donderdag 22 januari 2026

Afgestoft: Glinsteringen (diverse auteurs)

In Liter nr. 48, jaargang 10 (2007) besprak ik de verhalenbundel Glinsteringen, verschenen ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van de christelijke schrijversvereniging Schrijvenderwijs. Volgens de ondertitel zijn het hoopvolle verhalen, maar ik vond indertijd de kwaliteit hopeloos. 

Waarom heb ik het indertijd besproken? Ongetwijfeld omdat het mij gevraagd werd en als je zo'n bundel gaat lezen hoop je dat het uiteindelijk toch nog wat wordt. En Liter was toen een christelijk tijdschrift, dus misschien moest het daar indertijd ook gewoon besproken worden. 


Hoe het intussen is met de vereniging Schrijvenderwijs weet ik niet. Ik zag pas een groepsfoto voorbijkomen van de nieuwjaarsbijeenkomst, dus de vereniging bestaat nog. Ik hoop dat de leden het gezellig hebben met elkaar, maar ook dat ze elkaar opstuwen tot het schrijven van betere boeken. Laten we er het beste van hopen. 

 


Hopeloze verhalen


De protestants-christelijke auteursvereniging Schrijvenderwijs bestaat vijfentwintig jaar. Ter gelegenheid van dat jubileum verscheen er bij uitgeverij Mozaïek een bundel ‘hoopvolle verhalen’, Glinsteringen. Dat het een jubileumbundel betreft, blijkt uit al het zilver dat in de verhalen voorkomt: Een zilveren (!) bies waarmee het hout van een ledikant is afgezet, twee zilveren bruiloften, zilverreigers, een lied waarin ‘silvery night’ voorkomt, pillen die in een zilverkleurige strip zitten, een ring (die niet van zilver blijkt te zijn), zilveren morgennevel, zilverpapier, een zilveren beker, de zilveren glinstering van een meer. ‘De oplettende lezer ziet af en toe het zilver glinsteren,’ schreef Joke Verweerd in het woord vooraf, voor het geval al dat nadrukkelijke edelmetaal toch nog aan onze aandacht zou zijn ontsnapt.

Deze glinsterende verhalen heb ik gelezen en zelfs herlezen, maar het viel me niet mee. Twee verhalen, van Hans Werkman en Gerrit Kraa, zijn redelijk van kwaliteit, maar alle andere zijn werkelijk hopeloos.

Het grootste mankement van de Schrijvenderwijsschrijvers is dat ze alles, maar dan ook werkelijk alles uitleggen: ‘Atlas, je weet wel, met de wereldbol op zijn rug.’ (Lijda Hammenga); ‘de diabolo, de duivel’ (Gerrit Kraa); ‘Ik zal je vertellen hoe dat komt, in de hoop dat je het begrijpt en het verdriet voelt, terwijl er ook plaats is voor een glimlach.’ (Cees Pols). Je voelt je als lezer behandeld als een klein kind.

Misschien dat verscheidene auteurs werkzaam zijn in het onderwijs, misschien zijn het eigenlijk kinderboekenschrijvers; ik weet het niet. In ieder geval hebben ze vaak een overduidelijke bedoeling met het verhaal en die bedoeling moet op de lezer overgebracht worden. Het lijkt vooral niet de bedoeling dat je als lezer zelf associaties hebt, dat je de ruimte krijgt om te interpreteren, dat je blijft zitten met vragen. De meeste verhalen hebben dan ook een alwetende verteller of in ieder geval passages waarin zo'n verteller opduikt. En anders zijn het de personages wel die de lezer eens even uit zullen leggen hoe het allemaal zit.

Gevoelens bijvoorbeeld worden niet duidelijk uit het gedrag van de personages of uit wat ze zeggen, maar doordat verteld wordt wat ze voelen. ‘Paul is verrast,’ schrijft Lijda Hammenga. En een bladzijde verder: ‘Ik ben verrast, laat Paul weten.’ Rob Visser schrijft: ‘Woest keek Martin zijn vader aan.’ En even verderop: ‘En, stelt hij al analyserend vast, er is niet enkel de pijn om begraven idealen en onvergefelijke fouten, om hun leven dat ging zoals het ging, waardoor hij uiteindelijk zijn geloof, hoop en liefde verloor. Ook zijn trots is gekrenkt, bekent hij zichzelf onwillig.’

Als personages wat zeggen, wordt er vaak aan toegevoegd hoe ze dat zeggen of wat ze erbij voelen: ‘jubelt Tessa’, ‘fronst Paul’, ‘daagt ze hem uit’, ‘wimpelt hij af’, ‘schampert ze’, ‘bitste Martin’, ‘dacht Nathanaël bitter’, ‘zoekt Jessica naar een excuus’, ‘begrijpt Hanneke’. Er wordt van alles gemompeld, gesist of hoe dan ook gezegd. Vooral bij Lijda Hammenga en Janwillem Blijdorp woekeren dit soort toevoegingen.

Veel van die toevoegingen zijn volstrekt overbodig: ‘Toch wil ik weten wat er gebeurt, hield Abigaïl vol’ (Frans van Houwelingen); ‘Wat kost die beker? vraagt Hanneke zakelijk’ (Janwillem Blijdorp); ‘Op een lang en gelukkig leven, wenste ze hem toe’ (weer Blijdorp). En een enkele keer schiet de constructie helemaal uit de bocht: ‘Die cadeaus! schoot Martin te binnen’ (Rob Visser).

Veel verhalen zijn vergeven van de clichés. Zweet ‘gutst’ van gezichten; als iemand ziek is, is hij ‘aan bed gekluisterd’; als iemand moet blozen, ‘schoot het bloed naar zijn hoofd’; een lachje ‘krult’ om de mond; als iemand onder de douche vandaan komt, wipt ze ‘proestend’ de handdoek van het haakje; ‘kostbare herinneringen’ worden ‘gekoesterd’ ‘op een speciaal plekje’ in het hart; soms komt over iemand ‘een wonderlijke rust’; men drinkt ‘verrukkelijk geurende koffie’; iemand volgt een ander ‘als een schaduw’; als je niet meer kunt ontsnappen, zit je natuurlijk ‘als een rat in de val’; adem ‘stokt’, zelfs ‘plotseling’ en ‘in de keel’.

Stijl is trouwens toch een zwak punt van veel schrijvers. Al die bijvoeglijke naamwoorden en die verduidelijkende bijwoorden! ‘Daardoorheen bleef dat bleke, doorgroefde gezicht van zijn vader en dat bijna tedere afscheidsgebaar als een niet weg te vagen beeld voor zijn ogen hangen.’ (Rob Visser); ‘Met een ruk draait het meisje haar hoofd om, zodat het glanzende haar sierlijk rond haar schouders zwiert. Haar bovenlichaam volgt de beweging elegant, evenals haar lange, slanke benen. De hoge hakken, waarvan ze geen enkele hinder lijkt te hebben, klikken kordaat over het versleten parket als ze de winkel verlaat.’ (Guurtje Leguijt).

Bouquetreeks, inderdaad. Vooral als de liefde in het verhaal komt. Dan wil Schrijvenderwijs ons graag de meest uitgekauwde clichés serveren: ‘Aldoor was tussen hen een soort spanning geweest, maar geen vonk, geen uitslaande brand. Wel had hij haar willen aanraken, om dichter bij haar te zijn en haar soepele zachtheid te voelen.’ (Joke Verweerd); ‘Hun blikken haken inéén, tasten elkaars gezicht af. Haar handen reiken naar de zijne. Ze kust hem op de wang.’ (Lijda Hammenga); ‘Hij drukte haar ranke lichaam tegen zich aan.’ (Rob Visser); ‘Wat een verrassing, zegt ze schor. Waarom?’ Tussen de borden en pannen door pakt Guus haar hand. Zijn ogen zoeken de hare. Daarom.’ (Nettie Dees).

Eigenlijk kun je je niet voorstellen dat een redacteur het manuscript in handen heeft gehad. Het zou mij niet verbazen als de secretaris en de voorzitter van de vereniging naar de uitgeverij zijn gestapt met een grote zak geld en bedongen hebben dat het boek zonder enige verandering werd uitgegeven. Een beetje redacteur struikelt toch over een zin als: ‘Haar keelgat is een bodemloze put, waarin ze voortdurend water kan gieten zonder dat haar dorst ook maar iets verlicht.’ (Eeuwoud Koolmees)? Volgens mij verlicht dorst nooit. En hoe ziet volgens u een dovend vuur eruit? Gerbrand Fenijn: ‘Achter de verbrijzelde boogramen flakkert het licht van een dovend vuur.’ Joke Verweerd schrijft: ‘Hij slikt moeilijk en onverwacht lijkt hij te stikken in een hoestbui.’ Ik verslikte me in ‘onverwacht’.

Inhoudelijk stellen de verhalen weinig voor. Meestal zijn het zoetsappige verhaaltjes, waarin er wat moeilijkheden opduiken, maar uiteindelijk loopt het goed af. De vrouw die het huwelijksbed in tweeën wil zagen, ziet het portret van haar man op de vloer liggen: ‘Ze pakte de foto op, veegde voorzichtig wat zaagsel van het lijstje en zette hem toen terug waar hij altijd had gestaan, op haar nachtkastje.’ (Gerry Velema). De vrouw die vermoedt dat haar man vreemd gaat, blijkt alleen maar door haar man verrast te worden (Nettie Dees). De vrouw die zich ongemakkelijk voelt bij het gedrag van haar superieur, neemt resoluut ontslag (Ina van der Beek). De man die zich ergert aan zijn vader, krijgt toch begrip voor hem (Rob Visser).

Het geloof is onvermijdelijk in een bundel van protestants-christelijke auteurs. Ook op dat gebied verlaten de auteurs nauwelijks de platgetreden paden en heel diep gaat het allemaal niet. Lijda Hammenga: ‘Weet je, hoop is onmisbaar, Paul. Hoop heeft met God te maken. Hij doet hoopvolle dingen.’ Paul neemt wel even de tijd om de woorden op zich in te laten werken. De man wiens dochter slachtoffer was van de moordenaar die aan het kruis tot inkeer komt, moet aanvankelijk niets van Jezus hebben, maar komt toch tot het inzicht dat hij de messias kan zijn. (Frans van Houwelingen) en Hans Mouthaan laat zijn personage inzien dat we niet bezorgd hoeven te zijn omdat de hemelse vader voor ons zorgt.

Kortom, Glinsteringen is een bundel met een en al treurigheid: verhalen met weinig diepgang, in een onbeholpen stijl geschreven. Als we het van Schrijvenderwijs moeten hebben, is er totaal geen hoop voor de christelijke literatuur.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten