woensdag 11 december 2024

Ziek


Mijn streven is om drie maal per week een recensie te plaatsen op Bunt Blogt, maar dat gaat me deze week niet lukken. Ik ben namelijk ziek. Het is niet zo dramatisch als op de ets van Camille d'Havé (hierboven), maar lastig is het wel. 

De details zal ik je besparen en langzaam gaat het de goede kant op. Sinds gisteren ben ik weer in de kleren en de nachtrust doet mij goed. Gelezen en geschreven heb ik de afgelopen dagen niet. Zondagavond las ik nog met genoegen een strip en daarna begon de ellende. Er is geen oorzakelijk verband. 

Mogelijk dat ik deze week nog een keer een oude recensie plaats, die niet eerder hier te lezen was. Verder wil ik je wel laten weten wat je nog kunt verwachten. 

Appie Happie

Volgende week, calamiteiten voorbehouden, zal ik schrijven over de integrale heruitgaven van Appie Happie. Daar zijn intussen al vijf delen van verschenen, maar ik las alleen het eerste deel, waarvan ik wel genoten heb. Dat zal wel voor een deel ingegeven zijn door jeugdsentiment. Toen ik jong was, meer dan een halve eeuw geleden, was Dik Bruynestein een bekend cartoonist en striptekenaar. Mijn oma was geabonneerd op De Gelderlander en daarin las ik altijd Appie Happie. 

Het archief

Daarna staat Het archief van Thomas Heerma van Voss op mijn lijstje. Het is een sleutelroman over zijn tijd bij het tijdschrift De Revisor. Dat is al leuk, omdat wel duidelijk is wie wie is. En een van de redacteuren is een oud-leerling, die ik onlangs nog sprak op een reünie. Toen had ik het boek al in huis, maar ik had het nog niet gelezen. 

Verder heb ik ook ooit in redacties van literaire tijdschriften gezeten, dus ik herken ook wel iets van het geschetste wereldje. 

Maar of iets nu een sleutelroman is of niet, het moet natuurlijk gewoon een goed boek zijn, en dat is Het archief ook wel. Dat komt ook door het tweede deel over de vader die aan het eind van zijn leven is. De twee delen lijken over heel verschillende dingen te gaan en het enige verband lijkt de verteller. Toch gaan ze goed samen. 

Verder liggen er nog heel veel strips. Ik probeer daar zoveel mogelijk van te bespreken, maar sommige dingen laat ik liggen. Bijvoorbeeld het tweede album van Rutger Gret, To geek... or not to geek. Dat pakt me niet, merk ik, en ik vind het ook weer niet interessant genoeg om daar kritisch over te schrijven. Dat laat ik dus even. 

Wynona

Wel net gelezen: Wynona 2, Het offer. Ik hou erg van de schwung waarmee Hans van den Oudenaarden tekent en zijn verhalen lezen ook goed. Dat had ik al bij Rhonda, ik heb het ook weer bij Wynona. Het is wel veel spektakel en vaak kom ik er pas achter wat ik daarvan vind als ik er daadwerkelijk over ga schrijven. 

Wat ik nog aan het lezen ben

Op dit moment lees ik van Natascha van Weezel Hoe houd je je hart zacht, over de oorlog in Gaza en de daaraan voorafgaande inval van Hamas op 7 oktober. Het is een prettig boek, omdat het persoonlijk is en genuanceerd. Van Weezel kiest, zoals ze zegt, voor het radicale midden. Dat is een ongemakkelijke positie, omdat je kritiek van beide kanten krijgt. 

Verder lees ik al maanden in de dikke uitgave van alle strips van Guust Flater van Franquin. Een onhandig dik boek, maar het is mooi dat alle strips nu bij elkaar staan. Ik ben ze weer van voren af aan gaan lezen en ze blijven goed. Verder is het wel een heel sobere uitgave, waarbij zelfs de bladzijnummering ontbreekt. 

En ik lees De Reynaert van Frits van Oostrom. Een collega zei me dat hij vond dat er niets nieuws in staat, maar ik neem de vrijheid om daarin met hem van mening te verschillen. Ik ben een heel eind met het boek en lees nu de heruitgave van Reynaerttekst die achter in het boek is opgenomen. Het blijft een geweldig verhaal. 


En verder?

Verder liggen er nog stapels boeken die ik ooit wil gaan lezen. Hoog op een van die stapels ligt Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Fantastisch auteur, die ik misschien wel steeds beter ga vinden. Ik heb ook nog twee oudere romans van hem liggen. 

Er zijn nog een paar klassiekers die ik nog nooit las, maar die ik wel in huis heb. Om er twee te noemen: De berg van licht van Louis Couperus en Onder professoren van Willem Frederik Hermans

En ik hou ervan ook minder bekend oud werk te lezen, zoals ik onlangs deed met dat van Ankie Peypers. Ik heb nog boeken liggen van bijvoorbeeld Top Naeff, Aya Zikken, Madelon Székely-Lulofs, Herman de Man, Marnix Gijsen, Arthur van Schendel en nog veel meer. Heb je voorkeur, laat het dan gerust weten. 

De strips die er nog liggen ga ik niet allemaal opnoemen, maar ik ga in ieder geval aandacht besteden aan de nieuwe verzamelbundel van Hein de Kort. Ik geef je alvast een voorproefje. 

Hier moet je het maar even mee doen. Vanaf volgende week hoop ik te kunnen geven wat ik in het vooruitzicht heb gesteld. 

vrijdag 6 december 2024

Tussentijds (Ankie Peypers)

Wie leest er nog werk van Ankie Peypers (1928 - 2008)? Vingers? Ja, dat dacht ik al. Tot voor kort wist ik eigenlijk niets van haar. In mijn boekenkast staat de dichtbundel Drempel van ontheemden (1971), maar ik weet niet of ik die ooit gelezen heb. De bundel eindigt met een heuse, vrij lange prince-strofe: 

Prins ik richt me in het stikdonker
tot een vreemde een metaal om uitleg
tot een in gangen verdwaalde sleutel
met een corrupte baard ik heb geen keus (...)

De bundel bestaat niet uit afzonderlijke gedichten, maar uit een lang doorlopend gedicht in zes delen over een vrouw die in een fabriek werkt. Degenen die er werken, komen steeds minder buiten. 

Woorden van plastic

Er is ook een 'hij', meteen in het begin van de bundel:

Hij stuurde mij een doos woorden van plastic. 
Ik ben wel begonnen er 's avonds 
plastic zinnen van te leggen,
maar veel is er niet veranderd.
Die plastic woorden beloven weinig goeds voor de communicatie. De man zorgt voor de woorden waarvan de vrouw zinnen mag maken. Hij is vriendelijk dwingend, zoals ook blijkt aan het eind van de bundel:
hij zwijgt
en glimlacht om mij recht te strijken
in zijn plooi het zachte ritme van
zijn lichaam en zijn wil 

Toen Ankie Peypers in 1971 Drempel van ontheemden publiceerde, had ze al een hele ontwikkeling achter de rug. Ze debuteerde in 1951 met Zeventien een bundeling van zeventien jeugdgedichten, gevolgd door de bundels October (1951) en Taal en teken (1956). 

Romans

Daarna verschijnt haar eerste roman, Geen denken aan (1961), gevolgd door de gedichtenbundel Woorden als jij (1963). In 1967 is er weer een roman: Tussentijds en die heb ik gelezen. Hij was in een antiquariaat te koop voor € 2,50 en daarvoor wilde ik de gok wel wagen. Ik dacht toen nog dat Peypers alleen maar poëzie geschreven had. 

Dat klopt niet. Ik noemde al Geen denken aan. Verder schreef ze ook nog de romans De vallei van Obermann (1967) en Met welke maten (1983). 

Kritisch Lexicon

In 1989 wijdde Petra Veeger een beschouwing aan het oeuvre van Peyper in het Kritisch Lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur. Veeger schreef ook de inleiding bij de heruitgave van Tussentijds (1988) als 'moderne klassieker'. Die uitgave (en dus ook die inleiding) is mij indertijd ontgaan. 

In het Lexicon onderscheidt Veeger twee fasen in het werk van Peypers. De eerste loopt tot en met de bundel Tussen tekst en uitleg (1968) en die noemt ze de pre-feministische fase. De twee romans vallen thematisch in dezelfde ontwikkeling. Het accent ligt op zelfverkenning en het pogen de relatie met de ander te doorgronden. 

Dat heb ik allemaal achteraf opgezocht. Toen ik Tussentijds ging lezen had ik een vaag beeld van Peypers als van iemand die voornamelijk gedichten schreef. 

Inhoud

In Tussentijds zitten we in het hoofd van jonge vrouw, Martine. Drie jaar geleden is Alfred in haar leven gekomen en haar zus Hella woont nog thuis. Maar ze ziet dat dat niet lang meer zal duren:

Ik zag Hella uit school komen; ze liep over het plein op een nieuwe manier, alsof haar benen plotseling haar eigendom waren geworden, na dertien jaar zelfstandig en onschuldig te zijn geweest, toevallig haar toegewezen uit een neutrale benenvoorraad in het land waar men geboren wordt. Ze herkende de nieuwe beweging in schouders en lendenen nog niet, maar vandaag, of morgen, zal er weer een rondschrijven onder de mannen circuleren en weer zullen zij komen. 

Martine zal tegen Alfred zeggen dat ze nu toch een dochter moeten hebben, ook met het oog op haar vader. 

Schrijven

Wat we gelezen hebben, blijkt niet de situatie van Martine te zijn, het is een verhaal dat ze tien jaar geleden schreef. Intussen is ze getrouwd met Hugo en samen hebben ze een dochtertje, Hellen. Hella is vanwege haar chronische bronchitis geëmigreerd naar Zwitserland. 

Martine lijkt niet ongelukkig met Hugo en Hellen, maar er is ook het schrijven. Er is ook een andere wereld. In de werkelijkheid zit ze thuis, terwijl Hugo ergens in het oosten van het land is om iets voor het ballet te regelen. Hij komt niet thuis. Dat is niet doorgegeven aan zijn vriend Heite, met wie hij geregeld schaakt. 

Heite is Hugo's vriend en ik ben Hugo's vrouw. Zijn Hugo schaakt en de mijne vraagt om koffie, houdt een toren in de lucht en zegt: 'Vandaag winnen de thuisspelers, Martine'.

Martine en Hugo zagen ooit twee oude mensen en Martine weet dat ze in ieder geval niet zoals zij wil worden, later:

Dat ik niets meer zou kunnen bedenken van wat ik bedacht toen ik twintig was en dertig was en veertig was en dat ik oud zou zijn, een oude vrouw als een gevulde groene kool of een magere slappe stok en dat jonge mensen snelle strakke rubberballen verend springend zouden denken: een oude vrouw.  

Het is een overtuiging, maar misschien is het ook het schrikbeeld dat ze die toekomst niet zal ontgaan. In haar hoofd wil Martine van alles, maar zal het ervan komen? 

Dodelijk schot

Heite komt op bezoek en Martine vertelt over wat er in de oorlog is gebeurd. Het is een dramatische gebeurtenis: ze heeft als meisje van twaalf per ongeluk een jongen doodgeschoten.  Hugo biedt aan om die nacht bij Martine te blijven ('Mijn oneerbare bedoelingen zijn eerbaar, Martine.') maar ze wil liever alleen blijven met haar herinneringen en met het meisje van twaalf dat ze was. 

Martine schrijft, terwijl ze wacht op Hugo. 

Alles wat ik vandaag en gisteren geschreven heb, ligt op een rafelige stapel naast die andere stapel. Een stapel onvolledigheid, toevalligheid. Een variant van leven, onvolledig, toevallig. Ik wantrouw die variant, de werkelijkheid. Ik heb er geen deel aan. Hij is compleet zonder einde.  
De werkelijkheid is dat ik op Hugo wacht, dat ik luister naar de geluiden in de straat, naar auto's. 

Tussentijd

Ik had wel een beetje te doen met Martine, die zo aan het wachten was. Hugo wordt weliswaar positief beschreven, maar zit Martine niet net zo vast als de vrouw in Drempel van ontheemden? Deze roman heet Tussentijds: er is een verleden en een toekomst en in die tussentijd leef je, maar zowel het verleden als de toekomst lijken meer betekenisvol dan het heden. Martine schrijft om te ontstijgen aan die tussentijd. Maar misschien beschrijft ze haar eigen leven, over twee mensen die in een steeds kleiner wordend huis leven:

De woorden die ze langs elkaar heen spraken, gingen tegen de muren zitten; de restanten van blikken en gebaren vulden de hoeken op, legden zich tegen plinten, plafonds. Het was een aangroeiend rag, van een niet te ontmoedigen spin; een onzichtbaar slib, van een geduldige dagen en nachten aanspoelende wegebbende zee. Overal, in de huiskamer, de slaapkamer, de keuken. De band die hen in de loop der tijd met elkaar verbonden had, pluisde. De tijd die om hen heen gekluwd was pluisde, terwijl ze aten en sliepen; het geluid van een lepel, een ademhaling, het schuifelen van een laken over twee lichamen liet een overschot achter, dat niet op te gebruiken was, een vodde die het leven langzaam vulde. 

