woensdag 2 mei 2012

Oom Wanja

Gisteren zag ik, samen met mijn lief, in Wageningen het toneelstuk Oom Wanja. Het is geregisseerd door Gerardjan Rijnders, die vorig jaar al De meeuw op de planken en volgend jaar is het de beurt aan De kersentuin. De visie die Rijnders heeft op de drie toneelstukken komt mooi tot uitdrukking in de drie affiches die hij voor de voorstellingen heeft laten maken.

De Meeuw, foto Erwin Olaf
Oom Wanja, foto Erwin Olaf



















De Kersentuin, foto Erwin Olaf
Hij liet Erwin Olaf drie foto's maken. Op de foto's zie je iemand vooruitkijken, iemand in zichzelf kijken en iemand terugkijken. Volgens Rijnders draait het in De Meeuw om de jonge mensen die hun leven nog voor zich hebben, in Oom Wanja om veertigers die vastgelopen zijn in hun leven en in De kersentuin om oude mensen die alleen nog om kunnen kijken.

Vorig jaar zagen we De Meeuw, dit jaar dus Oom Wanja. De veertigers in dit stuk zijn Oom Wanja (Pierre Bokma) en dokter Astrov (Hein van der Heijden). De karakters worden overigens prachtig gespeeld door de auteurs. Eerder dit seizoen schitterde Hein van der Heijden ook al in het stuk Vincent en Theo.

Oom Wanja en dokter Astrov hebben het idee dat hun leven mislukt is en dat daar ook niets meer aan te doen. De jongere generatie is overigens net zo min hoopvol gestemd. Jelena (Eline ten Camp) en Sonja (Randy Fokke) leiden ook een ellendig leven. In haar slotclaus betoogt Sonja dat uiteindelijk alles, alles, goedkomt, maar je hebt het idee dat ze dat vooral zegt om zichzelf te overtuigen en dat ze daarbij steeds harder moet roepen, omdat het stemmetje van twijfel in haar hoofd haar anders overstemt.

Oom Wanja is een toneelstuk met een sombere ondertoon, maar dat wil niet zeggen dat het een sombere voorstelling is. Er valt veel te lachen en dat is wellicht ook wel nodig om de zwaarte van de thematiek draaglijk te houden.

Het lijkt me dat deze voorstelling volle zalen verdient. Wie meteen wil gaan kijken: deze week is het stuk nog te zien in Spijkenisse, Helmond en Waalwijk en volgende week in Den Haag, Deventer, Heerlen, Veghel en Arnhem. De tournee eindigt begin juni met dertien voorstellingen in het De La Mar in Amsterdam.




In de onderste trailer zegt Saskia Temmink dat ze Jelena speelt, maar dat klopt niet. Die rol wordt door Eline ten Camp gespeeld.

dinsdag 1 mei 2012

Copycat (Knipoog 8)



De bijlage Lux van NRC Handelsblad blader ik altijd wel door, maar eigenlijk lees ik er nooit wat in. Nou ja, soms waag ik me aan het cryptogram.

Afgelopen weekend viel mijn blik op de kop 'Copy Kates', boven een artikel over de kleding van Kate Middleton. De kleren die zij draagt, wil iedereen dragen. Zo gauw ze ergens in een bepaald kledingstuk gezien is, stijgt de verkoop ervan explosief.

Titia Ketelaar zette daarom 'Copy Kates' boven het artikel, waarmee ze duidelijk knipoogde naar Copycat een film van Jon Amiel, over een seriemoordenaar die andere seriemoordenaars kopieert. Een aardige film, herinner ik me. En blijkbaar intussen zo bekend dat je er in een kop naar kunt verwijzen.

Misschien dat Jon Alien teruggreep op het stripfiguurtje Copycat uit de stal van Marvel. Later zouden the Cranberries nog een nummer opnemen met dezelfde titel. Toen was een copycat al iemand die niet origineel is en andere nadoet: 'Everybody wears the same clothes now / and everybody plays the game [...] Copy, copy, copy everyone else.

