dinsdag 30 april 2013

Slijpsel van tijd


Ze zijn er nog: uitgevers die poëziebundels mooi uitgeven. In dit geval is het Kleinood & Oudzeer uit Bergen op Zoom. Stofomslag en daaromheen folieomslag, mooi, dik papier, gedichten in bruin gedrukt, paginanummers in blauw, elk exemplaar genummerd en gesigneerd. Het betreft de bundel Slijpsel van tijd van Bert Kooijman.

Kooijman heeft hard gewerkt aan zijn gedichten en dat is eraan af te zien. De dichter heeft beelden bedacht, hij heeft een taalgebruik dat niet alledaags is, maar net iets meer verheven, hij heeft drie afdelingen gemaakt, met (voor mij) lastig te vertalen motto's.

Dat is allemaal braaf gedaan, maar het is de gedichten niet altijd ten goede gekomen. Het is bijvoorbeeld ten koste gegaan van de helderheid en ook van de eenheid binnen een gedicht. Het is mooi als je je uitslooft om beelden te bedenken, maar binnen een gedicht moeten ze elkaar wel ondersteunen. Een van de gedichten eindigt met de volgende strofe:
En al bloed ik
uit al mijn woorden
je blijft een vlam
die mij zuivert
een droom die
nooit verwelkt
Bloeden uit al je woorden - dat vind ik eigenlijk nog wel aardig, al is het zwaar aangezet. Maar de zinsconstructie deugt al niet: je blijft een zuiverende vlam, al bloed ik uit al mijn woorden. Daaronder zit de gedachte dat het nog niet zo vreemd is dat iemand een zuiverende vlam is, maar dat die dat blijft als iemand uit al zijn woorden bloedt, dat is toch wel verbazingwekkend. O ja? Ik heb het idee dat die twee dingen gewoon niets met elkaar te maken hebben.

Zuiveren lijkt me nooit verkeerd als iemand bloedt; het kon wel eens infectie voorkomen. De 'jij' is echter niet alleen een vlam, maar ook een droom en dan ook nog eens een droom die niet verwelkt. Het is een stapeling van beelden en daardoor zegt het helemaal niets meer. Geronk, geratel.

Zo gaat het bij veel beelden van Kooijman. Een enkele keer treft hij mij. 'Gerinkel van je vragen' is in ieder geval origineel en 'Hooi op de vork van hoogzomer' vond ik ook wel mooi. Maar vaker valt de poëet terug op clichés. Dan is er de koelte van een huid, dan bedwelmen geuren, zijn er tekens in een gelaat gegrift en wordt er naar adem gesnakt.

Opmerkelijk zijn ook de zelfherhalingen. Misschien was Kooijman zo blij met zijn vondsten dat hij het jammer vond om ze maar één keer te gebruiken. Dan schrijft hij 'maak / hoorbaar wat in je / donker zwijgt' en zes bladzijden verder: 'maak ik hoorbaar / wat in je donker zwijgt'. En dat is niet het enige voorbeeld.

Slijpsel van tijd is een ernstige bundel. Er kan geen lachje af, er is geen greintje humor te bespeuren. Nou ja, ik moest toch een beetje glimlachen bij deze strofe:
Hij laat zijn spraak
in heimwee roesten
of stapt uit zijn woorden
als uit de kleren
van de keizer maar
gaat vrolijk op weg
naar wat hem overkomt
Zoals we weten was de keizer naakt. Als de woorden vergeleken worden met de kleren van de keizer, dan zijn ze dus niets. Misschien gaat dit over een dichter die het dichten maar laat, omdat zijn woorden niets voorstellen. Dan kan hij de ernst laten varen en vrolijk op weg gaan. Het zijn niet mijn woorden, maar die van Kooijman. We zullen zien.

Oerhollands



Er verschijnen nogal wat boeken over een verleden dat een lezersgroep nog meegemaakt kan hebben. Boeken over de jaren vijftig of de jaren zeventig, met veel foto's en weinig tekst. Ze voeden het jeugdsentiment en het achgossiegevoel. Boeken waarbij ouders of grootouders mooie anekdotes kunnen vertellen.

Zo'n boek is ook Oerhollands, maar het wil iets meer zijn. Het wil de Nederlandse (Hollandse) ziel vangen. Dat probeert de auteur, Marjolein van Rotterdam in zeven hoofdstukken. Over eten en drinken; huisraad en huishouden; vervoer; winkels en merken; vrije tijd; rituelen. Ik geloof niet dat zo'n missie ooit kan slagen, maar dat geeft niet.

Van Rotterdam heeft een mooi boek gemaakt, waarin ze aardig wat wetenswaardigs weet te vertellen. Die kleine weetjes heb ik met veel plezier gelezen. Eindelijk weet ik waar de Kwekkeboomkroket vandaan komt.

De kroket is van oorsprong Frans, maar kwam al in de negentiende eeuw naar Nederland. Bakker Kwekkeboom ontdekt hem 'pas' in 1909, gaat hem namaken en promoot hem. Op zijn kar schildert hij: 'Den waaren gourmet prefereert de kwekkeboom kroket'. Volgens dit boek tenminste. Zou Kwekkeboom niet 'croquet' geschreven hebben?

En waar komt Febo vandaan? Wist ik ook niet. Maar Marjolein van Rotterdam weet het wel: FEBo was de eerste automatiek. Al in 1941 kon Amsterdam uit de muur eten, bij Maison Febo. De eigenaar van de zaak had het vak namelijk geleerd in de Ferdinand Bolstraat.

Oerhollands is een boek zoals er intussen al heel wat zijn, maar het is degelijk gemaakt, leest prettig en biedt voor iedereen wel wat. Kun je gerust aanschaffen voor jezelf of voor iemand aan wie je iets wilt geven, maar je weet niet wat. Doet het altijd. Denk ik.



maandag 29 april 2013

Hellboy. De geketende kist


Ook mensen die niet zo in strips geïnteresseerd zijn, hebben misschien wel eens gehoord van Hellboy. Misschien hebben ze de videogame gespeeld, de miniserie gezien of de film, die een bewerking van die serie is. Misschien ook niet.

Ik heb Hellboy, de strip, lang laten liggen. Ach, weer zo'n held, die uiteindelijk toch altijd wint. En dan die horrorelementen en dat half occulte - dat trok me niet zo. Een paar jaar geleden (in 2010) verscheen in het Nederlands De geketende kist, een verzameling van zeven korte verhalen en die kon ik voor € 2,50 toch niet laten liggen.

Het aardige van deze verzameling zijn de inleidingen bij de verhalen, waarin de auteur, Mike Mignola, uitlegt waar hij de stof vandaan heeft. Zo is 'Het lijk' gebaseerd op het Ierse volksverhaal 'Teig O'Kane and the Corpse' en 'Baba Jaga' komt natuurlijk uit de Russische volksoverlevering, waarin de gelijknamige heks nogal eens voorkomt.

Hellboy (voor degenen die hem niet kennen, leg ik het maar even uit) is een goede demon. Hij heeft een machtige, stenen rechterhand, bezit een staart en hoorns, die hij afvijlt, zodat het lijkt alsof hij een motorbril op zijn voorhoofd geschoven heeft. Hij onderzoekt paranormale verschijnselen en moet het steeds opnemen tegen duistere krachten.

In 'Het lijk' krijgt hij de opdracht om een lijk naar zijn graf te brengen. Het moet er voor zonsopgang liggen. Dan pas krijgt hij waar hij naar op zoek was: een baby, die door vreemde geesten of krachten in bezit genomen is.

Natuurlijk volbrengt Hellboy de missie en overwint hij wat hem in de weg staat. Dat is allemaal niet zo bijzonder. Maar het personage zelf is wel boeiend. Hij is een beetje in zichzelf gekeerd. Een mompelaar, een stugge werker, die gewoon doet wat gedaan moet worden. Hellboy is niet een kampioen die zich op de borst trommelt als hij een overwinning behaald heeft; hij haalt zijn schouders eens op en zucht een keer.

 Er is veel duisters in Hellboy en Mignola gebruikt dan ook veel donkere tinten: veel zwart en in het rood en het blauw is ook aardig wat zwart verwerkt. Soms zijn de plaatjes afgedrukt op een zwarte achtergrond. Veel verhalen spelen zich dan ook in de nacht af. De grote schaduwpartijen die Mignola gebruikt maken de tekeningen nog eens extra dreigend en duister. De bloedrode Hellboy licht op in dat duister. Hij is niet wit, weten we, niet de tegenhanger van het zwart, maar het zwart met goede elementen.                                                          

Hellboy is in de stripwereld een klassieker en Mike Mignola werd beroemd met het personage. Mij spreekt het genre niet zo aan en knokpartijen boeien niet als je toch al weet dat de held gaat overwinnen. Maar het personage is intrigerend en het is mooi om te lezen hoe de verhalen ontstaan zijn. Die knaak was goed besteed.



zondag 28 april 2013

Typex' Rembrandt



Van Rembrandt weten we allemaal wel wat: we hebben De Nachtwacht gezien en Het Joodse Bruidje, we weten iets van Saskia, Hendrickje en Titus, we kennen de term clair obscur, we hebben gehoord over Rembrandts geldproblemen. Misschien hebben we Rembrandt van Theun de Vries gelezen of een ander boek dat ons nog het een en ander vertelt. Moeten we dan ook nog Typex' Rembrandt aanschaffen en gaan lezen? Jazeker! Dat moet.