Hellen is in de ochtend wakker geworden en het leven herneemt zich, maar Martine wacht. Op Hugo, op redding.  

Ik heb in die stapel nast me, met woorden geroepen. Ik heb, als woorden armen hebben, met armen rondgemaaid omdat ik verdronk. Er was daar geen water. Nu, in de stroom van de tijd terug, zoals dat wordt genoemd, zou ik wel voorzichtig een arm willen opsteken, dat hij weet waar ik ben. 

Misschien is hij ergens opgehouden. 

Ankie Peypers beschrijft in Tussentijds een vrouw in wier leven niet zoveel gebeurt. Haar schrijven haalt haar uit dat leven, maar kan haar dat redden? Of is dat alleen maar een vraag om hulp? Feministisch is het zeker niet, want Martine lijkt Hugo nodig te hebben om haar te redden. Maar er is al wel bewustwording dat haar leven op deze manier dichtslibt. 

Voor mij was Tussentijds vooral een roman, die geschreven is door een dichteres. Mooie zinnen, waarvan je kunt genieten op het moment dat je ze leest. Maar er gebeurt weinig concreets; je zit steeds in het hoofd van Martine. Je kunt je mee laten voeren door de taal, meer dan door de gebeurtenissen. Het is zeker een bijzonder boek. 

Edelkitsch

In De Telegraaf van 31 maart 1967 wordt Tussentijds besproken. De recensent noemt wel wat positiefs, maar dat voorkomt niet zijn eindoordeel. 

Dan weer denk je: hoe pretentieus en aanstellerig. Men kan Ankie Peypers geen talent, geen beeldend vermogen ontzeggen, maar als geheel leest men dit verhaal lichtelijk geïrriteerd. Sommigen zullen het wel voor subtiel-psychologisch en diep-problematisch houden, voor mij leunt het gevaarlijk dicht tegen de literaire edelkitsch aan. 

Heel gemakkelijk is Tussentijds niet en achterop schreef Peypers een flaptekst die nu ook niet meteen grote groepen mensen enthousiast maakt, vermoed ik:

TUSSENTIJDS is opgedragen aan de merkwaardige omstandigheid dat een mens weinig van zichzelf weet en zich daarvan weinig aantrekt; aan zijn woorden en meningen, zijn onvrijheid en poging tot verstandhouding, die een deel van hem in de tijd vertegenwoordigen en er een ander deel spoorloos achterlaten. 

NRC Handelsblad 8 augustus 1989
 In de kranten kwam ik weinig uitvoerige besprekingen tegen van Tussentijds. Zoals gezegd, het werd in 1988 herdrukt. Uit die tijd vind ik helemaal geen recensies. Intussen was de naam van Peypers wel bekender. 

Stammoeder

In haar werk werd haar maatschappelijke betrokkenheid duidelijk en in Het Parool van 10 april 1992 wordt ze zelfs 'de stammoeder van de feministische letteren' genoemd. In 1976 verschijnt haar Verzamelde gedichten. Een van die gedichten zal Komrij opnemen in zijn dikke bloemlezing, maar nog niet in de eerste druk. 

In de jaren tachtig en negentig is er zeker belangstelling voor Ankie Peypers. In 1989 (naar aanleiding van de herdruk van Tussentijds?) is er een radioportret van haar te horen op Radio 5, 'over feministische literatuur, haar oorlogsherinneringen, de schrijfcursussen die ze geeft en de invloed van haar betrokkenheid bij Amnesty International op haar literaire werk.'

In NRC Handelsblad van 30 januari 1992 staat een advertentie van De Groene waarin aangekondigd wordt dat er in het volgende nummer aandacht besteed wordt aan 'Het pre-feministische onbehagen van Ankie Peypers'. In dat jaar verschijnt er ook een nummer van Surplus met een portret van Peypers. 

In de tv-gids kwam ik ook een paar keer Coda tegen, aan het eind van de avond, met haar naam vermeld. Het is een programma aan het eind van de avond, twintig minuten lang. Ik weet niet welke rol zij daarin had. 

Erkenning

Peypers heeft in haar leven wel erkenning gehad. Zo kreeg zij in 1974 de P.C. Hooftprijs en het Nationaal Comité 4 en 5 mei vroeg haar om voor 4 mei 2000 een gedicht te maken. Verder kreeg zij de Anne Frankprijs, de Reina Prinsen Geerligsprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. 

Maar intussen is er wel stof neergedaald op haar en haar werk. Het zou toch mooi zijn als er af en toe iemand een bundel of een roman van Peypers tegenkomt in een kringloop, antiquariaat of minibieb en die meeneemt. 

Laten we tot slot Ankie Peypers nog even het woord geven. Het gedicht komt uit de Boekenbijlage van Vrij Nederland, 1987. Het gedicht komt uit de bundel Brieven, motieven & juffrouw Vonk (1987)

aan een spoor

dat ze de gekkin van het eiland genoemd werd
geboren in het binnenland
dat onbegaanbaar voor ons is,
dat ze donkere kleine bushvrouw
zwervend tussen kamp en haven
woorden herhaalde onverstaanbaar
en altijd vragend naast me bleef lopen
omdat ze me in haar derde leven
met naam en toenaam in haar dorp ontmoet had
dat ik moest oppassen voor hagedissen
voor hun gelispel en voor heupen of voor hopen
dat ze me een leugenvrouw noemde als ik
haar tegensprak, dat alles neemt niet weg
dat de afdruk van haar voeten op het zandpad
er nog was en de mijne niet
de volgende dag

woensdag 4 december 2024

Planeet Lectrr. Het jaar in cartoons (Steven Degryse)

Al zolang ik mij herinner zijn er cartoons. Ze bepaalden en bepalen mede het gezicht van krant en tijdschrift. Yrrah hoorde bij Vrij Nederland, Frits Müller bij Haagse Post, bijvoorbeeld. Andere cartoonisten met wie ik opgroeide: Len Munik, Opland en misschien ook Peter van Straaten, al kan het zijn dat ik zijn werk pas later leerde kennen. 

Later kwamen er veel meer en dat is niet zo vreemd. Een cartoon kan in een enkele afbeelding meer zeggen dan een lang artikel en vooral: zo'n afbeelding blijft je langer bij. Niet voor niets gaven de cartoons over Mohammed zoveel ophef en niet voor niets was er een aanslag op Charlie Hebdo. Als cartoons geen invloed hadden, was dat niet gebeurd. Wel is het natuurlijk diep triest dat er met geweld geantwoord wordt. 

De bekendste cartoonist van Vlaanderen is Steven Degryse, die het pseudoniem Lectrr gebruikt. Hij is niet alleen in België bekend, maar ook in Nederland en sinds kort ook in heel Europa. Lectrr won de European Cartoon Award 2024 met een cartoon over Navalny.


Het is een prachtige cartoon (al is het onderwerp verschrikkelijk), vooral door de eenvoud. De dichtgenaaide borstkas duidt op de autopsie, de dichtgenaaide mond op de manier waarop Navalny monddood gemaakt is. 

De tekening doet verstild aan en toch merk je de ingehouden woede. Lectrr spreekt zich graag uit over wat hij vindt van de wereld. Dat merk je in de bundel die pas verschenen is, Planeet Lectrr. Het jaar in cartoons.  

Ordening

In de bundel is verder geen ordening aangebracht. Er is ook geen inleiding. Misschien is de ordening chronologisch, maar dat is niet na te gaan. Er is ook geen thematische clustering van cartoons. Aan de ene kant is dat begrijpelijk: het zou afbreuk doen aan de afwisseling. Aan de andere kant zou er wel een soort overzicht van het jaar komen. Dat moeten we nu zelf maar distilleren uit de verzameling cartoons. Als we over een aantal jaren een beeld van 2024 willen krijgen, kunnen we dan zonder hulp de lijnen trekken?

Er is veel Belgische politiek en aangezien ik die met een schuin oog volg, kon ik de meeste cartoons wel plaatsen. Soms moest ik zaken opzoeken. Zo wist ik niet wat bijzitters waren. Dat blijkt te verwijzen naar stembureaus: daar heb je een voorzitter en bijzitters. 

Naast de Belgische politiek is er de buitenlandse, met af en toe ook aandacht voor Nederland, bijvoorbeeld voor de verkiezingsoverwinning van Geert Wilders, die als een soort rattenvanger van Hamelen radicaal rechtse politieke leiders van Vlaanderen en Frankrijk meelokt de afgrond in. 

Gaza

In heel veel cartoons stelt Lectrr de oorlog in Gaza aan de orde. Bijvoorbeeld door het tekenen van een zeis waarvan het blad de vorm heeft van het land Israël, met de bloedvlekken erop. Of een huiskamertafereeltje met twee mensen op de bank (de zetel) die naar de televisie kijken. Het echtpaar vraagt zich af waarom we moeten wachten op het Internationaal Gerechtshof:

We hebben een rechtbank nodig om na te gaan of wat er in Gaza gebeurt ontoelaatbaar is? Waar is de tijd dat we daar een geweten voor hadden...

Of deze:

In allerlei cartoons komt de strijd in Gaza terug. Of het nu gaat om de wintertijd (die in Vlaanderen 'winteruur' heet) of bij het Eurovisie Songfestival (dat in Vlaanderen Eurosong heet). Bij dat laatste is er ook een verwijzing naar het gedoe met Joost Klein:
We weten nog altijd niet wat Joost Klein heeft gedaan, maar 't moet erger geweest zijn dan volkerenmoord. 

Opvallend afwezig

Vreemd genoeg zijn er weinig cartoons over de oorlog in Oekraïne. Was Lectrr die een beetje moe? Of zijn juist deze cartoons buiten de selectie gevallen? In een jaaroverzicht had er misschien toch iets meer aandacht voor mogen zijn. 

Planeet Lectrr staat vol met sterke cartoons, maar een cartoonist met een hoge productie kan natuurlijk niet altijd goed zijn. Bijvoorbeeld als Netanyahu de Conventie van Genève als wc-papier gebruikt of als Conner Rousseau zegt dat hij niet terug zal keren in de politiek als hij niet verkozen wordt. Dus het is 'Vooruit of eruit', een verwijzing naar de partijnaam Vooruit en de keuze die de kiezer werd voorgelegd: Vooruit of achteruit? Die cartoons lijken me net iets te gemakkelijk. 

Maar goed, iedereen heeft het recht om beoordeeld te worden op zijn beste werk en het beste van Lectrr is wel heel goed. Deze verzamelbundel is behoorlijk dik (224 blz.) dus je hebt ook nog eens veel waar voor je geld. En zoals ik me nog steeds cartoons van Len Munnik en Opland uit de jaren zeventig van de vorige eeuw kan herinneren, zullen enkele cartoons van Lectrr zeker vijftig jaar mee kunnen gaan. 

Steven Degryse, Planeet Lectrr. Uitg. Manteau, 2024. 224 blz. € 23,99

Eerder schreef ik over:
De vermoeide vorst (Kin Duchateau/Noël Slangen)
De goede kant (column over een cartoon)



Tom van Grieken is politicus van het Vlaams Belang

maandag 2 december 2024

Verraad me niet (Tessa de Loo)

Steeds weer betrap ik me erop en ik heb het hier al vaker genoemd: schrijvers van wie ik een aantal boeken lees en dan ineens helemaal niet meer. Niet omdat ik niet van de eerdere boeken genoten heb, niet omdat ik geen vertrouwen heb in de nieuwe boeken - eigenlijk is er geen deugdelijke reden, maar het gebeurt gewoon. 

Zo is het mij ook vergaan bij het werk Tessa de Loo. Ik las haar debuut, De meisjes van de suikerwerkfabriek (1983), sloeg haar volgende boek, Meander (1986) over, maar las natuurlijk wel haar Boekenweekgeschenk, Het rookoffer (1987). Het is overigens opmerkelijk dat een auteur met een oeuvre van nog maar twee boeken gevraagd wordt het geschenk van de CPNB te schrijven. 

Die boeken heb ik met plezier gelezen. De meisjes van de suikerwerkfabriek las ik in de mooie uitgave in de ECI-reeks Schrijvers van nu (gebonden, stofomslag) en ik herinner me vooral het titelverhaal. 

Isabelle en De tweeling

Na Het rookoffer schreef De Loo door. Het jaar erop verscheen de novelle Het mirakel van de hond (1988), dat me geheel ontgaan is. Maar Isabelle (1989) kocht en las ik meteen. Het zou een bekend boek worden, ook door de verfilming. En in 1993 verscheen het boek waarmee ze bij iedereen bekend zou worden, De tweeling. (Bijna) iedereen kent het, denk ik. 

En daarna las ik niets meer van De Loo. Waarom? Geen idee. Ik heb geen enkel slecht boek van haar gelezen en ik wilde haar werk best lezen, maar het kwam er niet van. Welke titels zou ik zonder spieken nog hebben kunnen noemen? Een bed in de hemel (2000) en Een zoon uit Spanje (2004) en misschien Harlekino (2008) en dat is het wel. 

De laatste tijd koop ik soms een boek van De Loo in een kringloop of neem ik er eentje mee uit een minibieb. In het kamertje waar ik de boeken opstapel die ik echt wil lezen, ligt Meander en ik dacht dat ik ook Een zoon uit Spanje had, maar dat zie ik zo gauw niet. 

