’) verveelden mij wel eens. Nog erger waren de gedichten, die Cordelia dan wel bescheiden ‘dichtsels’ noemt, maar die toch maar in het boek opgenomen zijn.

Ach, het zijn maar smetjes. Dit is alles is een gedurfd en rijk boek en Cordelia is een eigenzinnige jonge vrouw die van mij best een plaatsje in de literatuur mag hebben.

donderdag 5 februari 2026

Een kleine moeite (Anja Meulenbelt)

Het is me tot nu toe gelukt, hier drie nieuwe recensies in de week te plaatsen, maar mijn weken en mijn hoofd lopen vol van alle drukte en ik lees in gestolen uren. Dan weet je dat maar alvast als ik straks wellicht moet terugschakelen. Dat ik tussendoor ook af en toe een wat minder dik boek lees, helpt natuurlijk wel. 

Zo'n minder dik boek is Een kleine moeite (1985) van Anja Meulenbelt (128 bladzijden). Meulenbelt krijgt de P.C. Hooftprijs voor essayistiek en het is voor het eerst dat een vrouw die krijgt. Dat niet eerder een vrouw die prijs kreeg is toch wel verwonderlijk. Nee, ook Annie Romein-Verschoor of Renate Rubinstein niet. 

Toen ik hoorde dat het oeuvre van Meulenbelt bekroond zou worden, schaamde ik me wel een beetje: ik had nooit wat van haar gelezen. Wel heb ik met heel veel interesse geluisterd naar interviews met haar, wel wist ik welke rol ze gespeeld heeft in de vrouwenemancipatie, wel kende ik titels als De schaamte voorbij (1976), Kleine voeten, grote voeten (1982) en Alba (1984), maar daar hield het ook wel een beetje mee op. 

Zo rond 1980 begon ik de literatuur intensief te volgen. Elke zaterdag fietste ik naar de boekhandel die voor mij de kranten met de boekenbijlages apart hield en ik las alles. Al die recensies knipte ik uit en ordende ik op een kaartsysteem. De romans van Meulenbelt kregen (voor zover mijn geheugen mij niet bedriegt) kritieken die niet zo lovend waren. Maar misschien waren al die critici mannen, dacht ik, dat kan ook meespelen. Maar op DBNL las ik een recensie van Elsbeth Etty in Vrij Nederland en die was ook niet positief. Ongetwijfeld heb ik indertijd ook die bespreking gelezen. 

Mijn indruk was in ieder geval dat het werk van Meulenbelt literair niet zoveel voorstelde. Helemaal reconstrueren kan ik het niet, want waarom beluisterde ik dan wel interviews met haar? Misschien toch vanwege die essayistische kant. 

Moeder en dochter

Maar goed, nu heb ik de roman Een kleine moeite gelezen. Eigenlijk is het geen roman: de hoofdpersoon heet Anja Meulenbelt en ze heeft het boek De schaamte voorbij geschreven. Het boek gaat over de hoofdpersoon en haar moeder en ik neem dan toch maar de vrijheid om te schrijven dat het over de schrijfster en haar moeder gaat. Waarom ze dan toch dit boek een roman noemt? Misschien om zich in te dekken en om de vrijheid te hebben toch hier en daar wat te verzinnen, misschien ook omdat ze hoopt dat het toch leest als een roman. 

Ik zwenkte tijdens het lezen een beetje heen en weer. Een kleine moeite vertelt ook wel een verhaal. Over een moeizame relatie tussen een schrijfster en haar moeder, die ziek wordt en overlijdt, maar er staan ook stukken in waarin Meulenbelt observerend terugkijkt, naar bijvoorbeeld de vrouwenbeweging. 

Bij een passage zette ik meteen een streepje en achteraf las ik dat Etty die passage ook noemt:

Als er iets is dat mij tot het feminisme dreef, dan is het niet eens de mannenhaat, die is van later datum, maar de haat tegen het soort mens dat mijn moeder was geworden en het vaste voornemen dat ik deelde met zoveel vroege feministen: niet te worden zoals zij. Die opkomende golf in het begin van de jaren zeventig, dat was een beweging van dochters

Dat lijkt me een belangwekkende opmerking. Als vrouwen opkomen voor hun rechten, wordt misschien wel automatisch aangenomen, door mannen wellicht, dat ze afbreuk doen aan de rechten van de man, maar dat zou zomaar een frame kunnen zijn. 

Beknotte vrouw

Meulenbelt werd geboren in 1945, in de laatste oorlogswinter. Haar moeder had de kweekschool voor de oorlog afgerond, maar de oorlog en het gezin kwamen ertussen. 

Ze hoorde bij de naoorlogse generatie vrouwen die van alle kanten werden geïndoctrineerd dat een goede moeder thuis hoorde te zijn als haar kinderen uit school kwamen. 

Ze wordt getekend als een beknotte vrouw. Die ziet dus dat haar dochter zich andere vrijheden veroorlooft dan zij zelf heeft gekund en dat zal mede de relatie tekenen. Die dochter heeft het trouwens niet alleen maar makkelijk, ja, zelfs bij tijden uitgesproken moeilijk. Al op haar zestiende zwanger, van een man die gewelddadig is. Na de scheiding woont ze weer in bij haar ouders, later heeft ze een eigen woonplek. 

De schaamte voorbij

Het grote succes voor de schrijfster Meulenbelt is haar boek De schaamte voorbij, dat veel publiciteit opleverde. Ze had niet aan haar moeder verteld dat het boek was verschenen en zelfs niet dat ze een boek aan het schrijven was. Moeder moest van tennisvriendinnen horen wat haar dochter allemaal geschreven had, ook over haar. Moeder schafte het boek dus aan en stond op een dag bij Meulenbelt op de stoep, met het boek waarin overal briefjes als bladwijzertjes gestoken waren en een fles sherry. Er moest wel over het een en ander gepraat worden. 

Meulenbelt zet zich aan de ene kant af tegen haar moeder, want ze wil niet net als haar worden. Aan de andere kant volgt ze ook haar voorbeeld en doet ze hetzelfde:

Zwanger worden. Trouwen. Dezelfde valkuil waar zij ook was ingetrapt. Waarom heb je dat met je laten gebeuren, verwijt ik haar. Waarom heb je het met mij laten gebeuren, verwijt ik haar nog meer. 

Wat mij dan meteen weer treft: Moeder heeft op kostschool gezeten in Zetten, een dorp in de buurt waarvan ik opgroeide. En daar las ik ook over in de biografie van Arthur van Schendel: ook de oudste dochter van zijn tweede vrouw ging in Zetten naar kostschool. Het is in Een kleine moeite niet een belangrijk detail, maar het viel me op. 

Herkenning

Waarom het dan toch verteld verteld wordt: moeder heeft namelijk ook aantekeningen gemaakt over haar leven. In haar kostschooltijd hield ze een dagboek bij. Bij het lezen ervan herkent Meulenbelt ook zichzelf. 

Ze is eenzaam. Ze heeft vaak buikpijn. Ze heeft een hekel aan zichzelf. 'Ik moet leren om meer toe te geven', schrijft ze. Het zijn bijna letterlijk de woorden die ik schreef in mijn dagboek, toen ik net getouwd was, net zo oud als zij toen. 

In Een kleine moeite is er zeker begrip voor de moeder, waarschijnlijk pas met terugwerkende kracht, voor de positie van de moeder. 

Ik wil me niet alleen maar beklagen over mijn moeder. Ze deed wat ze kon, wat de tijd haar voorschreef. Als kind zien we dat niet, dat onze moeders geen almacht hebben maar leven binnen begrenzingen die ze zelf niet hebben gekozen, zich moeten houden aan regels die zelf niet hebben gemaakt. 

Meulenbelt heeft zich afgezet tegen haar moeder, wilde een heel ander leven leiden dan haar welgestelde moeder, die zich binnen grenzen had laten duwen. En ze zag ook hoe moeder afstand nam van de manier waarop haar dochter leefde. 

Ik woonde in een commune. Mijn moeder was er eens op bezoek geweest. Ik zie nog hoe ze zonder er bij na te denken de bank afklopte voordat ze ging zitten en na een blik verzameling kopjes met barsten, zonder oren, en geen twee hetzelfde, het aanbod van een kopje thee afsloeg. Haar handtas op haar schoot met haar handen eromheen gevouwen, knieën bij elkaar, op het puntje van de bank gezeten, met haar rug recht. Alsof ze bang was dat er iets besmettelijks in de lucht hing. Klaar om te vluchten. 

Dat is scherp geobserveerd. En goed beschreven. 

Eigen verhaal

Uit de gesprekken tussen moeder en dochter blijkt dat ieder verder geleefd heeft met een eigen verhaal. Wat moeder haar dochter aandeed (bijvoorbeeld opsluiten in een donkere wc) heeft haar geheugen niet vastgehouden, terwijl het voor de dochter wel belangrijk is geweest. Ergens is er iets mis gegaan tussen die twee. 

Dat wordt ook tussen hen uitgesproken:

In de moeilijkste periode in ons leven hebben we niks aan elkaar gehad. Ik heb je nooit gezegd hoe alleen ik ben geweest, zegt ze. Ik jou ook niet, zeg ik. 

Probeert Meulenbelt met dit boek achteraf de relatie te herstellen? Dat denk ik niet. Wel probeert ze het te begrijpen, probeert ze ook de situatie van de moeder te begrijpen en ik denk dat ze dat met dit boek ook helder heeft gekregen. Er zijn dingen uitgesproken en die hebben waarschijnlijk ook helderheid gebracht, maar ik weet niet of ze echt dichter bij elkaar zijn gekomen en dat is toch een wat verdrietige constatering. Aan de andere kant: zo'n poging tot begrip en daar een heel boek lang de tijd voor nemen, is eigenlijk een daad van liefde. En een manier om te proberen zichzelf te begrijpen. 

Scherpe observaties

Daarin vind ik Anja Meulenbelt goed: scherp zien wat er gebeurd is en wat dat met moeder en dochter heeft gedaan. En dat heeft ze zo opgeschreven dat het heel prettig leest. Is Een kleine moeite daarmee ook een goede roman geworden? Ik weet het niet en ik weet ook niet of ik dat belangrijk vind. Ik heb het in ieder geval met interesse gelezen. Toch meer als een autobiografisch boek dan als een roman, denk ik. 