Wie door het boek bladert, ziet meteen dat Typex lekker tekent: trefzekere, soepele lijnen; goed schaduwwerk, waardoor de personen volume krijgen; uitgekiend kleurgebruik; verrassende 'camerastandpunten'. De inkleuring van de tekeningen is met de computer gedaan, las ik in een interview, maar zo gehaaid, dat je nauwelijks kunt geloven dat er geen penseel of potlood aan te pas is gekomen. De koppen van de personen zijn realistisch, met een karikaturale toets.

En dan moet je het boek nog gaan lezen. Typex heeft ervoor gekozen om in elk hoofdstuk een ander personage centraal te stellen. Daarbij houdt hij niet de chronologische volgorde aan; we springen wat heen en weer door het leven van Rembrandt. Zo krijgen we al snel een beeld van de verschillende fasen in het leven van de kunstenaar.

Natuurlijk komt er veel bekends voorbij, maar Typex slaat ook eigen wegen in. Bijvoorbeeld als hij het heeft over Elsje, een jonge vrouw die ter dood veroordeeld en gebracht is. Rembrandt tekende haar na de terechtstelling. Margriet de Moor schreef daar een boek over, De schilder en het meisje. Bij De Moor ontmoet Rembrandt Elsje pas na haar dood, maar Typex laat hem al eerder kennismaken met Elsje; hij brengt zelfs de nacht met haar door.

Rembrandt is bij Typex niet de meest zonnige figuur. Hij kan nukkig zijn, bot, eigenwijs. Hij kan iemand laten vallen als hem dat beter uitkomt. Maar hij is wel een gedreven kunstenaar, die alles over heeft voor zijn kunst. Hij weet wat de waarde van zijn kunst is, ook als die al niet meer zo in de mode is.

Je kunt zeggen dat er heel wat Typex in het personage Rembrandt terechtgekomen is. Maar misschien heeft Typex alleen maar de facetten die hij herkende extra aangezet. In ieder geval is Rembrandt een interessant personage, dat je wel kunt volgen, maar dat toch ook iets duisters heeft, wat hem erg aantrekkelijk maakt voor een lezer.

Typex' Rembrandt is een rijk boek, met veel mooie details. Er is bijvoorbeeld een mooi hoofdstuk over de pestepidemie in Amsterdam. Ook Rembrandt krijgt er in zijn omgeving mee te maken. Fraai is de pagina waarop zes keer een door Rembrandt geschilderde kruisafname staat, waarop de schaduw valt van twee mensen die het werk met de nodige scepsis bediscussiëren. Verder lopen er in het boek verscheidene bekende Nederlanders rond. Ik meende bijvoorbeeld Harry Mulisch te herkennen.

Aan het begin van elk hoofdstuk heeft Typex, in een voluit realistische stijl, een vogel getekend. De kleine tekeningetjes zijn werkelijk juweeltjes en ze passen steeds goed bij het hoofdstuk. De ene keer vraagt het hoofdstuk om een gier, de andere keer om een kip of een papegaai. Het tragische hoofdstuk over Elsje begint natuurlijk met een kraai.

Typex heeft een enthousiasmerend boek over Rembrandt gemaakt. Het is met zoveel betrokkenheid en tekenplezier gemaakt, dat je vanzelf geestdriftig wordt, voor zowel Rembrandt als Typex. Het boek doet recht aan beide meesters.



donderdag 25 april 2013

Tussen het volk

Over het Koningslied is al veel gezegd. Bijvoorbeeld dat er taalfouten in staan. Bij Pauw & Witteman mocht een neerlandicus de draak steken met het taalgebruik, op Twitter liet iemand weten dat de maker mild gestenigd mocht worden en op Facebook werd er een aparte pagina geopend om te protesteren tegen het lied. Massaal nam men afstand van het Koningslied. In no time had het lied dus bereikt waarvoor het bedoeld was: algehele verbroedering.