Het duwtje om weer eens wat van De Loo te gaan lezen kreeg ik door een boekenlijst van een kandidaat voor de Staatsexamens. Die had Een goed nest (2014) gelezen en ik zocht er snel het een en ander over op, om er een paar zinnige vragen over te kunnen stellen. Het leek me een interessant boek. Waarom heb ik zo weinig van Tessa de Loo gelezen? vroeg ik me af. 

Verraad me niet

Onlangs zag ik Verraad me niet (2011) in een een kringloop liggen. Weer een titel die ik helemaal niet kende! Ik kocht het en las het. Net als Isabelle is het een prima boek voor middelbare scholieren: niet al te dik, boeiend verhaal, interessante problematiek. 

Al op de eerste bladzij is het meteen raak, of mis. De roman opent met: 'Als mijn vader dit hoort, dacht Michiel.' Er is iets ergs gebeurd, dat meteen behoorlijk op Michiel drukt:

Het was te groot en te erg en hij fietste als een bezetene om er zo ver mogelijk vandaan te komen. Maar hij wist al dat er geen ontsnappen aan was. Hij voelde dat het voor altijd in zijn hoofd zou zitten en zijn leven lang over alles een schaduw zou werpen. 

Michiel Klee is dertien jaar en hij woont in een dorp. Hij heeft een oudere broer, Wolf, van achttien, die behoort tot een groep jongens die nogal eens overlast veroorzaakt in het dorp. Door die groep is er net iemand in elkaar geslagen of geschopt en dat heeft Michiel gezien. 's Avonds komt zijn broer naar hem toe en bezweert zijn jongere broer om zijn mond te houden. Hij weet immers wat de groep jongeren zal doen met verraders. 

Opzet of een ongeluk

Het slachtoffer is de boer Boomsma, die een jaar eerder een van de lastige jongeren, Robbie van Doorn, heeft doodgereden, die zich vastgeklampt had aan zijn auto. Volgens sommigen was dat een ongeluk, volgens de jongeren was het opzet. Verraad me niet is helemaal geschreven vanuit het perspectief van Michiel, maar de dood van Robbie wordt, vreemd genoeg, beschreven vanuit Boomsma. Als we die waarneming mogen geloven, was het wel degelijk een ongeluk. 

De dochter van Boomsma zit bij Michiel in de klas. Uiteindelijk krijgt de simpele Paultje Molleman, die niet kan praten de schuld. Diens zus, Titia, is een goede vriendin van Michiel. 

Michiel komt steeds meer klem te zitten. Van zijn broer mag hij niets zeggen, dus houdt hij zijn mond. Ook tegen Titia, wier broer vals beschuldigd wordt, moet hij zwijgen. En tegen zijn ouders, die niet weten welke rol hun oudste zoon heeft gespeeld in het drama. Soms trekt Michiel zich terug bij zijn parkieten, om even te vergeten wat zijn hoofd zo vult. 

Het is onrechtvaardig wat er gebeurt, met Boomsma, met Paultje Molleman. En Michiel heeft die rechtvaardigheid nodig om in deze wereld te kunnen leven. Als die rechtvaardigheid er niet meer is, klopt zijn wereldbeeld niet meer. En hoe zit het eigenlijk met zijn geweten?

Een kind met te wijze gedachten

Tessa de Loo beschrijft goed de benarde positie van Michiel. Je bent benieuwd of hij toch nog zal gaan vertellen wat hij allemaal weet. Aan de ene kant is Michiel nog echt een kind. Zo weet hij niet wat een coma is of een cao. Aan de andere kant heeft hij gedachten die vrij wijs zijn voor iemand van zijn leeftijd:

Bestond er een onzichtbaar, ordenend principe of was alles gebaseerd op willekeur? Was er nog ruimte voor persoonlijk initiatief als je gevangen zat in het immense, almaar doordraaiende rad van fortuin?

of:

Paul leefde op een magische manier buiten de cirkel van goed en kwaad, waarin de meeste mensen gevangenzaten. 

Dat soort gedachten zijn niet zo geloofwaardig voor iemand die niet wet wat een coma is. 

Ook in zijn daden kon ik Michiel niet altijd volgen. Hij heeft het idee dat hij op een of andere manier aan moet geven dat justitie met het verdenken van Paul Molleman op een verkeerd spoor zit, maar hoe het zwart schilderen van een brommer daarbij helpt, is mij niet zo duidelijk. 

Hoe het allemaal afloopt, zal ik voor me houden, voor het geval dat je Verraad me niet nog gaat lezen. Dat kun je gerust gaan doen. De korte roman (176 bladzijden) leest prettig en houdt je aandacht heel goed vast. Niet alles vind ik even geslaagd en ik vind het zeker geen toproman, maar ik heb me niet verveeld bij het lezen ervan. 

donderdag 28 november 2024

De complete Brammetje Bram 4: Kapers en kletskousen (Eddy Ryssack)

Brammetje Bram is de scheepsjongen op De Zeemadelief, het schip van de kaper Knevel de Killer. De tekenaar van zijn avonturen is Eddy Ryssack, die soms ook een scenario schreef. Bij uitgeverij Arboris verschijnt De complete Brammetje Bram, waarvan dit jaar het vierde deel uitkwam: Kapers en kletskousen. Zo'n titel allitereert lekker, net als die van de vorige twee delen, al is niet helemaal duidelijk wie die kletskousen zijn. 

Dit vierde deel bevat elf korte verhalen. Als in 1975 Sjors en Pep samen Eppo worden, worden er geen lange verhalen van Brammetje Bram meer geplaatst. Eddy Ryssack blijft wel meewerken aan het nieuwe blad: hij gaat de strip Opa verzorgen. 

Zack

Ryssack krijgt het aanbod om te publiceren in het Duitse stripblad Zack en in de bijbehorende Zack Pockets. Daar gaat hij graag op in. Maar zo'n pocket heeft een ander formaat en maar de helft van de bladzijden is ingekleurd. Dat betekent dat er veel moeite gedaan moest worden om voor deze integrale heruitgave die verhalen om te werken tot het normale albumformaat en om ze voor een deel in te kleuren. 

Dat is gelukt, en best goed over het algemeen. Sommige pagina's van het verhaal 'Heibel à la carte' zijn wel wat minder, voor zover ik dat kan beoordelen. Het lijntje is wat ielig, zodat de personages minder afsteken tegen de achtergrond en op sommige bladzijden is het oranje nog wel erg nadrukkelijk aanwezig, wat wellicht te maken heeft met het feit dat in de pockets om de andere pagina slechts een enkele, oranjeachtige steunkleur werd gebruikt. 

