Dat heb ik met veel enthousiasme gelezen. In mijn recensie ga ik, zoals bij elke bloemlezing, op de keuze van de gedichten. Ik noem veel titels en beginregels, maar er wordt geen gedicht geciteerd. Dat is toch wel zonde, vind ik nu.
Verder hou ik deze inleiding kort. Het is druk en ik moeite doen om de tijd te vinden om geregeld bijdragen te leveren. Ik doe mijn best, maar het kost me ook energie om de zaken een beetje op een rijtje te houden. Mocht ik de komende tijd wat minder plaatsen (wat ik zal proberen te voorkomen), dan ligt het daaraan.
Komrij's canon
Er is geen officiële canon van de Nederlandse poëzie en dat is maar goed ook. Maar er zijn wel gedichten die veel mensen kennen, die blijkbaar de jaren, de decennia of zelfs de eeuwen overleefd hebben en die daarom wellicht tot een soort canon behoren. Je hoeft van deze gedichten de eerste regel maar te declameren of de ogen van de luisteraars lichten op: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’, ‘Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd / in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven’, ‘Mijn moeder is mijn naam vergeten’, ‘Egidius waer bestu bleven’, ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘O krinklende winklende waterding’, ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen’, ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, ‘Hij sprak en zeide / In't zaêl zich wendend’, ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, ‘Denkend aan Holland’, ‘Ambrosia, wat vloeit mij aan’ en er komen nu waarschijnlijk nog veel meer onsterfelijk lijkende regels in u op.
Komrij stelde zijn eigen canon samen in Komrij's canon in 100 gedichten en, inderdaad, al de hierboven genoemde regels komen erin voor. Natuurlijk kent Komrij zijn klassiekers. In het ‘Vooraf’ is hij bescheiden wat betreft de geldigheid van zijn canon. Weliswaar zijn het ‘gedichten die ertoe doen’, maar het is ook ‘de canon van één lezer, gedurende een bepaalde periode en verkerend in een bepaalde gemoedstoestand. Met een andere muts op of in een ander seizoen was er zelfs bij die ene lezer een andere canon uit gerold.’
Als je de Nederlandse poëzie moet indikken tot honderd gedichten, moet er natuurlijk geschrapt worden. Van elke dichter nam Komrij maar één gedicht op en wat moet je dan met dichters die heel veel klassiekers geschreven hebben? Van Hooft kennen we de ‘Gezwinde grijsaard’, maar ook ‘Klaere, wat heeft er uw hartje verlept’, ‘Galathea, ziet den dag komt aan’, ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief, zo sprak mijn lief mij toe’, ‘Lieve lichte Leonoor’ en dan laat ik er nog heel wat ongenoemd. Dat geldt ook voor Vondel: ‘Constantijntje, 't zaligh kijntje’, ‘Waer werd oprechter trouw’, ‘De felle dood die nu geen wit mag zien’, ‘Mijn wens behoede u onverrot’, ‘Wat treurt gij hooggeleerde Vos’, ‘Wanneer dit tijdelijk leven endt’. Kies maar; altijd raak.
Komrij maakte een andere keuze. Van Hooft nam hij ‘Het liedt dat ick te claeghe laat gaen’ op en van Vondel ‘Op het verongelucken van Doctor Roscius’. Is dat erg? Ach, misschien juist wel niet. Toen ik las hoe dokter Roscius samen met zijn vrouw omkwam in het koude water, was Constantijntje ook aanwezig. Het Rosciusgedicht, dat ik daarvoor niet kende, was een extraatje.
Maar Komrij laat wel vaak gedichten ongenoemd die een gemiddelde lezer graag in een canon zou zien. Van Revius krijgen we niet te lezen ‘'t En zijn de joden niet. Heer Jesu die u kruisten’, van Huygens niet ‘Op de dood van Sterre’, van Dèr Mouw niet ‘'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’, van Achterberg niet een van de bekendere, maar ‘Jachtopziener’, van Leo Vroman niet ‘Voor wie dit leest’ of ‘Vrede’, van Lucebert het sonnet ‘Ik / Mij / Ik / Mij’ in plaats van, nou ja, noem maar op, bij Herman de Coninck moeten we het doen met ‘De plek’.
Van Achterberg had de een misschien ‘Reiziger doet Golgotha’ willen lezen, een ander ‘Thebe’ en een derde ‘Werkster’ of ‘Deïsme’, maar ze zullen waarschijnlijk toegeeflijk opmerken: ‘Hij staat er tenminste in’.
