woensdag 8 februari 2012

Rhythm



Rhythm heet het verzamelde stripwerk van Peter Pontiac. Voor mij heeft die titel te maken met de vaart die in Pontiacs werk zit. Pontiac is rock 'n roll, Pontiac tekent de rafelranden van het leven, de seks, de drugs. En hoe zwart het beeld ook is dat hij soms schetst, altijd licht het op door de humor. En altijd zijn er de rake teksten van Pontiac.

Peter Pontiac (geboren als Peter Pollmann) kreeg vorig jaar de prestigieuze Marten Toonder Prijs voor zijn oeuvre. Zijn uitgever bracht daarom zijn verzamelde stripwerk uit in een prachtig, gebonden boek. De strips staan er in chronologische volgorde in, waarbij er zelfs onvoltooide strips zijn opgenomen, die voor een deel nog uit schetsen bestaan.

Al met al geeft het een fraai beeld van wat Pontiac allemaal kan. Niet in dit boek opgenomen is Kraut, waarover ik al eerder schreef. Pontiacs zoektocht naar zijn vader, een indrukwekkend en ontroerend boek.

Intussen heeft Pontiac ook al heel wat illustraties gemaakt in de loop van de jaren, waarvan er verscheidene terug te vinden zijn op zijn website. Zouden die ook niet eens samengebracht moeten worden in een boek?



zondag 5 februari 2012

Rekel



Anne Frank hield van het werk van Cissy van Marxveldt. In haar dagboek schrijft ze dat ze delen leest van de serie Joop ter Heul, Een zomerzotheid en De stormers. Dat laatste boek bevalt haar overigens minder: ‘Het is wel leuk, maar het haalt het lang niet bij Joop ter Heul. Ze voegt eraan toe: ‘Overigens vind ik dat Cissy van Marxveldt knal schrijft. Ik zal haar boeken beslist ook aan mijn kinderen laten lezen.’

Er is ook wel gesuggereerd dat Cissy van Marxveldt een voorbeeld geweest zou zijn voor Anne Frank en dat ze haar dagboek ook in een dergelijke stijl wilde schrijven. Of Anne daar zelf over geschreven heeft, weet ik niet. Het is ook alweer decennia geleden dat ik Het Achterhuis heb gelezen.

Het leek mij leuk om iets van Van Marxveldt te lezen met Anne Frank in mijn achterhoofd. Ik koos daarvoor Rekel, een boek uit 1924, dat Anne gelezen zou kunnen hebben, al hebben we er geen enkele aanwijzing voor.

De rekel in dit boek is de freule Elisabeth (Betty) van Opvoort, een meisje zonder ouders dat bij haar oom Boudewijn woont, op het landhuis Boeckstate. Betty zegt daarover: ‘Het is een verrukkelijk huis vol onverwachte nissen, kronkeltrappen, waarvan ik als kind ettelijke keren afgeslagen ben, en twee torens, die je een wijd vergezicht bieden over de aanverwante bezittingen.’

Ze sluit vriendschap met de nieuwe bewoners van het huis ‘De Katuil’, daar in de buurt. De vrouw des huizes, Vera, wordt een goede vriendin, dier man, ‘de Koning’, figureert wat op de achtergrond en de deugnieten van zonen, Tok en Noek, stelen het hart van Oom Boudewijn. Ook komt er een nieuwe bewoner in het huis ‘De Binkel’, een knappe jongeman (officier, piloot), Jan Willem Luber.

Je snapt al wat er gebeurt: Betty wordt verliefd, al lijkt het aanvankelijk niets te worden. Ze wijkt zelfs uit naar Engeland als ze het idee heeft dat ze geen kans heeft. Maar als Jan Willem zwaar gewond wordt bij een vliegtuigongeluk, snelt Betty naar hem toe. Eind goed, al goed.

Het boek is in de ik-vorm geschreven. Of dat gebruikelijk is bij Cissy van Marxveldt, weet ik niet. Het is wel de vorm die Anne Frank later ook gebruikte, wat bij een dagboek nogal logisch is.