Nadat ik het bovenstaande had geschreven, ben ik nog even gaan kijken bij Delpher om te zoeken naar recensies (Literom is niet beschikbaar voor mij). Weinig recensies, merk ik. Het boek wordt aangekondigd, er wordt verteld dat het geschreven, maar de aandacht is minder dan ik gedacht had. Eigenlijk vond ik, behalve die van Etty in Vrij Nederland geen serieuze recensie. Blijkbaar werd het werk van Meulenbelt buiten de literatuur geplaatst.  

Interview

Wel krijgt ze een uitgebreid interview in De waarheid (18 januari 1986), door Jelle Jeensma en Henri Krop. Ze gaat ook in op hoe haar werk gerecenseerd wordt. Als er kritiek is op haar stijl, wordt dat nooit concreet gemaakt. Meulenbelt heeft ook het idee dat niet in de eerste plaats haar boeken worden gerecenseerd, maar zij als persoon. 

Ze gaat ook in op de benaming 'Roman' voor boeken als Alba en Een kleine moeite. Daar is ze zelf ook niet helemaal gelukkig mee, maar ze wil onderscheid maken tussen dit soort boeken en haar theoretische werk, zodat mensen niet het verkeerde boek kopen. Aan de andere kant wil ze ook geen strikt onderscheid maken 'tussen fictie en bijvoorbeeld ervaringsboeken en ego-documenten.'

Na het lezen van Een kleine moeite heb ik zin om meer van Meulenbelt te lezen. En dat ik De schaamte voorbij nog niet gelezen is natuurlijk schandalig. Toch eens goed kijken in kringlopen. 

Advertentie in Vrij Nederland, 16 november 1985

woensdag 4 februari 2026

Gevangen in het Oranjehotel. 8 getekende oorlogsverhalen

Dat het Oranjehotel eigenlijk geen hotel was, maar een gevangenis, dat wist ik wel. In de oorlog diende het als Polizeigefängnis, die heel wat mensen herbergde. Maar wat wist ik er verder eigenlijk van? Ik had een paar aflevering beluisterd van Oranjehotel in verzet van Peter de Ruiter en ik heb het voorbij horen komen in verhalen over de oorlog. Maar ik ben er nooit wezen kijken, ik heb me er nooit in verdiept. 

Maar onlangs las ik Gevangen in het Oranjehotel - 8 getekende oorlogsverhalen en nu denk ik: Dat is een plek waar zoveel gebeurd is, daar moet ik toch een keer heen. 

In het boek tekenen acht verschillende striptekenaars een aspect van het Oranjehotel in acht tot twaalf pagina's elk. Bij elk verhaal staat een korte toelichting in proza. Verder is er een voor- en dankwoord van de directeur van NM Oranjehotel Anke van der Laan en een informaties essay van Maia Bijl en Bram Groenteman. 

Beeldvorming

Ze vertellen over borduurwerken die gemaakt zijn in en over het Oranjehotel en die eigenlijk de voorlopers zijn geweest van de stripverhalen. Maar ook over de gevangenen. Na de oorlog ontstond het beeld dat er vooral verzetsstrijders in het Oranjehotel vastgehouden werden, maar er zaten Joden, Sinti, Roma, communisten, vrouwen en kinderen, criminelen en anderen  die in de terugblikken op de oorlogstijd veel minder belangstelling kregen. 

Toch is al heel snel na de oorlog (op 7 juli 1945) een oproep gedaan door een commandant van het voormalige Oranjehotel aan oud-gevangenen om hun ervaringen op te schrijven. Maar hij schiftte wel wat er binnenkwam en bepaalde zo mede het eenzijdige beeld. Met dit boek wordt meer recht gedaan aan de veelkantigheid van het Oranjehotel en van degenen die er verbleven. 

De 'verhalen' zijn getekend door -ik noem ze maar even allemaal- Tânia Alexandra Cardoso, Gemma Plum, Nova de Hoo, Sterric, D'Avellonne van Dijk, Guido van Driel, Jan Vriends en Pieter Brouwer. Achter in het boek zijn korte biografieën van de stripauteurs opgenomen. 

Boodschappen

Als je alle bijdragen achter elkaar leest, merk je dat verschillende keren terugkomt dat er boodschappen werden doorgegeven. Bijvoorbeeld door degenen die het eten ronddeelden, maar ook door de bibliothecaris die boeken verspreidde. Iedereen zat opgesloten, maar er was wel contact. Niet alleen door briefjes of mondeling, maar ook door klopsignalen. Het zijn aspecten die me niet bekend waren. Werden er boeken rondgedeeld? Ja, dus. 

In dit boek is er ook aandacht voor de vrouwen: degenen die het eten rondbrachten, de vrouwen die borduurwerken maakten en zo het leven in het Oranjehotel vastlegden en bijvoorbeeld voor Riet Hoogland, een van de 'gangloopsters' die een dagboek bijhield op stukjes wc-papier, die uiteindelijk als propjes in haar korset buiten het Oranjehotel raakten. 

Voor degenen die geïnteresseerd zijn in wat er in de oorlog gebeurde in deze gevangenis in Scheveningen is Gevangen in het Oranjehotel een informatief en aantrekkelijk boek. Door wat er allemaal verteld wordt, maar ook door de manier waarop. Strips zijn een uitstekende manier om een beeld over te brengen. Er staan ook foto's in het boek, waaruit blijkt dat de striptekenaars echt hun best hebben gedaan om dicht bij de werkelijkheid te blijven. 

Gegen die Wand

Eigenlijk doen alle striptekenaars het goed, maar enkele springen er voor mij uit. Gemma Plum noemt haar strip Gegen die Wand, een titel die de gelijknamige film in herinnering roept. In de strip gaat het om mensen die letterlijk met hun gezicht tegen de muur worden gezet. We gaan als kijker de rij af en bij sommige van de gevangenen blijven we wat langer stilstaan, zoals bij Rudolph Cleveringa, die een protestrede hield tegen het ontslag van zijn Joodse collega's aan de universiteit van Leiden. Verder bijvoorbeeld Ernst Cahn, houder van een ijssalon die een knokploeg op de been bracht en Jacoba Blom - Schuh die wordt opgepakt voor belediging van de Führer. 

Plum tekent sober en schetst goed de historische setting. Maar het best werkt dat je al die gevangenen ziet, op hun rug, met alleen maar een naam, een geboorte- en sterfdatum en kort wat informatie. Aan de ene kant de anonimiteit (we zien het gezicht niet) en tegelijkertijd de persoonlijke aandacht, doordat deze mensen wel allemaal genoemd worden. Ik ben er erg van onder de indruk. 

Zoals gezegd: over elke strip is wel wat goeds te zeggen, ook over die van Nova de Hoo. Maar ik vond sommige personen net te karikaturaal, waardoor ik ze minder serieus nam. En het is verder duidelijk dat De Hoo geen idee heeft hoe een klomp aan een voet zit en ze heeft zeker nooit met klompen gelopen. 

Luikjes

Heel goed ook vind het verhaal van Sterric, waarin de kaders voornamelijk de luikjes zijn in de gevangenisdeuren zijn. Sober getekend, stemmig ingekleurd. Van deze stripmaker las ik ooit De vloek van rood dat me nog niet helemaal overtuigde, maar deze bijdrage, over de bibliothecaris Jentinus van Dijk is gewoon goed. 

Jan Vriends (van De kosmonaut) heeft ook een bijzondere manier gevonden om zijn verhaal te vertellen. We lezen een brief die de gevangene Hendrik de Vries aan zijn 'lieve Jopie en kleine Grietje' schrijft. Terwijl we deze warme en schrijnende brief lezen, zien we op de tekeningen hoe Hendrik de Vries uit zijn cel gehaald wordt en buiten de gevangenis geëxecuteerd wordt. Een indrukwekkend verhaal. 

Pieter Brouwer kan geweldig tekenen en een deel van zijn strip is echt goed. Maar hier en daar kwam het me toch een beetje over als effectbejag, als ik zie hoe getekend is dat een Duitser een deur intrapt en het bevel geeft het huis te doorzoeken. Het perspectief, waarbij de intrappende voet heel groot wordt, met daarbij groot 'Boem', de woede bij het bevel tot doorzoeken van het huis. Het is me allemaal net te. Verderop in het verhaal is hij meer ingehouden en dat lijkt me beter te werken. 

Ik ben niet op elk verhaal ingegaan en daar zit wel een zekere willekeur in. Guido van Driel is ook altijd goed voor sterke strip, D'Avellonne van Dijk heeft een gewaagde kleurstelling en stileert mooi en het openingsverhaal, van Tânia Alexandra Cardoso, laat het gebouw goed tot zijn recht komen, inclusief alle geluiden die het herbergt. 

Gevangen in het Oranjehotel is een informatief, maar ook een indrukwekkend boek. De informatie en strips blijven nog wel een tijdje in je hoofd zitten als je het boek dichtslaat. Het boek is tegelijkertijd uitgegeven in het Nederlands, het Engels en het Duits. 

Gevangen in het Oranjehotel. 8 getekende oorlogsverhalen. Diverse auteurs. Uig. Scratch Books, 2025; 120 blz. € 27,50 (hardcover)

Gemma Plum

D'Avellonne van Dijk



Sterric

Guido van Driel

Jan Vriends

dinsdag 3 februari 2026

Afgestoft: Komrij's canon in 100 gedichten

We hebben veel te danken aan Gerrit Komrij. Natuurlijk vanwege zijn gedichten, zijn kritieken, zijn essays, maar zeker ook vanwege zijn bloemlezingen. Over een van de bloemlezingen schreef ik in nummer 54 van Liter, jrg. 12 (2009). Komrij stelde een canon samen van honderd gedichten en bij elk gedicht schreef hij een stukje. 

Dat heb ik met veel enthousiasme gelezen. In mijn recensie ga ik, zoals bij elke bloemlezing, op de keuze van de gedichten. Ik noem veel titels en beginregels, maar er wordt geen gedicht geciteerd. Dat is toch wel zonde, vind ik nu. 