Hieronder de trailer van de film. Je hebt hem vast gezien:


Ezels







Van Ezels, de nieuwe verhalenbundel van Sanneke van Hassel, had ik veel verwacht. Zo´n zin bereidt al voor op een teleurstelling. Dat was het boek niet, maar wel was ik minder onder de indruk dan van eerdere bundels IJsregen en Witte Veder en de roman Nest. Dat laatste boek werd overigens ook meteen door mijn leerlingen omarmd, waarschijnlijk ook vanwege de thematiek. Het laatste exemplaar is intussen uit de klassenbibliotheek gejat.

Bij de verhalen van Van Hassel hoef je geen vette plot te verwachten. Vaker zijn er subtiele verschuivingen. In het titelverhaal ben je in het begin al alert. Een man en een vrouw parkeren hun auto bij een boerderij. De vrouw kan de auto niet uit, want de man heeft de dag ervoor zijn dochtertje vervoerd en het portier zit nog op het kinderslot.

De omgeving is deprimerend: modder, smeltend ijs en de ezels zien er ook niet al te florissant uit: ‘Al met al was het een armetierig, onappetijtelijk tafereel. Maar zij maakte zulke enthousiaste geluiden dat het hem beter leek te zwijgen.’ Aan het eind van het verhaal opent de man het perspectief: ‘Meisje, je bent bijna veertig,’zei hij. ‘We kunnen alle kanten op, weekendjes weg, zeilen.’ Hij pakte zijn telefoon uit zijn zak. ‘Als je wilt, boek ik nu een weekend Rome.’

Zij blijkt vooral het begin van wat hij zei gehoord te hebben: ‘Ze keek hem aan. ‘Ik weet dat ik bijna veertig ben,’zei ze zacht. Toen draaide ze zich om en liep weg, in de richting van de parkeerplaats.’ Je ziet haar houding voor zich. Erg kwiek zal ze niet gelopen hebben, haar kin zal niet omhoog gewezen hebben. Hij kan nog zachtjes fluiten ‘These are the days of miracle and wonder’ maar eigenlijk zijn de kansen al verkeken: ‘Toen hij bij de parkeerplaats kwam, was de zon weg.’

Over wat er precies tussen die twee aan de hand is, wordt weinig uitgelegd en dat hoeft ook niet: de lezer ontkomt niet aan de treurigheid die er in het verhaal hangt. Dat kan Sanneke van Hassel als geen ander: een wereld oproepen in enkele zinnetjes. De verlangens, de onvrede, het verdriet – je voelt het, ook als het niet expliciet wordt gemaakt.

Altijd formuleert Van Hassel zorgvuldig, waardoor het lezen van haar verhalen altijd prettig is. Maar niet altijd werken haar verhalen. Je leest de kleine gebeurtenisjes en soms blijft het daarbij. Misschien ligt dat wel aan mij. Misschien heb ik sommige verhalen met te weinig aandacht gelezen. Misschien ook zijn de verschuivingen te miniem, heeft Van Hassel er te veel op vertrouwd dat de bovenwereld van het verhaal vanzelf wel een onderwereld oproept. Dat er wel van alles gaat woelen onder het verhaaloppervlak. Bij mij gebeurde dat niet altijd.

Thematisch zijn de verhalen verwant. In veel verhalen is er een verlangen waaraan de personages al dan niet toegeven. Sukkel je door in je bestaan of stel je een daad? En maak dat dan iets uit? De moeder die met haar kind naar het Como-meer gaat zegt tegen zichzelf: ‘Veel rustiger, ik voel me al veel rustiger.’ Geen lezer die het gelooft en zijzelf wil het graag geloven, maar het is de vraag of ze het zichzelf wijs kan maken. 

donderdag 26 april 2012

Magie


Maandag is het Koninginnedag. U snapt dat ik de fruitmand al vol gestapeld heb met sinaasappels en kaki´s, dat de blikken tomatensoep en de bossen wortels al in de kelder liggen en dat de flessen oranjebitter klaar staan. Ik heb mijn sjerp al gestreken, de oranje krullenpruik hangt al aan de kapstok en als hoofddeksel had ik gedacht een pluchen oranje koekoeksklok met het opschrift ´tied vur een klökske’. Koninginnedag is immers feestvieren en van mijn kinderen heb ik begrepen dat ik dan uit een dak moet gaan, hoe dan ook.

Ach ja, kinders, sprak opa en hij lurkte aan zijn pijp, dat was vroeger anders. Op Koninginnedag gingen we naar school en dan liepen we met de hele klas naar het plein voor het gemeentehuis in Andelst. We gingen daar keurig in een carré staan, als waren we een cohort Romeinse soldaten, we zogen onze longen vol lucht en we zongen.

De wonderlijkste teksten, over de blanke top der duinen, die schitterde in de zonnegloed; over de Noordzee die vriendelijk bruisend onze smalle kust begroette. Dat we daar aan het vlakke strand juichten: ‘k Heb u lief, mijn Ne-hederland. ‘k Heb u lief, mijn Ne-hederland! Ik weet niet of ik toen al ooit aan het strand was geweest en of ik al ooit een duintop had gezien. In ieder geval had ik aan dat strand nooit staan juichen.

Wij moesten ook zingen dat we vrij en blij leefden op Neerlands dierb’ren grond. Daarna volgden de regels: Ontworsteld aan de slavernij, zijn wij door eendracht groot en vrij. We snapten er niets van. Wij zongen dan ook niet: ‘Ontworsteld aan de slavernij’, maar: ‘als worsten uit de slagerij’, omdat we wisten dat de meester ons dan verstoord aan zou kijken. Helemaal onlogisch was onze liedtekst niet: we hadden tijdens het zingen zicht op de slagerij van Bor.

Ik kan me vergissen, maar ik heb het idee dat deze liederen zo ongeveer van het repertoire zijn verdwenen. In een stadion hoor je nog wel eens zingen over een zilvervloot, maar het publiek komt niet verder dan het eindeloos herhalen van ‘Hij heeft gewonnen de zilvervlo-ho-ho-hoot!’ Nooit hoor je eens een ander deel uit het lied, zoals: Klommen niet de jongens als katten in het want en vochten ze niet als leeuwen?

Het Wilhelmus wordt natuurlijk nog wel gezongen. Voor de finale tegen Spanje stonden we te zingen dat we de koning van Spanje altijd geëerd hadden. Toen kon de wedstrijd al niks meer worden. En op sommige plaatsen wordt ook nog het zesde vers gezongen over ‘Mijn schild ende betrouwen.’ Maar het aantal Nederlanders die die teksten geheel uit hun hoofd kennen wordt snel kleiner.

Het is niet erg dat de meeste van de vaderlandse liederen zo ongeveer verstoft en verdwenen zijn. Wij moeten onze kinderen maar niet leren dat ze zich op de borst moeten kloppen omdat ze Nederlandertjes zijn. Voor je het weet, stemmen ze op de PVV.

Maar dat wij als kind met zijn allen volstrekt onbegrijpelijke teksten stonden te zingen, dat had toch wel wat. Ook in de kerk zongen we teksten waar we met ons verstand niet bij konden, maar waar toch een zekere magie van uitging, juist door die onbegrijpelijkheid. Die magie mis ik soms. Als ik voor de klas sta, roep ik nog wel eens ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan’, maar daar blijft het dan ook bij.

Die magie zat trouwens niet alleen in teksten. Denk ook eens aan de staartdeling of aan het onder elkaar vermenigvuldigen. Hoe het zat, wist je niet, maar het werkte! Hoe groot of hoe vreemd de getallen ook waren, je kon ze met elkaar vermenigvuldigen. Je kon delingen maken met een enorme zwiepstaart en een rest en daarna klopte de wereld weer. Het was een soort toveren, dat je je eigen gemaakt had en dat je op elke bladzijde van je rekenschrift kon herhalen.

Nu moeten de leerlingen snappen hoe dat gaat, vermenigvuldigen en delen, maar ze zijn er niet beter door gaan rekenen. Daarom wil ik, juist vlak voor Koninginnedag, pleiten voor herinvoering van onbegrijpelijkheid.

We moeten weer onbegrijpelijke liederen gaan zingen en die koningin van ons die moet niet aanraakbaar dichtbij zijn, maar ze moet in een paleis wonen waar de wonderlijkste verhalen de ronde over doen. We moeten fantaseren dat ze thee drinkt uit een zingende theepot en haar behoefte doet op een gouden toilet. Niet naar Rhenen gaan dus en zeker niet naar Veenendaal. Terug in het paleis, terug in de sprookjes, de verhalen, de verbeelding.

En daarnaast mag Koninginnedag best een uitbundig feest blijven, waarop mensen vlaggetjes op hun wangen kleuren, een molen of een klomp op hun hoofd zetten of een oranje bh over hun kleren aantrekken. Wie uit zijn bol, uit zijn plaat of uit zijn dak wil gaan, moet dat maar doen. Laten we vooral vrolijk zijn, of de koningin nu jarig is of niet; of we die drie procent nu wel of niet halen; of we nu in Ede of in Veenendaal zijn.  Daarom nu: tied vur een klökske!


(Column, uitgesproken bij Cultureel Café Dante, vlak voor de pauze. Vandaar de slotzin.)

Teunis Bunt leest column voor

woensdag 25 april 2012

Petje (3) - Obama

De petjes zwerven over de hele wereld, zoals je ziet. Foto ingestuurd door Harry Oonk.


dinsdag 24 april 2012

Henk Knol - Gedicht over Ede

In Ede woekert het dichterdom. Op de verkiezingsavond hoorde ik iemand fluisteren dat er wel tachtig dichters  meegedongen zouden hebben naar de functie van stadsdichter en dat dus negentig procent al niet eens mocht meedoen op de bewuste avond. Voor zover ik weet, klopt dat verhaal niet, maar laten we dat vooral niet controleren; het verhaal is mooi genoeg.

En dan te weten dat verschillende gerenommeerde dichters niet eens aan de verkiezing hebben meegedaan. Uit met de wichelroede gevonden bronnen weet ik dat er geen inzending was Hilbrand Rozema, geen sollicitatiegedicht van Mart van der Hiele, niets van Henk Knol. Zij zullen hun redenen gehad hebben en laten we die respecteren.

Die reden zal niet geweest dat ze Ede een te min onderwerp vonden om over te schrijven. Kijk maar eens wat Henk Knol schreef over de sloop van de Luynhorstflats:


Reconstructie van een grafheuvel, ± 2000 na Chr.
                    
                       Bij de sloop van de Luynhorstflats in Ede, december 2011


Een stalen schaar heeft hier een rechthoek uit de lucht
gesneden. Aders van stroomdraad, leidingen en buizen
zijn gestript, maar lang niet alle sporen van bewoning
bleken uitgewist. Je blijft een ingeknipte leegte zien

van luchtkamers met klam behang, gesausd in waterige grijzen,
en geur van etenswaar: stamppot, vermoedelijk aangebrand,
en een tajine met gekruide kip en vijgen. Nog ruikt de lucht
beslapen boven de aangestampte deklaag van geel zand.

We vonden zeldzaam oude resten: een latexemmer, rode scherven
van tegels uit het trappenhuis, de wikkel van een pakje zware shag,
een maandverbandje. De bomen waren op die plek een winter lang

beslagen met witsel van vergruisd beton: grafheuvel die kort daarna
voor hergebruik al moet zijn afgegraven, als granulaat voor asfalt
op een vierbaansweg. Daar liep het spoor dood en we vonden weinig later.

Henk Knol



Daar wou ik maar niets meer aan toevoegen.

Foto gepikt van PEK

Petje (2)

Dank voor de foto's van stadsdichtersverkiezingsavondpetjes. Blijf gerust sturen, de foto's blijven welkom!

Petjes op verkiezingsavond   (foto: Albert Willemsen)

Verkiezingsavond (foto: Albert Willemsen)
Jolinda van Alfen, presentatrice verkiezingsavond


Harry Oonk, finalist stadsdichterverkiezing



Abdel
Marianne



Feiko


Michiel


Helen
Nog meer petjes?