Betty is een vrolijke tiener. Het boek begint met een tirade van Oom Boudewijn tegen een personeelslid. Betty ligt nog in bed.
‘Ik grijnsde boven mijn dekens, want Oom Boudewijns getier was niet van geest ontbloot, al is het dan een hyper-onwelvoegelijke geest, die niet voor herhaling vatbaar is. Natuurlijk had Karel het badwater te heet laten worden, en tussen geproest en gesnuif door slingerde Oom Boudewijns stem zijn onomwonden weinig vleiende meningen naar Karels gladde, gepommadeerde hoofd.’


Betty hoort het geraas met een glimlach aan. Kennelijk heeft ze een opgeruimd karakter en ze kan haar omgeving met ironie bezien. Ik moest denken aan de schrijftrant van Henriëtte van Eyk, van wie ik indertijd De kleine parade las. Haar vlotte schrijftrant sprak me toen wel aan en ik las ook Gabriël en  De jacht op de spiegel. Of mijn associatie terecht is, zou ik moeten controleren. Van Eyk, die nog eens samen met Vestdijk een briefroman schreef, is zo ongeveer vergeten, geloof ik. Er moeten nog (gelezen en ongelezen) boeken van haar in mijn boekenkasten staan.

De ironie in de beschrijvingen treffen we bij Anne Frank ook wel aan en ook, zeker in het begin, een zekere opgeruimdheid. Rekel houdt lang een lichte toon en zelfs als Betty echt ongelukkig is, zijn er nog luchtige zinswendingen, die ze voor een deel gebruikt om haar werkelijke stemming te verbergen. Aan Vera begint ze een brief met:
‘Pas heb ik een brief aan Oom Boudewijn dichtgelikt, en nu slinger ik nog aan de jouwe. Ik was heel blij met je epistel, dat me weer even verplaatste in Dear Old Home. Alles met een hoofdletter. En jullie kiek staat nu voor me tegen een dictionnaire aangeleund.’

Dat dichtlikken, dat slingeren, het epistel, het grappig bedoelde Engels, met hoofdletters, die leunende kiek – allemaal ironie, luchtigheid. Het is de schwung waarmee Van Marxveldt schrijft en daarmee zal ze ongetwijfeld een glimlach op de gezichten van haar lezeressen gebracht hebben.

Die ironie heeft Anne Frank ook. Ze begint haar dagboek met ‘Vrijdag 12 juni was ik al om 6 uur wakker en dat is heel begrijpelijk, daar ik jarig was.’ Ze vertelt dat vroeg wakker was, doet een stapje terug, zodat ze iets meer afstand heeft en vertelt dat dat begrijpelijk is. Ironie heeft vaak dat effect: een beetje afstand nemen, zodat je meer als een toeschouwer dan als een deelnemen de gebeurtenissen kunt beschrijven.

Op 13 juli 1943 (ruim een jaar na het begin van het dagboek) schrijft Anne: 
‘Gistermiddag had ik met vaders verlof aan Dussel gevraagd of hij het alstublieft goed zou vinden (toch erg beleefd) dat ik twee keer in de week van het tafeltje in onze kamer ook ’s middags van vier uur tot half zes gebruik zou kunnen maken. […] De reden was dus redelijk en de vraag alleen zuivere beleefdheid. Wat denk je nu wel dat de hooggeleerde antwoordde: ‘Neen’.
 Het zinnetje tussen haakjes is wel duidelijk een manier van ironisch afstand nemen, maar natuurlijk ook dat ‘hooggeleerde Dussel’. Het lijkt me dat Anne Frank dat op een eenzelfde manier doet als Cissy van Marxveldt. Bij beiden zijn talloze andere voorbeelden te noemen. Daarin zijn het verwante schrijvers.

Van Marxveldt overleefde de oorlog overigens wel. Ze was al voor de oorlog gedeeltelijk verlamd, door een hersentumor, die een beroerte veroorzaakte. Daardoor had ze zich aan moeten leren linkshandig te schrijven. In de oorlog zat haar man in het verzet. Hij werd geëxecuteerd in de duinen van Overveen. De Wikipedia-auteur schrijft dat Van Marxveldt daarna haar inspiratie kwijt was, al publiceerde ze nog wel enkele boeken. Ze stierf in 1948, op achtenvijftigjarige leeftijd.

Toen ik in de jaren tachtig op een mavo in enkele zogenaamde ‘taakuren’ de schoolbibliotheek beheerde, stonden daar nog boeken van Cissy van Marxveldt in en die werden af en toe ook nog wel uitgeleend, geloof ik. In ieder geval waren ze er toen nog. Sterker nog: ze zijn er nog steeds. Een deeltje van Joop ter Heul en ’n Zomerzotheid zijn nog steeds leverbaar door uitgeverij Kok, zie ik zojuist. Ik weet dat een antiquariaat hier in de buurt nog een hele stapel Van Marxveldt heeft, herdrukken met een omslag en illustraties van Hans Borrebach. Misschien moet ik daar binnenkort nog eens langsgaan.





zaterdag 4 februari 2012

Wat wij moeten weten



















Jarenlang heb ik Willy Linthout niet serieus genomen. Slechts eenmaal las ik een deel van de stripserie Urbanus en ik vond het helemaal niks. De tekeningen vielen mij nauwelijks op, geloof ik, en het verhaaltje was grappig bedoeld, maar ik vond het stomvervelend. Misschien zou bij herlezing blijken dat ik het nog steeds met mijzelf eens ben; misschien had ik toen al beter moeten lezen.

Later ging Linthout een andere kant op. Hij schreef de serie Jaren van de olifant en een begin van een vervolg (De leveling) daarop. Het zijn strips met een autobiografische aanleiding: Linthouts zoon benam zichzelf het leven. In de strip leren wij Karel Germonprez kennen die dat verlies probeert te verwerken.

Linthout werkt met plaatjes die allemaal even groot zijn, in potlood. Hij inkt zijn tekeningen niet, wat ze het uiterlijk van schetsen geeft. Het blijkt bijzonder goed te werken. Juist in beeldverhalen waarin de schrijver aan het zoeken is, mag een tekening ook wel iets zoekends, iets kwetsbaars hebben.

In een nieuwe serie, Wat wij moeten weten, figureert Karel Germonprez ook weer, maar hij staat niet centraal. De hoofdpersoon is Moedre, de moeder van Karel, Valère en Roger. Het gaat niet goed met moeder: aan het eind van deel 1 ('Solden in Griekenland') moet ze naar het ziekenhuis en in deel 2 ('De ingreep') dreigt het daar mis te gaan. Maar Moedre redt het.

Dan krijgt ze echter te horen dat Wannes, de zoon van Karel zelfmoord heeft gepleegd. Het is schrijnend om te lezen hoe wanhopig moeder probeert het nieuws te ontkennen, zelfs als ze Karel voor het eerst weer ontmoet naar Wannes' dood. Met alle geweld wil ze het over andere dingen gaan hebben, zoals ze ook na het bericht van Wannes' dood gewoon is gaan kaarten.

De tekeningen van Linthout zijn onmiskenbaar karikaturaal en de humor is er altijd. Ze doen daarmee geen afbreuk aan de ernst van het verhaal, maar versterken die juist. Je kunt breed glimlachen om Valère, de ongetrouwde zoon die nog steeds bij zijn moeder woont en allerlei inventieve uitvindingen doet, zoals een nagelguillotine, omdat moeder de nagels van haar tenen niet meer zelf kan knippen. Het geeft wat luchtigheid aan het verhaal, zodat je de zwaarte ervan kunt (ver)dragen.

Bovenal zijn de verhalen van Linthout menselijk, ontroerend. Met nietsontziende eerlijkheid kijkt Linthout naar zijn leven en zijn omgeving en maakt er prachtige stripliteratuur van.

vrijdag 3 februari 2012

Hoog water




De dagen dat het water zo ver steeg dat het het journaal haalde, liggen alweer een tijdje achter ons. Verscheidene uiterwaarden staan nog blank, maar er is geen gevaar bij en dus is het geen nieuws. 