Wie er ook in staan, zijn Adriaen Hoffer, Joh. Buma, O.C.F. Hoffham, H. Riemsnijder, J. Kerkert, Alex. Gutteling, Paul Verbruggen, Carel C. Scheefhals, om maar een paar minder bekende dichters te noemen. Maar waar zijn Anna Bijns, Jacob Cats, Hiëronymus van Alphen, Rhijnvis Feith, P.C. Boutens, Jacques Perk, Willem Kloos, Paul van Ostaijen, P.N. van Eijck, Frederik van Eeden, Adriaan Roland Holst, Hans Andreus, C. Buddingh', Rutger Kopland? Waar is het lied van heer Halewijn? Waar zijn de koningskinderen die niet bij elkaar konden komen omdat het water te diep was?
Hoffer wil ik graag ruilen voor ‘De bomen dorren in het laat seizoen’. Riemsnijder voor ‘De tuinman en de dood’, Kerbert voor ‘Ik heb de witte waterlelie lief’ en Scheefhals voor ‘Melopee’.
Voor je het weet, ben je je eigen canon aan het samenstellen, die natuurlijk niet beter is dan die van Komrij, maar anders en het zou me niet verbazen als Komrij er stiekem op hoopt dat veel lezers meteen hun boekenkast gaan nakijken en gedichten gaan opzoeken die hun lief zijn (en die ze misschien toch ook al heel lang niet meer gelezen hebben).
Komrij nam niet alleen de gedichten op, maar gaf er ook commentaar bij, zoals wij dat al kenden uit de bundels In Liefde Bloeyende, Trou Moet Blijcken en Kost en inwoning. Zijn canon is dan ook een bloemlezing uit deze bundels.
In christelijke kring is Komrij wel eens verweten dat hij zo weinig van godsdienst en geloof moet hebben. Uit zijn canon blijkt dat helemaal niet. Niet alleen nam hij als gelovig bekend staande dichters op als Jacobus Revius, Bernard ter Haar, J.J.L. ten Kate, Jacqueline van der Waals en Willem de Mérode, maar ook in de gedichten die hij kiest, gaat hij het geloof bepaald niet uit de weg. Van Cornelis Crul krijgen we een vers uit Den Geestelijcken abc te lezen, van Bredero ‘Wat dat de wereld is, / Dat weet ick al te wis’, van Revius ‘Scheppinge’, van Huygens ‘Paeschen’, van Bilderdijk het gebed ‘Genadig God, die in mijn boezem leest!’ van Beets ‘De moerbeitoppen ruisten’, ‘Het schrijverke’ van Gezelle. Weg met dat vooroordeel dus. Komrij neemt een gedicht op als hij het goed vindt, waarover het dan ook gaat. Of, zoals hij het zelf zegt: ‘Het is met Jezus in de poëzie als met hutspot in de poëzie of met boerenschoenen in de poëzie - als het gedicht goed is, accepteren we elk onderwerp.’
In zijn stukjes over de gedichten benadrukt hij ook verschillende keren dat betekenis niet de essentie van het gedicht is. Het gaat niet om het verhaal of om de emotie, een gedicht is gemaakt van woorden, die een sensatie oproepen, die muziek tot klinken brengen. Tijdens het lezen pakt een gedicht je en daarom is voor Komrij een gedicht ‘vooral een kunstwerk [...] dat zo-en-zoveel seconden duurt.’ En dat een gedicht ons bij de strot grijpt, komt volgens hem niet in de eerste plaats door wat er gezegd wordt (de psalmen zingende moeder in ‘De moeder de vrouw’), maar door de manier waarop dat gezegd wordt.
Hij heeft gelijk, natuurlijk. Er zijn immers genoeg gedichten over psalmen zingende moeders denkbaar die ons volstrekt onberoerd zouden laten. Uiteindelijk wint de vorm het altijd van de inhoud.
Komrij weet veel raaks te zeggen over de door hem gekozen gedichten. En soms (zoals bij ‘De idioot in het bad’) zegt hij nauwelijks iets over het gedicht zelf, maar dwaalt hij fluitend, met de handen in de zakken, over een zijpaadje. Dat moet dan maar.
Na het lezen van dit boek kun je Komrij nauwelijks nog iets kwalijk nemen. Een boek dat zo borrelt van enthousiasme over gedichten hoort bij iedereen prominent op de plank te staan of liever nog op het nachtkastje, op het toilet of in de voortent te liggen.
Eerder schreef ik over:

Geen opmerkingen:
Een reactie posten