Verder hou ik deze inleiding kort. Het is druk en ik moeite doen om de tijd te vinden om geregeld bijdragen te leveren. Ik doe mijn best, maar het kost me ook energie om de zaken een beetje op een rijtje te houden. Mocht ik de komende tijd wat minder plaatsen (wat ik zal proberen te voorkomen), dan ligt het daaraan. 


Komrij's canon


Er is geen officiële canon van de Nederlandse poëzie en dat is maar goed ook. Maar er zijn wel gedichten die veel mensen kennen, die blijkbaar de jaren, de decennia of zelfs de eeuwen overleefd hebben en die daarom wellicht tot een soort canon behoren. Je hoeft van deze gedichten de eerste regel maar te declameren of de ogen van de luisteraars lichten op: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’, ‘Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd / in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven’, ‘Mijn moeder is mijn naam vergeten’, ‘Egidius waer bestu bleven’, ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘O krinklende winklende waterding’, ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen’, ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, ‘Hij sprak en zeide / In't zaêl zich wendend’, ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, ‘Denkend aan Holland’, ‘Ambrosia, wat vloeit mij aan’ en er komen nu waarschijnlijk nog veel meer onsterfelijk lijkende regels in u op.

Komrij stelde zijn eigen canon samen in Komrij's canon in 100 gedichten en, inderdaad, al de hierboven genoemde regels komen erin voor. Natuurlijk kent Komrij zijn klassiekers. In het ‘Vooraf’ is hij bescheiden wat betreft de geldigheid van zijn canon. Weliswaar zijn het ‘gedichten die ertoe doen’, maar het is ook ‘de canon van één lezer, gedurende een bepaalde periode en verkerend in een bepaalde gemoedstoestand. Met een andere muts op of in een ander seizoen was er zelfs bij die ene lezer een andere canon uit gerold.’

Als je de Nederlandse poëzie moet indikken tot honderd gedichten, moet er natuurlijk geschrapt worden. Van elke dichter nam Komrij maar één gedicht op en wat moet je dan met dichters die heel veel klassiekers geschreven hebben? Van Hooft kennen we de ‘Gezwinde grijsaard’, maar ook ‘Klaere, wat heeft er uw hartje verlept’, ‘Galathea, ziet den dag komt aan’, ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief, zo sprak mijn lief mij toe’, ‘Lieve lichte Leonoor’ en dan laat ik er nog heel wat ongenoemd. Dat geldt ook voor Vondel: ‘Constantijntje, 't zaligh kijntje’, ‘Waer werd oprechter trouw’, ‘De felle dood die nu geen wit mag zien’, ‘Mijn wens behoede u onverrot’, ‘Wat treurt gij hooggeleerde Vos’, ‘Wanneer dit tijdelijk leven endt’. Kies maar; altijd raak.

Komrij maakte een andere keuze. Van Hooft nam hij ‘Het liedt dat ick te claeghe laat gaen’ op en van Vondel ‘Op het verongelucken van Doctor Roscius’. Is dat erg? Ach, misschien juist wel niet. Toen ik las hoe dokter Roscius samen met zijn vrouw omkwam in het koude water, was Constantijntje ook aanwezig. Het Rosciusgedicht, dat ik daarvoor niet kende, was een extraatje.

Maar Komrij laat wel vaak gedichten ongenoemd die een gemiddelde lezer graag in een canon zou zien. Van Revius krijgen we niet te lezen ‘'t En zijn de joden niet. Heer Jesu die u kruisten’, van Huygens niet ‘Op de dood van Sterre’, van Dèr Mouw niet ‘'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’, van Achterberg niet een van de bekendere, maar ‘Jachtopziener’, van Leo Vroman niet ‘Voor wie dit leest’ of ‘Vrede’, van Lucebert het sonnet ‘Ik / Mij / Ik / Mij’ in plaats van, nou ja, noem maar op, bij Herman de Coninck moeten we het doen met ‘De plek’.

Van Achterberg had de een misschien ‘Reiziger doet Golgotha’ willen lezen, een ander ‘Thebe’ en een derde ‘Werkster’ of ‘Deïsme’, maar ze zullen waarschijnlijk toegeeflijk opmerken: ‘Hij staat er tenminste in’.

Wie er ook in staan, zijn Adriaen Hoffer, Joh. Buma, O.C.F. Hoffham, H. Riemsnijder, J. Kerkert, Alex. Gutteling, Paul Verbruggen, Carel C. Scheefhals, om maar een paar minder bekende dichters te noemen. Maar waar zijn Anna Bijns, Jacob Cats, Hiëronymus van Alphen, Rhijnvis Feith, P.C. Boutens, Jacques Perk, Willem Kloos, Paul van Ostaijen, P.N. van Eijck, Frederik van Eeden, Adriaan Roland Holst, Hans Andreus, C. Buddingh', Rutger Kopland? Waar is het lied van heer Halewijn? Waar zijn de koningskinderen die niet bij elkaar konden komen omdat het water te diep was?

Hoffer wil ik graag ruilen voor ‘De bomen dorren in het laat seizoen’. Riemsnijder voor ‘De tuinman en de dood’, Kerbert voor ‘Ik heb de witte waterlelie lief’ en Scheefhals voor ‘Melopee’.

Voor je het weet, ben je je eigen canon aan het samenstellen, die natuurlijk niet beter is dan die van Komrij, maar anders en het zou me niet verbazen als Komrij er stiekem op hoopt dat veel lezers meteen hun boekenkast gaan nakijken en gedichten gaan opzoeken die hun lief zijn (en die ze misschien toch ook al heel lang niet meer gelezen hebben).

Komrij nam niet alleen de gedichten op, maar gaf er ook commentaar bij, zoals wij dat al kenden uit de bundels In Liefde Bloeyende, Trou Moet Blijcken en Kost en inwoning. Zijn canon is dan ook een bloemlezing uit deze bundels.

In christelijke kring is Komrij wel eens verweten dat hij zo weinig van godsdienst en geloof moet hebben. Uit zijn canon blijkt dat helemaal niet. Niet alleen nam hij als gelovig bekend staande dichters op als Jacobus Revius, Bernard ter Haar, J.J.L. ten Kate, Jacqueline van der Waals en Willem de Mérode, maar ook in de gedichten die hij kiest, gaat hij het geloof bepaald niet uit de weg. Van Cornelis Crul krijgen we een vers uit Den Geestelijcken abc te lezen, van Bredero ‘Wat dat de wereld is, / Dat weet ick al te wis’, van Revius ‘Scheppinge’, van Huygens ‘Paeschen’, van Bilderdijk het gebed ‘Genadig God, die in mijn boezem leest!’ van Beets ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘Het schrijverke’ van Gezelle. Weg met dat vooroordeel dus. Komrij neemt een gedicht op als hij het goed vindt, waarover het dan ook gaat. Of, zoals hij het zelf zegt: ‘Het is met Jezus in de poëzie als met hutspot in de poëzie of met boerenschoenen in de poëzie - als het gedicht goed is, accepteren we elk onderwerp.’

In zijn stukjes over de gedichten benadrukt hij ook verschillende keren dat betekenis niet de essentie van het gedicht is. Het gaat niet om het verhaal of om de emotie, een gedicht is gemaakt van woorden, die een sensatie oproepen, die muziek tot klinken brengen. Tijdens het lezen pakt een gedicht je en daarom is voor Komrij een gedicht ‘vooral een kunstwerk [...] dat zo-en-zoveel seconden duurt.’ En dat een gedicht ons bij de strot grijpt, komt volgens hem niet in de eerste plaats door wat er gezegd wordt (de psalmen zingende moeder in ‘De moeder de vrouw’), maar door de manier waarop dat gezegd wordt.

Hij heeft gelijk, natuurlijk. Er zijn immers genoeg gedichten over psalmen zingende moeders denkbaar die ons volstrekt onberoerd zouden laten. Uiteindelijk wint de vorm het altijd van de inhoud.

Komrij weet veel raaks te zeggen over de door hem gekozen gedichten. En soms (zoals bij ‘De idioot in het bad’) zegt hij nauwelijks iets over het gedicht zelf, maar dwaalt hij fluitend, met de handen in de zakken, over een zijpaadje. Dat moet dan maar.

Na het lezen van dit boek kun je Komrij nauwelijks nog iets kwalijk nemen. Een boek dat zo borrelt van enthousiasme over gedichten hoort bij iedereen prominent op de plank te staan of liever nog op het nachtkastje, op het toilet of in de voortent te liggen.

Eerder schreef ik over:


maandag 2 februari 2026

In besloten kring (Fleur Bourgonje)

Toen het mailtje van de uitgever binnenkwam, schrok ik even. Het onderwerp was: 'Fleur Bourgonje - In besloten kring'. Even schoot het door me heen dat de schrijfster overleden was en dat er in besloten kring afscheid van haar genomen was. Dat was gelukkig niet het geval: In besloten kring is de nieuwe roman van Fleur Bourgonje

De hoofdpersoon is een vrouw die een zaterdag doorbrengt aan het strand: wandelen, wat gebruiken in een strandpaviljoen, de krant lezen. Ze heeft een relatie met een man die gebonden is. De laatste keer dat ze samen waren, hebben ze onenigheid gehad en daarna hebben ze elkaar een tijdje niet gezien. Maar die avond zal hij weer komen. Tenminste - hij houdt nog een slagje om de arm. 

In liefde losgelaten

Dan leest ze in de krant dat hij overleden is. Onder zijn naam staat: 'In liefde losgelaten' en daaronder:

Geheel onverwacht gestorven onze dierbare, zorgzame echtgenoot, vader, schoonvader, grootvader, broer. 
Hij is thuis, alwaar geen bezoek. 
Wij nemen in besloten kring afscheid. 

 De vrouw, zijn minnares, krijgt de schrik van haar leven. Officieel bestaat ze niet in zijn leven, voor de anderen, en nu zal ze niet eens afscheid van hem kunnen leven.

Ze kan alleen maar bezig zijn met wat ze net gelezen heeft. Ze stelt zich voor dat ze toch op bezoek zal gaan in het huis waar de overledene zich bevindt en ze herinnert zich hoe haar geliefde eerder niet goed werd toen ze in een vliegtuig waren gestapt. Hoe hij er weer uit moest en hoe het thuisfront ingelicht moest worden. Hoe zij daarbij een rol heeft gespeeld en meteen weer aan de kant moest gaan staan, zo gauw zijn officiële vrouw in zich kwam. 

De vrouw tobt soms toch al met haar gezondheid en als ze een arts raadpleegt, geeft die haar altijd hetzelfde advies:

een correctie op de levenshouding die vrij, zo vrij mogelijk zou moeten zijn, in ieder geval zonder stress, en zonder angst. Dat vooral, zonder angst. 'Denk niet catastrofaal', zegt hij dan bij haar weggaan. 'Stop met die denkbeeldige rampen, loop er in ieder geval niet op vooruit. Reageer als ze zich voordoen. Maar roep ze niet op.'

Maar nu kan ze niet om de angst heen en het evenwicht is weg uit haar leven. Dat evenwicht was toch al lastig: ze heeft zowel een drang naar vrijheid als naar geborgenheid, maar nu wankelt alles en ze moet zich bezinnen op hoe het nu verder moet. 

Hoe het verhaal afloopt, vertel ik maar even niet. Je moet dus zelf maar lezen of ze inderdaad aan durft te bellen bij het huis van haar geliefde en of ze zich staande kan houden in haar verdriet. 

Stijl

In besloten kring is weer een typisch Bourgonjeboek. In de eerste plaats vanwege de poëtische stijl, de zingende zinnen, waaraan elk boek van haar te herkennen is. Het beschrijven van zaken die later een symbolische lading krijgen, de herhalingen waardoor het verhaal toch vooruit gaat en de nadruk op wat er binnen in het personage gebeurt. Daar speelt zich het werkelijke leven af.

De hoofdpersoon is een buitenstaander. Noodgedwongen. Veel van Bourgonjes personages zijn eenzaten, zowel op zoek naar vrijheid als geborgenheid. Met een hoofd vol herinneringen en verlangens, onzeker over wat er komt en koesterend wat er geweest is. En eigenlijk draaien al haar boeken om de liefde. Dat is zeker ook het geval in In besloten kring

Het mysterie van de liefde

Aan het boek vooraf gaat een citaat van Oscar Wilde: 'The mystery of love is greater than the mystery of death.' Die beide mysteries komen samen in deze roman en ze hebben alles met elkaar te maken. En de vrouw moet er in haar eentje uit zien te komen. De relatie was geheim en zal nu voorgoed geheim blijven.

Na vanavond zal ze voorgoed een geheime verhouding hebben met de herinnering. De herinnering aan hem. 

Hij zal doorleven in andermans verhalen, waarvan zij geen deel zal uitmaken en zij moet haar eigen verhaal op orde krijgen. Ze is schrijfster, dus ze zou er nog over kunnen schrijven, zegt ze tegen zichzelf:

Jij hebt het prijsgeven van de waarheid niet nodig,  jouw leven met hem gaat niemand iets aan, hooguit schrijf je er een verhaal over, alsof het zich in je verbeelding heeft afgespeeld, alsof deze geschiedenis niet jou maar een verzonnen vrouw betreft, een voor iemand met jouw aard en inlevingsvermogen niet moeilijk vorm te geven personage -

Misschien hebben we dat boek wel in handen. Maar het onderscheid tussen wat werkelijkheid is en wat zich in de gedachten van de vrouw afspeelt is moeilijk te maken en misschien is dat ook niet belangrijk. In ieder geval is In besloten kring, weer een mooie steen in het oeuvre dat Fleur Bourgonje al zo lang aan het bouwen is. 

Fleur Bourgonje, In besloten kring. Uitg. Magonia, 2025; 108 blz. € 21,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over ander werk van Fleur Bourgonje.


Op andere plaatsen schreef nog over bijvoorbeeld Labyrint en Stromboli. Die recensies zal ik binnenkort afstoffen. 

vrijdag 30 januari 2026

De complete Brammetje Bram 5: Schatten en katten (Eddy Ryssack)

Het zal de leeftijd wel zijn, maar soms overvalt mij een prettig soort nostalgie. Dan dwaal ik in gedachten rond in huizen die er al niet meer zijn, in gezelschap van mensen die al jaren overleden zijn. Die herinneringen lijken levendiger dan ze ooit waren. Zo herinner ik mij ook nog het genot dat ik beleefde aan sommige boeken, zoals de reeks over Buffalo Bill en ook aan de strips die ik las. 

Aan de strip Brammetje Bram bijvoorbeeld kan ik met weemoed terugdenken. Ik herinner mij ook wel Opa, getekend door dezelfde tekenaar, Eddy Ryssack, maar bij het terugdenken daaraan heb ik dat gevoel niet. Die strip herinner ik mij vooral als grappig. Dat juist Brammetje Bram aansloeg, zal ook wel te maken hebben met de boeken die ik al gelezen had over de Nederlandse schepen die naar de Oost voeren. Die boeken zal ik wellicht niet meer zonder schaamte kunnen herlezen. Hoe mijn gevoel daarover veranderd is, zal ik vertellen als ik schrijf over het boek Koloniale oorlogen in Indonesië van Piet Hagen. Dat duurt nog even, want het is een dik boek en ik ben nog niet halverwege. 