Als het water hoog stond in de winter, hoorde je altijd wel mensen zeggen: 'En nu het deksel erop', waarmee ze bedoelden dat het zou moeten gaan vriezen. De vorst hebben we intussen en daarmee dus ook het deksel.

Mijn grootouders woonden buitendijks, aan de Waal. Als het hoog water was (en in mijn herinnering was het dat elk jaar wel een keer) konden we niet meer over de ‘uiteweg’ naar het huis van opa en oma en moesten we roeien.

Meestal bleef het huis zelf droog, al liep de kelder altijd wel vol water. Als het water bleef stijgen, liep eerst de deel onder, later de keuken en nog weer later de rest van het huis. Dan werd er een plank gelegd, het ene eind op de heining, het andere in het keukenraam en zo kon je dan vanaf de roeiboot in het huis komen. Dat heb ik trouwens nooit meegemaakt; ik ken het alleen uit verhalen.

Water op de deel herinner ik me wel en ik zie ook een klein laagje water in de keuken staan, maar ik weet niet of ik mij dat herinner of verbeeld.

In ieder geval zal ik nooit de zomers vergeten waarin ik bij opa en oma logeerde. Ik sliep dan achter het rechter van de twee zolderramen. ’s Ochtends werd ik altijd gewekt door het geronk van de schepen. Sommige van de grote duwboten kende ik bij naam: Mannesmann I en II, Walrus, Zeeleeuw.

Het is al jaren geleden dat ik zulk geronk heb gehoord, maar ik hoef er maar eventjes aan te denken of het vredige geluid is er weer. Niemand kan het me nog afnemen.

Likmevestje





Niet alles staat mij aan in Likmevestje van Elma van Haren. Een aantal gedichten komt niet veel verder dan wat woordspel en wat absurdisme. Best vrolijk allemaal, maar zulke gedichten hebben niet zoveel om het lijf.

Nou ja, de gedichten zijn voor kinderen bedoeld, denkt u misschien. Dat is zo, en misschien vinden kinderen juist die gedichten wel heel leuk. Maar ik houd meer van gedichten als het volgende:


Op

Onze vriendschap rolt niet meer zo soepel.
Het is net een oude fiets, die zielig
zwalkt met kreupel in zijn spaken.
Al plaagt mijn vader
‘op een oude fiets kun je het goed leren’;
ik lach niet om die grap, ik kan

de slag in het wiel niet keren.
Het knarst en zaagt, de roest
knaagt aan onze vriendschapsziel.
Ik wil ons fietsen staken.
We moeten echt eens praten,
maar wie zet de eerste stap?

Ik ontloop je. Ik neem niet op
als de telefoon thuis gaat of mijn mobiel.
Ik ben zo bang dat ik hardop zeggen zal,
dat ik je niet meer leuk vind. Ik voel het,
onze vriendschap is naar de haaien!
Het ergste is, dat ik, hoe hard ik ook trap,
er niet om heen kan draaien.

Ja, de vriendschap is voorbij!
Dat doet ontzettend zeer, ik zweer bij vriendschap.
Zonder jou ben ik niet gewend aan enkel mij.
Daarom neem ik de telefoon niet op
en rij een blokje om als ik je in de verte zie.
Ik droom van ons, fietsend meet wapperende haren.
Ik koester het idee dat je mijn vriend nog bent.

Dat brengt me tot bedaren.
Ook al zal ik je nooit meer spreken,
ook al geef ik taal noch teken,
jij blijft mijn vriend in mijn gedachten.

Pas over honderd jaar baggeren ze die oude fiets
als een druipend zwart skelet
uit de donkergroene grachten.

Dit gedicht blijft bij mij hangen, merk ik. Komt dat doordat het een goed gedicht is of heeft het inhoudelijk met mij te maken? Ik vermoed dat het komt doordat ik bij het lezen van dit gedicht moet denken aan het prachtige lied van Tom Waits, ‘Broken Bicycles’, dat ik leerde kennen in toen het (gecombineerd met ‘Junk’ van Paul Mc Cartney), werd gezongen door Anne Sofie von Otter met Elvis Costello.

In dat lied wordt de liefde vergeleken met kapotte fietsen:
Summer is gone, our love will remain
Like old broken bicycles, out in the rain
En het lied eindigt met
For the things that you've given me
Will always stay
They're broken
But I'll never throw them away
Ach, wat heb ik indertijd gezwijmeld bij dit lied. En nu roept Van Haren dat allemaal weer naar boven met haar kindergedicht. Alleen daarom al vond ik de bundel de moeite waard.



Met excuus voor de plaatjes die tijdens het filmpje vertoond worden en die, op de fietsen na, niets met de inhoud van het lied te maken hebben. 

Duifies (Knipoog 3)

In de Volkskrant van woensdag 1 februari stond een artikel over postduiven. Een Chinese zakenman blijkt een Nederlandse postduif te hebben gekocht voor maar liefst 250.400 euro. De kop boven het artikel: ‘Duifies, duifies, wat zijn ze duur’.

In deze kop wordt geknipoogd naar Ja zuster, nee zuster waarin Leen Jongewaard zingt dat de duifies maar bij Gerretje moeten komen. In het refrein treffen we de regel ‘Duifies, duifies, wat zijn ze mak’ aan.

Een knipoog werkt alleen bij de goede verstaander. Jongewaard is alweer jaren dood en alleen een oudere krantenlezer herinnert zich hem nog. Maar er is een verfilming van Ja zuster, nee zuster geweest in 2002 en in 2009 volgde daar een musical op, zodat ook lezers van onder de vijftig terug kunnen knipogen.

De auteur van het Volkskrantartikel, Irene de Pous, werd overigens in 1985 geboren. Toen Leen Jongewaard overleed, was zij een jaar of elf.


woensdag 1 februari 2012

Uit de kunst




Willem de Vos heeft al verschillende boeken met miniatuurverhalen gepubliceerd. De verhalen zijn zelden langer dan een bladzijde en meestal behoorlijk wat korter. Een van de vorige bundels ging over onderwijs en opvoeding (Hier onderwijst men de jeugd), de nieuwste bundel bevat verhalen over kunst en draagt dan ook de titel Uit de kunst.

De Vos verzamelt al jaren verhalen. Ook bij de verhalen uit deze bundel is niet duidelijk welke hij kant-en-klaar gevonden heeft, welke hij bewerkt heeft en welke hij zelf heeft geschreven, maar dat is niet erg. De bundel is toch een eenheid geworden, door de verteltoon die het hele boek door ongeveer hetzelfde blijft.

Sommige van de verhalen hebben een metaforische kracht, bij andere wordt er net iets te veel uitgelegd en slaat het slot het verhaal een beetje dood. Uit literair oogpunt is dat misschien jammer, maar ik kan mij ook voorstellen dat mensen dit boekje gaan lezen vanwege de levenslessen die eruit te halen zijn. Het moralisme dat in verschillende verhalen zit, is voor hen dan ook geen belemmering.

De Vos laat zo’n beetje alle kunsten aan bod komen, beeldende kunst, muziek, dans, literatuur. Daarbij staat vaak de kunstenaar centraal en in nagenoeg alle gevallen is dat ook de persoon met wie de lezer zich identificeert. Met sympathie worden de kunstenaars getekend.

De auteur heeft zich bij het schrijven van de verhalen bescheiden opgesteld. De stijl is weinig persoonlijk, de verhalen zouden van iedereen kunnen zijn. Dat zorgt misschien voor een zekere kleurloosheid, maar aan de andere kant worden ze er ook tijdloos door. De Vos heeft ze uit alle tijden en alle streken bij elkaar gezocht, heeft ze bij elkaar geplaatst en heeft daarna een stapje terug gedaan. Het zijn niet zozeer zijn verhalen geworden, maar meer zijn verzameling, waarin tijd en plaats wegvallen: de lezer leest alle verhalen in het nu.  

Uit de kunst is een boekje dat ook dertig jaar geleden had kunnen verschijnen en waarschijnlijk zullen er over dertig jaar nog wel mensen zijn die het geïnteresseerd ter hand zullen nemen.


Willem de Vos bij Cultureel Café Dante