In de laatste verhalen draagt Marius ineens een groene trui (met bijpassend mutsje). Als je de verhalen doorbladert, zie je dat Knevels broek en blouse (is dat het goede woord?) soms dezelfde kleur hebben, soms niet en de haren van Bloody Mary zijn grijs geworden. Het is allemaal niet heel erg storend, maar het valt wel op. 

Zie ginds...

Het is mooi dat de oude verhalen opnieuw beschikbaar zijn, maar ook dat de context duidelijk gemaakt wordt. 'Zie ginds komt de zeilschuit' is een kort sinterklaasverhaal dat zowel in het Nederlands als het Duits verschenen is. Maar voor het Duitse publiek behoefde de Nederlandse traditie wel enige uitleg. Daardoor is die versie van het verhaal langer. In deze uitgave staan beide versies, waarbij de Duitse op half formaat is afgedrukt. Dat is een leuk extraatje. In Duitsland heet Brammetje Bram trouwens Pittje Pit. 

Brammetje op de brug

Kapers en kletskousen begint met een sterk en hilarisch verhaal, 'Brammetje op de brug': Brammetje denkt Knevel wel te kunnen vervangen, maar de bemanning maakt het hem erg moeilijk. Uiteindelijk kan Brammetje wraak nemen. Niet alle verhalen hebben hetzelfde niveau, maar ze kunnen eigenlijk nog best mee. Ze blijven grappig, ze houden je aandacht nog steeds vast en je kunt er dus genoeglijke uren mee beleven.

De lengte van de verhalen varieert van zes tot zestien bladzijden. In een lang verhaal kun je de verhaallijn wat meer compliceren, wat prettig is, maar in een kort verhaal moet je geconcentreerd een bepaald probleem binnen een beperkt aantal bladzijden uitwerken. Dat vereist toch een iets andere manier van vertellen. In deze verhalen lukt dat steeds goed. 

Brammetje is degene met wie de lezer zich het meest identificeert en hij speelt in veel verhalen een cruciale rol. In 'Opgeruimd staat netjes' is hij degene die de bemanning aanzet om eens letterlijk schoon schip te maken, in 'Knevel als landrot' ontmaskert hij een valsspeler die Knevel zijn geld en zelfs zijn schip afgetroggeld heeft en in 'De gifkikker van de gouverneur' dwingt hij de bemanning om een drenkeling aan boord te houden: 'Als jullie 'm ook maar een haar krenken, vlliegen jullie samen met De Zeeemadelief de lucht in!'

Running gag

Al in eerdere recensies wees ik op de gemoedelijke sfeer in de strip, die de verhalen ook voor een jong publiek geschikt maakt. Er wordt wel geknokt, maar er vloeit geen bloed en er vallen geen doden. De verteltrant is luchtig, de humor is nooit ver weg. Een running gag is het begin van verschillende verhalen, als er uit het kraaiennest iets is waargenomen. Onder invloed van drank wordt de boodschap steeds verhaspeld: zand in licht, zicht in land, lind in zacht, zland in jicht, skip in zjicht. Mogelijk was dat in eerdere verhalen ook al het geval, maar het valt me nu pas op. 

Aan elk verhaal gaat een donkerrode pagina vooraf met een afbeelding van een cover en informatie over eerdere publicatie. De kleine zwarte lettertjes zijn voor mijn oude ogen wel wat lastig te lezen op een zo donkere ondergrond. 

De verhalen stammen uit de jaren zeventig en dat was een andere tijd. In het sinterklaasverhaal zijn de zwarte pieten nog prominent aanwezig. Voor in deze uitgave is er dan ook een verhelderende opmerking opgenomen: 

De verhalen in deze bundeling zijn circa vijftig jaar oud en weerspiegelen de opinies en inzichten van die tijd, toen het gebruik van stereotypen in jeugdbladen nog geen punt van discussie was. 

Het is een soortgelijke opmerking als die voor in de heruitgave van Kapitein Rob. Zo hoort het ook, vind ik.  Als je zaken weglaat omdat ze tegenwoordig gevoelig liggen, vervals je de geschiedenis. Tegelijk laat je merken dat je begrijpt dat mensen zich eraan storen. 

Dossier

Natuurlijk is weer een dossier, door Wouter Adriaensen, deze keer over de scenaristen Piet Hein Broenland van Beuningen en Michel Noirret, twee boeiende figuren. Broenland wordt door Dick Matena een soort oplichter genoemd. Hij stond namelijk op de lijst van Interpol en heeft vijf jaar in Marseille in de gevangenis gezeten. Maar hij  heeft ook de scenario's geleverd voor het eerste avontuur van Lowietje, voor een aantal gags van Kobus en Kachelmans en samen met Eddy Ryssack maakte hij een kort verhaal voor het kerstnummer van Sjors (1973) en dat verhaal staat afgedrukt in het dossier. 

Ook Michel Noirret was een kleurrijke figuur: hij publiceerde een roman, nam als chansonnier verschillende platen op en schreef scenario's voor Giraud en Jean-Claude Mézières. Met Ryssack maakte hij, behalve avonturen van Brammetje Bram ook 'De dolle douanier', een verhaal met de schmaks. Ook daarvan staan enkele pagina's in het dossier. 

Verder in het dossier ook nog een Brammetje-Bramwedstrijd en een heuse mobile. Wie zou die vroeger in elkaar geknutseld hebben? Dat zijn leuke extraatjes die je nergens anders vindt. 

Deel 4 is weer een mooie verzameling geworden, met verhalen die het verdienen om aan de vergetelheid ontrukt te worden. Je krijgt steeds beter een beeld van de productiviteit van Ryssack. En van zijn lekkere manier van tekenen: veel beweging in de afbeeldingen en makkelijk leesbare expressie in de gezichten. Het is mooi dat al die verhalen bij elkaar geveegd zijn en nu weer beschikbaar zijn, mogelijk ook voor een nieuw lezerspubliek. 

Reeks: De complete Brammetje Bram
Deel 4: Kapers en kletskousen
Scenario: Eddy Ryssack, Piet Hein Broenland, Michel Noirret
Tekeningen: Eddy Ryssack
Samenstelling: Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2024, 160 blz. € 29,95 (hardcover)

Ook beschikbaar in luxe uitvoering: in linnen gebonden, losse omslag, speciale ex-libris. Gelimiteerde oplage. € 59, 95

Eerder schreef ik over de andere delen van De complete Brammetje Bram
Het begin van het dossier, met een foto van Dick Matena en Piet Hein Broenland

Eerder schreef ik over een andere uitgave van Arboris:
Metro 2033. Deel 1: Daar waar de wereld ophoudt

dinsdag 26 november 2024

De grote vloed (Sjoerd Kuyper)

Vijf jaar geleden las ik van Sjoerd Kuyper Bizar (zie de link onderaan), een leuk jeugdboek. Op een stapel van nog te lezen boeken ligt nog Robin en opa (1998), maar toen ik tijdens de Kinderboekenweek De grote vloed zag liggen, kocht ik het zonder lang na te denken. Dat komt misschien ook wel door de mooie omslagtekening door Erik Varekamp, die lijkt te verwijzen naar de fraaie prent van Hokusai. 

De grote vloed speelt in de nabije toekomst: 2029. Ineens is er een grote vloed gekomen. De mensheid is al lang gewaarschuwd voor de stijgende zeespiegel, maar er is niet echt geluisterd en op een dag komt het water. Er zijn al verschillende romans die gaan over zeespiegelstijging, zoals Weerwater (2015) van Renate Dorrestijn, Klifi van Adriaan van Dis en Het water bewaart ons van Harro Kraak. 

In De grote vloed is het wel meteen erg raak (of mis). Niet alleen Nederland staat voor een groot deel onder water, maar de hele wereld is ondergelopen, zodat alleen de hoogste bergtoppen boven het water uit komen. Hoe al dat water zo plotseling zoveel land kan overstromen, wordt niet uitgelegd. Gelukkig heeft Moos voorzorgsmaatregelen getroffen. Hij heeft een vlot gebouwd en daarop de Buick Wildcat Convertible (uit 1970) van Opa Leon bevestigd. Ook heeft hij voorraden aangelegd. 

Moos is niet het echte kleinkind van Opa Leon. Veertien jaar geleden is hij, als een Mozes, in een rieten mandje bij Opa Leon afgeleverd, door een man die meteen daarop werd gearresteerd door de vreemdelingenpolitie. Die man moet Moos' vader geweest zijn. 

In veiligheid

Samen met Opa  Leon kan Moos zich redden. Van hun bekenden hebben ook de burgemeester en professor Beck, op haar vloedmobiel, zich in veiligheid weten te brengen. Het is lastig om de ontberingen te doorstaan, maar uiteindelijk komt het viertal aan bij een stad op de helling van een slapende vulkaan, Atlantis. Bij de muur van de stad hebben veel vluchtelingen zich verzameld, maar de vier mogen binnen. 

Ze moeten wel een inburgeringscursus van verschillende jaren doorlopen. Daarom mogen zij nog wel praten, wat de rest van de inwoners van Atlantis verboden is. Die mogen alleen communiceren met een soort sms-berichten, die kinkels genoemd worden. Ze worden door de overheid gecontroleerd. 

Ogenschijnlijk doen de nieuwelingen mee, maar ze proberen aan de controle van de macht te ontkomen, daarbij geholpen door Binny Mc Vie, die privileges bezit. Moos en professor Beck bedenken een manier om het hoge water te laten zakken en tegelijkertijd van Atlantis een vrij land te maken en dat lukt ook nog. Moos en Leon keren terug naar hun woonplaats. In de epiloog is er ook nog een end dat heel erg happy is. 

Kabouters

De grote vloed is een onderhoudend boek. Niet alles is even geloofwaardig of even goed doordacht, maar dat neem je op de koop toe. Het is een verhaal waarin kabouters voorkomen en dan kan er veel. 

Zoals de verteller ook schrijft: 

Je kunt nog zo je best doen om een kloppend verhaal te schrijven, als er kabouters in opduiken, is het meteen verpest. 

Maar bij verschillende passages had ik wel mijn twijfels. Als het gezelschap al een tijdje op zee dobbert, wordt er nog wel gesproken over honger, maar nauwelijks over dorst, hoewel die sterker geweest moet zijn. Ook merk je niet dat de mensen daardoor verzwakken. Verder zal het zeilen niet lukken als je het zeil met twee bezemstelen meent te kunnen bevestigen, maar Moos krijgt het voor elkaar. 

En dan dit:

De golfstromen in de nieuwe wereldzee waren, ik schreef het al, uit hun koers geslagen en krioelden als slangen door elkaar, botsten, schuurden, en door de wrijving werd het water zo heet dat de vissen gekookt boven kwamen drijven. 

Dat je door wrijving het water zo ver kunt opwarmen lijkt me sterk. Zoals gezegd vroeg ik me ook af waar al het water vandaan komt. Als het door het smelten van ijs komt, moet het geleidelijk gegaan zijn. Maar is er dan water genoeg om zo ver te stijgen dat er alleen de toppen van de hoogste bergen boven het water uit komen? Dat lijkt me sterk. Ook het weer verdwijnen van het water lijkt me matig doordacht. Maar omdat je De grote vloed niet direct als een realistisch boek leest, laat je het lopen. 

Kerk en complotdenkers

In het boek komen duidelijke opvattingen naar voren. De sympathie ligt bij het viertal, dat weinig moet hebben van de complotdenkers van Hap & Snap en van de kerk. Over de laatste wordt gezegd:

Zo laten ze al eeuwen hun kinderen totaal onnodig sterven aan ziektes, door ze niet te laten vaccineren. En ondertussen rijden ze in auto's. Nou, als hun god vond dat ze moestten rijden had hij wieltjes onder hun voeten geschapen. Maar dat heeft hij niet gedaan en dus rijden ze iedere zondag naar de kerk in hun SUV's en laten hun kinderen verrekken. Je zou ze voor de rechter moeten slepen, voor dood door schuld.

Door al die opvattingen is De grote vloed nogal prekerig, iets wat me ook al bij Bizar opviel. Je kunt er wel doorheen lezen en dan blijft het nog steeds een aardig boek, omdat je toch wel wilt weten wat nu het plan van Moos en professor Beck is en of het zal lukken. Ze worden geholpen door de kinderen. Die zijn nog niet geïndoctrineerd door de overheid en ze houden van verhalen. Fictie is verboden in Atlantis. 

Moos deugt nogal en dat maakt hem ook een beetje vervelend. Je leeft graag met hem mee (omdat je dan zelf ook deugt) en hij is interessant door het mysterie van zijn afkomst, maar dat hij altijd aan de goede kant staat maakt hem voor mij minder aantrekkelijk. 

Eerlijk gezegd valt De grote vloed me een beetje tegen. Wie het leest, zal zich niet vervelen, maar de verteller heeft me te veel de wijsheid in pacht. 

Eerder schreef ik over Bizar (2019)

maandag 25 november 2024

Tex Willer 16: De bron van de eeuwige jeugd (Georgio Giusfredi / Fabio Civitelli)

Tex Willer - dat is wel een naam die klinkt. In mijn jeugd zou ik zeker van zijn avonturen gehouden hebben, maar ik heb de strips toen nooit gelezen. We hebben het over een western, die vanaf 1971 in Nederland verscheen. In die tijd las ik wel de comics over Kid Colt en Rawhide Kid. 

Ik kocht die niet zelf en ik zou ook niet weten waar ik die had kunnen kopen. Ik kreeg ze, maar ik weet niet zeker van wie. Van mijn vriendje Gerard? Van het buurjongetje Reinier? Van de oudere buurjongen aan de andere kant, Chris? Het is niet meer na te gaan. 

Adelaar van de nacht

De strips over Tex Willer verschenen oorspronkelijk in Italië. Toen er deeltjes in het Nederlands werden vertaald, had Tex al heel wat achter de rug. Hij was een outlaw, maar werd later een ranger en trouwde met de dochter van een Navahostam, waardoor hij zelf ook opperhoofd werd. Daarbij kreeg hij de naam Adelaar van de nacht. In het gezin wordt een zoon geboren, Kit Willer, ook wel Kleine Valk. Als hij opgegroeid is, wordt hij een van de vaste metgezellen van Tex.

Zijn andere makkers zijn de wat oudere Kit Carson en de indiaan Tijger. Ik weet wel dat ik de term 'indiaan' eigenlijk niet meer hoor te gebruiken, maar de aanduiding zit vastgeroest in mijn geheugen als het over cowboys gaat, dus ik laat het maar even zo. 

In verschillende westerns is er sprake van een vriendschap tussen een cowboy en een indiaan: Old Shatterhand en Winnetou, Arendsoog en Witte Veder. In Dances with wolves wordt de hoofdpersoon verliefd op een indiaanse vrouw. Het zijn altijd personages voor wie je sympathie voelt. Misschien omdat de indianen de zwakkere partij zijn en we houden van iemand die het voor de zwakken opneemt. Bovendien zijn het altijd 'goede' indianen, die een contrast vormen met andere, moordzuchtige stammen. 

De oorspronkelijke verhalen over Tex Willer waren in zwartwit, in vrij kleine pocketachtige boekjes, de Tex Willer Classics, waar er meestal zes tekeningen op een bladzij pasten. Intussen zijn er albums in kleur, op het normale stripformaat. 

Dit jaar verscheen album nr. 16, De bron van de eeuwige jeugd. Het scenario is van Giorgio Giusfredi, de tekeningen zijn van Fabio Civitelli

Niet altijd heldere verhaallijn

Er is een jonge vrouw, Sitsi, ontvoerd door een groep indianen. Haar ouders en broers zijn naar haar op zoek. Verder gaat het verhaal rond dat er een bron zou zijn waarvan het water zou kunnen zorgen voor de eeuwige jeugd. En er zou een schat zijn. Dat trekt groepen mensen met slechte bedoelingen aan. Al die dingen spelen tegelijkertijd, wat het verhaal lastig te volgen maakt. Giusfredi had zich misschien wat moeten beperken en had in ieder geval moeten zorgen voor een helderder verhaallijn. 

In de dialogen moet veel uitgelegd worden. Een moeder zegt bijvoorbeeld tegen haar zoons: 'Zeg Nakai, jullie vader, dat ik naar het oude huis van grootvader Masewi ga, hoog in de Mesa Negra.' Als grootvader meer huizen had, is de toevoeging 'hoog in de Mesa Negra' nog te begrijpen. Maar als moeder de naam Nakai noemt, weten de zoons natuurlijk wel dat het over hun vader gaat. Alleen de lezers wisten het nog niet. 

Dat iemand onder schot gehouden wordt en een lang verhaal aan moet horen over wat er in het verleden gebeurd is, driehonderd jaar geleden, komt ook onnatuurlijk over. Het zijn noodgrepen om alle informatie over te dragen op de lezer. 

De lezer op afstand

Tex raakt betrokken bij deze geschiedenis. En na veel verwikkelingen loopt het allemaal goed af. Het is een aardig verhaal, dat, zoals gezegd wat helderder verteld had kunnen worden. De lezer blijft de hele tijd behoorlijk op afstand. Het is de scenarist niet gelukt om mij echt mee te laten leven en me echt betrokken te krijgen. Er zijn gebeurtenissen die voor de spanning moeten zorgen, maar qua gevoel blijft het steeds aan de oppervlakte. Zelfs bij het dramatische slot, waarin Sitsi haar broer ontmoet, blijft de lezer onberoerd. 

Ook de tekeningen vallen me niet mee. Ze zijn bijzonder statisch. Het tekenen van paarden gaat Fabio Civitelli wel goed af, maar in gezichtsuitdrukkingen weet hij weinig nuance te leggen. Ook leeftijd weet hij niet goed weer te geven in de gezichten. De huid is altijd net te gaaf en de arceringen zijn voorspelbaar: de jukbeenderen goed zichtbaar, de wangen wat ingevallen. 

Bewegingen zijn houterig en nooit zit er vaart in zo'n beweging. Je ziet eerder een still uit een film dan de suggestie van bewegen. 

Het lijkt wel of de tekenaar sommige lichaamshoudingen gewoon niet aanvoelt. Op een gegeven moment hangt Tex aan zijn vingers aan een rots, terwijl er ook nog iemand aan zijn andere hand hangt. De krachtsinspanning die dat kost, de manier waarop zijn lichaam zich moet rekken - het is allemaal niet terug te zien in de tekening. 

Tex Willer is een serie die ik slecht ken. Ik heb historisch geen band met het personage en dat zal zeker uitmaken. Vroeger heb ik de strips over Willer nooit gelezen, maar onlangs heb ik wel enkele oude deeltjes gekocht om vergelijkingsmateriaal met de nieuwe strip te hebben. Dat zijn deel 56, De smaragden afgod (1975) en deel 67, Een boodschap voor Cochise! (1976). De beide deeltjes zijn beter getekend dan het nieuwe album, het verhaal is helderder en er wordt meer een beroep gedaan op je empathie. 

Mogelijk dat echte liefhebbers van Tex Willer blij zijn met alles wat er over held uit het Wilde Westen wordt gepubliceerd, maar mij nodigt De bron van de eeuwige jeugd niet uit om meer te lezen van de nieuwe avonturen. Maar als ik een oud deeltje tegenkom voor weinig geld, neem ik het mee. 

Reeks: Tex Willer
Deel 16: De bron van de eeuwige jeugd
Scenario: Giorgio Giusfredi
Tekeningen: Fabio Civitelli
Uitgever: Hum! Éditions
2024, 48 blz. € 9,95 (softcover) 

Eerder schreef ik over een andere uitgave van Uitgeverij Hum!