dinsdag 9 oktober 2018

Dirk Ayelt Kooiman (1946 - 2018) overleden


Op maandagochtend 8 oktober las ik het op Tzum: Dirk Ayelt Kooiman is op 2 oktober overleden. De uitvaart heeft in besloten kring plaatsgevonden.

Kooiman is een schrijver van wie ik niet veel gelezen heb, maar toen er onlangs op het Instituut waar ik werk een literatuurmiddag was, was een van de boeken waaruit ik voorlas Montyn. Volgens een van de leerlingen was dat het beste van de middag. Ik kan niet zeggen dat het ook het beste is uit het oeuvre van Kooiman; daarvoor ken ik dat niet goed genoeg. Maar het boek heeft indertijd wel indruk gemaakt. 

Waarschijnlijk kwam ik de naam Dirk Ayelt Kooiman voor het eerst tegen in 1980 of 1981, toen ik Kladboek van Jeroen Brouwers las. Nog steeds kijk ik op het lezen van dat boek terug als een gebeurtenis die mij verder de literatuur in zoog. 

In Kladboek stond het artikel 'Dirk Ayelt Kooiman en het Amsterdams Peil', dat Brouwers in 1978 had gepubliceerd in Tirade. Brouwers had niet veel op Kooiman. Het artikel begon met:
Bewering 1: Dirk Ayelt Kooiman kan niet schrijven.
Ik beweerde dit in De Revisor, oktober 1977.
Bewering 2: Dirk Ayelt Kooiman is overschat, hij is ‘een per fietspomp tot paradijsvogel opgeblazen mus’.
Dit beweerde ik in Vrij Nederland, 17 december 1977.
Deze beweringen wens ik te staven.
Vervolgens gaat Brouwers in op het verhaal 'De schrijver droomt', dat hij zin voor zin fileert, daarmee illustrerend dat er veel mis is met de stijl van Kooiman. Brouwers is duidelijk kwaadwillend, maar dat kon me indertijd niet veel schelen: ik vond het artikel uitermate geestig en dat vind ik nog steeds. 

Wel nam ik me voor iets te lezen van die Kooiman en dat werd De vertellingen van een verloren dag (1980). Het boek deed me weinig. 

Kooiman had toen al aardig wat op zijn naam staan, bijvoorbeeld Manipulaties (1971), Een romance (1973) en Souvenirs (1974). In 1977 stond hij op de cover van de Haagse Post, samen met Doeschka Meijsing, Frans Kellendonk en Nicolaas Matsier, als de zogeheten 'academisten', een term van Aad Nuis. Men noemde ze ook Revisorauteurs, schrijvers die fictie schrijven, maar er tegelijkertijd op wijzen dat het hier fictie betreft. Een goed voorbeeld is de roman Letter en geest van Kellendonk, waarin de hoofdpersoon (Felix Mandaat) geen persoon is, maar een personage blijft, dat verdwijnt in de punt achter de laatste zin (die overigens ontbreekt). 

Alles moet anders (1981) liet ik aan me voorbij gaan, maar ik kocht Kooimans roman Montyn (1982), een boek dat ik in één ruk uit las. Het is een roman, die gebaseerd is op het leven van de kunstenaar Jan Montyn, die overigens in 2014 overleed. Montyn vocht in de oorlog met de Duitsers mee, aan het oostfront. 

Er zijn weinig boeken die me de ellende van de oorlog zo goed hebben duidelijk gemaakt als Montyn dat deed. Het maakte zoveel indruk op me dat ik ook het werk van Jan Montyn wilde zien, waarvoor ik naar Roermond (als ik mij goed herinner) afreisde, omdat daar net een expositie was. 

Montyn is heel anders geschreven dan De vertellingen van een verloren dag. Dat laatste boek is nogal  traag en er is weinig handeling, terwijl Montyn juist in een hoog tempo verteld wordt. 

Toch heb ik het daarop volgende boek van Dirk Ayelt Kooiman, Wie doet mij de tekens verstaan (1985) overgeslagen, maar de roman daarna, De afwezige (1990), kocht en las ik wel. Het boek heeft geen indruk bij me achtergelaten, geen kleur, geen sfeer. Ik neem aan dat ik het zo-zo vond. Daarna heb ik nooit meer iets van Kooiman gekocht of gelezen. 

De schrijver is in mijn geheugen blijven hangen als de auteur van dat ene boek, Montyn, en verder niet. De titels van na 1990 (De terugkeer, 1996; De verdwenen weg, 1998; Victorie, 2001; Oefenen in ontsnappen, 2007; Het geheim van Carmen, 2013) zou ik niet uit mijn hoofd hebben kunnen opnoemen: ik heb ze op moeten zoeken. 

Nooit kom ik iemand tegen die Kooiman zijn favoriete schrijver noemt, nooit iemand die enthousiast over zijn werk vertelt. Maar Montyn komt nog af en toe op lijsten voor en leerlingen vinden het nog steeds een goed boek. Toen ik er onlangs een gedeelte uit voorlas, merkte ik dat het nog steeds werkt. Goed boek. 

Misschien is dat genoeg voor een schrijver, één goed boek. Misschien is er nog veel meer moois in het oeuvre van Kooiman, dat voor mij verborgen is gebleven. Dan zal het wel verborgen blijven, want ik vermoed dat ik niet gauw een roman van Kooiman ga lezen. Maar in Montyn zal ik af en toe nog bladeren en ik zal er wellicht nog eens uit voorlezen. En daarbij zal ik even aan de schrijver denken.

maandag 8 oktober 2018

Podcast: Boekenpodcast Het verhaal


Hoe lang ik al podcasts beluister, weet ik niet precies, maar het zal intussen meer dan vijf jaar zijn. Ik herinner me dat ik alle afleveringen van Radio Bergeijk terugluisterde en heel veel interviews van Het marathoninterview, dat in het begin zelfs vijf uur per aflevering in beslag nam. Maar misschien waren dat gedownloade bestanden en geen podcastafleveringen die ik per abonnement binnenkreeg.

Monique Huijdink heeft al enkele jaren de podcast Boekenpodcast Het Verhaal. Wanneer ze begonnen is, kan ik zo gauw niet terugvinden, maar intussen zijn er ruim zestig afleveringen terug te luisteren. Voor zover ik weet, heb ik ze allemaal tot mij genomen en, sterker nog: ik heb alle afleveringen helemaal beluisterd.

Het prettige van het Het verhaal is dat de formule eenvoudig is: een gesprek met een schrijver en verder niets. Veel podcasts moeten zo nodig een rubriekje hebben. Zelfs bij Boeken FM is er een rubriek met vragen van luisteraars (die niets te maken hebben met het besproken boek). Bij sommige podcasts werkt een rubriek goed, maar meestal is het franje, die afleidt. Bijvoorbeeld bij een podcast die ik binnenkort zal bespreken noemen de medewerkers het boek dat ze aan het lezen zijn, waarbij soms de schrijver niet eens genoemd wordt en er wordt ook nauwelijks wat inhoudelijks over het boek gezegd. Dat komt dus niet voor bij Het verhaal.

Interessante schrijvers

Het lukt Huijdink om interessante schrijvers aan tafel te krijgen. Zelfs schrijvers uit de A-categorie (waarmee ik bedoel: schrijvers die veel mensen kennen) gaan in op haar uitnodiging. Enkele namen: Arnon Grunberg, Pieter Waterdrinker, Annet Schaap, Ronald Giphart, Bert Wagendorp, Maxim Februari, Annelies Verbeke, Thomas Verbogt. Het is maar een greep.

Daarbij komt dat Monique Huijdink de boeken goed gelezen heeft en die op de eerste plaats stelt. Het gesprek gaat niet over allerlei biografische feitjes, maar het boek staat centraal en daarover gaan de vragen. Ook loopt ze niet te koop met haar eigen mening over van alles en nog wat.

Ik denk dat het vooral haar nieuwsgierigheid is, die het prettig maakt om het gesprek te volgen. Ze is oprecht geïnteresseerd en met die interesse kun je je makkelijk als luisteraar identificeren.

De toon van het gesprek is meestal vrij licht, wat het allemaal goed verteerbaar maakt. Tegelijkertijd wordt er wel goed doorgevraagd, waardoor je meer inzicht krijgt in het boek. Al verschillende keren heeft zo'n interview, door Monique Huijdink, maar ook wel bij Kunststof of Nooit meer slapen, mij verleid om het besproken boek te kopen.

Huijdink bespreekt voornamelijk literatuur, maar die niet alleen. Ze is ook niet vies van een boek over wielrennen of over iets uit de geschiedenis. Ze had een gesprek met Govert Schilling, waarbij gesproken werd over bijvoorbeeld zwaartekrachtgolven. Sommige van die gesprekken heb ik op de koop toe genomen, andere heb ik met interesse beluisterd.

Al die onderwerpen vallen binnen het bestek van de podcast, die immers een 'boekenpodcast' heet: aanleiding is altijd een boek. Voor wie deze podcast nooit gehoord heeft: probeer hem eens een keer. Wie zoekt op 'Boekenpodcast Het Verhaal' krijgt een keur aan sites waarop de afleveringen te vinden zijn.

Monique Huijding (Bron: boekenpodcasthetverhaal.nl)

vrijdag 5 oktober 2018

De eilandenruzie (Jozua Douglas)


Bijna elk jaar lees ik wel een paar kinder- of jeugdboeken. Ik heb hier bijvoorbeeld wel geschreven over boeken van Anna Woltz en Daan Remmerts de Vries, twee auteurs die al heel wat goede boeken op hun naam hebben. En natuurlijk las ik Lampje van Annet Schaap, dat ik hier al uitgebreid geprezen heb. Gouden Griffel dit jaar, zoals iedereen al verwachtte.

Gelezen geschenken

De Kinderboekenweek gaat meestal een beetje aan mij voorbij. Dat realiseerde ik me toen ik de lijst met Kinderboekenweekgeschenken bekeek: de meeste heb ik niet gelezen. De laatste tien jaar las ik alleen het boekje van Dolf Verroen, uit 2016, dat ik overigens erg mooi vond. Verder terug in de tijd las ik Kinderboekenweekgeschenken van Toon Tellegen, Joke van Leeuwen, Thea Beckman en Anke de Vries, die intussen tot schrijvers van klassiekers gerekend kunnen worden.

Bijzonder verrast was ik indertijd (2003) door Het zwanenmeer (maar dan anders), van Francine Oomen. Ik had nooit wat van haar gelezen, maar had toch al een oordeel over haar werk: iemand die serieboeken uitpoept. Onterecht. Wie dat zwanenmeerboekje niet gelezen heeft, mag zich eigenlijk geen oordeel over het werk van Oomen aanmeten.

Eilandenruzie

En dit jaar is Jozua Douglas de schrijver van het Kinderboekenweekgeschenk. Nooit gehoord van deze man, maar hij blijkt een lange lijst boeken op zijn naam te hebben. Het geschenk heet De eilandenruzie en het is geïllustreerd door Elly Hees.

Er zijn twee fictieve landen in Centraal-Amerika, Costa Banana en Costa Kanaria. De beide presidenten, Pablo Fernando en Max Romero, zijn het prototype van alleenheersers: alle macht naar zich toe trekken, gekke wetten uitvaardigen, zichzelf verheerlijken. Pablo heeft twee kinderen (Rosa en Fico) en Max een zoontje (Angelino) en een hond (Generaal Sanchez), die hem later zal opvolgen. Op de Paradijseilanden zullen de presidenten elkaar ontmoeten om een ruzie bij te leggen over enkele onbewoonde eilandjes.

De eilandenruzie volgt het klassieke schema, waarbij de volwassenen niet deugen en de kinderen wel. Eentje lijkt eerst aan de verkeerde kant te staan, maar blijkt mee te vallen en de ene volwassene is net iets slechter dan de andere. Uiteindelijk loopt het allemaal goed af.

Ruzie maken om niks

Dat is weinig verrassend. Wel weet Douglas het boek een zekere spanning mee te geven en er zijn ook wel wat humoristische passages, maar uiteindelijk is dat (voor mij, in ieder geval) niet genoeg. De eilandenruzie gaat over niet veel meer dan dat volwassenen ruzie kunnen maken over niks, of dat ze niet over futiliteiten heen kunnen stappen en dat kinderen gewoon lekker met elkaar kunnen spelen. Dat is geen inzicht waarvan je achteroverslaat.

Qua karakter zijn de personages niet bepaald interessant; het zijn geen figuren die je bijblijven. Misschien hoeft dat ook niet. Het boekje is duidelijk bedoeld als amusement: kinderen zullen het aardig vinden om te lezen en daarna kunnen ze het vergeten.

Achter in het boek staat dat er meer boeken zijn over Rosa en Fico: De gruwelijke generaal, De ongelooflijke Ravi Ravioli en Operatie Pisang. Dat zal ook wel een hele serie worden, waarin de kinderen in elk boek op een probleem stuiten en dat oplossen.

Zouden mijn kinderen tot de doelgroep behoren, dan zou ik ze dit boek niet aanraden. Goed, misschien kun je beter dit lezen dan niets, zoals je ook beter een snack kunt eten dan niet eten, maar waarom zou je Douglas lezen als je ook Anna Woltz, Bibi Dumon Tak, Daan Remmerts de Vries of Toon Tellegen kunt lezen? Nee, dat zou ik ook niet weten.

Naschrift

Reactie van Jozua Douglas op Twitter:

'Maar mijn klanten houden van in oud vet gebakken slappe friet,' sprak de patatboer tot de man van de  Voedsel- en Warenautoriteit. 'Vanochtend nog honderd bakjes friet verkocht. Ik bak voor mijn klanten, niet voor mensen die beoordelen op kwaliteit.'


Jozua Douglas vindt dat volwassenen, en zeker oude mannen, niet mogen oordelen over jeugdliteratuur. Zij behoren immers niet tot doelgroep. Eigenlijk zegt hij daarmee dat hij ook zelf geen oordeel kan vellen over zijn eigen boeken. Ook mannen in zijn leeftijdscategorie, de niet zo oude mannen, behoren immers niet tot het beoogde publiek.

Hierin verschil ik met Douglas van mening. Als volwassenen geen oordeel zouden mogen hebben over kinder- en jeugdliteratuur, zouden we de commissie op moeten heffen die schrijvers vraagt een Kinderboekenweekgeschenk te schrijven, alle recensenten van jeugdliteratuur naar huis moeten sturen, evenals de jury's die de prijzen op het gebied van kinderboeken toekennen.

Iedereen mag lezen wat hij leuk vindt, zoals iedereen maar moet eten wat hij lekker vindt. Maar anderen mogen zich best een oordeel aanmeten over de kwaliteit van het gelezene of van het voedsel en natuurlijk zullen mensen van oordeel verschillen. Als ze elkaar willen overtuigen, moeten ze ingaan op elkaars argumenten.

Kinderen kunnen lachen om mijn boekje, schrijft Douglas. Dat er humor zit in De eilandenruzie staat in mijn recensie. Bovendien schrijf ik dat het boekje waarschijnlijk als amusement bedoeld is en dat kinderen het 'aardig om te lezen' zullen vinden. Dat was mijn punt niet.

donderdag 4 oktober 2018

Debielen en demonen (Willem Brakman)


In mijn bijdrage over Vestdijk nam ik mij voor weer eens wat van Brakman te lezen. Er stond vast nog iets in mijn boekenkast. Dat was ook zo: Ante diluvium en Debielen en demonen. Ik vermoed dat De gelukzaligen ook nog ergens door mijn huis zwerft.

Net als bij Vestdijk heb ik geprobeerd na te gaan wat ik van Brakman gelezen heb. Dat was nog lastig te reconstrueren. Aan sommige boeken heb ik namelijk weinig herinneringen. Misschien omdat ik Brakman meer gelezen heb vanwege de stijl dan vanwege de inhoud van de roman. Niet alle boeken die ik heb, staan in mijn boekenkast, dus een blik daarop gaf ook niet volledig uitsluitsel.

Gelezen

Ik vermoed dat ik begonnen ben met Zes subtiele verhalen (1978). Daarvan was ik nogal onder de indruk en daarna heb ik twaalf jaar lang gemiddeld ruim een Brakmanboek per jaar gelezen. In 1990 stopte het Brakmanlezen, bij Van de in hogere kringen verliefde. Niet omdat ik dat een slecht boek vond, maar daarna kwam het er om een of andere reden niet meer van. Misschien heb ik enkele vroege boeken (Een winterreis, 1961, en Kind in de buurt, 1972) nog later gelezen, maar dat kan ik niet meer goed reconstrueren.

Van sommige boeken staat het omslag me nog goed voor de geest: Jongensboek (1987), met een afbeelding als uit een oud jongensboek. Het zwart uit de mond van Madame Bovary (1974), met o.a. een pompoen. Ik kocht de Salamander toen die uitkwam. Dat geldt ook voor De blauw-zilveren koning, 1977, met in mijn herinnering een blauwige afbeelding voorop. De oorveeg (1984) had een schaapskop op de voorkant.

Verder las ik, als ik het me tenminste goed herinner: Come-back (1980), De reis van de douanier naar Bentheim (1983), Een familiedrama (1984), Leesclubje (1985), De graaf van Den Haag (1986) en Het doodgezegde park (1986).

Van al die boeken is er inhoudelijk ontstellend weinig blijven hangen: een sfeer, een personage, enkele vaagheden. En de waardering of misschien zelfs de bewondering waarmee ik de boeken las. Zo werkt het blijkbaar met de boeken van Brakman. Bij mij althans.

Knipsels

In die tijd (jaren tachtig, even daarvoor, even daarna) las ik elk weekend de recensies in NRC, de Volkskrant, Trouw en Vrij Nederland. Die knipte ik uit en ik legde een kaartsysteem aan waardoor ik de recensies (sommige stonden op de achterkant van een andere recensie) terug kon vinden.

De stapel  knipsels met 'Brakman' was dik, want Brakman schreef veel en werd veel gerecenseerd. Bijna altijd positief, als ik het me goed herinner. Desondanks werden zijn boeken geen bestsellers. Ik denk dat Een weekend in Oostende nog het best liep. Dat boek vond ik ook terug in de serie 'Schrijvers van nu' van boekenclub ECI. Dat ik die mooie, gebonden uitgave niet kocht, moet betekenen dat ik de roman al meteen bij het uitkomen gekocht had.

Debielen en demonen

Maar nu Debielen en demonen. Het boek speelt zich af in de oorlog, maar het verhaal lijkt niet in de eerste plaats over de oorlog te oorlog te gaan. De ik-figuur is een adolescent, van wie niet helemaal duidelijk is hoe oud hij is. Aan het begin van het boek zwerft hij rond met zijn kameraad Karel Helmich, waarschijnlijk om zijn kostje bij elkaar te scharrelen.

In het dorpje H. vindt een Duitser de dood: hij  valt van de trap nadat hij bij de Nederlandse vrouw des huizes heeft geslapen. De 'ik' begraaft hem en eigent zich het kompas van de Duitser toe. Later zal iemand anders aangehouden worden in de jas van de 'ik'. Het kompas zal tegen hem getuigd hebben.

De beide kameraden keren terug naar de thuisbasis en nog verder in de oorlog komt de 'ik' terug bij zijn moeder. Onder hen woont de zwarthandelaar oude Ad, tegen wie de 'ik', op advies van zijn moeder, zegt dat hij voor dokter studeert.  Ads dochter Belleke is een opgroeiend meisje dat de geest van een jong kind heeft. Ze speelt bijvoorbeeld nog met poppen. Wat er zich ontspint tussen Belleke en de 'ik' is niet helemaal duidelijk, maar er is in ieder geval wederzijdse genegenheid.

In de buurt woont verder nog Krabbe, die bomen kapt in het bos en de stammen mee naar zijn huis sleept. Verschillende keren wordt diens 'hutspotkleurige' jas genoemd, die de 'ik' later in het boek nog zal dragen.

Ook al is de oorlog niet direct het onderwerp, hij is wel het decor: afval op straat, kou, honger. De 'ik' is vermagerd, al krijgt juist hij nog wel te eten bij de zwarthandelaar.

Een groot deel van de achterkant van het boek wordt in beslag genomen door een tekst die het karakter heeft van een uitleg. Daarin staat het in het boek gaat over liefde en dood en dat de ruimte in de loop van het verhaal steeds meer ingeperkt wordt, totdat we (in de epiloog) ons alleen nog in het hoofd van de 'ik' bevinden.

Tja. Natuurlijk spelen liefde en dood een rol, zoals in bijna alle literatuur. Lang lijkt er niet zo heel veel liefde in het boek voor te komen, al is de dood er wel, zeker na de dode Duitser.

Titel

De titel verwijst naar twee boeken die de 'ik' leent, eentje over debielen en een over demonen. Je zou kunnen zeggen dat 'debielen' verwijst naar Belleke, maar misschien ook wel naar de afstomping die zich van mensen meester maakt in de loopt van de oorlog, de blik die niet meer naar buiten wordt gericht.

Verder zal ieder wel met zijn eigen demonen kampen. De 'ik' leest in het demonenboek dat er professoren zijn die een rat kunnen leren om op een signaal aan te vallen of te vluchten. Misschien is de 'ik' ook wel zo iemand, wachtend op de juiste signalen.

Epiloog

Belleke overlijdt, maar in de epiloog is ze weer levend en gaat ze met de 'ik' naar diens vader, die dan de hutspotkleurige jas draagt. In de recensies die verschenen in 1970 gaven verschillende recensenten aan dat ze niet goed wisten wat ze aanmoesten met die epiloog.

De epiloog bevat prachtige passages met zinnen als 'Het is een verhaal vol bosaarde, houtgeuren en ontferming.' Daar heb je mij wel mee. Een langer fragment:
Ik was moe, mijn knieën waren hun zekerheid kwijt. Maar misschien is dat wel goed dacht ik, ik eet niet dus ik verzwak, mijn lichaam zal de kracht missen om gezwellen uit te broeien en te voeden, want weet, ik ben bang voor kanker, ja ik besta bijna alleen uit angst voor kanker, dat zaad van de duivel, dat uitzinnige gewroet, die verschrikkelijke uitbundigheid die aan de dood voorafgaat. 
Belleke zegt dat ze blij is dat ze de vader van de 'ik' gekend heeft.
Ik gaf geen antwoord, onze voeten sloften en knarsten in de sneeuw, een moedeloos geluid. 'Nou ja,' zei ik ten slotte, 'het staat ons allemaal te wachten,' en ik versnelde mijn pas.
Daarna is het boek afgelopen. Ik heb een tijdje gekauwd op het zinnetje 'het staat ons allemaal te wachten', dat op twee manieren uit te leggen is. In de epiloog wordt de vader doodgeschoten door jagers. Wellicht staat dat 'ons allemaal' te wachten: het vooruitzicht is niet hoopgevend. Vandaar ook het moedeloze geluid. Ieder heeft alleen de dood nog voor zich.

Maar het kan ook zijn dat het niet gaat om 'ons allemaal', maar dat 'dat allemaal' ons nog te wachten staat. Dat er een blik in de toekomst is geworpen en dat we nu weten wat allemaal ons te wachten staat. Belleke en de vader zijn immers nog levend. Als we dat in aanmerking nemen zou de epiloog ook een proloog kunnen zijn.

Husselen met de tijd

Dat er gehusseld wordt met de tijd wordt al eerder in het boek voorbereid. 'De mens is altijd ergens anders,' denkt de ik-figuur op een gegeven moment. De geest is soms verder dan het lichaam:
Wanneer hij rust, dacht ik wiegend, ziet hij zich alweer verder wandelen, als hij wandelt vertoeft hij in den geest al bij het doel, nauwelijks ligt hij in een bos of hij zwerft alweer door een stad of langs het strand en rust men te lang dan komt de slaap en is er helemaal geen touw meer aan vast te knopen. En wie weet wat anderen ons in dezelfde tijd aandoen, terwijl wij misschien in vrede voortwandelen worden wij elders gespietst, met teer overgoten of gecastreerd, wie weet. 
Met dit in het achterhoofd is het niet zo vreemd dat de 'ik' in de epiloog 'in den geest' verplaatst wordt naar waar zijn lichaam niet is. Een ruimte buiten tijd en plaats.

Een echte Brakman

Er zal best wat aan te merken zijn op Debielen en demonen en dat hebben recensenten ook wel gedaan, maar daarover straks. Ik heb dit boek gelezen als een echte Brakman: een stijl die je meevoert, met daarin associaties die je soms net wel en soms net niet kunt volgen. Bij Brakman heb ik altijd het idee dat me iets ontglipt, dat ik iets zie bewegen in mijn ooghoeken, zonder dat ik het scherp kan waarnemen. Ik snap dat dat mensen kan irriteren, maar mij intrigeert het. Alsof sommige passages net boven mijn macht liggen.

Maar misschien is dat juist wel de bedoeling. Brakman wil meer aanduiden dan vastleggen, is mijn indruk en meer iets oproepen dan iets beschrijven. In ieder geval levert dat een boeiende leeservaring op, waarbij je je geen moment verveelt.

Recensies

Hoe is er indertijd gereageerd op Debielen en demonen? De meeste recensies werden gepubliceerd in 1970. Waarschijnlijk kwam de roman pas eind 1969 uit en misschien vond men indertijd actualiteit minder belangrijk. In verschillende recensies wordt het boek geprezen, al geven sommigen (bijvoorbeeld Wam de Moor in De Tijd) aan wat moeite met de epiloog of de titel te hebben. Anderen (bijvoorbeeld Anne Wadman in de Leeuwarder Courant) vinden de roman wel goed, maar ook somber: 'Niet van de vrolijke'.

Twee negatieve reacties springen eruit. Daarom haal ik ze even naar voren. In Trouw van 14 maart 1970, begint hij nog gematigd positief:

Een van de recensenten, J. van Doorne, gaat uitvoerig in op wat volgens hem missers zijn in de stijl van Brakman, overigens geheel voorbijgaand aan
De nieuwe Roman van Willem Brakman is tamelijk goed geschreven. Brakman behoort wel niet tot de briljante auteurs, maar hij weet toch heel behoorlijk met de taal om te gaan.
Verderop is hij explicieter in zijn negatieve oordeel:

En ten slotte levert hij kritiek op de stijl aan het eind van het boek, daarbij overigens geheel voorbijgaand aan de ironie van Brakman.

De recensente van de Telegraaf is snel klaar met de roman:
De Telegraaf, 07 maart 1970

Noordzij is duidelijk geen liefhebber van Brakman en zijn stroeve broekzakken.

Brakman had voor- en tegenstanders, bewonderaars en verguizers en daartussen zat er niet zo veel, vermoed ik. Intussen is een deel van zijn werk met stof bedekt. Maar hopelijk zal er nog een lang een klein groepje bewonderaars blijven dat Brakmans oeuvre leest en herleest.

dinsdag 2 oktober 2018

Verzamelde gedichten (Jan Eijkelboom)



Onlangs stofte ik hier een interview met Jan Eijkelboom af. Het is het verslag van een gesprek dat ik in 2005 met hem had. Drie jaar later zou hij overlijden.

In 2012 werden zijn Verzamelde gedichten uitgegeven. Op 1 maart 2013 recenseerde ik de bundel in het Nederlands Dagblad. Ik lichtte daarbij het gedicht 'Verschijning' eruit, dat ik ook al in het interview ter sprake had gebracht. Ik neem aan dat ik me dat toen niet meer herinnerde.

Ook op Bunt Blogt schreef ik indertijd over de Verzamelde gedichten, met nogal wat kritiek op de bezorger. Blijkbaar schreef ik kort na elkaar zowel daar als in de krant een recensie. Natuurlijk zijn er overlappingen, maar er zijn ook verschillen. Hieronder de recensie uit het Nederlands Dagblad.

Vreemd genoeg schreef ik indertijd niets over het boek als boek. Hert is namelijk prachtig vormgegeven, door Steven van der Gaauw. Ik noem het, applaudisserend, alsnog.


Ik trok geen jas uit, maar een huid

Nederlands Dagblad, 01 maart 2013

Jan Eijkelboom debuteerde als dichter pas laat: hij was al vijftig geweest toen zijn eerste bundel verscheen: Wat blijft komt nooit terug (1979). In de vijfentwintig jaren daarna zouden nog een stuk of tien bundels volgen, waarvan de meeste goed ontvangen werden in de pers. In 2008 overleed hij, op een paar dagen na tweeëntachtig jaar oud. Iedereen kende toen de dichter en zijn werk.

Vijf jaar na zijn dood hebben we alle gedichten van Eijkelboom weer, in één boek. De bezorger is Kees van t Hof. Hij nam alle bundels op, een aantal verspreide gedichten en enkele nagelaten gedichten. De herkomst van de gedichten en de publicatiegeschiedenis van elk gedicht worden keurig verantwoord.

gewone dingen

Het lezen van de gedichten van Eijkelboom is altijd aangenaam. Eijkelboom is een benaderbaar dichter. Zijn gedichten hebben vaak een praattoon, waardoor hij dicht bij je komt. Alsof hij naast je loopt en je wat vertelt. In het gedicht 'Verschijning' (zie hieronder) vertelt hij ons bijvoorbeeld wat hij gedroomd heeft. Hij droomde over zijn vader, die naast hem stond en hem iets wilde vertellen, maar hij kon niet praten, want hij was dood.

En dan komt er een ontroerende formulering: 'Wat hij echter beoogde te zeggen // was dat hij van me hield'. De woorden 'echter' en 'beoogde' zijn formeel; je verwacht ze in een zakelijke brief. De wat plechtige formulering schept afstand en dat juist op het moment dat vader probeert duidelijk te maken dat hij van zijn zoon houdt. Afstand en verbondenheid gaan hier samen. Ook de zoon kan de afstand niet overbruggen.

verbrand

Ook hij heeft geen woorden. Als hij die woorden wel had gehad, had er niets meer tussen vader en zoon in gestaan. Sterker nog: dan was het er nooit geweest. Maar zo is het nu eenmaal niet. Zo'n gedicht gaat dicht op je huid zitten en dat is onmiskenbaar een van de kwaliteiten van het werk van Eijkelboom. Hij zegt in gewone woorden gewone dingen, zo lijkt het. Maar hij zegt het wel heel nauwkeurig en hij observeert scherp. Hoe gewoon zijn poëzie ook lijkt, blijkbaar zijn zijn gedichten bijzonder: ze blijven je bij.

Soms zijn het de zinnen die je bijblijven ('O, dat ik ooit nog eens een vers met o beginnen mocht'), soms zijn het de beelden die je bijblijven, bijvoorbeeld van de man die met een dochtertje op zijn nek gelopen heeft en de volgende dag helemaal verbrand blijkt te zijn: 'De volgende morgen / krimpend van pijn verliefd / in de spiegel gestaard / naar haar twee beentjes / uitgespaard op mijn kreeftrode borst.'

bladwijzer

Eijkelboom kwam uit een godsdienstig nest en dat is aan zijn gedichten te merken. Een bloemlezing uit zijn gedichten noemde hij bijvoorbeeld Tot zover, omdat die woorden op de bladwijzer stonden die vroeger thuis in de Bijbel lag. 'Ik heb dat rare geloof / als een jasje uitgedaan,' dichtte hij in het derde gedicht in de cyclus 'Gedragen kleding'.

In hetzelfde gedicht corrigeert hij zich: 'Ik trok geen jas uit / maar een huid en / moest het voortaan zonder doen.' In zijn gedichten komen vaak zinnen voor die verwijzen naar de Bijbel of naar de berijmde psalmen. Het is jammer dat Kees van t Hof in zijn aantekeningen bijna al die verwijzingen gemist heeft.

geloof

Als Eijkelboom terugblikt op zijn jeugd, hoort daar ook van tijd tot tijd het geloof bij. In het gedicht 'Tussen tong en verhemelte' waant hij zich terug bij zijn grootouders. Het is een gedicht dat bol staat van het geluk. Het eindigt met: 'God weet nog niet / dat hij dood is en heeft alzo de wereld lief.' Natuurlijk zit er ironie in zo'n zin, maar je merkt ook de mildheid waarmee Eijkelboom terugkijkt op het geloof van zijn jeugd.

Enkele jaren was Eijkelboom in wat toen nog Nederlands-Indië heette. Hij schreef erover: 'Ooit was ik soldaat in een oorlog / die nog weet had van een oorlog / die ertoe deed, maar die zelf uitging / van gezeur om rampspoed die geboren / zou worden maar die gewoon uitbleef.' Over wat hij daar meemaakte, publiceerde Eijkelboom de verhalenbundel Het krijgsbedrijf (2000).

dichtbij

Op latere leeftijd moest hij vaker aan die tijd terugdenken, vertelde hij in interviews. Ook in zijn gedichten kwam het geregeld terug, bijvoorbeeld in het fraaie 'Voorval op Java', waarin hij vertelt dat hij met een groep soldaten ligt te wachten;' ik weet niet meer waarop, waarschijnlijk / op wat toen de vijand werd genoemd.' In het donker klinken allerlei geluiden en samen vormen die die nacht een soort koor, waarover de 'ik' niets zegt.

Uit gêne, maar ook omdat hij bang is dat het ophoudt. Zijn jeugd, zijn drankzucht, zijn tijd in Indonesië en veel dagelijkse dingen, veel plaatsen die hij bezocht heeft. Het is allemaal terug te vinden in de gedichten van Eijkelboom. En altijd komt hij dichtbij. Wie geraakt wil worden door gedichten doet er goed aan Eijkelboom te lezen.

Verschijning 
's Nachts stond hij bij me.
Zijn huid had de kleur van reuzel.
Zijn jaeger ondergoed was grijzer

Hij keek mij aan met zijn bleekblauwe ogen.
Hij kon niet spreken want hij was dood.
Wat hij echter beoogde te zeggen

was dat hij van mij hield
maar dat er iets was voorgevallen
wat hem nog altijd niet beviel.

Ik wist wel wat het was
maar had er geen woorden voor.
Het was iets van destijds

en van nog steeds.
Had ik 't hem kunnen zeggen
dan was het er nooit geweest.
Verzamelde gedichten
J. Eijkelboom. Uitg. De Arbeiderspers, Utrecht/Amsterdam/Antwerpen 2013. 612 blz. 39,95

donderdag 27 september 2018

Podcast: Sør



Marjolijn van Heemstra heeft goede herinneringen aan haar middelbare school. Het was een school met veel leerlingen met een migratieachtergrond. Van Heemstra volgde daar een tweetalige opleiding vwo, wat betekent dat veel lessen in het Engels werden gegeven.

Ze heeft bijzondere herinneringen aan haar geschiedenisleraar, Ronald Sørensen, die later bekend zou worden als lijsttrekker van Leefbaar Rotterdam. Vooral aan één enkele les denkt ze nog terug, waarin de leraar de leerlingen uitlegde dat ze niet altijd door hetzelfde raam moesten kijken, omdat ze dan altijd hetzelfde uitzicht zouden hebben. Het was een inspirerend moment.

Juist Sørensen lijkt later zijn eigen les vergeten te zijn. Als politicus is hij radicaal in zijn opvattingen en hij lijkt helemaal niet bereid om zich in andere bevolkingsgroepen te verplaatsen. Over de multiculturele samenleving velt hij een hard oordeel. Volgens hem had hij op die gemengde middelbare school al gezien dat dat niet werkte.

Aan die school heeft Marjolijn van Heemstra heel andere herinneringen. Maar kloppen die wel? Van Heemstra gaat op zoek naar de grond onder haar herinneringen en interviewt oud-klasgenoten. Ook wil ze weten hoe Sørensen geworden is zoals hij nu is. Ze besluit door zijn raam te gaan kijken en te proberen zich in hem te verplaatsen.

Ze zoekt haar oud-docent, Sør, zoals de leerlingen hem noemden, op en gaat het gesprek met hem in. Dat zijn indringende gesprekken geworden.

Sør is een mooie podcast, van slechts drie afleveringen. Die stonden al online toen ik begon met luisteren en ik heb ze binnen een paar dagen allemaal tot mij genomen.

Een hartelijke aanbeveling bij dezen. Het is goed om te horen hoe andersdenkenden aan hun gedachten komen, maar ook hoe om te merken dat we de betrouwbaarheid van ons geheugen gemakkelijk overschatten. Iedereen heeft opvattingen die teruggaan op herinneringen, maar het is de vraag of wat wij ons herinneren wel klopt.

Je vindt Sør hier terug, en natuurlijk op de vertrouwde plaatsen als iTunes enzoverder. De podcast is gemaakt onder de vlag van Das Mag.

Van Marjolijn van Heemstra las ik eerder En we noemen hem. Daarover plaatste ik deze bijdrage. Het boek kwam hoog in mijn lijstje met beste boeken van 2017.

woensdag 26 september 2018

De Hemingway Triatlon (Dirk-Jan Hoek)


Noem de naam Ernest Hemingway en meteen rijst het beeld van de schrijver voor je op. Natuurlijk ook het beeld van zijn werk (bijvoorbeeld A Farewell to Arms, 1929, of For Whom the Bells Tolls, 1940), maar toch ook van de schrijver, de man: een macho van het zuiverste water.

In de graphic novel De Hemingway Triatlon duikt Dirk-Jan Hoek in het leven Hemingway in een moeilijke periode: hij kampt met impotentie en een writer's block (wat je ook als een vorm van impotentie kunt zien) en zijn laatste boek (Across the River and into the Trees, 1950) kreeg slechte kritieken.

Dan duikt George Adams op, een wonderlijke figuur, die Hemingway wel aan goede recensies wil helpen, maar daar moet wel wat tegenover staan. Hij komt dicht bij de schrijver en doet zelfs mee aan de Hemingway-triatlon: jagen, zuipen en neuken. Op al die gebieden zal een vriendengroepje rond de beroemde schrijver laten zien wat ze presteren kunnen.

Dagboeken

Hemingway komt alleen maar dieper in de ellende. Pas als zijn dagboeken uit de jaren twintig teruggevonden worden, vindt hij de drive tot het schrijven terug. Het levert een boek op over zijn jonge jaren in Parijs (A Moveable Feast, 1964), dat overigens pas na zijn dood (1961) gepubliceerd wordt.

Dat laatste klopt met de werkelijkheid buiten het boek, zoals Dirk-Jan Hoek meer elementen uit de werkelijkheid heeft gebruikt. Pablo Picasso komt bijvoorbeeld voor in De Hemingway Triatlon. Met hem had Hemingway een haat/liefdeverhouding. Maar de figuur van George Adams is verzonnen. We moeten dit boek dan ook als fictie zien: gebeurtenissen hebben niet werkelijk zo plaatsgevonden. Dat wil overigens niet zeggen dat er een onwaar beeld van Hemingway gegeven wordt.

Zo is het goed mogelijk dat hij tegenover de buitenwereld de macho moest spelen, terwijl hij kampte met een drankprobleem en allerlei onzekerheden en blokkades.

Hoek gaat uit van de werkelijkheid en laat dan de verbeelding haar gang gaan. Dat levert een goed verhaal op en, ook (of misschien juist) waar de gebeurtenissen niet op die manier hebben plaatsgevonden. We lezen een waarheid omtrent Hemingway. Wellicht niet de waarheid, maar die bestaat ook niet.

Gelaagd beeld

Het beeld dat we krijgen is gelaagd en daardoor interessant: we leven mee met Hemingway, sympathiseren met hem en hebben mededogen met de Nobelprijswinnaar wiens geloof in zichzelf ernstig wankelt. Misschien kun je zeggen dat hij ook in zijn wanhoop en zelfdestructie niet gematigd is, zoals er niets gematigds aan deze man lijkt te zijn.

Een paar keer pakt Hemingway zijn geweer, anders dan voor de jacht. Bijvoorbeeld om een kat uit zijn lijden te verlossen. Die kat heet Willy, wat ook weer een knipoog naar de impotentie is. Als Hemingway later opnieuw naar het geweer grijpt, vermoeden we, Tsjechov indachtig, dat binnenkort het schot zal klinken, waarmee hij zichzelf wegschiet uit het leven.

Dirk-Jan Hoek heeft weer een mooi boek gemaakt. Eerder schreef ik over Mao's Mussen, een boek dat gebaseerd is op een historische gebeurtenis. Ook in dat boek werkte Hoek alleen met inkt. Qua tekenstijl sluit Hemingways Triatlon bij dat boek aan.  Op een Facebookpagina heeft Hoek het wordingsproces van zijn nieuwe boek bijgehouden. Hiernaast een afbeelding van het inkten van de laatste pagina's.

Flashbacks

De pagina's die een lange flashback bevatten zijn gedrukt op een zwarte achtergrond. Dat is wel duidelijk, maar ook erg nadrukkelijk. Zeker omdat er na de eerste flashback (de eerste pagina's) ook nog eens 'Cuba, 10 jaar later' vermeld staat.

Verder vind ik de kaketoe van Adams, die constant citaten van Hemingway roept, een irritant beest. Maar misschien is dat wel de bedoeling en voorspelt het dier al het irritante gedrag van zijn baasje.

De bladspiegel is rustig gehouden, wat aangenaam leest. Veel pagina's bevatten drie stroken van twee tekeningen, maar Hoek varieert daar wel in en laat soms de kaders weg, wat ook voor afwisseling zorgt. Een enkele keer is er een paginagrote tekening.

De Hemingway Triatlon is goed gelukt: een sterk verhaal, goed getekend en over een figuur die je bijblijft. Mocht ik ooit nog iets meer van Hemingway gaan lezen, dan zal tussen de regels door de Hemingway me aankijken die Hoek geschapen heeft en mogelijk is dat dezelfde als de echte Hemingway. Als die tenminste bestaat.
Deel van blz. 24
Deel van blz. 44
Auteur: Dirk-Jan Hoek
Titel: De Hemingway Triatlon
Uitgever: Sherpa
Haarlem, 2018, hardcover, 160 blz. € 19,95