zaterdag 21 november 2015

De leeslijst (Nina Geerdink e.a.)


Wie wat meer wil weten over de Nederlandse literatuur heeft de keuze uit allerlei sites, veel naslagwerken en verschillende literatuurgeschiedenissen. Daar is nu De leeslijst bij gekomen, een boek dat ontstaan is rond de Radboud Universiteit Nijmegen. Alle medewerkers zijn of waren docent of onderzoeker aan die universiteit.

De leeslijst heeft een chronologische opbouw en gaat uit van de afzonderlijke werken. Elk werk krijgt twee bladzijden toebedeeld. In de eerste kolom staat een korte karakteristiek, in de overige drie kolommen wordt er dieper ingegaan op het werk. Soms belicht de auteur de thematiek of de opbouw van het werk, soms de receptie, soms de plaatsing in de tijd van ontstaan, soms wordt er een detail uitgelicht en besproken. Je kunt zeggen dat daar weinig lijn in zit, maar ik vind het wel prettig dat niet elk stuk dezelfde opbouw heeft. De afwisseling nodigt uit om te blijven lezen.

De samenstellers (Nina Geerdink, Jos Joosten en Johan Oosterman) hebben niet de bedoeling een representatieve keuze te maken uit de Nederlandse literatuur, dus daar mogen we ze eigenlijk niet op beoordelen. Maar ik ga bij zo'n boek toch meteen kijken naar wie erin staat en wie er ontbreekt. Verschillende bekende schrijvers van een respectabel oeuvre mis ik toch wel. Ik noem er twintig: Jacob Campo Weyerman, Hendrik Tollens, Nicolaas Beets, E.J. Potgieter, J.J. Slauerhoff, Willem Brakman, Maarten 't Hart, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Herman de Coninck, Adriaan van Dis, K. Schippers, Oek de Jong, Arthur Japin, Leon de Winter, Joost Zwagerman, Jan Siebelink, Connie Palmen, P.F. Thomése en Esther Gerritsen.

Daar staat natuurlijk tegenover dat er andere, minder bekende schrijvers of werken wel opgenomen zijn. Ik heb het nageteld: slechts de helft van de behandelde werken heb ik gelezen. Van auteurs als Rutghera van Eck, Arnout Hellemans Hooft, Matthijs van de Merwede, Catharina Questiers en Cornelia van der Veer, Titia Brongersma, Pieter Elzevier, Joachim Oudaan, Lambert Bidloo, Jan Pieter van Male, Katharina Lescailje, Jan de Marre, Margareta van der Werken, Lucretia Wilhelmina van Merken, Elisabeth Hoofman, Johannes Nomsz, E.J.B. Schonck, H.H. Klijn en Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (ik beperk me tot de eerste honderd besproken werken) had ik zelfs nog nooit gehoord.

Indertijd heb ik erg genoten van Het leesgezelschap van Diepenbeek van P. van Limburg Brouwer. Het is opgenomen in De leeslijst. Mijn docent L.J.M. Hage vertelde er in de les enthousiast over en dat zorgde ervoor dat ik het boek ging lezen, evenals De kiesvereeniging van Stellendijk van Lodewijk Mulder. En daarna las ik heel wat uit negentiende eeuw, van het werk van Justus van Maurik (niet in De leeslijst) tot J.J. Cremer (wel behandeld) en van Johannes Kneppelhout (niet opgenomen) tot Jacob van Lennep (wel besproken).

Vlaamse en vrouwelijke auteurs komen verhoudingsgewijs veel voor in De leeslijst, schrijven de samenstellers. Wat de Vlamingen betreft: het doet mij deugd dat Cyriel Buysse erbij staat. Weliswaar met Het recht van de sterkste, wat bepaald niet zijn beste boek is, maar het is wel een kenmerkend werk.

Prudens van Duyse kende ik van naam. Dat hij zoveel geschreven had, was mij onbekend, evenals dat hij belangrijk is geweest voor de Vlaamse beweging. In een boek als De leestlijst leer je zo iemand kennen. Onder elk lemma staat een beknopte lijst met secundaire literatuur. Wie verder wil lezen over zo'n auteur, hoeft daar niet veel moeite voor te doen.

Ook bij de Vlamingen miste ik enkele prominente namen. De Coninck noemde ik hierboven al. Karel van de Woestijne, Ivo Michiels, Leonard Nolens, Leo Pleysier en Dimitri Verhulst zijn in mijn ogen opvallende afwezigen.

Walter van den Broeck wordt gelukkig wel behandeld. Met Brief aan Boudewijn bereikte hij een groot publiek, maar ik heb het idee dat het daarna (in Nederland althans) nog niet zo erg wil lukken met de verkoop van zijn werk. Hij haalt niet de oplagen van 't Hart of Van Dis.

Ik mis in De leeslijst aandacht voor Suriname en de Antillen. Waar zijn: Cola Debrot, Albert Helman, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Frank Martinus Arion? Het lijkt wel of er geen enkele auteur in deze overzeese gebiedsdelen is opgestaan of daarover heeft geschreven. Nou ja, Faverey wordt genoemd, maar in zijn werk speelt zijn land van herkomst geen rol, voor zover ik weet.

Ook bij de schrijvers van allochtone herkomst ontbreken er namen die ik wel verwacht had: Kader Abdolah, Abdelkader Benali, Hafid Bouazza.

Bij de moderne schrijvers mis ik de aandacht voor het korte verhaal. Mij schieten namen te binnen als Maarten Biesheuvel, F.B. Hotz, Manon Uphoff, A.L. Snijders, Sanneke van Hassel. De leeslijst sloeg hen over. Frans Kusters is wel opgenomen. Ja, ja, Nijmegenaar, ik weet het, maar ik had hem graag tegen bijvoorbeeld Hotz geruild.

Ook bij de poëzie zijn er opvallende afwezigen. Je kunt niet iedereen opnemen, maar Kopland, Komrij en De Coninck (ik noemde hen al) overslaan is bijna een statement. En ik moest ook meteen denken aan: Barnard/Van der Graft, Anna Enquist, Eva Gerlach, Rob Schouten, Neeltje Maria Min, Jan Eijkelboom, Menno Wigman.

Er moeten keuzes gemaakt worden: Saskia de Coster wel, Annelies Verbeke niet; Joost de Vries wel, Marente de Moor, Maartje Wortel of Gustaaf Peek niet. 'Er hadden ook 150 of 200 andere werken van dezelfde of andere auteurs opgenomen kunnen worden,' schrijven de samenstellers. Ik geloof het graag.

De essayisten uit de twintigste en de eenentwintigste eeuw zijn ook maar magertjes vertegenwoordigd. Gelukkig wordt Kees Fens behandeld en dat zal niet alleen gebeurd zijn omdat Fens banden met Nijmegen had. Maar geen Renate Rubinstein, H.J.A. Hofland, Karel van het Reve, Rudy Kousbroek, Bas Heijne.

Niet alleen bij de auteurs, ook bij de werken zijn er verrassende keuzen gemaakt. Wat is er van Mulisch opgenomen? Nee, niet De aanslag, niet De ontdekking van de hemel, maar het boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid. Van Hermans niet Nooit meer slapen of De donkere kamer van Damokles, maar Ik heb altijd gelijk. Van Wolkers niet Kort Amerikaans of Terug naar Oegstgeest maar De hond met de blauwe tong. Ja, ik weet het, toch een verhalenbundel. En van Ilja Leonard Pfeijffer niet La Superba, maar Het grote baggerboek.

Enkele auteurs komen twee keer voor. Niemand zal boos worden om twee keer Hooft, Vondel of Kouwenaar, lijkt me. Het zijn woudreuzen in het bos van de literatuur.

Het is aardig dat de besprekers af en toe stevige standpunten innemen en ferme uitspraken niet schuwen. Mij gaat het wel wat ver om op grond van een enkele kritiek te zeggen dat Busken Huet erdoor 'als criticus en als mens' gediskwalificeerd wordt, maar de opmerking dat iedereen die Nescio alleen om zijn eenvoud roemt, de schrijver schromelijk tekortdoet, kan menigeen in zijn zak steken.

De ene auteur heeft meer kaas gegeten van het schrijven in mensentaal dan de ander, bij wie de wetenschap de stijl ernstig heeft aangetast. Dan krijg je zinnen als: 'Het land van herkomst komt uiteindelijk opmerkelijk dicht in de buurt van het biografisch narratief over Du Perron.' Ik weet niet of je met dit taalgebruik mensen aan het lezen van literatuur krijgt.

In zo'n dik boek gaat er vanzelfsprekend wel eens iets fout. Meestal geeft het niet en hobbel je als lezer wel over een tikfout heen. Als er in een citaat iets misgaat, is dat wel jammer. Ik heb een fragment van een gedicht van Augusta Peaux twee keer moeten lezen, voordat ik begreep dat 'siert hij zijn wagen' natuurlijk 'stiert hij zijn wagen' moest zijn.

Twee keer bezondigt iemand zich aan het verwarren van 'niet het minst' en 'niet in het minst'; iemand presteert het om iets een bijwoord te noemen in plaats van een voorzetsel; de Openbaringen aan Johannes worden de Openbaringen van Johannes; een dominee heeft parochianen in plaats van gemeenteleden; en bij consummeren en consumeren gaat het weer eens fout. In een parodie op Feith zou er over de 'lichamelijke consumptie van hun liefde' geschreven zijn in plaats van over de consummatie.

De mooiste tikfout wil ik u niet onthouden. Bedoeld was: 'In de goddelijke discussie resoneert het politieke debat tussen orangisten en patriotten over de juiste staatsvorm voor de Republiek.' Het zet- of tikduiveltje maakte er echter een debat tussen organisten en patriotten van.

Dat soort dingen gebeurt. Het zijn kleinigheden bij alles wat De leeslijst te bieden heeft. Veel stukken lezen bijzonder prettig en ze wijzen me op zaken waar ik niet eerder bij stil had gestaan. Ik kende bijvoorbeeld Een cluyte van Playerwater niet. Het is al leuk om daarmee kennis te maken, maar dan blijkt ook nog dat het waarschijnlijk voorkomt op een schilderij van Pieter Balten.

Jos Joosten wijst ons erop dat het schoolreisje in Bint helemaal niet past bij de pedagogische opvattingen van Bint. Tijdens de fietstocht vallen er onmiddellijk gaten in het systeem van Bint. Een mooi inzicht in een overbekend boek.

Het huis Lauernesse heb ik indertijd wel gelezen, maar ik heb me nooit gerealiseerd dat het maar tien jaar na de Belgische Opstand is geschreven en dat dat in de verheerlijking van het protestantse geloof door Bosboom-Toussaint meegespeeld kan hebben.

Het leukst is natuurlijk dat De leeslijst je aanzet tot lezen. Ik zie in mijn boekenkast de boeken staan die ik ooit heb aangeschaft en waarvan ik vast van plan ben ze ooit te gaan lezen. Akbar van P. van Limburg Brouwer, bijvoorbeeld of Waarheid en dromen van J.P. Hasebroek. En zou ik Vader van God van Martin Michael Driessen moeten gaan lezen? Hij was geheel aan mijn aandacht ontsnapt. Intussen ben ik bezig in De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker. Daar zal ik u ooit nog mee lastigvallen.

En dan zijn er nog de boeken die niet in De leeslijst staan, maar die in de boekenkast wel met een verwijtende rug naar mij toe staan, omdat ik ze nog niet gelezen heb. Wanneer grijp ik naar het werk van den ouden heer Smits, Israël Querido, Christiaan Weijts of Auke Hulst? We zullen zien.

Naschrift: Jeroen Dera maakte mij erop attent dat ik hem niet juist heb geciteerd. Hij heeft gelijk. Het citaat is intussen aangepast. Het oordeel over de geciteerde zin (waarbij ik de schrijver discreet ongenoemd had gelaten) handhaaf ik.

Verder wees Dera erop dat er in het lemma over Faverey wel degelijk iets staat over zijn Surinaamse afkomst. Ook daarin heeft hij gelijk, zij het dat het gaat om een interpretatie waarvan hij zelf zegt dat die eigenlijk niet getoetst kan worden. Zelfs als die interpretatie klopt, blijft het zoeken in Favereys oeuvre naar zijn roots. Ik vermoed dat er weinig mensen zijn die hem als een Surinaams dichter zullen zien.

Johan Oosterman wees mij op een komische tikfout: 'Ook bij de schrijvers van allochtone herkomst ontbreken er namen die ik wel veracht had'. Intussen heb ik dat veranderd in 'verwacht'. Daarmee blijft de zin overigens ambigu: je kunt hem ook lezen als: ik had wel verwacht dat die namen zouden ontbreken. Misschien zou er moeten staan: 'die ik wel verwacht had'.

Mijn dank gaat uit naar de nauwkeurige lezers.

donderdag 19 november 2015

Lichtmeters (Ruth Lasters)


Het werk van Ruth Lasters leerde ik kennen in de bloemlezing die Gerrit Komrij samenstelde uit het werk van dichters uit de eenentwintigste eeuw. Haar gedichten vond ik intrigerend. Intussen heeft ze een tweede dichtbundel gepubliceerd, Lichtmeters, en een roman, Vlaggenbrief, waarvan ik maar één recensie heb gelezen. Rein Swart was niet zo enthousiast over het boek.

Lichtmeters is een mooie bundel. Sowieso qua vormgeving: een voorkant die een metalige indruk maakt en een inhoudsopgave in vier kolommen. Omdat de titels van de gedichten en van de vier afdelingen steeds uit een enkel woord bestaan, staan ze als vier paaltjes over twee bladzijden verspreid. Nog meer doen ze me denken aan vier ijspegels. 

Bijna alle titels bestaan uit een zelfstandig naamwoord (Neon, Glas, Code, Schop, Wissel, Veld, om er maar een paar te noemen). Dat duwt ons in de richting van feiten, alsof de titels lemma's in een encyclopedie zijn. 

Al in haar vorige bundel voerde Ruth Lasters gedachte-experimenten uit: ze opperde een mogelijkheid en liet ons meedenken als ze verder redeneerde. Ook in Lichtmeters doet ze dat veelvuldig. Het gedicht 'Veld' begint als volgt:
Misschien is voetbal écht het enige doel,
ook van het onderbewustzijn en het bewuste: twee delen
enkel en alleen omdat een match twee ploegen
vereist. Ooit stelt de helft van je neuronen bewust voor
een bal, zo groot en zwaar als het hoofd zelf, waarin
groeit buiten je zelf om de geurherinnering van 
pasgemaaid gras: het veld. (...)
Stel je voor dat voetbal het enige doel is, in het leven, van je bestaan, van je lichaam. Door het woord 'doel' wordt meteen het beeld opgeroepen van de doelen die op het veld staan. Door 'twee delen' en 'de helft' beginnen noties mee te spelen als speelhelft (de twee delen van het veld), de eerste en tweede helft van de wedstrijd, de twee ploegen, het tweetal onderbewustzijn en bewuste en misschien zelfs de hersenhelften. De bal wordt vergeleken met het hoofd, met daarin de geur van gemaaid gras, die ook emotie oproept, lijkt me. Voor je het weet ben je een voetbalveld geworden.

De openingsregel, die op voorhand misschien gezocht lijkt, lijkt opeens zo gek niet meer.

In veel gedichten neemt Lasters ons mee met haar constateringen en vergelijkingen en ik merk dat ik me er bijna nooit tegen verzet. Als je met haar meeloopt, heb je altijd een avontuurlijke wandeling. Als zij haar ontgoochelingen africht als logge, natte honden en dan ook nog in een maïsveld, sta ik meteen met die honden in dat veld. Over teleurstellingen heb je vaak geen controle, maar door de constructie die Lasters aanbrengt, kun je ze opeens bevelen ('Af! Los!'). De mogelijkheid daartoe heeft iets troostends.

De afdeling 'Draadloos' gaat over een 'ik en een 'jij'. Bij 'draadloos' denken we aan een verbinding of juist aan het ontbreken ervan; het draadje is er immers niet. 'Woud' begint met een observatie:  de rooksporen na het vuurwerk. In de loop van het gedicht wordt het een beeld voor wat er rest tussen twee gelieven.
Woud
Of je het achteraf
van vuurwerk ooit zag. De takken van rook, niet
de vonken, maar de pluizige stammen op precies dezelfde
plaats waar net nog pijlen openknalden. het luchtwoud
dat daar na het doven enkele seconden voor je
ontstaat. De restwaarde die eigenlijk grootser is dan
de bedoelde fraaiheid van spetters kleurvuur. Zo is het ook,
nadat je hebt gezucht dat je me ondanks alles, ontrouw nog
liefhebt, wat daarna in de kamer hangt op een doordringendere,
verschrikkelijke, ongewilde manier mooier: de onherstelbaarheid
tussen ons.
De rooksporen worden nooit meer het vuurwerk, maar ze vormen zich tot een fraai woud; de onherstelbaarheid wordt nooit meer de heelheid, maar dit moment, waarop je nog de rooksporen kunt zien van wat ooit een relatie vol vuurwerk was, is een uniek moment. Nog even en het is weg, dus je moet er nu naar kijken.

Het is een stilering van het falen, van het gebrek, zoals ook gebeurt bij de teleurstellingen die in honden veranderen. Het onderwerp is pijnlijk, maar het troost dat je er vorm aan kunt geven.

Een ander gedicht uit dezelfde cyclus vind ik zowel grappig als hartverscheurend:
Rijst
Bij grief groef ik mijn hand in een zak rijst
en stuurde in een omslag steeds een korrel terug naar herkomst,
naar een boer in Angkor die op zijn beurt keer op keer een klei-
knikker zond bij
onverhoopt geluk, als een mijnscherf wonderwel alleen
zijn vrouws wreef had verbrijzeld of zijn oogst niet was verloren door
een storm. De laatste korrel die ik naar hem zond: rond Pasen nadat jij
en ik weer knikkers voor elkaar verstopt hadden in huis in plaats
van eieren - wie in één dag al de zijne vond, mocht weggaan
voor altijd zonder verwijten - en je de mijne nauwelijks
verborgen had, alle zeven naast de plint, voor
het grijpen.  
Het opsturen van rijstkorrel en kleiknikker vind ik al een grappig idee. En dan de omschrijving van wat geluk betekent voor de boer in Angkor: we zouden het ook kunnen zien als ongeluk dat erger had gekund. De uitvoerige beschrijving van het systeem lijkt alleen maar getreuzel, aarzeling om te vertellen wat verteld moet worden: de 'ik' die afgedankt wordt door de 'jij'. Je ziet de knikkers liggen. Zwijgend schreeuwen ze hun boodschap. Simpel en vreselijk.

De 'ik' stuurt de laatste rijstkorrel op. Wat kan er na dit verdriet immers nog komen? En nadat ze zeven knikkers in één keer heeft gekregen, zit ze waarschijnlijk ook niet meer te wachten op kleiknikkers van ver weg.

Ironie treffen we in meer gedichten aan. Verschillende keren heb ik breed moeten glimlachen. Bijvoorbeeld om het gedicht 'Code' waarin ruimtewezens 'eeuwen na het eind der mensen' de wegmarkeringen op aarde ontdekken en die proberen te ontcijferen. Dat is het wat troost, zegt Lasters: 'Dát moet je vertellen op het laatst / als ik kerm, ijl in plaats van valse // hoop.' Ook hier zijn het de gedachte-experimenten, de ruimtevluchten van de verbeelding, waarin mensen opgetild kunnen worden uit het verdriet, het gebrek, het onvolmaakte.

Of in het gedicht 'Neon', waar het stukspringen van een straatlantaarn
(...)
kan veroorzaken een minuscuul verschrikken, verliggen
tijdens de daad, waardoor een andere zaadcel dan die ene waaruit wij- 
het had gehaald. Lantaarnonderhoud -geschiede het
met blinde willekeur steeds- is dus een ethisch zéér
beladen zaak.
Om dat slot moet ik, ook bij herlezing, lachen. Je ziet het serieuze gezicht voor je van degene die je dit vertelt. Misschien is er zelfs wel een belerende vinger geheven. Hoe serieuzer het gebracht is, hoe grappiger het is.

De verrassende beelden geven Lichtmeters iets lichts, iets speels. Dat betekent niet dat de gedichten over lichte dingen gaan. In de gedichten dreigen we verschillende keren de greep te verliezen op wat er om en in ons gebeurt. De dreigende wanorde wordt bezworen door de beeldspraak. De werkelijkheid is misschien niet te beheersen, maar de beelden die we ervoor hebben wel.

De strakke opbouw van de bundel, de even strakke bouw van de gedichten (bijna altijd in strofen van twee regels) tonen dezelfde wil om zaken onder controle te houden, om structuur aan te brengen in wat zich ongeordend aan ons voordoet.

In 'Neon' spreekt de 'ik' over haar 'kosmische petieterigheid'. Dat zo'n klein mensje een poging doet dingen naar haar hand te zetten, is in ieder geval dapper. Over zo'n mensje willen we wel lezen; met zo'n mensje willen we ons wel identificeren. En daarom zullen we de gedichten in Lichtmeters lezen en herlezen. Ook na herlezing hebben we de bundel niet uit.

Foto: Koen Broos, opgenomen achter in de bundel

maandag 16 november 2015

The white people (Ibrahim R. Ineke)


Nog nooit eerder had ik wat gezien van de Haagse kunstenaar Ibrahim R. Ineke. Intussen heb ik zijn graphic novel The white people gelezen, herlezen en herherlezen. Het is een duister boek.

The white people is een bewerking van het gelijknamige korte verhaal van Arthur Machen uit 1904. Ineke is redelijk vrij met het oorspronkelijke verhaal omgegaan. De structuur van de raamvertelling is losgelaten: de mannen die praten over het kwaad, waarmee het verhaal van Machen opent, zien we in de strip pas tegen het einde en het mysterieuze groene boekje ontbreekt geheel. In dat boekje vertelt een meisje hoe zij in contact komt met magische krachten.

Ik laat het verhaal van Machen nu voor wat het is en concentreer me op de beeldroman die Ineke ervan maakte. Voor het grootste deel zijn de tekeningen in zwart-wit, met af en toe veel nadruk op de zwarten. Op de eerste drie pagina's staan de plaatjes ook nog op een zwarte achtergrond (net als op de laatste pagina). Dat maakt het The white people letterlijk duister.

Het 'verhaal' is niet gemakkelijk en misschien wel niet volledig te doorgronden, zodat ook de verhaal duister is en ten slotte gaat het ook nog over duistere zaken, over het kwaad. De titel, het witte volk, verwijst naar een andere werkelijkheid, de werkelijkheid van duistere machten: de geesten, de boze machten.

Op de eerste pagina's zien we ze als witte schimmen het verhaal binnenkomen en op pagina drie is de dood er al: een monumentje voor een omgekomen jongetje. Zijn foto is in vieren gevouwen geweest en heeft misschien wel iemands jaszak gezeten. Er liggen bloemen onder de foto en de kaars die erbij staat is uit.Het zal het jongetje zijn dat we de pagina's erna ontmoeten: hij heet Tommy en speelt met zijn vriendje in de natuur. Ze raken uit elkaar en het vriendje gaat naar hem op zoek. Hij nadert het jongetje van achteren en wij zien dat het jongetje maar een half gezicht heeft: het voorste gedeelte lijkt recht afgesneden. Bij nadere beschouwing blijkt dat voorste deel in een andere, duistere werkelijkheid te kijken, waar water in watervallen naar beneden valt. De duisterheid is al voorbereid op een eerdere pagina, door kreten in een taal die we niet kunnen duiden.



Als het vriendje Tommy nadert, kijkt die om. Het plaatje is zo afgesneden, dat wij maar een klein deel van Tommy's hoofd kunnen zien. Het vriendje is ontzet en deinst terug. Wat ziet hij aan Tommy? Ziet hij in diens ogen in welke wereld Tommy een blik heeft kunnen werpen?

Even later worden de bladzijden die we net gelezen hebben, herhaald, maar nu in kleur, alsof er een loop in het verhaal zit. Hoe we dat moeten interpreteren, is niet helemaal duidelijk. Is het een herinnering en krijgen we hier dus het perspectief vanuit de volwassenheid waarin je altijd een gekleurd beeld hebt van de jeugd?

Later treffen we het jongetje opnieuw aan, maar nu lijkt de duistere wereld de overhand te hebben. Het jongetje is naakt en draagt alleen een pruik van lange, blonde haren. Hij trekt de pruik af en laat hem drijven op het water, waar de pruik wordt tot het haar van een meisje, dat oprijst uit het water. Door haar blik wordt hij in de andere werkelijkheid gezogen.

Doorbladerend naar het einde, treffen we twee oudere mannen aan, bij de restanten van een gebouw. Dat zal het gebouw zijn dat we al eerder zijn tegengekomen, in de vorm van een tekening en van een foto, die ook afgedrukt is aan de binnenkant van het kaft, zowel voor in als achter in het boek.

Het zal het gebouw zijn waar de mannen in hun jeugd gewoond hebben. Ik stel me er een soort internaat bij voor. Nu ze teruggaan om die plek op te zoeken, vinden ze er slechts restanten van terug. Er is ook sprake van een vrouw, maar die krijgen we niet te zien. De mannen praten over haar: ze heeft zich helemaal in zichzelf teruggetrokken. Is zij intussen verward in haar verduisterde of misschien zelfs wel verwarde geest?

Het gebied waarop de ruïne van het gebouw staat, is met lint afgezet. Misschien is er instortingsgevaar. Een van de plaatjes lijkt te duiden op een brand die het gebouw verwoest heeft. Of is dit een plaats van misdaad, afgezet door de politie?

Bij herlezing krijg je het idee dat er wel eens gruwelijke dingen in het gebouw gebeurd zouden kunnen zijn. Op een bladzijde staan zwarte plaatjes met daarin alleen maar tekst. Twee mensen (ik vermoed dat het mannen zijn) praten over een 'haar'. Misschien wel de vrouw waarover de mannen aan het eind van het boek praten. De een vraagt aan de ander of hij 'haar' verdoofd heeft (Did you drug her?). De vorige was namelijk zo verdoofd dat zij niet kon schreeuwen en het beter als ze het wel doen. 'Remove the tape' staat op het laatste plaatje. Het lijkt erop dat we toch een stukje van die 'tape' hebben kunnen 'horen', met daarop de stemmen van de mannen die duidelijk geen goede bedoelingen hebben.

Ik moest onwillekeurig denken aan Het hout van Jeroen Brouwers  Dat komt natuurlijk doordat dat boek afgelopen week in de publiciteit was. De boeken gaan wellicht niet over hetzelfde, maar in beide lijken kinderen slachtoffer te zijn van volwassenen.

Het bos is een duistere plaats. De mannen zeggen het tegen elkaar: daar zijn de duistere krachten die de kinderen lokken. De volwassenen zijn rationeler, zeggen ze tegen zichzelf, maar dat voorkomt niet dat er wisselkinderen in bedden terechtkomen.

The white people is een boek over het kwaad. Is er een andere, kwade werkelijkheid, die soms in de onze dringt, of waarin wij soms een blik kunnen werpen? Of was het kwaad eigenlijk altijd al in ons en dringt het soms naar buiten?

Pas op het allerlaatste plaatje lijkt er licht tussen de bomen door te piepen. Half achter een boom staat het jongetje, die de schedel van een ram over zijn hoofd heeft gezet. Is hij weg uit onze wereld? Daar lijkt de herdenkingsplek op bladzijde drie op te duiden. Kijk hij vanuit een andere werkelijkheid naar de onze?

The white people is een boek dat je met veel vragen laat zitten. Je kunt je afvragen of het boek niet zo veel vragen oproept dat het ontoegankelijk wordt. Dat denk ik niet. Het boek kan niet helder zijn, omdat het niet om heldere zaken gaat. Het kan alleen maar dingen aanduiden, omdat het zaken zijn die we aanvoelen of vermoeden of waarvan we een glimp zien, maar die we niet met onze ratio onder controle kunnen krijgen. De verwarring die dat teweegbrengt, vinden we ook terug in de leeservaring. Juist een boek over een dergelijk onderwerp moet voorbij de gemakkelijke antwoorden naar de achterliggende vragen.

Ineke heeft het de lezer niet gemakkelijk gemaakt. Je kunt ook zeggen dat hij de lezer serieus neemt en hem op zijn eigen niveau aanspreekt. The white people is een intrigerend boek; ook als je het vijf keer gelezen hebt, laat het je nieuwe dingen ontdekken, verdere vragen stellen, blijft het doorzoemen in je hoofd. Een verontrustend, maar daardoor ook zeer geslaagd boek.

Hier kun je een deel van het boek inzien.

Titel: The white people
Tekst en tekeningen: Ibrahim R. Ineke
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2015, 48 blz. hardcover, € 19,95

dinsdag 10 november 2015

Babyboomers (Jack Botermans / Wim van Grinsven)


Vergissen is menselijk. Ik zag ergens een stapeltje liggen van het boek Babyboomers. Herkenbare beelden uit het leven van een bijzondere generatie. Auteurs: Jack Botermans & Wim van Grinsven. Het is een boek met veel plaatjes, die bedoeld zijn om het jeugdsentiment wakker te maken. Ik meende iets goeds gelezen te hebben over het boek en was de auteur (maar dit zijn er twee) niet door Theodoor Holman geïnterviewd in OBA Live?

De klok, de klepel. Het boek waar ik iets over gelezen had, iets over gehoord had, waarvan ik een goed gerucht vernomen had, is Ronald Havenaar. Hij schreef Babyboomboek, dat goed ontvangen is. Misschien moet ik het ooit gaan lezen. Ik ben net te jong om mij tot de babyboomers te rekenen (de oorlog was al veertien jaar voorbij toen ik werd geboren), maar de jaren zestig, die ik als kind heb meegemaakt, hebben altijd mijn belangstelling gehad. Daarom heb ik ook zo genoten van een boek als No satisfaction van Chris van Esterik, waarin de wat dorpsere kant van die tijd belicht werd.

Het boek van Botermans en Van Grinsven viel me wat tegen. Goed, de plaatjes zijn leuk en er is best wat te kijken, maar een boek moet ook wel wat te melden hebben en dat heeft Babyboomers eigenlijk niet. De wel heel korte stukjes tekst lijken uit de losse pols geschreven en komen niet verder dan wat iedereen van een zekere leeftijd zich herinnert.


In een boek over dezelfde tijd, Gouden jaren, beperkt Annegreet van Bergen zich niet tot herinneringen, maar zoekt ze ook de getallen op, om exacte informatie te kunnen geven. Daardoor is het niet alleen een boek geworden dat op het gevoel inspeelt, maar ook een informatief boek. Babyboomers komt daar niet bij in de buurt. Van Bergen had wel wat meer ruimte dan de twee auteurs van het kijkboekje.

De auteurs schrijven vanuit de generatie, vaak in de wij-vorm. Uit het dagelijks leven van na de Tweede Wereldoorlog wordt in elk hoofdstukje (van twee bladzijden) iets aangestipt, waarbij de nadruk ligt op de jaren zestig en zeventig. Van daarna is nauwelijks iets opgenomen.

Intussen zijn er veel boeken verschenen over dit tijdperk. Vaak hebben die boeken een vierkant formaat en zijn ze rijk geïllustreerd. Blijkbaar is er een markt voor. Sommige boeken zijn thematisch, andere doen van alles een beetje. Dat zijn geen vervelende boeken, maar het is alleen maar meer van hetzelfde. Babyboomers is ook zo'n boek. Het onderscheidt zich niet. Leuk om door te bladeren en om hier en daar een onderschriftje te lezen en dat is het dan.

woensdag 4 november 2015

Het gouden kompas 1 (Clément Oubrerie / Stéphane Melchior)



Philip Pullman publiceerde in 1995 het eerste deel van wat later, in Nederland in ieder geval, de Noorderlicht-trilogie zou gaan heten. De naam een beetje verwarrend, omdat de titel van het eerste deel eigenlijk Het Noorderlicht is. Na verschijning van de film Het gouden kompas (in 2007) worden titel van het eerste boek en van de trilogie nogal eens door elkaar gebruikt.

De boeken heb ik niet gelezen, de film (The golden compass) heb ik wel gezien, onlangs. En nu is er ook nog een stripversie uitgekomen bij uitgeverij Sherpa. De tekeningen zijn van Clément Oubrerie, het scenario is van Stéphane Melchior. Naar mijn smaak kan deze strip de vergelijking met de film gemakkelijk doorstaan. 

In een film ligt de nadruk logischerwijze op de handelingen; er moet wat gebeuren. Dat betekent jammer genoeg ook dat veel dingen niet uitgediept worden. De strip graaft dieper. Ten eerste zijn er verschillende scènes die in de film afvielen, wel opgenomen in het album. Ook de achtergrond van de hoofdpersoon, het meisje Lyra, wordt duidelijker uitgelegd, waardoor de lezer meer snapt van de verhoudingen dan de filmkijker. 

Voor wie het verhaal niet kent: het speelt zich af in een wereld die behoorlijk op de onze lijkt, maar wel wat bijzondere, magische elementen bevat. Zo heeft iedereen zijn daemon, die je zou kunnen zien als een materialisering van de ziel. De daemon is een dier, dat kan praten. Het blijft altijd in de buurt. Bij kinderen kan de daemon nog veranderen, als ze ouder zijn, gebeurt dat niet meer. 

Bij dit soort boeken gaat het vaak om een strijd tussen goed en kwaad. Zo ook in dit boek. Lyra staat aan de goede kant, net als haar oom Asriel. Aan de andere kant staan de mensen van het Magisterium en de mooie mevrouw Coulter.

Lyra leeft in Oxford. Er verdwijnen kinderen uit haar omgeving, die meegenomen zouden zijn door 'lokkers'. Hoe het precies zit, zou duidelijk moeten worden in het noorden, het land waar de geharnaste ijsberen leven. Asriel is daar al naar toe en ook Lyra trekt daarheen, met haar alethiometer, die altijd de waarheid vertelt. 

Het verhaal is vrij ingewikkeld en het is hier niet de plaats om alle details uit de doeken te doen. In de strip wordt het verhaal overigens helder verteld. Het perspectief ligt consequent bij Lyra, zodat we als lezer steeds net zoveel weten als zij. 

Als karakter is Lyra goed getekend. Het is een begaafd kind, maar ze is niet zo uitzonderlijk dat we ons niet met haar kunnen identificeren. Ze kent angst en verwarring, maar ze is ook een doorzetter, die niet bang is.

De tekeningen van Oubrerie zijn zoals we van hem gewend zijn. Soms hebben de gezichten van de personen iets plats. Oubrerie houdt die gezichten graag simpel, waarbij hij de ogen geregeld met veel oogwit tekent. Daarmee kan hij aardig wat emoties uitdrukken. 

De tekenstijl is bepaald niet strak. Oubrerie houdt niet van de liniaal, ook de omtrek van de plaatjes is zo uit de hand getekend. De tekeningen trekken tijdens het lezen niet bijzonder de aandacht; het verhaal staat centraal. 

Orthodoxe christenen hebben zich voor het verschijnen van de film uitgesproken tegen The golden compass. In de trilogie strijdt Lord Asriel onder meer met een oude engel, de Regent. Die zou je kunnen zien als een verbeelding van God. In de film is daar weinig van overgebleven. Je zou hoogstens kunnen zeggen dat er kritiek is op de kerk of op autoriteiten. 

Hoe de stripmakers dat aanpakken, is in dit deel nog niet duidelijk. Lyra is op weg naar het noorden en de grote strijd moet nog komen. We zullen zien hoe dat uitpakt.

De eerste prijs voor dit album is overigens al binnen. In Angoulême sleepten Oubrerie en Melchior de prijs in de wacht voor de beste jeugsdstrip.






Titel: Het gouden kompas 1
Tekeningen: Clément Oubrerie
Tekst: Stéphane Melchior
Uitgever: Sherpa
Haarlem 2015, 80 blz. hardcover, € 19,95

zondag 25 oktober 2015

Gloriejaren (Herman Stevens)


Sommige schrijvers labeuren gestaag aan een oeuvre, zonder dat het grote publiek het ziet. Soms krijgen ze positieve recensies, maar de boeken willen maar niet massaal verkocht worden. Ik herinner me dat ik indertijd elk nieuw boek kocht dat van Alfred Kossmann (1922 - 1998) verscheen en vaak vond ik zo'n boek mooi, of zelfs prachtig, maar nooit werd het een bestseller.

Zo zijn er ook nu auteurs, van wie ik weet dat ze bestaan, maar wier werk mij steeds maar niet bereikt. Toen ik bijvoorbeeld voor het eerst een boek van Graa Boomsma las, had hij al meer dan tien boeken geschreven. Over het boek dat ik daarna van hem las, schreef ik hier.

Herman Stevens is ook zo'n auteur. Ik kende tot voor kort alleen de titel van zijn debuutroman, Mindere goden (1990). Nooit wat van hem gelezen, nooit wat in de winkels zien liggen, nooit de moeite genomen. Gelukkig heb ik eigenzinnige leerlingen, die nog wel eens een boek pakken dat de leraar niet kent. Zo werd ik gedwongen om Gloriejaren (2012) te lezen. Tot mijn plezier, overigens.

Het begint van Gloriejaren lijkt een boek aan te kondigen zoals er al veel zijn: een groepje middelbare scholieren uit Kralingen, dat examen gaat doen en daarna elkaar minder zal zien. Misschien dat ze jaren later elkaar tegen zullen komen en wellicht dat er dan duisterheden uit het verleden opgelost zullen worden. Van dit soort boeken is er een hele reeks te noemen. Van Grip (Stephan Enter) tot Ventoux (Bert Wagendorp) en van De dijk waarlangs wij lagen (Fleur Bourgonje) tot De provincie (Jan Brokken). Maar zo'n boek is Gloriejaren niet.

Er zit namelijk niet een 'gat' tussen de laatste maanden op de middelbare school en het leven erna; we blijven de personages volgen. Ook is de vriendengroep niet zo hecht. Een van de personages, Loos, hoort er zelfs niet bij. Hij is een wat moeilijk te vatten figuur, die in het begin steeds opduikt in het leven van Wiel, maar met de anderen heeft hij eigenlijk niets te maken.

Wel is hij de hoofdpersoon in het middelste deel van het boek. In de andere vier delen staan Wiel en Zina centraal. Zina doet haar best om Wiel door het examen te slepen. Ze helpt hem bij zijn huiswerk. Ze gaan ook wel samen op bed liggen, maar zijn meer broer en zus voor elkaar dan geliefden. Haar broer Cas is een moeilijke jongen, maar bijzonder intelligent. Hij zal later triomfen vieren in de wiskunde en vader van vier kinderen worden.

Bij het groepje horen ook nog Erik en Ruurd, maar zij krijgen van de schrijver en dus van de lezer minder aandacht.

Wie het boek gelezen heeft, moet zich wel afvragen wat de gloriejaren zijn. In het boek geeft Erik daar antwoord op, in de speech die hij houdt op de examenfeestjes. Ik geef een lang citaat:
Tegen middernacht klom Erik op een tafel om een speech te houden, net als de vorige avond, en de avond daarvoor. Het was elke keer dezelfde speech, hij werd alleen steeds langer, en als Erik iets vergat, was er wel iemand die hem hielp. In de krant had een artikel gestaan over de generatie die nu van school kwam. Een generatie zonder toekomst. De economie was ingezakt, het ging nog jaren duren voor er weer banen waren en de wereld werd nooit meer hetzelfde. Een uitkering was eigenlijk het beste waar een achttienjarige op kon hopen. Of een studiebeurs. Het hoogtepunt van de speech was iedere keer hetzelfde. Erik vouwde het krantenknipsel open, met een foto van een verregende fietsenstalling die het lot van hun generatie moest verbeelden. Wilden zij een toekomst? Iedereen riep hard van nee. Alleen sukkels waren met hun toekomst bezig. Wat Erik wilde was een verleden. Dat waren de gloriejaren. 
Het krantenknipsel heeft overigens ongelijk. Na de malaise van de jaren tachtig, volgen de jaren negentig, waarin de lijn weer opwaarts gaat. Loos wordt bijvoorbeeld een succesvol makelaar, Wiel, die zich een tijd terugtrekt om een dik boek te schrijven, waar hij vervolgens niets mee doet, komt in de informatica terecht en verdient daar veel en Cas wordt een succesvol wiskundige. Maar houdt dat succes de glorie in?

Wiel ziet vooral de leegte:
De volgende ochtend werd hij leeg wakker. Hij had onder water kunnen liggen en het had niets uitgemaakt. Niemand zat op hem te wachten. zijn leven was leeg. Zijn werk was leeg. Het was een trucje. Hij moest zo langzamerhand voor klanten bedanken omdat er te veel waren. Iedereen moest op het internet. Anders bestond je niet. Alleen daaraan zag je al dat het niets voorstelde. Het was allemaal namaak. Hij was namaak. Zelfs zakkenrollers maakten hun handen niet aan hem vuil. Nog even en er zaten drie nullen in het jaar en ging het hele internet onderuit, hackers namen het universum over en als het ooit nog goed kwam, was het tijd voor een nieuwe generatie. Wiels dagen waren geteld. 
Wiel ziet vooral het onbevredigende van het materialisme. Na de val van de Berlijnse muur ziet hij beelden van Berlijners die met duizenden tegelijk naar de andere kant rijden om videospelers te kopen. Het zal ze geen geluk brengen.

Geluk is trouwens ver weg voor veel personages. De huwelijken van de ouders zijn niet goed. Cas en Zina stichten allebei een gezin, maar dat zal niet de vervulling zijn van de verwachtingen die ze hadden (of die anderen van hen hadden). Wiel ziet het van een afstandje aan en neemt er geen deel aan. Voor mijn gevoel is hij de persoon in wie de verteller het meest van zijn eigen ideeën heeft gestopt.

Er zijn weinig elementen die het verhaal vooruitstuwen en dat is niet erg. Stevens heeft een aangename stijl. Op het achterplat lees ik dat Gloriejaren Stevens' toegankelijkste roman is. Dat maakt me wel nieuwsgierig naar zijn andere boeken. Van tijd tot tijd heeft de schrijver namelijk zinnetjes die intuïtief geschreven lijken; je kunt de associatie navoelen, zonder dat je het allemaal precies kunt beredeneren. In het citaat hierboven is dat het geval bij 'Hij had onder water kunnen liggen en het had niets uitgemaakt.'

Het lijkt of Stevens zich inhoudt in een deel van het boek. Maar af en toe piept er een zinnetje doorheen als 'Er hing een spons van een maan boven de bomen' of 'het huis kleefde op zo'n manier aan hem dat ze hem niet goed kon zien'. Fraai vond ik ook deze passage:
Het liefst had ze hem zachtjes wakker gemaakt, want in de tijd dat anderen keken naar het weerbericht konden zij doen wat niemand anders kon. Hun liefde bedrijven, met zo'n sluipend vuur dat ze op het laatst niet meer wist of ze nog compleet was of niet, want hij was zo diep in haar doorgedrongen dat er vast ergens iets was losgegaan. Je kon rustig naar vuurwerk kijken, maar waar bleef je als je zelf het vuurwerk was?
De verhaalelementen die de loop van de vertelling gaande houden, zijn er natuurlijk wel. Zo ontmoet Zina in Japan een Amerikaan aan wie ze nog lang blijft denken. Ze besluit hem in Amerika op te zoeken. De grootste versnelling zit in de plotselinge verdwijning van Femke, het jongere zusje van Cas en Zina. Wiel helpt mee zoeken en ook Loos lijkt iets te weten.

Ik vroeg me wel af wat Femke in het verhaal deed. Uiteindelijk blijkt na haar verdwijning dat sommige zaken anders in elkaar zitten dan we daarvoor dachten. Maar misschien is Femke ook wel degene die zich onttrekt aan het maatschappelijke leven waarin de anderen uiteindelijk terechtkomen. Nog jaren na haar verdwijning zal ze een centrale rol spelen in het hoofd van de anderen.

Gloriejaren is bepaald geen vrolijk boek, maar ik heb het wel met plezier gelezen. Misschien moet ik toch maar eens op zoek naar die andere boeken van Stevens.


Het bovenstaande filmpje is een deel van een langer gesprek. Dat vind je hier.

zaterdag 24 oktober 2015

De aanslag (Milan Hulsing)


Verreweg het bekendste boek van Mulisch is De aanslag. Natuurlijk helpt het dat het verfilmd is, maar belangrijker is dat het veel gelezen werd door middelbare scholieren. Het zal niet meer aan de top staan van het lijstje met meest gelezen boeken (dat zal Het diner of Mama Tandoori wel zijn), maar er zijn nog genoeg middelbare scholieren die het met plezier lezen. Ik veronderstel dan ook dat de inhoud van De aanslag bekend is. Voor wie niet weet waarover het boek gaat: samenvattingen zijn gemakkelijk te vinden.

Mulisch brak door bij het grote publiek met Twee vrouwen (1975), heb ik verschillende keren gelezen, maar het duurde toch nog tot 1982 voor hij een echte klapper maakte, met De aanslag. Intussen zijn er meer dan 750.000 exemplaren van verkocht. lees ik  hier.

Natuurlijk kwam er een film, en een toneelstuk, dat verrassend dicht bij het boek bleef. Zelfs de passage in de proloog over de man die een boot vooruitduwt door achteruit te lopen kwam erin voor.

En nu is er ook een stripversie, door niemand minder dan Milan Hulsing. Die verstripte al eerder literatuur; van een novelle van een Egyptisch auteur maakte hij het prachtige Stad van klei, waarin fictie en werkelijkheid steeds meer door elkaar gaan lopen.

Mulisch deelde zijn boek in in een proloog, gevolgd door vijf episoden. Elke episode is gekoppeld aan een jaartal: 1945, 1952, 1956, 1966, 1981. Hulsing hanteert een soortgelijke indeling, maar hij wijkt wel af. De episode die zich afspeelt in 1945 ontbreekt als apart hoofdstuk. Voor een deel komt wat Mulisch daarin vertelt terug in de proloog, voor de rest in flashbacks. De vierde episode is opgesplitst in twee episoden; Hulsing voegde een hoofdstukje '1976' in.

Mulisch schetste in de proloog de straat waarin de aanslag zich afspeelt. Verder vertelt hij daarin over de man die ik hierboven al noemde: hij boomt een bootje vooruit, door steeds naar de achterkant van de boot te lopen. Die man staat natuurlijk symbool voor de hoofdpersoon Anton, die steeds gericht is op het verleden.

Hulsing doet het anders: hij begint in het donker: het jongetje Anton zit met de verzetsstrijdster Truus in één cel. Dat is wel een mooie vondst: het startpunt is de duisternis en Anton is de rest van het boek op zoek naar alles wat met terugwerkende kracht licht kan brengen in zijn leven.

Truus raakt het gezicht van Anton aan, om te voelen hoe hij eruitziet. In zes plaatjes verandert het donkerblauw in felrood. Misschien is dat rood letterlijk, omdat Truus gewond is, maar het is ongetwijfeld ook symbolisch: de kleur van bloed, dat er gevloeid is bij het doden van Fake Ploeg, maar ook bij dat van Antons ouders en broer (al weet hij dat dan nog niet)bedekt alles. (Zie illustratie onderaan).

Het rood gaat over in de scène van de man in de boot. Op de plaatjes wordt alleen rood en zwart gebruikt. Op de laatste bladzijde van de proloog zien we de vier huizen, waarvan er eentje platgebrand is.

Op het voorplat van het boek staan de huizen nog alle vier overeind. Anton staat in de straat, hoog boven de huizen uit torenend. De fiets van de neergeschoten NSB'er ligt aan de kant van de weg. Door de verhoudingen en door de volwassen Anton (die bij de aanslag een jongetje was) moeten we wel concluderen dat het een scène is die zich afspeelt in het hoofd van Anton.

Hulsing schrapte dus de eerste episode en dat blijkt goed te werken. Bij stukjes en beetjes krijgen we verderop in het boek te horen hoe de aanslag heeft plaatsgevonden. Omdat je als lezer minder weet dan als lezer van de roman, verhoogt dat de spanning.

In verschillende passages valt op hoe inventief (en effectief) Hulsing het verhaal weergeeft. Als Anton teruggaat naar Haarlem en bij het monument komt, wikkelt een tak van een struik zich om zijn keel. Dat gebeurt weer als hij in de trein terug zit. Hij wordt overwoekerd, waardoor hij zo ongeveer zelf de struik wordt. Dat geeft de beklemming goed weer. De wurgstruik komt weer terug als hij in de laatste episode zijn vroegere buurmeisje ontmoet.


De tekeningen zijn gedaan in dunne lijntjes, die door hun geringe dikte niet zekerder zijn dan Anton is. De inkleuring is vaak in een gamma waarbij één kleur sterk overheerst, bijvoorbeeld oranje, met wat geeltinten. Soms blijft de inkleuring binnen de lijntjes waarin een personage getekend is, vaak loopt de kleur door in de achtergrond. Soms deed de inkleuring me wel denken aan die van Hanco Kolk, in bijvoorbeeld Meccano, maar die gebruikt vaker rechte lijnen in zijn kleurvakken.

De laatste tekst in het boek van Hulsing is: 'De kreten sterven weg, de golven trekken glad'. Anton loopt op dat moment mee in de grote demonstratie van 21 november 1981. Hij heeft net te horen gekregen hoe het allemaal zit en waarom de buren het lijk juist voor het huis van Anton en zijn ouders hebben gelegd en niet voor dat van de andere buren.

Hulsing tekent Anton, op zijn rug liggend, gedragen door de handen van de demonstranten. Daarna is er geen tekst meer. De demonstratie is afgelopen. Anton is alleen overgebleven, met zijn zoon Peter. Op het laatste plaatje lopen ze samen op, met verder eigenlijk niets om hen heen. Dat zou je leegte kunnen noemen, maar misschien is het juist ruimte.

Natuurlijk kende ik het verhaal van De aanslag. Ik heb niet alleen het boek gelezen, maar ook de film en het toneelstuk gezien. Ik wist dus wat er ging komen en toch heb ik zeer geboeid de beeldroman van Hulsing gelezen. Mooi, mooi, mooi.


Titel: De aanslag
Tekst: Harry Mulisch/Milan Hulsing
Tekeningen: Milan Hulsing
Uitgever: Oog & Blik / De Bezige Bij
Amsterdam 2015, gebonden, 160 blz. € 24,50