De tekst kwam tot stand volgens een bijzonder procedé: iedereen mocht suggesties insturen en van die lapjes tekst zou dan een fraaie lappendeken gemaakt worden. Bij de melodie gebeurde dat niet. Blijkbaar mogen amateurs zich wel met de tekst bemoeien, maar muziek moeten we aan vakmensen overlaten. Uit de gang van zaken blijkt dedain voor de tekst.

We hebben in Nederland geweldige tekstschrijvers: Jan Boerstoel bijvoorbeeld, of Ivo de Wijs of Kees Torn; we hebben ze voor het uitkiezen. Maar de Nederlandstalige liedjes die een hit worden, hebben andere tekstschrijvers en die schrijven soms rare zinnen. Een zin als ‘Jij klinkt als muziek, dus laat je zien wat ik bedoel’ (van Gers Pardoel) is voor mij onbegrijpelijk; Vader Abraham zong de regels: 'Een mens is daar mens, rijk of arm, 't is daar warm. Geen monsieur of madame, maar W.C.'; en Marco Borsato beweerde ijskoud dat afscheid nemen niet bestaat. Borsato kreeg het in een liedtekst ook voor elkaar om van zijn laatste rooie cent een bos van maar liefst honderdvijftig rode rozen te kopen.

De gemiddelde luisteraar heeft zich er niet aan gestoord. Blijkbaar hoort het bij de volkse liedjes die gedraaid worden op zenders als 100 % NL. Voor die luisteraars is een zinnetje als ‘de dag die je wist dat zou komen’ acceptabel.

Het Koningslied zal niet ons nieuwe volkslied worden, maar het is wel een volks lied. Blijkbaar vindt men dat gepast voor onze nieuwe koning en daar zou men wel eens gelijk in kunnen hebben. Bij Beatrix denk ik aan beeldende kunst, ballet en klassieke muziek, bij Willem-Alexander aan het gooien met wc-potten en hossen met de hockeymeiden in het Holland House. 

In 1874 is er een Koningslied voor koning Willem III geschreven, ter gelegenheid van zijn zilveren ambtsjubileum. Het begon met: 
Des Konings feest! Des Konings feest!
Het feest van Nederland!
Om beider hart en beider geest
Gaat ééner trouwe hand.
 De koning wordt beschreven als een held: 
Trouw stond hij vijfentwintig jaar
Als Neêrlands Koning pal
Geen nood, geen dreigend lijfsgevaaar
Dreef hem van dijk of wal.
Die dijk zal wel verwijzen naar de watersnoodramp in 1855. De koning verleende hulp na die ramp. 

Zo’n lied past niet bij onze nieuwe Koning. Uit het Koningslied van Ewbank en zijn teksthulpen komt niet een koning naar voren die boven ons staat, geen koning die wij vereren, maar iemand die tussen ons in staat.

In dat oude koningslied komt trouwens ook zoiets voor:
En Neêrland juicht zijn Koning toe
Der trouwe zijn we nimmer moe
Wij blijven om u staan
wij blijven om u staan
In dit couplet staan de onderdanen om de koning. Hier is het een beeld van de trouw van het Nederlandse volk. In het nieuwe koningslied komt de zin voor 'zal ik naast je blijven staan', waarbij niet helemaal duidelijk is wie de ik is en wie de aangesprokene. Uit de hele tekst spreekt toch vooral de gedachte dat de koning ook maar een mens is, die net als wij stamppot eet. Als hij wakker is, natuurlijk.

Als de koning ook maar een mens is, kun je je makkelijker met hem identificeren en dat willen we graag. Als een topsporter een geweldig toernooi gewonnen heeft, wordt hem niet in de eerste plaats gevraagd hoe hij zich voorbereid heeft, welke techniek hij gebruikt heeft en welk tactiek hij heeft toegepast, maar de reporter vraagt: ‘Wat ging er door je heen?’ Want dan blijkt dat zo’n kampioen emoties heeft, net als u en ik.

Als er mensen geïnterviewd worden -of dat nu in de krant is, op de radio of op de tv- dan gaat minstens de helft van de vragen niet over het boek dat geschreven is, de film die gemaakt is of het beleid van de betreffende minister. We lezen hoe de geïnterviewde zijn hond uitlaat, zijn kinderen naar school brengt, het financieel redt of zich uit een depressie gewerkt heeft. Zodat we kunnen zeggen: net als wij.

Blijkbaar gaat het met de koning ook zo. Goed, er zijn nog sprookjesachtige elementen, zoals een gouden koets, maar de koning woont niet geheimzinnig in een kasteel. Hij komt in onze huiskamer op de beeldbuis of het flatscreen, hij loopt tussen ons in op koningsdag en doet mee aan het zaklopen en het paaltjesvoetbal. Hij is net zo iemand als wij. Luister maar naar het Koningslied.

De consequentie van dit alles is dat we uiteindelijk zullen uitkomen bij het gekozen koningschap. De audities worden uitgezonden door SBS 6 en het volk mag stemmen door middel van sms’jes.

Dan zal het koningschap voor iedereen bereikbaar zijn, want iedereen kan zich kandidaat stellen. De beste lintjesknipper of degene die de leukste ideeën voor koningsdag heeft, zal de strijd (ik moet waarschijnlijk ‘battle’ zeggen) winnen en mag zich een jaar of vier ‘Koning des vaderlands’ noemen. Gedragen door hockeymeisjes verlaat hij de studio. Het volk hult zich in oranje en zingt het nieuwe koningslied, dat we dan net met zijn allen in elkaar gepatchworkt hebben. Het hele land is gelukkig. 

woensdag 24 april 2013

Zorg

Column, voorgelezen op een debatavond over de zorg.

Gerard Reve schreef een gedicht dat hij opdroeg aan de Zusters van Liefde te Weert:
Roeping
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ’s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.
Het gedicht is gepubliceerd in een bundel die in 1973 verscheen. Zuster Immaculata heeft werkelijk bestaan en ze werkte dus in de zorg. Naast haar zijn er nog heel wat mensen in die sector werkzaam. Sommigen van hen zijn vanavond hier aanwezig.

Ik heb het vermoeden dat Zuster Immaculata nooit sprak over haar ‘cliënten’. Het waren mensen die aan haar zorgen waren toevertrouwd en geen cliënten die het product zorg van haar afnamen. Ze deed haar werk met haar hele hart. Niet voor niets heet het gedicht ‘Roeping’.

Waarschijnlijk geldt dat voor veel mensen die in de zorg werken. Ze sloven zich uit voor hun medemensen, proberen ze te helpen, te ondersteunen, te informeren. Kortom, ze dragen zorg voor hen. Of dat nu kraamzorg of ouderenzorg is, mantelzorg of thuiszorg, jeugdzorg of gehandicaptenzorg. Als ik mensen spreek die werken in een ziekenhuis of een verzorgingshuis, vertellen ze me over hun beroep, vaak met een betrokkenheid die me doet vermoeden dat het ook hier om een roeping gaat.

Ze zien nooit hun naam vermeld, hun gezicht verschijnt niet op de tv, schreef Gerard Reve. Maar ik vermoed dat Zuster Immaculata daar ook helemaal niet op zat te wachten, net zoals de mensen die nu in de zorg werken. Als ik ze hoor klagen, is dat niet omdat ze geen aandacht krijgen en ook niet vanwege het geld (al zouden ze natuurlijk best wat meer willen verdienen). Wel zouden ze wat minder onder druk willen werken. Van tevoren is namelijk bepaald hoeveel minuten ze over elke handeling mogen doen en even rustig bijpraten met hun patiënten is er dan niet meer bij. Ze willen zorgdragen, maar ze moeten productie leveren. De zorg is verzakelijkt. Niet door degenen die er werken, maar door de managers en door de politiek.

In de politiek geldt het primaat van de economie: alles wordt in geld uitgedrukt. Dat geldt overigens niet alleen voor de zorg, maar voor zo ongeveer alle beleidsterreinen. Ik heb sterk de indruk dat er niet in de eerste plaats gevraagd wordt wat er nodig is op een bepaald gebied, maar hoeveel er bezuinigd kan worden. Dan wordt er gekeken op welke manier het goedkoper kan en pas daarna worden er argumenten bedacht die ons ervan moeten overtuigen dat dit toch echt de beste maatregelen zijn.

Natuurlijk snap ik dat de overheid op de kosten moet letten, maar economische argumenten mogen volgens mij nooit de eerste argumenten zijn als het om zorg voor de medemens gaat. Als een van onze geliefden, een kind of een ouder bijvoorbeeld, hulp nodig heeft, geven we die, zonder uit te rekenen of ons dat niet te veel kost, laat staan dat we zouden nagaan of het ons iets oplevert. We willen voor hen zorgen.

Dat lijkt de overheid niet meer te begrijpen. Daar denkt men in geld. Een duidelijk voorbeeld daarvan lijkt mij het zogeheten mantelzorgcompliment. Als iemand voor bijvoorbeeld een familielid of een buurman zorgt, wil de overheid laten merken dat ze dat waardeert. En die waardering wordt uitgedrukt in geld, een bedrag dat eenmaal per jaar kan worden aangevraagd voor één mantelzorger per patiënt. Het heet een compliment, maar het wordt niet spontaan gegeven. Je moet het aanvragen door het invullen van een formulier.

Het zal best aardig bedoeld zijn, maar het berust op een misverstand. Belangrijke dingen in het leven zijn namelijk niet in geld uit te drukken. De liefde van je partner, je ouders, je kinderen; de bevlogenheid van een docent die je zoveel mogelijk wil leren; en ook de betrokkenheid van de mensen in de zorg, de zusters Immaculata, die hun hart willen volgen, die willen omzien naar hun medemens.

Op deze mensen moeten we zuinig zijn en niet alleen omdat we misschien ooit zelf van hun zorgen afhankelijk zullen zijn. Belangrijker is dat zij onze samenleving menselijk en dus leefbaar houden. Ze doen belangrijk werk en het zou mooi zijn als iedereen dat aan hen liet merken. Anders voelen ze zich, voor je het weet, niet meer dan een kostenpost. Take care. 

maandag 22 april 2013

De verrekijker



De verrekijker, het boekenweekgeschenk dat geschreven is door Kees van Kooten, zwierf al een paar weken rond in mijn huis, maar ik kwam er maar niet toe. De recensies waren zuinig met hun lof en wat scheutiger met hun kritiek. Dat nodigde ook al niet uit. Uiteindelijk heb ik het boekje toch maar gelezen.

Aan de bovenkant van de pagina's plaatste Van Kooten een literaire agenda (door hem 'Literagenda' genoemd). In de loop van het boek raakte hij blijkbaar de lol kwijt in het bijhouden van die agenda, want in de laatste maanden zijn er weken waarin niets genoteerd is.

In de agenda zijn ook de sterfdagen van zo'n twintig schrijvers opgenomen. Dat zijn bijna allemaal mannen. Alleen Hella Haasse en Annie M.G. Schmidt drongen door tot Van Kootens eregalerij van dode collega's. Geen Doeschka Meijsing, Patricia de Martelaere of Christine D'Haen, geen Marijke Höweler of Thea Beckman. Zij mogen vergeten worden.

Verder noemt Van Kooten de bekende namen: Claus, Hermans, Lucebert, Kopland, Komrij, Bernlef, Mulisch. Opmerkelijk is dat Reve en Wolkers ontbreken. Dat is des te vreemder, omdat Van Kooten bijvoorbeeld wel Karel Glastra van Loon, Jan Blokker, Kees Fens en Boudewijn Büch noemt, die toch niet de statuur van Wolkers en Reve hadden. Vinkenoog en Wilmink miste ik ook.

Het verhaal over De verrekijker viel me niet eens tegen. Intussen zal het wel bekend zijn dat het vertrekpunt de verrekijker is die Van Kootens vader gevorderd heeft. Enkele keren bedenkt Van Kooten hoe dat gegaan zou kunnen zijn. Op die momenten zijn wij als lezers getuige van de inbeslagname van de kijker. Dat zijn fraaie passages. Ook het verslag van Van Kootens speurtocht is aardig om te lezen.

Maar daar tussendoor krijgen we stukjes maatschappijkritiek. Steeds licht van toon en soms zelfs humoristisch, maar ik kon mij niet aan de indruk onttrekken dat ik het gemopper van een oude man zat te lezen, die vertelde dat het vroeger allemaal beter was. Toen hadden mensen nog een fraai handschrift, toen kon je nog aan iemands boekenkast zien wat hij voor iemand was en een typemachine is toch eigenlijk beter dan een computer. Ja, ja, maar Van Kooten weet niet meer dat je de wagen van die typemachine niet met de rechter- maar met de linkerhand terugschuift.

De woordspelinkjes (kleeftijd, verderkijker) zijn altijd al Van Kootens handelsmerk geweest. Hij noemt zichzelf 'dwangmatig woordspelig'. Vervelend, zo'n handicap, want die woordspelingen vervelen wel heel erg.

Had Van Kooten zich maar beperkt tot het verhaal over de verrekijker, sober opgeschreven. Dat zou een aardig boekje geweest zijn.