Geen slechte mensen

Brammetje is een jongetje met wie je je gemakkelijk kunt identificeren. Hij is een gewoon mens, met wie niet zoveel mis is. Maar dat niet alleen: ook iemand als Knevel de Killer kun je er goed bij hebben: een ruwe bolster met een blanke pit. Dat maakt Brammetje Bram ook zo gemoedelijk: echt slechte mensen komen er niet in voor. Er wordt flink geknokt, maar er vallen nooit doden en de verhalen lopen nooit slecht af. Het piratenleven is natuurlijk een hard leven, maar je krijgt het idee dat het toch niet zo gek is om bemanningslid te zijn aan boord van De Zeemadelief.

Uitgeverij Arboris heeft al vier delen uitgegeven van De complete Brammetje Bram en bij het verschijnen van deel 4 heb ik op verschillende plaatsen gelezen dat dat het laatste deel zou zijn, maar er is nog een vijfde deel verschenen, met avonturen waarvan een deel nooit in albumvorm is verschenen. 

Pittje Pit

Tegen het einde van de reeks verschenen de avonturen van het scheepsmaatje in het Duits, waar ze gepubliceerd werden in het tijdschrift Zack.  Brammetje Bram het daar overigens Pittje Pit. Het formaat van het blad was kleiner dan we gewend zijn bij gewone albums: pocketformaat. Sommige verhalen zijn al eerder omgemonteerd tot het gebruikelijke formaat, bij andere is dat voor deze uitgave gebeurd. Er zijn aan het eind van de jaren zeventig overigens ook nog verhalen in het Nederlands gepubliceerd, in het blad Wham! dat verscheen tussen 13 februari 1979 en 24 juni 1980. 

In dit vijfde deel staat natuurlijk ook weer een dossier, dat weer heel prettig leest. De scenaristen Hec Leemans en Gilbert Declercq halen herinneringen op aan hun samenwerking met Eddy Ryssack, er is een portret van scenarioschrijver Gerd von Haßler en er is een mooi artikel over Ryssack als animatiefilmer. En alles natuurlijk rijk geïllustreerd. 

Marius weg!

Wat de strips betreft: het zijn zowel korte als lange verhalen. Wat me daarbij meteen opviel: Marius is verdwenen. Wat is er met deze zeebonk gebeurd? In het vierde deel was hij ineens gekleed in een groene trui in plaats van in een rode en nu is hij helemaal verdwenen. Er wordt geen woord aan vuil gemaakt. Wonderlijk. 

De eerste twee korte verhalen, 'Bureaucraten en piraten' en 'De kaperbrief' sluiten op elkaar aan. In het eerste verhaal wordt de bureaucratie op de hak genomen, wat grappig is, maar het verhaal is ook redelijk plotloos. Gelukkig gaat het verder in 'De kaperbrief', maar ook dat heeft niet een heel sterke plot. Daar zou ik bij een andere strip misschien over gevallen zijn, maar ik heb de twee verhalen toch met plezier gelezen. Waarschijnlijk omdat die vertrouwde Brammetje-Bramsfeer wel duidelijk uit de verhalen spreekt. 

In het verhaal 'Het schatteneiland' wordt het toerisme op de korrel genomen. In die zin is het vergelijkbaar met 'Bureaucraten en piraten'. Het lijkt erop alsof over de hoofden van de personages heen commentaar gegeven wordt op ontwikkelingen in de samenleving. Wel weer luchtig, zodat het vermakelijk is. 

Een snuf Duitsland

'Het elixer van Salver Quack' leest als een kort tussendoortje, net als 'De kater van kapitein Knevel' en 'Holiday on ice'. De bundel sluit af met het albumlange Brammetje Bram en de Beieren, dat ik -zeker weten- ooit als album kocht. Ryssack komt daarin tegemoet aan de wens van Zack om een snuf Duitsland aan de verhalen toe te voegen. Ook komen er verschillende historische figuren in voor. 

Niet elk verhaal in dit slotdeel van De complete Brammetje Bram is van topniveau, maar dat heeft mijn leesplezier maar weinig in de weg gestaan. Altijd zijn er kleine grapjes die je laten grijnzen. Al staat er soms op de lange verhaallijn net te weinig spanning, binnen het verhaal zijn er ook altijd korte lijntjes met een goede spanningsboog. 

En tussen de tekeningen zitten werkelijk pareltjes. Zo heb ik lang zitten kijken naar een voorschets van een pagina op pocketformaat. Ik had het idee dat ik over Ryssacks schouder mee mocht kijken. Het was alsof hij net zijn tekenhand even weggehaald had en mij een blik gunde op zijn werk. Prachtig!

Ik heb ooit een stripboekhandelaar wat horen snuiven over Brammetje Bram. Hij snapte niet dat ik dat kocht. Ik heb er geen commentaar op gegeven en heb het maar zo gelaten. Ik vind het alleen maar prachtig alle verhalen verschenen en dat we ze nu allemaal bij elkaar hebben. De delen kunnen naast elkaar in de kast gezet worden, op een plek dat je ze gemakkelijk kunt pakken. 

Reeks: De complete Brammetje Bram
Deel 5: Schatten en katten
Tekeningen: Eddy Ryssack
Uitgeverij:  Arboris, 
2025, 176 blz. € 34,95 (hardcover)

Eerder schreef ik over de andere delen van De complete Brammetje Bram: