dinsdag 8 oktober 2024

Schatpakkers (Pieter Koolwijk)

Er is een tijd geweest dat ik de Kinderboekenweek geruisloos aan me voorbij liet gaan, maar de laatste jaren koop en leen ik geregeld een kinder- of jeugdboek en dan vind ik het ook leuk om het Kinderboekenweekgeschenk te lezen. De laatste acht jaren miste ik het maar een enkele keer. Een lijst met links naar de besprekingen plaats ik onderaan. 

Dit jaar schreef ik over De vuurman van Anton Quintana en over het prachtige Neem nooit een beste vriend van Erna Sassen. Intussen heb ik nog twee jeugdboeken ter lezing klaarliggen: van Tjibbe Veldkamp en Sjoerd Kuyper. 

Het geschenk voor de Kinderboekenweek is dit jaar geschreven door Pieter Koolwijk. Van hem besprak ik ooit Gozert (2020),  een grappig en tragisch boek. Goed gedaan. De twee vervolgdelen. Luna (2021) en Missie afbreken (2021) las ik dan weer niet. Maar Schatpakkers heb ik meteen gelezen. 

Sleutel kwijt

Nevin, een meisje uit groep zeven, wordt door haar vader naar buiten gestuurd, omdat ze te veel 'achter' schermen zit. Ze is daar boos over en neemt de autosleutel mee naar buiten, zodat haar vader niet naar het stadion kan. 

Ongelukkigerwijs belandt de sleutel in een putje en ze kan zien dat een blauw handje de sleutel pakt. 'Ooo... Schat!' hoort ze en weg is de sleutel. Gelukkig wil iemand haar helpen, Bec, een meisje uit groep 6. Bec weet heel veel van dieren en laat slakken over haar regenjas kruipen. Daar wordt ze mee gepest. Haar bijnaam is Bec Slakkendrek. 

Bec roept de hulp in van een zwijgzame jongen uit groep 8, Davy, die domme Davy wordt genoemd, maar die dat helemaal niet is. Samen met Nevin gaan ze naar een leegstaande fabriek, de 'scheldfabriek'. Daar blijken heel veel wonderlijke wezentjes te huizen. Het is maar de vraag of Nevin haar schat terugkrijgt. 

Schatpakkers is een leuk boek, dat lekker vlot leest. Je gaat gemakkelijk mee in het onwaarschijnlijke verhaal. Achteraf vraag je je wel af of die schatpakkers in de werkelijkheid van het verhaal bestaan of dat ze alleen in het hoofd van Nevin bestaan, maar op die vraag hoeft niet per se antwoord gegeven te worden.

Meeloper

Op de school van Nevin wordt nogal gepest. Nevin is niet de ergste pester, ze is een meeloper. De wezentjes doorzien haar en zeggen haar precies hoe ze is. Dat is nogal confronterend. 

De vrienden van Nevin zijn nauwelijks echte vrienden. Als je je aanpast, mag je meedoen, maar als je een fout maakt, word je uitgelachen. Bec en Davy helpen Nevin, ze durven hun eigen gang te gaan en trekken zich niet zoveel van anderen aan. Door hen leert Nevin zien hoezeer ze zichzelf in de andere groep geweld moet aandoen. 

In Schatpakkers komen verschillende onderwerpen aan de orde waar je een goed groepsgesprek over zou kunnen houden. Bijvoorbeeld over het feit dat Nevin veel gamet. Wat ze meemaakt in de scheldfabriek blijkt veel spannender te zijn dan wat ze in een game beleeft. Maar ook over wat vriendschap betekent of hoe het je kan lukken om jezelf te blijven kun je verder praten. 

Uiteindelijk liggen de boodschappen er misschien net te dik bovenop, waardoor het boekje ook iets prekerigs krijgt. Maar kinderen nemen dat misschien wel graag op de koop toe, want Schatpakkers is ook gewoon een lekker leesboek. 

Eerder schreef ik over:

2023 Ravi en de laatste magie

2022 Waanzinnige boomhutverhalen

2021 Tiril en de toverdrank

2020 De diamant van Banjarmasin

2019 Haaientanden

2018 De eilandenruzie

(2017 Kattensoep)

2016 Oorlog en vriendschap

maandag 7 oktober 2024

De wonderlijke avonturen van Meester Prikkebeen (Rodolphe Töpffer / Pieter-Paul Jansen)

Het eerste stripverhaal! Zo wordt Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen altijd genoemd. Het is een vertaling van Histoire de Monsieur Cryptogame (1845) van RodolpheTöpffer (1799 - 1846). Töpffer was een Zwitserse leraar, auteur en schilder, die wel beschouwd wordt als de eerste stripmaker. Dat klopt niet helemaal: al in 1808 maakte Willem Bilderdijk voor zijn zoontje de strip Hanenpoot.

Het duurde een tijdje voordat het boek over monsieur Cryptogame in het Nederlands verscheen, maar in 1858 was het dan zover. J.J.A. Goeverneur (1809 - 1899), die zich ook wel Jan de Rijmer noemde, zorgde voor de Nederlandse tekst. Goeverneur was niet alleen een bekend literator, maar hij schreef ook versjes voor kinderen. Regels als 'Toen onze Mop een Mopje was', 'In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland' en 'Roodborstje tikt tegen 't raam, tik tik tik' zullen bij een deel van de bevolking nog steeds min of meer bekend zijn. 


Cover van de eerste uitgave in het Nederlands

Töpffer vertelde het verhaal van monsieur Cryptogame in tekeningen. Onder de tekeningen schreef hij vrij korte teksten. Goeverneur maakte van die tekeningen en teksten een verhaal, verteld in strofen van zes regels. Daarbij bewerkte hij wel het verhaal. Hij liet een aantal tekeningen weg en greep ook in in het verhaal. 

Vlinderjacht

Bij Töpffer gaat het verhaal als volgt: monsieur Cryptogame is een verwoed vlinderverzamelaar en het liefst zit hij de hele dag met zijn netje achter vlinders aan. Maar zijn verloofde Elvire wil dat hij nu eens met haar gaat trouwen. Dat benauwt Cryptogame zo, dat hij vlucht. Hij wil naar Amerika. 

Elvire gaat hem echter achterna en dan volgen er dolle avonturen, waarbij Cryptogame een tijdje in het binnenste van een walvis verkeert en hij trouwt met Pieternel, van wie hij later weer gescheiden wordt, zodat hij denkt dat ze overleden is. Veel dwaze verwikkelingen waarover op lichte toon verhaald wordt. Uiteindelijk komt het goed. 


Bij Goeverneur wordt monsieur Cryptogame meester Prikkebeen en van de verloofde Elvire maakt hij Prikkebeens zus Ursul of Ursula. Dat is een vreemde ingreep en het is ook niet goed te zien waarom die nu nodig was. Het verhaal wordt er zeker gekunstelder door. Bij Töpffer blijft Cryptogame vluchten voor zijn verloofde, omdat hij niet met haar kan trouwen. Hij is immers in het geheim al getrouwd met Pieternel en hij kan niet met twee vrouwen trouwen. Dat deel van het verhaal moet aangepast worden, want zuster Ursula heeft immers helemaal niet de bedoeling om met Prikkebeen te trouwen. 

Advertentie in de Leeuwarder Courant van 14 juli 1865
Er wordt wel gezegd dat Goeverneur het boek gekuist heeft en dat hij geweld uit het boek gehaald heeft, maar dat laatste is zeker niet het geval. Er worden nog heel wat mensen opgehangen, bijvoorbeeld. Maar dat Ursula in de harem van een oosterse vorst terechtkomt heeft Goeverneur overgeslagen. 

Op de markt

In de zomer van 1865 kwam Reizen en avonturen van mijnheer Prikkebeen, in de versie van Goeverneur, in de handel. En het bleek goed te verkopen. Er staan enkele exemplaren in mijn kast, maar daar word ik niet veel wijzer van. In de ene wordt vermeld dat het de zesentwintigste druk betreft, maar niet in welk jaar het boek is uitgekomen. In Delpher vind ik dat de vijfentwintigste druk in 1978 verscheen. In het andere exemplaar in mijn boekenkast worden druk noch jaartal genoemd. 

Advertenties

Het boek kost vijftig cent en dat zal wel een schappelijke prijs zijn geweest. In een advertentie in de Leeuwarder Courant van 14 juli 1865 zijn de andere boeken die aangeboden worden allemaal duurder. 

Het nieuws van den dag, 12 juli 1877
Wie in Delpher gaat zoeken op 'mijnheer Prikkebeen' vindt in de negentiende eeuw vooral advertenties en die blijven van tijd tot verschijnen. Herdrukken zijn vaak wel duurder: ƒ 1,25 en ƒ 0,90. Er is blijkbaar steeds een markt voor het wonderlijke verhaal van Prikkebeen. 

Het verhaal zoals Goeverneur het vertelt, is geestig. Niet alleen door de verwikkelingen, maar ook door wat Goeverneur eraan toevoegt. Bijvoorbeeld in de laatste twee regels van deze strofe, onder een plaatje van Prikkebeen die net uit zijn bed is, slaapmuts nog op, nachthemd nog aan:

Vroeg, voor dag en dauw al staat
Hij weer voor zijn bed paraat,
Brommend: ''k Ben nieuwsgierig al, 
Want vandaag ik vangen zal.'-
Prikkebeen, ik raad je man,
Trek toch eerst je broek maar an!
Goeverneur maakt er ook een heel Nederlands verhaal van. Zo leest Prikkebeen de Haarlemmer Courant,
Leeuwarder Courant, 10 oktober 1882

drenkelingen worden opgepikt door het Rotterdamse schip Fortuin en als men aan land komt, wordt 'Wien Neêrlands bloed' gezongen. 

Niet voor niets noemde Goeverneur zich Jan de Rijmer: het verhaal is vaardig berijmd. Op metrum en rijm is weinig aan te merken. Daarbij maakte Goeverneur het zichzelf niet gemakkelijk. Hij gebruikt alleen mannelijk rijm, waardoor elke regel op een beklemtoonde lettergreep moet eindigen. Slechts een enkele keer ontbreekt er in een regel een lettergreep. Het verhaal leest vlot, de overgangen tussen de plaatjes zijn logisch. 

Zoals Goeverneur niet scrupuleus was in het ingrijpen in de tekst, neemt hij af en toe ook de vrijheid om de volgorde van de tekeningen wat aan te passen. 

Voor wie nieuwsgierig is geworden: de eerste uitgave in het Nederlands is digitaal in te zien.

Prikkebeen in de Top 40

Het verhaal van Prikkebeen werd door deze berijming bekend in Nederland. Boudewijn de Groot zong, samen met Elly Nieman, over Meester Prikkebeen. De tekst was geschreven door Lennaert Nijgh. Die laat Prikkebeen de dagen van december op zijn hoed prikken. In het verhaal van Töpffer prikt de hoofdpersoon vlinders op zijn hoek. In 1968 reikte het nummer tot de negentiende plaats in de Top 40. 

In 1973 scoorde Rob de Nijs een hit met 'Dag Zuster Ursula': 'Dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula / Ik zie het hier niet zitten, ik ga naar Amerika.' De tekst is van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh. Het nummer zal twaalf weken in de Top 40 staan, met als hoogste plaats nummer drie. Ook Prikkebeen wilde naar Amerika en hij hoopte daarbij af te komen van zijn zuster Ursula. 

Het Parool van 10 november 1979

Gerrit Komrij

In 1980 komt er een nieuwe Nederlandse uitgave van Prikkebeen, in de bewerking van Gerrit Komrij: De zonderlinge avonturen van Primus Prikkebeen. Het verhaal wordt strook voor strook voorgepubliceerd in Het Parool. 

Bij Goeverneur zijn de illustraties houtsneden, Komrij grijpt terug op de oorspronkelijke pentekeningen van Töpffer, maar snijdt de onderschriften weg. De tekst is niet verdeeld in sextetten, maar in strofen van vijf regels. 

Komrij zal veel lol beleefd hebben aan de bewerking. Die is speels en gaat ver in het experimenteren met enjambementen. Een enkel voorbeeld:

Prik gaat naar bed. Om elke boom
Ontwaart hij plots een astronom-
Isch aantal vlinders. In zijn droom
Bezit hij een gezichtsvermogen
Van soms wel achtendertig ogen. 
De absurde kanten van het Prikkebeenverhaal brengt Komrij duidelijk naar voren. Door herhalingen brengt hij samenhang aan. De volgende zin komt verschillende voor: 
'Het wemelt, ' denkt hij, 'hierbeneden
Van louter raadselachtigheden.'
En ook dit zinnetje komt een paar keer terug:
Opknopen, daar heeft de abbé
Een broertje dood aan. En de pee
Ook over in. 
Komrij vindt het leuk om hedendaagse elementen in te brengen. Elvire brengt Prikkebeen niet alleen een gloeiend hete thee, een warme grog en cognac, maar ook 'Een kopje dampend nescafé'. 


De uitgave van Komrij is in een wat groter formaat dan die van Goerverneur, zodat de tekeningen goed uitkomen. De tekst is op sommige plaatsen wat gewrongen, maar Komrij redt zich er meestal goed uit. Hier en daar is wel wat aan te merken. Zo laat hij Prikkebeen 'soms wel eens' een brief schrijven en in dezelfde strofe zit er antimetrie in het woord 'hemeltjelief'. Maar dat laatste is inhoudelijk te verantwoorden. 

Het Parool, 19 november 1979

Töpffer wil nog wel eens abrupt overstappen naar een volgende scène. Komrij zorgt er dan voor dat het verhaal goed te volgen is. Hij voegt dan uitleg toe:
Een storm brengt menigmaal de klad
In 't reisschema van een fregat.
Zo valt het te verklaren dat
Zij 't kaperschip uit Algerije
Vol ijspegels voorbij zien glijen. 

Pieter-Paul Jansen

Intussen is ook de uitgave van Komrij alweer vergeten, al zou de tekst volgens mij nog steeds meekunnen. Bij uitgeverij Personalia is er onlangs een compleet nieuwe uitgave uitgebracht, met een nieuwe berijming, door Pieter-Paul Jansen.

In de inleiding wordt korte metten gemaakt met de vorige uitgaven: de houtsneden bij Goeverneur zouden stijf zijn, wat nog wel meevalt, lijkt me. En Komrij gebruikte wel de originele tekeningen van Töpffer, maar zonder de onderschriften. In deze uitgave zijn die terug, zoals het hoort. 

Bovendien vinden we achterin een transcriptie van de Franse tekst, met een vertaling. Dat is prachtig. Nu kunnen we het originele verhaal van Töpffer lezen en zelf zien wat de bewerkers eraan hebben toegevoegd. De teksten van de Zwitser zijn nogal beknopt. Om er een echt verhaal van te maken, moet je zelf elementen toevoegen, wat bewerkers behoorlijk wat vrijheid geeft. De Franse uitgave kun je overigens hier inzien. 

Aardigheidjes

Bij de berijming heeft Jansen wat aardigheidjes: 'wat heel ziel- en treurig is'. Net als Komrij herhaalt hij zinnetjes, die als een soort running gag fungeren: 'Wordt hij alweer beter? Nee.' Ook hij maakt verbindingen met het heden:

Opwarming van het klimaat
Komt voor Prik en Dik te laat.

Sommige rijmen zijn goed gevonden en doen origineel aan:

Tussen haring, kabeljauw en
Al wat potvissen verstouwen. 

Of:
Hij merkt -help!- dat ze niet vies is
Van een huiselijke crisis. 

Dat is allemaal heel aardig, maar Jansens berijming schiet ook heel vaak tekort. Mogelijk komt dat mede doordat hij zich weinig ruimte gunt. Goeverneur vertelde zijn verhaal in strofen van zes regels, Komrij in die van vijf en Jansen heeft zich tot doel gesteld alles te vertellen in strofen van vier regels, kwatrijnen dus, waarvan de regels ook nog eens vrij kort zijn. Dat lukt niet altijd goed. Soms moet hij zo proppen, dat hij vervalt in een soort telegramstijl, die niet prettig leest. 

Moeite met het metrum

Jansen heeft op heel veel plekken moeite met het metrum. Al op de eerste pagina wisselt hij van verleden naar tegenwoordige tijd, zonder dat daar een andere noodzaak voor lijkt te zijn dan dat 'trouwt' nu eenmaal een lettergreep minder heeft dan 'trouwde'. Tot die noodgreep moet hij verschillende keren overgaan. 

Soms zondigt Jansen tegen het metrum, ook als dat gemakkelijk te verhelpen zou zijn. 

Zij wil Prik geprikkeld maken
Door zijn jaloersheid te raken. 
Hier had het woord 'jaloezie' het probleem opgelost. 
Hoe zij ook reanimeert
En haar stijve Prik masseert,
Hoeveel zorg zij ook biedt,
Komt hij alweer bij? Dus niet. 

Hier komt de derde regel een lettergreep tekort. Correct zou zijn: 'Hoeveel zorg zij hem ook biedt'. Of moet hier 'zorg' uitgesproken worden als 'zorreg'?

Stoplappen

Vaak werkt Jansen met opvulwoorden. In een van de citaten hierboven is 'help!' zo'n woord, al vind ik het daar niet storend. Op andere plaatsen doet het gebruik van dit soort woorden onmachtig aan:
Ursula springt -Hie-ie!", fel -
Van jaloersheid uit haar vel
Of:
In de rug, o, van die vis

En ook nog:
"Eh, dag zuster Ursula!"
"Wat een toestand, ja, ja, ja."

Storrem en dollek

Merkwaardig is dat sommige lettergrepen, of een lettergrepige woorden, (elk, storm, dolk, balk, kurk, hulp, warm, werk) gelezen moeten worden als tweelettergrepig om binnen het metrum te passen (ellek, storrem, dollek, ballek, kurrek, hullep, warrem, werrek). Van elk een regel met een voorbeeld:
Elk ding in elke vorm
Giert een storm hoogste klas
En mag met zijn dolk spelen
Oei, het gras is kurkdroog
Dik rent met zijn balk, want
Stukken stof voor hulpkreet
Nel houdt Mops goed warm vast
'k Heb gewerkt als een paard
De regels heb ik uit hun context gerukt en hebben onderling geen verband. 

Eigenaardigheden

Er zijn wel meer eigenaardigheden. Af en toe schrijft Jansen drie sterretjes, alsof hij zichzelf censureert " ('Gáf die *** een watjekouw!'). De noodzaak lijkt me niet aanwezig. Of is ook dat een makkelijke oplossing?

En dan heb ik het nog niet over een woord als 'kapselhaar' of dat Jansen 'rijk' laat rijmen op 'huwelijk', kinderen 'cum laude' laat leren, dat hij schrijft 'rechts de eenden' terwijl ze aan de linkerkant te zien zijn, of dat iemand een arm 'bemant' als hij een arm geeft.  

Kortom, de berijming van Jansen schiet op veel punten tekort. Hier was een strenge redacteur nodig geweest. Die had dan ook het voorwoord van Herman Roozen kunnen corrigeren. Daarin staat namelijk dat deze berijming gebaseerd is op 'de originele teksten van Goeverneur', wat juist niet het geval is. Het goede is dat Jansen juist teruggaat op de oorspronkelijke tekst van Töpffer. 

Tegenover deze uitgave van het verhaal van meester Prikkebeen sta ik wat ambivalent. Aan de ene kant is het mooi dat het verhaal beschikbaar is in een nieuwe uitgave in hardcove, dat de originele tekeningen met onderschrift gebruikt zijn en dat de Franse tekst getranscribeerd en vertaald is. Maar de berijming had beter overgelaten kunnen worden aan iemand die zich beter thuisvoelt in de poëzie. Hopelijk kan een nieuw publiek er een beetje doorheen lezen. 

Titel: De wonderlijke avonturen van Meester Prikkebeen
Tekst: Robert Janssen / Rodolphe Töpffer
Tekeningen: Rodolphe Töpffer
Uitgever: Personalia
2024, 120 blz. € 19,95 (hardcover)

donderdag 3 oktober 2024

De duistere orde, Jack Pott boek 6 (Willem Ritstier / Minck Oosterveer)

De tekenaar Minck Oosterveer (1961 - 2011) heeft vooral samengewerkt met scenarist Willem Ritstier. Het leverde series op als Zodiak en Nicky Saxx, die opnieuw worden uitgegeven, in kleur, en ook een deel van Storm, De banneling van Thoem (2011). De bedoeling was dat dat een serie zou worden, De kronieken van de buitenring. Door de plotselinge dood van Oosterveer is het bij dit ene deel gebleven. 

De serie Jack Pott is ook een product van het tweetal. Eerlijk gezegd kende ik de strip niet. Het is de eerste dagstrip die Oosterveer tekende, voor het Algemeen Dagblad. De verhalen zijn opnieuw uitgegeven door Uitgeverij Kippenvel in zes delen, hardcover, oblong. Daarvan las ik het laatste deel. Het verhaal, De duistere orde, verscheen van 7 augustus 1993 tot en met 17 maart 1994 in de krant. 

In de problemen

Jack Pott is een gokker, die naast zijn gokcapaciteiten niet zoveel bijzondere eigenschappen lijkt te hebben. Maar bang is hij niet en dat komt goed uit, want hij raakt nogal eens in moeilijkheden. 

In De duistere orde is hij bij het pokeren in de problemen gekomen, maar hij weet te ontkomen. Hij is een beetje slaperig, als hij in een auto over een verlaten weg rijdt. Ineens steekt er vrouw voor zijn auto over. Als hij haar in veiligheid wil brengen, wordt hij uitgeschakeld door twee monniken. Uiteindelijk kan hij nog net meegenomen worden door de motorrijdster Bjinkha.

Ze woont samen met haar vader, een arts. De twee vertellen dat het dorp, waarin nog geen driehonderd mensen wonen, beheerst wordt door een groep monniken. Niemand kan het dorp uit en vreemdelingen die in het dorp komen, overleven het niet. De dorpelingen worden in bedwang gehouden met dreiging van een ernstige ziekte, waarvoor het geneesmiddel alleen bij de monniken te verkrijgen is. 

Samen met Bjinkha gaat Jack Pott op onderzoek uit. Ze willen het klooster binnendringen om (de formule van) het geneesmiddel te ontfutselen. Of dat lukt, is te lezen in De duistere orde

Het verhaal met de monniken heeft wel een afronding, maar er wordt ook nog wat opengelaten, zodat er een nieuw avontuur zou kunnen beginnen. Daar is het niet meer van gekomen. Het Algemeen Dagblad wilde niet meer een dagelijkse vervolgstrip. Oosterveer en Ritstier begonnen daarna bij de Telegraaf met Zodiak en later Nicky Saxx. 

Interview

Dat vertelt Willem Ritstier in het interview dat voor in deze uitgave is opgenomen. Daarbij staat ook nog een extra tekening van Minck Oosterveer bij. Achterin krijgen we als extraatje enkele opnieuw getekende stroken. Oosterveer maakte die toen het verhaal uitkwam in albumvorm, in 1995, waarvan ook de covertekening in de uitgave van Kippenvel is opgenomen. 

Het scenario vertoont enkele onwaarschijnlijkheden. Zo is het niet zo geloofwaardig dat een beperkt groepje monniken ervoor kan zorgen dat niemand uit het dorp ontsnapt. Uiteindelijk weet je hoe het zit met de besmetting van het dorp, maar de vraag is of dat voor de hand ligt. Dat gaat alleen op als het complete dorp voor de watervoorziening afhankelijk is van de rivier. 

Eigenlijk zijn het kleinigheden, waar alleen kniesoren op letten. Tijdens het lezen laat je je meevoeren door het verhaal, dat spannend is. Ritstier moest ervoor zorgen dat er aan het eind van elke strook iets verteld wordt waardoor de lezer verder wil lezen. In het interview vertelt de scenarist dat hij tijdens het schrijven vaak nog niet wist hoe het verhaal af zou lopen. Dat kan tot losse eindjes leiden. 

Tekeningen

De tekeningen van Oosterveer zijn zoals we gewend zijn: met vrij forse, soepele lijn getekend. Hij hield niet van het tekenen van honden en katten en daarom zorgde Ritstier ervoor dat die er niet in voorkwamen. Oosterveer tekende graag aantrekkelijke vrouwen. Bjinkha is een sterke vrouw, mede bepalend voor het verloop van het verhaal. Vaak gaat ze losjes gekleed en zelfs als ze een mannenpij draagt, zijn haar benen goed zichtbaar. Vreemd genoeg zien we de mannenbenen niet, wat de vraag oproept of man en vrouw wel hetzelfde model pij dragen. 

Maar goed, dat is de voorkeur van Oosterveer, die nog meer de lichamelijkheid van vrouwen zou benadrukken in Zodiak, mede op verzoek van de Telegraaf.

Het oblongformaat waarin de strips zijn uitgegeven past uitstekend bij de krantenstrip. Op elke pagina staan twee stroken. De tekeningen komen goed uit en zijn groter dan ze oorspronkelijk in de krant waren. De uitvoering in zwart-wit werkt goed. Oosterveer werkt met aardig wat zwartvlakken zodat de afzonderlijke tekeningen 'gevuld' overkomen. 

De bladzijden zijn niet genummerd, wat niet gebruikelijk is, maar erg is het ook niet. 

Ik neem aan dat de strip niet opnieuw geletterd is. Dat betekent ook dat de oorspronkelijke fouten zijn blijven staan ('gejuigd', 'heeft overleeft') en ook in het interview staat een enkele niet kloppende zin: 'Opvallend detail zijn het diepe decolleté'.

Daar kun je over struikelen, maar belangrijker is dat Jack Pott weer in zijn geheel beschikbaar is. Het is mooi dat een uitgeverij dat project op zich heeft genomen. Met dit zesde deel is de serie compleet. De oplage is beperkt, dus wie alle zes de albums wil hebben, moet niet te lang wachten. 

Serie: Jack Pott
Deel 6: De duistere orde
Scenario: Willem Ritstier
Tekeningen: Minck Oosterveer
Uitgeverij: Kippenvel
2024, 108 blz. € 20,00 (hardcover)

woensdag 2 oktober 2024

De vuurman (Anton Quintana)


 Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar. In de bundel Nu ik er nog ben beschrijft Dick Matena hoe Anton Quintana (1937 -  2007) met hem op de vuist gaat. Voordat ik dat las, had ik jaren niet aan Quintana gedacht. Vlak daarna zag ik diens jeugdboek De vuurman liggen. Ik nam het mee en las het. 

In 1982 las ik De bavianenkoning, waarmee Quintana de Gouden Griffel won. Een mooi boek over een jongen die opgroeit tussen de bavianen. Pas jaren later, mogelijk pas na de dood van de schrijver, las ik Het Boek van Bod Pa (1995), een van de beste jeugdboeken die ik ooit las. 

Bod Pa is een blinde, kleine man, maar ook een geweldige zwaardvechter. Hij wordt altijd vergezeld door een wolf en een raaf. Bod Pa wordt de leermeester van Perregrim, die sukkelt met zijn been. Prachtig weet Quintana een fascinerende wereld op te roepen, waarin veel geheimzinnig is, waarschijnlijk ook door de mysterieuze Bod Pa. In 2000 verscheen een vervolg, De hemelruiter, ook een goed boek, maar voor mijn gevoel haalt het het niet bij Het boek van Bod Pa. 

Buitenstaander

In alle boeken is de hoofdpersoon een buitenstaander, die zich moet bewijzen tegenover zijn omgeving. Dat zou zijn grond kunnen vinden in het leven van Quintana: hij heeft zijn vader nooit gekend, zijn moeder overleed toen hij tien jaar oud was, hij kampte met lichamelijk ongemak, ging zwerven door Europa en belandde nog een tijdje in Spanje in een gevangenis, nadat hij opgepakt was als landloper. Hij heeft een tijd lang een soort van rivaliteit ervaren met zijn tweelingbroer, André Kuyten. Die overleed in 1979. 

Bod Pa is een mentor voor Perregrim en in de vuurman is de vedelaar Dujardin dat voor Michiel van Geleen. Zo'n mentor zou je ook kunnen zien als een vervangende vader. Dujardin verklaart pas na verloop van tijd welke betrokkenheid hij heeft bij de dood van Michiels vader. 

Onvrede

Maar in het begin heeft Michiel nog niet veel te maken met Dujardin. Het is 1743 en in Zuid-Limburg heerst de honger. Veel regen, mislukkende oogst, broodprijzen die omhoog vliegen, veepest, een langdurige en strenge winter. Brandhout en turf zijn onbetaalbaar geworden en er is een verbod op sprokkelen. En dan zijn er ook nog overstromingen. Geen wonder dat er onvrede is. 

Er gaan verhalen over de nachtrijders, die later bokkenrijders genoemd zullen worden. Michiel krijgt zijdelings met hen te maken, nadat hij zijn baan van boerenknecht is kwijtgeraakt. Men biedt hem aan om mee te doen, maar hij meent dat het niets voor hem is. Hij wordt vuurman in de mijn. In een pas uitgehakte mijn moet hij naar binnen om het grauwgas te laten ontploffen, gevaarlijk werk. 

Als een brand

Later zal hij toch bij de nachtrijders komen, al is het eigenlijk tegen zijn zin. Uiteindelijk wordt hij zelfs de leider. Maar het aantal groeit zo sterk, dat hij er nauwelijks meer controle over heeft. Iemand zegt tegen hem:
Je hebt een bende gesticht zoals je een brand sticht. En nu begint het uit de hand te lopen. Nu komen de rijders van alle kanten, als vlammen die telkens ergens anders oplaaien. Vuurman was je in de mijn, vuurman ben je gebleven. Wie zal deze brand voor je blussen. Waar gaat het om, Michiel? Is het puur machtsvertoon? Wil je zo graag dat iedereen bang voor je is? 
De rijders zijn een soort Robin Hoods, die zich verzetten tegen degenen die de macht hebben. De rijken, de geestelijken, de bestuurders. Maar de sancties zijn zwaar en geregeld worden er nachtrijders terechtgesteld. Zeker sinds Dillenbourg, de beul van Aken, is gearriveerd. Vroeg of laat zal Michiel zo'n terechtstelling niet kunnen ontlopen. 

Ik zou Het boek van Bod Pa moeten herlezen om te beoordelen of De vuurman van hetzelfde niveau is. Ik vermoed dat het daar iets onder blijft, maar het is wel goed geschreven. Binnen enkele bladzijden ben je helemaal in de achttiende eeuw, in het zuiden van Limburg. En je leeft helemaal mee met Michiel, die eigenlijk niets met de bandieten te maken wil hebben, maar die uiteindelijk niet om de rol heen kan die hem wordt opgedrongen. 

Het boek is voor 12+ staat er op de rug. Voor jongere kinderen lijkt het me inderdaad niet geschikt. De zinnen zijn niet eenvoudig en het verhaal is bepaald niet lieflijk. De jonge lezer wordt geconfronteerd met het harde leven van toen. Een zoet of positief slot zit er ook niet in bij zo'n soort roman.

Underdogs

Quintana had oog voor de buitenstaander en dat is Michiel ook wel. Hij wijkt duidelijk af van de andere nachtrijders. Verder schrijft Quintana vaak over groepen die het minder getroffen hebben. Lang geleden las ik een interview met hem, waarin hij vertelde over de groep mensen die we toen 'indianen' noemden. Die hadden al zijn sympathie. Toen hij (als jongere?) over hen gelezen had, sloeg hij de hakken onder zijn schoenen uit. Als de indianen geen hakken onder hun schoeisels hadden, wilde hij dat ook niet. Het is het enige wat me uit dat interview is bijgebleven. Geen idee waar en wanneer ik het las. 

De nachtrijders behoren ook tot die onderliggende partij. Ze zijn de machtelozen, die uiteindelijk toch een zekere macht blijken te hebben. Maar voor hoelang? Op den duur trekken de machtigen aan het langste eind.  
'Mijn recht is recht,' zuchtte de schout, 'al is het zo krom als een spijker.'
Daardoor zijn die rijders voor de lezer sympathiek. Ze komen in opstand tegen het maatschappelijke onrecht en zelfs als ze daarbij over de schreef gaan, kun je daar wel enig begrip voor opbrengen. 

Prijzen

De vuurman kwam uit in 1987, tussen De bavianenkoning (1982) en Het boek van Bod Pa (1995) in. Het eerste boek werd bekroond met de Gouden Griffel, het laatste met De Woutertje Pieterseprijs en de Gouden Uil. In 1988 verscheen de tweede druk van De vuurman en in 1997 de derde, geheel herziene druk. Wat Quintana bij die druk gewijzigd heeft, is me onbekend, maar ik heb die derde druk gelezen. 

Het was prettig om weer eens wat van Quintana te lezen, een schrijver waar ik lang geen aandacht aan besteed heb. Ik ben ook wel nieuwsgierig geworden naar De vossenhater (1996) en naar Padjelanta (1973). Voorlopig heb ik nog heel veel andere boeken liggen waar ik ook zin in heb, maar Quintana is opnieuw in mijn belangstelling gekomen. 

dinsdag 1 oktober 2024

Dystopolis (Miel Vandepitte)

Ergens in de toekomst. De stad Dystopolis is de laatste stad op aarde. En daarbij zijn de onderste lagen van de stad (de Benedenstad) niet eens bewoonbaar, net als de rest van de aarde. Elke vijf jaar sluiten de inwoners van Dystopolis zich op in hun appartementen. Op 30 maart verschijnt dan de Kannibaal, die altijd vreselijk huishoudt. 

Dat moment nadert weer en de stad bereidt zich zo goed mogelijk voor. Er zijn technologische maatregelen en duizenden agenten van Dystopol houden de stad in de gaten. 

Dat is de beginsituatie van de graphic novel Dystopolis van Miel Vandepitte, die eerder Centralia schreef en tekende. 

Billy en Abdulla

Het bestrijden van de Kannibaal zal vooral ook gebeuren door een groepje agenten, waarvan Billy de opmerkelijkste is. Hij is heel erg gericht op eten en hij spreekt nooit over zijn traumatische jeugd, die nu meer opspeelt dan ooit. 

Hij wordt bijgestaan door een stagiair, Abdulla, die vast van plan is de Kannibaal te pakken te nemen. De ouders van Abdulla, die niet in Dystopolis wonen, maken zich zorgen om hem. Het bevreemdt me wel dat zij buiten de stad kunnen wonen: de rest van de wereld is immers onbewoonbaar?

Net als bij Centralia kan het verhaal van Dystopolis mij maar matig boeien. Maar Billy is een gelaagd personage. We komen maar geleidelijk te weten wat er in zijn verleden gebeurd is. Aan de ene kant lijkt hij iets sulligs te hebben, maar hij leeft met een diepe tragiek. Niet voor niets is hij alleen maar bezig met eten. Dat eten is wellicht zijn troost. 

Tijdens hun strijd met de Kannibaal, die een behoorlijke aanhang verworven heeft, komt het groepje erachter waarom deze vijand elke vijf jaar verschijnt. Dat leert hen iets over de leiders van de stad (het Consortium) en ook over de Benedenwereld. 

Afstand

Aardig wat tekst, vind ik, en het lezen schiet niet altijd even goed op. Ook blijf ik als lezer afstand houden tot het verhaal. Eigenlijk is het vooral Billy die me raakt en met de jonge stagiair wil ik ook nog wel een beetje meeleven. Ondanks zijn onervarenheid krijgt hij heel wat te verstouwen. 

Kortom, het verhaal is niet zo aan mij besteed. Voor de tekeningen heb ik veel meer oog. Dat begint al aan de binnenkant van de kaft, waar we een blik op de stad krijgen, waarin allerlei iconische elementen terug te vinden zijn, zoals een besmeurd Atomium en de Eiffeltoren.  Daarnaast zijn er ook grappige elementen, bijvoorbeeld een gigantische donut. 

Tekendrift

Uit het hele boek blijkt de tekendrift van Vandepitte. Die krijgt alle ruimte. Er is zelfs een uitklapplaat, waarop Vandepitte zich helemaal heeft kunnen uitleven. Daarop zie je de Kannibaal en een groot Jezusbeeld en dat is weer een mooie combinatie, want de Kannibaal dient zich bepaald niet aan als een Verlosser. 

Aan de tekeningen in Dystopolis is heel wat te genieten. Ze zijn strak en gedetailleerd en de inkleuring is fraai. Er zijn veel tekeningen die echte kijkplaten zijn. De tekenaar moet er lang aan gewerkt hebben en die aandacht, of misschien moet ik het liefde noemen, is eraan af te zien. 

Eerder noemde ik 'veel tekst', maar eigenlijk klopt dat niet: er zijn genoeg platen waarop helemaal geen tekst voorkomt. Dat ik het toch als 'veel tekst' ervaren heb, laat wel zien dat ik me echt door het verhaal heen moest worstelen. 

Ik snap dat Miel Vandepitte zijn zelfgeschapen werelden wil tonen, maar ik zou wel eens een album willen zijn met zijn tekeningen op een scenario van een goede scenarist, die strakker vertelt en de vaart er goed inhoudt. 

Voor dit soort strips ben ik zeker niet de ideale lezer, maar voor mijn gevoel is Dystopolis wel een stap vooruit ten opzichte van Centralia en dan vooral door de figuur van Billy, aan wie ik me toch ben gaan hechten. In de passages die over hem gaan, kom je toch dichterbij dan in de rest van het album. Daarvan kan ik de tekeningen met bewondering bekijken, maar daardoor word ik niet echt geraakt. 

Titel: Dystopolis
Tekst en tekeningen: Miel Vandepitte
Uitgever: Scratch Books
2024, 156 blz. € 27,50 (hardcover, uitklapplaat)





donderdag 26 september 2024

Naar Lillehammer (Vonne van der Meer)


Cécile is 49 jaar oud en is aan een nieuwe fase in haar leven begonnen. Net verhuisd, een huwelijk van tien jaar achter de rug, baan beëindigd. Ze is nog aan het uitzoeken wie ze is in deze nieuwe situatie. Dan vraagt een moeder om even op haar kind, nog geen drie jaar oud, te letten. Maar de moeder komt niet terug en Cécile moet ineens moedertaken op zich nemen. 

Dat is de situatie kort na het begin van de roman Naar Lillehammer (2021) van Vonne van der Meer. Cécile gaat zorgen voor het meisje Faith, dochter van Gladys, vier jaar geleden gevlucht uit Nigeria en nu in handen van een man bij wie ze een schuld heeft. Hij heeft haar paspoort in bezit en ze verricht sekswerk voor hem. Ze kan zich niet aan hem onttrekken, omdat er dan een vloek van kracht zal worden. 

De droom van Gladys is om zich te vestigen in Lillehammer, waar haar broer woont. Maar daar is voorlopig geen sprake van. Ze houdt wel contact met Cécile, bij wie ze af en toe komt binnenvallen. 

Gevaarlijk dicht bij het moederschap

Cécile neemt de opgedrongen moedertaak op zich. Ze menstrueert al niet meer, dus een moederschap op een andere manier zit er niet meer in. Ze weet dat Faith tijdelijk aan haar zorgen is toevertrouwd, maar als het dode lichaam van een zwarte vrouw gevonden wordt, beseft ze dat ze misschien blijvend voor Faith zal zorgen. Achteraf zal ze zeggen dat ze op dat moment dicht, gevaarlijk dicht, het moederschap was genaderd. 

Tijdens het verkennen van de nieuwe omgeving (Cécile is net verhuisd), maakt ze kennis met Rogier, die haar helpt met de problemen waarin ze nu terechtgekomen is. Hij stelt zelfs het vakantiehuis van zijn familie, bij Lunteren, beschikbaar voor Gladys en Faith om daar tijdelijk in onder te duiken. Maar is Gladys daar veilig?

Naar Lillehammer is een verhaal met een intrigerend begin, waarin er al gauw verwikkelingen komen. Cécile raakt betrokken bij zaken die misschien te groot en te gevaarlijk voor haar zijn, maar ze heeft zich voorgenomen om Gladys te helpen en daar gaat ze mee door. 

Wereldbeelden

Gladys heeft een compleet ander wereldbeeld dan Cécile: ze gelooft in de vloek en ze klopt eerst op een deur voor ze een vertrek binnengaat, omdat er geesten van voorouders in dat vertrek kunnen zijn. Haar dochter Faith heeft een amulet die haar moet beschermen. Cécile draagt een kruisje, maar onder haar kleren. 

Ze komt er steeds meer achter dat de wereldbeelden van Gladys en haar misschien minder verschillen dan ze aanvankelijk dacht. Ze gelooft dan misschien niet geesten, maar haar overleden moeder is op een of andere manier nog altijd aanwezig:

Zoveel jaar na haar overlijden kon ze haar moeder soms nog om zich heen voelen, onzichtbaar maar toch aanwezig. Zoals een zwangere vrouw haar kind droeg, droeg zij haar moeder in zich. 

Het kwaad, de kwade

Rogier vraagt of ze nooit meegemaakt heeft dat het lijkt of er iets in haar gevaren is. Als Cécile de foto van de dode vrouw moet bekijken en zich afvraagt of dat Gladys is, raakt ze aan iets duisters. Ze beseft dat dit meer is dan de afwezigheid van het goede. 

Dat wat toen in haar voer, het kwaad of de kwade, was sterker dan zij. Het kende haar zwakste plek, buitte haar verlangen uit totdat ze net zo bloeddorstig werd als hij en over lijken ging. 

Het kwaad of de kwade - het lijkt een beeld van een soort duivel. Ze beseft dat die er is, al kan ze zich geen voorstelling van hem maken, net zomin als van God. Ze merkt wat die kwade kracht in haar teweegbrengt. 

Als Rogier zegt dat Gladys zei dat ze niet wist hoe ze hem moest bedanken, zegt Cécile: 'Met haar prachtige lichaam, waarmee anders', wat een gemene opmerking is. Is dat het kwaad dat in haar gevaren is? Later vindt ze dat een te gemakkelijke formulering:

In me voer klink al te machteloos. Ze moest onder ogen zien dat hij nu eenmaal bestond -de stokebrand- en af en toe langskwam. Dat hield je niet tegen, maar het was aan haar of hij snel weer opkraste of bleef plakken. 

Je kunt Naar Lillehammer op verschillende manieren lezen. Het is ongetwijfeld een boek over moederschap, maar ook over het kwaad (of de kwade). Gladys ondergaat zelfs een reinigingsritueel om van de vloek bevrijd te worden. Voor Cécile bestaat dat kwaad, maar blijft ze zelf verantwoordelijk voor haar daden. 

Het is ook een boek over jaloezie, wat een vorm is van het kwade. Haar ex Fred blijft haar bestoken, eerst met mails, later met foto's en krantenartikelen. Aan het begin van het boek stopt ze alles in een grote envelop en stuurt dat terug. Maar iets van Fred zit er ook in haar als, als ze een vervelend gevoel krijgt als Rogier en Gladys het goed hebben samen. 

Gelaagd

Vonne van der Meer verwoordt haar opvattingen niet prekerig. Ze vertelt gewoon een goed verhaal dat je graag wilt volgen. Maar hoe langer je over dat verhaal nadenkt, hoe gelaagder het blijkt te zijn. En passant krijg je allerlei Bijbelse noties mee. Zo is Lillehammer het reisdoel van Gladys, maar het wordt ook beschreven als het beloofde land, of als het landschap uit Psalm 23, de grazige weiden, de stille wateren. 

Bovenal is het een warm en menselijk boek. Gladys komt op het pad van Cécile, die net bezig is een vervulling voor haar leven te zoeken. Ze neemt als vanzelfsprekend de taken op zich die voor haar liggen en is ook bereid financiële offers te brengen als ze daarmee Gladys kan redden. Maar misschien redt ze daarmee ook of juist zichzelf. 

Ze moet bijvoorbeeld leren om dankbaarheid te aanvaarden. 'Je begint altijd te praten als ik je wil bedanken,' zegt Gladys. Zowel het goede als het slechte in zichzelf zal ze moeten aanvaarden en daar zal ze iets mee moeten doen. Dat moeten we misschien allemaal wel. 

Eerder schreef ik over:

dinsdag 24 september 2024

Frikken 1: Terug voor de klas (Erroc / Pica)

Iedereen heeft op school gezeten en kan verhalen vertellen over de docenten van toen en hun eigenaardigheden. Daarom is de schoolsituatie bij uitstek geschikt voor een gagstrip: als het goed is, is de herkenbaarheid groot. 

In een strip als Elsje komen geregeld schoolsituaties voor, beschreven vanuit Elsje, dus vanuit de leerling. Dat gebeurt ook bij Dokus, de leerling, maar eerlijk gezegd ken ik die strip niet. Een ander bekend stripfiguur is Van Druten, uit Dirkjan, de docent die zo hardhandig met zijn leerlingen omgaat. Daar moet ik altijd erg om lachen. 

Uit het verleden

Bij uitgeverij Personalia verscheen het eerste album van Frikken, Weer voor de klas, dat het onderwijs ook vanuit de docenten bekijkt. Het speelt zich allemaal af op een kleinschalige school, zoals je ze tegenwoordig eigenlijk niet meer ziet: zo'n twintig docenten, te oordelen naar het groepsportret achter op het album. De mannen zijn veruit in de meerderheid, er zijn geen teamleiders of conrectoren: een enkele directeur heeft het voor het zeggen. De mannen dragen allemaal een pak of op zijn minst een jasje, behalve natuurlijk de gymleraar. 

We hebben hier duidelijk te maken hebben met een strip uit het verleden. Docenten gebruiken niet een smart board of een white board, maar schrijven nog met een krijtje op een groen bord, er zijn nog geen smart phones, de computer zien we voor het eerst op pagina 41 en docenten mogen nog roken in de docentenkamer. Daar zit een pijproker. Wanneer heb ik die voor het laatst gezien? Dat is lang geleden. Laten we zeggen in de tijd dat tv's nog geen plat scherm hadden. 

Niet in Nederland

De school staat duidelijk niet in Nederland. Er is bijvoorbeeld nog paasvakantie en er is een warme lunch in de kantine, waar zowel leerlingen als docenten eten. Op school is ook iemand werkzaam die 'inspecteur' genoemd wordt en ook wel 'adviseur'. Dat is een voor mij duistere rol. Hij is in dienst van de school en werkt dus niet bij de Onderwijsinspectie. 

Voor iemand van mijn leeftijd zijn er nog wel aardig wat zaken herkenbaar: ik heb het krijtstof nog aan mijn vingers gehad en mijn eerste lessen gaf ik vanaf een podiumpje in het lokaal, zodat ik kon neerkijken op de leerlingen. Maar ik behoor niet tot de belangrijkste doelgroep, vermoed ik. 

Voor jongeren zijn veel situaties bevreemdend, maar dat hoeft geen bezwaar te zijn. Vroeger zocht ik in de Sjors vaak eerst de strip Billie Turf op. Die was makkelijk herkenbaar omdat die afgedrukt was op gele pagina's in plaats van op witte. Billie zat op kostschool, waar de leerlingen in uniform rondliepen en op de school waren lijfstraffen aan de orde van de dag. Meester Kwel liet hele dozen vol stokken aanrukken om Billie een pak slaag te kunnen geven. Dat waren voor mij situaties die ver stonden van hoe het eraan toe ging op mijn eigen lagere school. Toch heeft dat mijn leesplezier niet in de weg gestaan. 

Belegen

Wellicht dat jongeren Frikken nu ook als een soort historische strip lezen. Wel vraag ik me af of de grappen sterk genoeg zijn. Eerlijk gezegd vond ik die nogal belegen. Zo'n beetje alle clichés komen wel langs: docenten die geen zin hebben in hun werk, die moeite hebben met de orde, die niet op de hoogte zijn van de wereld waarin de leerlingen leven, die het niet zo op de inspectie hebben, die het alleen maar over het onderwijs kunnen hebben. 

Je hebt de clichés natuurlijk nodig, maar je moet er wel een leuke draai aan kunnen geven en dat is in deze strip bijna nooit het geval. Ik heb het idee dat steeds de meest voor de hand liggende grappen gemaakt worden en die kan iedere lezer zelf wel bedenken. De grappen zijn ook nogal braaf. Nergens zit er echt venijn, nergens wordt de satire scherp. Je kunt er een beetje om glimlachen, soms, en andere keren haal je je schouders erover op. 

Het seksisme dat van tijd tot tijd de kop opsteekt doet vreemd aan. Het onderwijs is in de tijd van Frikken nog duidelijk een mannenwereld en vrouwen zijn aantrekkelijk of het zijn bitches. De nieuwe vrouwelijke collega wordt door de mannen gekleineerd, een docent kan een opmerking maken over wat hij de 'rondingen' van een vrouwelijke collega noemt en blijkbaar is dat allemaal gewoon. Gelukkig zijn de tijden veranderd, maar niet in Frikken. 

Tekeningen

De scenarist van Frikken is Erroc (Gilles Corre) en hij is dus verantwoordelijk voor de grappen. De tekeningen zijn Pica (Pierre Tranchand) en die zijn heel aardig. Je moet de stijl zoeken in de hoek van wat ik maar de Robbedoesstrips noem. Goedmoedige figuurtjes, vriendelijke tekeningen. Soms moest ik een beetje denken aan Berck (Sammy, Lowietje), maar ik weet niet of dat terecht is. Ik voel me op dat gebied geen kenner. 

Op mij komt Frikken over als een gedateerde strip, die niet echt leuk is. Maar wellicht leid ik aan hetzelfde euvel als sommige docenten in de strip en kan ik op mijn leeftijd lastig aanvoelen wat kinderen graag lezen. 

Reeks: Frikken
Deel 1: Terug voor de klas
Scenario: Erroc
Tekeningen: Pica
Inkleuring: Jacqueline Guénard
Vertaling: Peter Beemsterboer
Uitgever: Personalia
Leens, 2024; 48 blz. € 9,95 (softcover)