dinsdag 20 januari 2026

Afgestoft: De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten (Gerrit Komrij)

De bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten, van Gerrit Komrij staat op een vindbare plaats in mijn boekenkast, naast de andere bloemlezingen van Komrij. En soms grijp ik er zelfs naar. Het stond mij niet meer zo duidelijk bij, maar ik heb erover geschreven in Liter, jaargang 11 nr. 51 (2008). Dat stukje heb ik maar eens afgestoft. 

Wat me nu opvalt is dat een groot deel van de bespreking bestaat uit de vergelijking van het boek van Komrij met de bloemlezing die Anne de Vries maakte uit de kinderpoëzie, Van Alphen tot Zonderland. Ik was ook heel erg bezig met welke gedichten er nu wel en niet in waren opgenomen. Het is de vraag of ik daarmee de bloemlezing (en het gigantische werk van Komrij dat daaraan vooraf ging) recht heb gedaan. 

De redactie van Liter vond het indertijd allemaal best, voor zover ik mij dat goed herinner. Nauwkeurig lezende redactieleden die komen met voorstellen hoe je stuk anders kan, trof ik later pas aan. 

In ieder geval: de lezers moesten het indertijd doen met het stuk zoals het hieronder staat. En jij ook. 



De dikke Kinderkomrij


‘De dikke Komrij’ verscheen voor het eerst in 1979 en is uitgegroeid tot een monument. De bloemlezing, die intussen uit twee delen bestaat, is een standaardwerk geworden. Daarin staat de poëzie uit de afgelopen twee eeuwen die er blijkbaar toe doet. Ach, de arme dichter wiens werk er niet in opgenomen is! Hij telt eigenlijk maar half mee.

Later bloemleesde Komrij Nederlandse poëzie uit eerdere eeuwen, Afrikaanse poëzie en vorig jaar ook de kinderpoëzie. De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten geeft ons in duizend en enige pagina's zicht op de gedichten voor kinderen, maar ook op gedichten door kinderen, bakerrijmen en aftelversjes door de eeuwen heen. Komrij dook daarvoor een tijdje onder in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en diepte voor ons de schatten op.

Het is mooi dat deze gedichten nu toegankelijk zijn voor een groot publiek en dat wij nu gedichten kunnen lezen van dichters wier naam we daarvoor zelfs niet kenden. Ch. M. van Deventer bijvoorbeeld (vertegenwoordigd met zeven gedichten), David Tomkins (tien gedichten) of S. Franke (vijf gedichten). Zij behoren tot de keuze van Komrij, maar het zal me niet verbazen als ze over een aantal jaren gaan behoren tot de canon.

Als het werkelijk zo gaat, als de keuze van Komrij de standaard wordt, dan is het op zijn minst interessant om te kijken wat niet in zijn bloemlezing is opgenomen. Wie geen expert op het gebied van de kinderpoëzie is, merkt misschien op dat Annie M.G. Schmidt wel het vanzelfsprekende aantal van tien gedichten heeft gekregen, maar dat de spin Sebastiaan ontbreekt, en misschien ziet hij nog dat Jan Wit (met de heer de Boer en de boer de Heer, de kamer van Koelkilkeeuw en de veerman van Veere) geheel ontbreekt, maar dan houdt het wel zo'n beetje op.

Gelukkig zijn er deskundigen op het gebied van de kinderpoëzie: Anne de Vries is docent jeugdliteratuur aan de Vrije Universiteit, bij de KB is hij vakreferent kinderboeken. In 2000 publiceerde hij een dikke bloemlezing met bijna vijfhonderd gedichten uit de Nederlandse kinderpoëzie, Van Alphen tot Zonderland.

Bij nadere beschouwing blijkt dat Komrij ruim dertig dichters die De Vries de moeite van het bloemlezen waard achtte, niet heeft opgenomen. De al genoemde Jan Wit en verder vooral dichters die publiceerden in de negentiende eeuw (vijftien) en uit de eerste helft van de twintigste eeuw (dertien). Karel Jonckheere en Felix Timmermans zijn de bekendste namen, maar het zou nog kunnen zijn dat Komrij hun werk links liet liggen vanwege de kwaliteit. De verzen die De Vries van hen opnam zijn niet slecht, maar ook niet schokkend goed. Dat geldt misschien ook voor Th. Coopman, Catharine M. Doll Egges, Christine Doorman, J.T. Heins, Marian Hesper-Sint, To Hölscher, Hendrik Muyldermans en Julia Tulkens. Smaken verschillen en kwaliteitscriteria misschien ook wel.

Maar Komrij nam ook geen werk op van J. Adriaensen, Wilmine Besier, Ic. Bikkers, H. Bouman, S. Bouman-van Tertholen, Alexis Callant, Frans de Cort, Gaston Durnez, W.P. Ebbinge Wubben van Hasselt, H.D.F., Hubert Hermans, Lambrecht Lambrechts, Jan de Liefde, W. Metz Tz., Jan van Mulders, L. Nuttin, Jacob Stinnisen, G.A.C.W. de Thouars, Florent Vangoethem, Paul Verbruggen, P.A. de Vos, Jan Wit dus en W.J. van Zeggelen.

In het bekendste gedicht van Jan de Liefde zat misschien wel te veel God naar Komrijs smaak:

Weet gij hoeveel sterren kleven
aan de blauwe hemelboog?
Weet gij hoeveel wolken zweven
boven alle bergen hoog?
Al die duizenden tezamen
roept de Heer bij hunne namen.
En geen een ontglipt zijn oog.

Dat geldt waarschijnlijk ook voor Jacob Stinnisen, van wie De Vries ‘Leentje' opnam. Dat is een vrolijk, muzikaal gedicht, maar het eindigt wel met: Lieve God, / hoed ons kindje op zijn wegen; / zend uw vaderlijke zegen, / op zijn aards, zijn eeuwig lot.’

P.A. de Vos zal ook om die reden afgevallen zijn. De Vries bloemleesde ‘Waar is God?’ De meid zegt tegen het kind: je kunt een prentje van Jezus krijgen, als je kunt raden waar God is. Het kind: ik geef je deze bloemen als je me een plaats kunt noemen waar God niet is.

In Komrijs bloemlezing komt God niet veel voor, maar hij sluit gedichten waarin de godsdienst om de hoek komt kijken niet helemaal uit. Lambertus Goetman (ca. 1488) schreef een gedicht dat begint met: ‘Doet penitentie eer 't wordt te spade, / De tijd is kort om hier te sijne; / Soekt altijd aan God genade, / So moogt di ontgaan die helse pijne’ en Komrij nam het op. Toch durf ik te gokken dat, zeker in de achttiende en de negentiende eeuw, de godsdienst sterker vertegenwoordigd is in kindergedichten dan uit Komrijs bloemlezing blijkt.

Komrij houdt van speelse gedichten, van woordspelletjes, van rijmen, van grappen. En daarom is het raar dat sommige gedichten die De Vries opnam, niet bij Komrij door de selectie gekomen zijn. Bijvoorbeeld van Ic. Bikkers ‘De waarzegger’. Een waarzegger voorspelt daarin dingen als: zijn er vierentwintig uren om, dan is er een dag voorbij en wie het hele varken heeft, heeft ook de varkenskop.

Een gedicht met allemaal homoniemen (Florent Vangoethem), of een gedicht voor iemand die de l niet kan zeggen en waar die letter juist heel vaak in voorkomt (H.D.F.), de woordspelingen van Jan Wit, een gedicht met een opsomming van zoveel ongelijksoortige dingen dat het absurd wordt (W.J. van Zeggelen) - dat zou toch koren op Komrijs molen moeten zijn.

Onbekende dichters of onbekende gedichten van bekende dichters staan er altijd in een bloemlezing, maar het is ook leuk als je oude bekenden tegenkomt. Komrij heeft daar dan ook voor gezorgd. We komen de drie kleine kleutertjes tegen die op een hek zitten, de jongen die in een blauw geruite kiel aan het grote wiel draait, natuurlijk Jantje die pruimen ziet hangen, de zeven kikkertjes in een boerensloot, ‘Hallo meneer de Uil’ en Berend Botje, die oorspronkelijk Barendje Bot blijkt te heten. Maar ik miste ‘Meiregen maakt dat ik groter word, groter word.’ Anne de Vries nam het wel op. Ik kende het van Adama van Scheltema, maar het bleek al ouder te zijn. H. Bouman publiceerde het in 1868 en later zou Margot Vos nog een hele bundel Meiregen noemen. Daaruit citeert Komrij dan weer wel, maar niet het gedicht ‘Meie-regen’, dat De Vries natuurlijk wel heeft. Het is immers leuk als in zo'n bloemlezing gedichten naar elkaar verwijzen. Soms heeft Komrij wat dat betreft een kans gemist. Als je van De Schoolmeester de parodie opneemt van Van Alphens ‘De kinderliefde’ (Mijn vader is mijn beste vrind), dan zou je het origineel eigenlijk ook moeten opnemen.

Komrij heeft zich niet beperkt tot de dichters die zich duidelijk richtten tot kinderen. Hij nam ook Vondel op, Multatuli, Adwaïta, Leopold, Paul van Ostaijen, Nijhoff, Slauerhoff, Jan Hanlo, Leo Vroman, Paul Rodenko, Hans Lodeizen, Lucebert en Neeltje Maria Min. In beperktere mate deed De Vries dat trouwens ook al.

Het aardige daarvan is dat je kindergedichten gewoon als gedichten gaat lezen en niet als een aparte ondersoort. Komrij weet natuurlijk ook wel dat zijn bundel voornamelijk door volwassenen gelezen zal worden en daarom is het ook niet zo erg als er eens wat tussen staat waar het kinderverstand niet bij kan. Maar het gedicht van Marie W. Vos over een jonge ‘proletaar’ heeft met kinderen niets meer te maken. De eerste strofe:

Mijn lichaam is gespannen als een boog
En berstend vol met harde kracht geladen.
Een fel-begerig roofdier springt mijn oog,
en zoekt zich prooi op alle wereldpaden.

Voordat ik aan Komrijs bloemlezing begon, had ik het idee dat in oudere kindergedichten vaak het goede voorbeeld gegeven werd. Jantje ziet de pruimen hangen, geeft niet toe aan de verleiding en wordt uiteindelijk beloond. Maar uit Komrijs bloemlezing blijkt dat er juist vaak het verkeerde voorbeeld wordt gegeven. Iemand gaat in de fout en wordt gruwelijk gestraft. Jaap die iedereen laat schrikken sluit zich per ongeluk op in een kist en overleeft het niet, bij een duimzuiger wordt het duimpje afgeknipt (in twee gedichten) en ongehoorzaam Jantje verandert in een dwerg. Kinderen die met vuur spelen gaan in vlammen op (in twee gedichten) en een onbarmhartig meisje raakt zelf aan de bedelstaf. Natuurlijk is het allemaal heel opvoedend bedoeld, maar de dichters kunnen zo wel uitpakken in het beschrijven van het kwaad en je verdenkt ze ervan dat ze zich daar ook wel een beetje in verlekkeren.

Turken

Uw tulband, bonte pels en baard
Zijn waarlijk wel onze aandacht waard;
Maar heeft de Koran voorgeschreven
Een muilband uw vrouw te geven?
Dan was, al had hij veel verstand,
Uw Mahomet niet zeer galant.

Dat dichtte C.P.E. Robidé van der Aa (1791-1851). Het is duidelijk dat hier met ‘Turken’ moslims worden bedoeld. Het verbaasde me ze aan te treffen in deze bundel, evenals de negentiende-eeuwse bekommernis om de positie van de vrouw.

In de gedichten lopen ook Joden rond, die weinig scrupuleus beschreven worden. De vader van de kinderpoëzie, Hiëronymus van Alphen, stelt in ‘De verkeerde vrees’ Keesje nog gerust. Hij hoeft niet bang te zijn voor Joden. ‘Men behoeft slechts bang te wezen, / Als men voorneemt kwaad te doen.’

J. Immerzeel jr. laat het groentevrouwtje roepen:

Joodjes! hier uw kostje ook,
Hier komkommers, uien, look!
Eertijds kermdet ge om dat zelfde
Boek van Numeri, op 't elfde.

G. van Sandwijk (1794 - 1871) tekent ons 'De loterij-Jood' en 'De kanten Jodin', met het taalgebruik dat men toen blijkbaar voor Joden kenmerkend achtte: 'Hik wil her af, 'k ben moe van 't venten,/ 't His 't laatste hait mijn mand.'

Er is veel opmerkelijks, veel leuks, veel moois te vinden in de bloemlezing van Komrij, laat dat vooral gezegd zijn. Maar ik wil besluiten met één gedicht dat niet in Komrijs bloemlezing staat en dat er wat mij betreft echt in had gemoeten. Het is van Lambrecht Lambrechts (1865-1932).

De wiegende mijnwerker

Uw vader, lief kindje, zong zelden of nooit:
hij vond op zijn wegen geen bloemen gestrooid.
Ellende was alles wat de aarde hem bood.
Het leven? Een worstlen voor 't karige brood.
Maar gij doet hem zingen - gelijk hij 't vermag:
    tra la la la!
Voor ú zou hij zingen de godganse dag:
    tra la la la!

Veel beter voor u zal het leven niet zijn:
geen zonneken lacht in die donkere mijn.
U wacht er hetzelfde worstlen voor 't brood;
van achter de klompen beloert u de dood.
toch zinge mijn jongen - gelijk hij 't vermag:
    tra la la la!
Hij zinge, kan 't wezen, de godganse dag:
    tra la la la!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten