maandag 4 februari 2013

J. Eijkelboom, Verzamelde gedichten





Voorval op Java
Bij een waringin lagen wij te wachten,
ik weet niet meer waarop, waarschijnlijk
op wat toen de vijand werd genoemd,
ik weet niet meer waarom.
De nachten hadden duizenden geluiden
waarvan ik na twee jaar er
minstens zeven kende, tot dusver
daarom niets bijzonders.
Maar plotseling of langzaam
-dat viel niet meer te zeggen-
groepeerden de geluiden zich
tot een traag hemelkoor. 
Het werden schurende planeten,
treinen in eindeloze bocht
op rails van louter zilver
krimpend en zwellend, langste adem 
ooit door een sterveling gehoord.
Er was een voorgevoel van dood,
of ik al was gesneuveld en
pijnloos door de ruimte opgetild.
Ik was geneigd soldaten aan te stoten,
te vragen of ook zij die nachtmuziek
vernamen. Ik deed het niet. Je werd
daar toen al gauw voor gek versleten.
Ook vreesde ik, niet meer te zullen horen
wat tot de dageraad waarneembaar bleef.

Jan Eijkelboom was verschillende jaren op Java, waar hij betrokken was bij wat toen 'politionele acties' werden genoemd. Hij heeft erover verteld in interviews, erover geschreven in Het krijgsbedrijf en in gedichten.

In dit gedicht beschrijft hij hoe hij met een groep soldaten ligt te wachten 'op wat toen de vijand werd genoemd' en hoe hij dan in de geluiden een soort koor meent te horen. De dood zingt mee in het geluid. Er is een voorgevoel van dood, maar ook  is het 'of ik al was gesneuveld'.

Het is een zo bijzonder geluid, dat hij het wil verifiëren bij zijn strijdmakkers of zij het ook horen, maar dat durft hij dan weer niet, omdat hij bang is voor gek versleten te worden. Bovendien wil hij graag blijven luisteren naar het geluid, dat hij tot de ochtend blijft horen.

'Voorval op Java' lijkt me een typisch Eijkelboomgedicht. Daar heb ik niet lang naar hoeven zoeken, want veel van Eijkelbooms gedichten zijn typerend voor zijn manier van schrijven. Het gedicht heeft een praattoon, alsof iemand naast je loopt en je vertelt wat er gebeurd is. Verder is de aanleiding iets alledaags, maar door de waarneming van de dichter en de verwoording van die waarneming, wordt het bijzonder.

Steeds weer valt op hoe scherp Eijkelboom waarneemt, hoe hij de gewone dingen ziet en ze daardoor ongewoon maakt. De praattoon, die er altijd is, maken zijn gedichten bereikbaar. Alsof jij als lezer hetzelfde had kunnen zien en misschien heb je zelfs wel even het idee dat je het ook zo had kunnen zeggen, al weet je dat dat niet zo is.

Eijkelboom groeide op in een godsdienstig nest. De taal van zijn jeugd is hem altijd nabij gebleven en in veel gedichten vind je er restanten van terug. Als je er oog voor hebt, tenminste. Kees van 't Hof heeft de Verzamelde gedichten van Eijkelboom bezorgd en hij heeft aantekeningen aan de gedichten toegevoegd. Dat zijn vreemde aantekeningen. Woorden die zo ongeveer iedereen kent, legt hij toch uit: hansop, Thalys, Earl Grey, haiku. Andere woorden legt hij juist weer niet uit: arpeggio, bevindelijk, steelsteek.

Soms heb je niet heel veel aan de uitleg. Zo legt Van 't Hof wel uit wat een ketter is, maar niet wat de uitdrukking 'Elke ketter heeft zijn letter' betekent en die komt nu juist voor in een gedicht. Hij vertelt dat je Vox Humana kunt vertalen met 'menselijke stem', maar aangezien het gedicht gaat om een harmonium, was het ook wel passend geweest om verband te leggen met een register op het harmonium. Pas veel later, bij een gedicht dat een paar honderd bladzijden verderop staat, krijgen we de uitleg wel. Als je wilt weten wat 'De Spaanse scharen zijn gestut' betekent, vertelt Van 't Hof het wel, maar hij vertelt er niet bij dat Eijkelboom daarmee naar het lied 'Merk toch hoe sterk' verwijst.

Verwijzingen naar andere teksten geeft Van 't Hof mondjesmaat. Bij 'Ik ga maar en ben' vermeldt hij Van Schagen wel en bij 'de vaas met de bloem-ploem-ploem' noemt hij Van Ostaijen, maar vaak zwijgt hij. 'O, en voorgoed'? Bloem wordt niet genoemd. Als Eijkelboom schrijft over 'rampspoed die geboren / zou worden' noemt Van 't Hof niet het het rijmpje 'Indië verloren, rampspoed geboren',

En verder dus bij veel verwijzingen naar de Bijbel. 'Gelijk het gras, /zong het, is ons hardnekkig leven' verwijst naar Psalm 103:8 (berijmd): 'Gelijk het gras is ons kortstondig leven.'. 'Je kende wel het briesend paard / van horen zingen' verwijst naar Psalm 33: 9: 'Het briesend paard moet eind'lijk sneven'. 'God weet nog niet / dat hij dood is en heeft alzo de wereld lief' verwijst naar de beroemde tekst die begint met 'Alzo lief heeft God de wereld gehad' (Johannes 3:16). Verschillende keren schrijft Eijkelboom een zin als 'die je voet voor struikelen behoedden', ('Eenzijdig ontluisterd', 'De stem') daarmee verwijzend naar de brief van Judas of misschien Psalm 121.

Op dat punt heeft Van 't Hof veel laten zitten. Er zijn meer voorbeelden, veel meer. Over enkele regels van Eijkelboom is indertijd zelfs gedoe geweest, omdat ze in een tunnel te lezen waren: 'Er ruist langs de wolken een boer / op een fiets'. ChristenUnie wilde die regels zelfs verbieden, geloof ik, omdat ze verwezen naar 'Daar ruist langs de wolken een lieflijke naam'. Van 't Hof zwijgt erover.

Verder verbaast het me dat kennelijke fouten in gedichten niet stilzwijgend verbeterd zijn. Waarom nog steeds 'statie' (in plaats van 'staatsie'), 'vadzig' in plaats van 'vadsig', ''t uitvergrootte raam' in plaats van ''t uivergrote raam' en heel vaak fouten in aaneenschrijven of juist niet. Hier had de bezorger best wat minder scrupuleus of meer zorgvuldig mogen zijn.

Wel vermeldt Van 't Hof nauwkeurig in welke tijdschriften of gelegenheidsuitgaafjes de gedichten van Eijkelboom terug te vinden zijn. Eijkelboom bood eenzelfde gedicht gerust aan verschillende tijdschriften aan, zo blijkt.

Maar het belangrijkste is dat we de gedichten bij elkaar hebben en dat we avondenlang de poëzie van Eijkelboom kunnen lezen. Bijvoorbeeld dit gedicht:

Verschijning 
's Nachts stond hij bij me.
Zijn huid had de kleur van reuzel.
Zijn jaeger ondergoed was grijzer 
Hij keek mij aan met zijn bleekblauwe ogen.
Hij kon niet spreken want hij was dood.
Wat hij echter beoogde te zeggen
was dat hij van mij hield
maar dat er iets was voorgevallen
wat hem nog altijd niet beviel.
Ik wist wel wat het was
maar had er geen woorden voor.
Het was iets van destijds
en van nog steeds.
Had ik 't hem kunnen zeggen
dan was het er nooit geweest.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen