vrijdag 23 oktober 2015

Jheronimus (Marcel Ruijters)


Volgend jaar is het vijfhonderd jaar geleden dat Jeroen Bosch overleed. Hij werd geboren als Jheronimus van Aken en pas later nam hij de naam Bosch aan, naar de stad waarin hij woonde. Den Bosch wil dan ook graag weten dat Jheronimus daar thuishoort. Er zal uitgebreid aandacht besteed worden aan het jubileum, zoals te lezen is op de website, 'Welkom thuis, Jheronimus!' staat er op de openingspagina.

Bij het jubileum hoort ook een biografie, getekend en geschreven door Marcel Ruijters. Dat Ruijters  hiervoor gevraagd is, is niet zo verwonderlijk. Ook in bijvoorbeeld Alle heiligen (2012) en 1348 (2011) liet hij zien hoezeer hij geïnspireerd wordt door de Middeleeuwen.

Jheronimus is een mooi boek geworden, getekend in de stijl die we gewend zijn van Ruijters: veel langgerekte personen met prominente neuzen. Ruijters schuwt de smoezelige en onsmakelijke kanten van het middeleeuwse leven niet. Tegelijk laat hij zien hoe gewoon die zijn. Je kunt voor de oostelijke poort van Den Bosch leprozen tegenkomen, op een galgenplek vreten kraaien de halfverteerde lijken van opgehangenen aan. Dat is nu eenmaal zo.

Het schilderen zat bij Bosch in de familie: zijn grootvader deed het al. Jheronimus vormt met zijn broers Goessen en Jan een familiebedrijfje. Als Jheronimus het in zijn eentje voor het zeggen heeft, zal hij ook leerlingen in dienst nemen.

In de tijd van Jheronimus wordt de St. Jan gebouwd en Bosch heeft contact met de bouwmeester. In een flashback krijgen we te zien hoe ooit een brand de stad verwoestte. Jheronimus was nog maar een jongetje, maar hij kan het zich nog levendig herinneren. Terwijl zijn oudere broers proberen het huisraad en de inhoud van het atelier te redden, bekijkt hij hoe de stad in vlammen opgaat. Later zal hij erover zeggen dat hij het idee had dat hij door een engel gedragen werd.

Dat is een mooie aanwijzing voor het feit dat Jheronimus niet iemand was die zich tegen het geloof afzette. Wel had hij weinig op met sommige kerklieden. De Dominicanen worden dan ook consequent 'de honden van de Heer' (Domini canes) genoemd.

Ruijters bedient zich wel van een enigszins karikaturale stijl, maar in wezen is hij een realist. Doordat het dagelijkse (straat)leven zo realistisch getekend is, kunnen we ook zien hoezeer Jheronimus zich heeft laten inspireren door wat er om hem heen gebeurde. Op een gegeven moment is Bosch bezig om taferelen uit de hel te schilderen. Iemand merkt op dat het lijkt dat of hij een kijkje in de hel heeft genomen. Jheronimus antwoordt dan: 'Ik schilder hier wat ik zie alsof de Aarde de Hel zou zijn van een betere wereld.'

Ruijters heeft zich goed gedocumenteerd. Niet alleen verwijst hij naar de schilderijen van Jheronimus die we allemaal kennen (zoals De tuin der lusten en De verzoeking van st. Anthonius), maar ook naar schilderijen die verloren zijn gegaan. Achter in het boek worden de verwijzingen expliciet gemaakt, zoals er ook historische details worden toegelicht. Dat is allemaal goed verzorgd.

Waar Ruijters de teugels voor zijn fantasie kan laten vieren, is hij op zijn best. Zo wordt Jheronimus toegesproken door de geesten van zijn overleden vader en broer en aan het eind heeft zijn vrouw een nachtmerrie, waarin ze lijkt te lopen door de schilderijen van haar man. Ze komt er wezens tegen die afschrikwekkend moeten zijn, maar die geen effect op haar hebben, omdat ze op zoek is naar haar man. Het is een mooie verbeelding van het overlijden van de schilder.

Hoe het sterven van Jheronimus is geweest of waaraan hij gestorven is, weten we niet. Als hij een goed huwelijk heeft gehad, zal het ongetwijfeld een nachtmerrie voor zijn vrouw geweest zijn. De oplossing die Ruijters gevonden heeft, is dan ook indrukwekkend. Voor mij sprak uit de scènes de verwarring, maar evenzeer de liefde van Aleid voor haar man.

Ruijters is al veel geroemd om zijn tekeningen en dat is terecht. Met Jheronimus bewijst hij alweer dat hij ook een uitstekend scenarist is. Afgelopen jaar kreeg Ruijters de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Met dit boek bewijst hij maar weer eens hoe terecht dat is.



Titel: Jheronimus
Tekst en tekeningen: Marcel Ruijters
Uitgeverij: Lecturis
gebonden, 160 blz. €19,90

donderdag 22 oktober 2015

'Ik ben woedend'


In de nacht van 28 op 29 mei 1993 werd in Solingen, Duitsland, een aanslag gepleegd op een huis waarin een Turkse familie woonde. Vier Duitse jongeren stichtten brand, waarschijnlijk mede omdat drie van hen door Turkse bezoekers uit een verenigingsgebouw gezet waren wegens dronkenschap. De familie werd verrast in haar slaap. Vijf mensen kwamen om.

Vanuit Nederland werd er massaal actie gevoerd. Maar liefst 1,2 miljoen kaartjes werden naar bondskanselier Kohl gestuurd, met daarop de tekst ‘Ik ben woedend!’ En verder stond erop: ‘Vijf onschuldige vrouwen en meisjes zijn levend verbrand, alleen maar omdat ze buitenlander zijn. Via deze briefkaart wil ik laten weten dat ik verbijsterd ben.’

Op die kaartenactie is wel kritiek te leveren. Helmut Kohl kreeg de kaartjes, maar het was natuurlijk niet de schuld van de Duitse regering dat vier jongeren, die extreem rechts werden genoemd, deze aanslag pleegden. Bovendien waren er ook in Duitsland volop protesten.

In de actie is wel wat zelfgenoegzaamheid te proeven. Duitsland werd gezien als een barbaars land, waarin dit soort aanslagen mogelijk zijn. In Nederland gingen wij gelukkig heel anders om met mensen die niet oorspronkelijk uit ons land komen.

Aan dat opschrift ‘Ik ben woedend’ heb ik de laatste tijd nogal eens moeten denken. Er zijn in Nederland veel mensen boos zijn en misschien wel woedend.

Woede is een nuttige emotie. Wanneer je over iemands grens gaat, wordt hij boos. Woede helpt dus om die grens te markeren. Blijkbaar hebben tegenwoordig veel mensen het idee dat anderen over hun grenzen gaan. Ze plaatsen teksten op internet, ze werpen zich voor de auto van een staatssecretaris en ze bestormen, met bivakmutsen over hun hoofd, een noodopvangcentrum met vluchtelingen.

Op de kaartjes in 1993 werd gesproken over de verbijstering om wat met anderen gebeurt. Die mis ik in de acties van tegenwoordig. Ik heb het idee dat de woede van nu meer voortkomt uit het bewaken van het eigen domein.

Je zou kunnen zeggen dat mensen handelen uit eigenbelang, maar ik vermoed dat het eerder bezorgdheid is en misschien moet je die wel angst noemen. Angst om wat er zal gebeuren met veiligheid, huisvesting, werkgelegenheid.

Voor een deel zijn die angsten irrationeel, wat wil zeggen dat rationele argumenten ertegen vaak niet zullen helpen. We kunnen vertellen dat het aantal vluchtelingen dat Nederland opneemt, gering is in vergelijking met bijvoorbeeld de tijd van de Eerste Wereldoorlog. Zo’n 135.000 Belgen bleven tot het eind van de oorlog in Nederland wonen. Maar dat zal niet helpen.

Een kind dat bang is voor de krokodil onder zijn bed, zal niet luisteren naar de redenering dat het onmogelijk is voor zo’n dier om in huis te komen. Er moet een vader of moeder aan te pas komen, iemand die blindelings vertrouwd wordt door het kind. Die moet gaan kijken en als die verzekert dat er geen krokodil is, zal het kind gerustgesteld kunnen gaan slapen.

Maar wie wordt er tegenwoordig nog in die rol geaccepteerd? Wie kan een hand leggen op het haar van de boze mensen om hun angst weg te strelen? Wel zien we allerlei mensen die roepen dat er overal krokodillen zijn en dat ze ook onder jouw bed kunnen liggen.

Daarom zijn veel mensen bang. En ze uiten dat door hun woede. Ze plaatsen berichten op internet, ze demonstreren, ze roepen het luidkeels uit: ‘Ik ben woedend’.

We zullen hen lang door het haar moeten strijken en vaderlijk of moederlijk toe moeten spreken, voor ze gerustgesteld zijn. We zullen ze zo lang moeten omarmen tot het bloed niet meer zo snel door hun aderen jaagt en hun hart niet zo razend meer klopt. Dan pas zullen de krokodillen, al dan niet bestaand, wegsluipen van onder hun bed. 

Foto: Edwin Nieuwstraten

dinsdag 6 oktober 2015

Jos Vandeloo (1925 - 2015) overleden


Op maandag 5 oktober overleed Jos Vandeloo. Ik las het aan het begin van de lunchpauze en dacht: 'Ach, ja.' Ik wist niet dat Vandeloo nog leefde.

In de tweede helft van de jaren zeventig woonde ik in Gouda, in een internaat. Van tijd tot tijd liep ik naar de stedelijke bibliotheek, gevestigd in een mooi oud pand. Ik zocht elke keer een stapeltje poëzie uit, maar ook wel romans en verhalenbundels. Vaak op goed geluk. In die tijd heb ik bijvoorbeeld Kinderjaren van Tolstoj gelezen, romans van Daisne, Lampo, Couperus en Elsschot, maar ook het een en ander van Jos Vandeloo.

De muur nam ik het eerst mee: een klein boekje, met een harde bibliotheekkaft. Ruim gezet, herinner ik me, zodat het lezen goed opschoot. Het titelverhaal herinner ik me als een sterk verhaal. De blinde muur waarop een raam uitkijkt stond volgens mij ook op de omslag. De hoofdpersoon, die in een magazijn werkt, denkt te kunnen ontsnappen aan de doem van de blinde muur, zeker nadat hij een tweede raam heeft ontdekt, verborgen achter een kast. Uiteindelijk zal ook hij het moeten doen met een raam zonder uitzicht.

Het proza van Vandeloo is sober, helder. Ik las het boek snel uit. In de literatuurlessen was Vandeloo nooit genoemd en ik vermoed dat de kleine Knuvelder (Schets) die wij gebruikten de schrijver ook niet noemde. In ieder geval kwam hij niet voor in de paragrafen die wij moesten leren.

Ik kon toen niet weten dat Vandeloo in Vlaanderen een populair auteur was. Hij had toen ik hem las al titels op zijn naam staan die elke Vlaming kon noemen. De muur stamde uit 1958. Verder: Het gevaar (1960), De vijand (1962), Het huis der onbekenden (1963), De muggen (1973). In een Vlaams journaal werd hij 'de meest gelezen auteur van zijn generatie' genoemd.

Het gevaar en De vijand heb ik in ieder geval gelezen. Sterker nog: ik heb ze geregeld aanbevolen aan leerlingen die de boeken over het algemeen ook met plezier lazen. Van Het huis der onbekenden weet ik wel waarover het gaat, maar gelezen heb ik het niet. Dat is zo'n boek dat ik misschien ooit nog wel eens meepik bij een antiquariaat en dan ook nog ga lezen.

Het gevaar zal voor die tijd (1960) uiterst actueel geweest zijn: de gevaren van radioactieve straling. In het begin van het boek komt een wonderlijke scène voor: een man haalt een van zijn ogen uit de oogkas en legt dat voor zich op tafel. Pas later kom je erachter dat degene die dat ziet, al zover aangetast is, dat zijn waarneming niet meer te vertrouwen is.

Opwekkend is het boek bepaald niet, net als De vijand, dat zich in de oorlog afspeelt. Wie het boek leest, zal zich altijd de vraag stellen wie nu eigenlijk de vijand is: is dat de Duitser, of is dat juist de 'bevrijder' die zich bepaald niet onberispelijk gedraagt.

Las ik De coladrinkers (1978)? Ik weet het niet zeker meer. Wel het toneelstuk De week van de kapiteins (1969), een uitgave van Manteau, herinner ik me. Maar het heeft geen herinnering bij me achtergelaten.

In de jaren tachtig begon ik de Nederlandstalige literatuur te volgen. Ik zag boeken van Vandeloo voorbijkomen: De Engelse les (1980), Sarah (1982), Les Hollandais sont là (1985). Ik meen me te herinneren dat het titelverhaal een satirische kant had, maar misschien is dat helemaal niet zo en geeft alleen de titel mij dat in.

Al die boeken las ik niet, zonder reden. Of was De week van de kapiteins mij toch tegengevallen en heb ik daarom de rest van de boeken ongelezen gelaten? Een geheugen is maar een armzalig ding. Het helpt mij in dezen niet verder.

Na 1990 was het een beetje over met de productie van Jos Vandeloo. Hij schreef nog twee romans en twee verhalenbundels en er kwamen nog wat verzamelboeken uit. Zijn werk kwam in de schaduw terecht. Uiteindelijk raakte Vandeloo, in ieder geval door mij, vergeten. Zozeer dat ik tot zijn overlijden niet wist of hij nog leefde.

Wie op Wikipedia de lijst met boeken bekijkt die Vandeloo geschreven heeft, zal onder de indruk zijn van de productie. Vandeloo heeft bepaald niet stilgezeten. Er moet een mooie bloemlezing te maken zijn uit zijn verhalen. Zou dat iets voor de dundrukreeks van Van Oorschot zijn? Wie weet.

In een interview dat Luc Decorte had met Vandeloo (1988) citeerde de schrijver met instemming Herman Teirlinck: schrijven en doodgaan zijn dingen die je alleen doet. Het eerste heeft Vandeloo jarenlang met veel inzet gedaan, zoals hij ook in het interview uitlegt. Het laatste nu ook.

Hier een filmpje van de huldiging van Jos Vandeloo ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag.

Foto: weggeplukt bij het interview dat ik hierboven genoemd heb. 

maandag 5 oktober 2015

Collecte


Een tijdje terug kreeg ik Bijeen met man en muis toegestuurd, een boek van en door Hans Werkman. Het is een verzameling stukken (reportages, interviews) over verschillende schrijvers. Het eerste stuk gaat over een Achterbergexcursie, onder leiding van Wim Hazeu.

Werkman vertelt allerlei aardige feiten, die ik nu even laat rusten. Later zal ik uitgebreider over het gehele boek schrijven. Op een gegeven moment schrijft Werkman over de kerk in Neerlangbroek. Hazeu beklimt de kansel.
Aan zijn rechterhand hangen de langgestokte collectezakjes met de letter A van Armen, links die met de K van Kerk.
Uit mijn jeugd ken ik ook de collectezakken, maar in onze kerk hadden ze geen lange stokken, maar twee handvatten. De zakken met de lange steel kende ik wel: mijn neefjes en nichtje werden gedoopt in de kerk in Andelst en daar hadden ze die zakken aan een stok. Ook herinner ik mij een tekening in Te hooi en te gras, een boek van Rien Poortvliet, waarin een boer (zijn oom?) verkozen werd tot diaken. Hij oefende met een hooivork (wij zeiden: gavel), die hij voor de koeien hield.

In mijn herinnering stond er ook geen A op de zakken, maar een D, van diaconie. Eens per maand was er een extra collecte. De zak die in de derde rondgang passeerde, had een C, van collecte, waarschijnlijk. Ik heb als kind nog een tijdje gedacht dat de letters C, D en K stonden voor Centen, Dubbeltjes en Kwartjes. Centen gaven wij trouwens niet. Dubbeltjes? Kwartjes en guldens, geloof ik, maar zeker weet ik het niet. In ieder geval waren er nog geen collectebonnen.

Over het collecteren bestaan verschillende anekdoten. Zo waren er vroeger wel predikanten die 'op de zak' preekten. Hun honorarium (dat bij een predikant wel 'traktement' zal heten) bestond uit wat er tijdens de collecte werd opgehaald. Ik herinner me het verhaal (dat ongetwijfeld apocrief is) over een predikant die al  wilde collecteren voordat hij de preek hield. Voor honderd gulden hield hij een preek van een half uur, voor vijftig gulden een van een uur en voor driehonderd gulden een preek van vijf minuten, kondigde hij aan.

Uit een mond van een predikant die bij ons aan tafel zat, hoorde ik eens het verhaal dat hij wel vertelde als hij de collecte aankondigde: tijdens de maaltijd deelt een jongetje zijn vlees in tweeën. De ene helft wil hij aan de hond geven, die naast zijn stoel zit. Meteen grijpt vader in: 'Dat gebeurt niet! Dat is goed vlees en dat eet je zelf op.' Na de maaltijd vraagt de jongen of hij dan de botjes aan de hond mag geven. De vader stemt toe. De jongen verzamelt de botjes, legt ze in het bakje van de hond en zegt: 'Sorry, jongen. Het was als offer bedoeld, maar het is een collecte geworden.'

Ooit las ik een boekje over de Doleantie in Bennekom. Daarin stond een passage over de diaconie, die klompen verstrekte aan de armen. In die klompen stond op de kap een A gesneden, van 'Armen' dus. Waarom de kerk meewerkte aan de stigmatisering van de armen, is mij niet duidelijk. Om geld uit te sparen? Ik kan mij voorstellen dat iemand liever op versleten klompen loopt dan op klompen met een A.

De diaconie deelde op meer plaatsen klompen uit. Van de hervormde gemeente in Tiel is zelfs een heus klompenboek bewaard, waarin gerigstreerd staat welke gezinnen (van 1901 tot 1943) werden bedeeld met klompen.

Soms kwam de diaconie op onverwachte manier aan haar geld. In 1708 zette ene Willem Nuys in Gorinchem de legerpredikant voor schut. Diens Gorcumse collega’s klaagden een uur lang ten huize van de burgemeester. Daarna kwamen stadsbestuur en rechtbank in spoedberaad bijeen. Men nam een kordate resolutie over deze ‘enorme en buytensporige stoutheyt’: Willem moest gedurende zes weken zijn winkel sluiten en binnen vierentwintig uur 250 gulden aan de Hervormde diaconie betalen. Die kocht daarmee zo’n 750 ton turf voor de armen.

Willem schreef het stadsbestuur onderdanig, dat het rechtvaardige besluit helaas zijn gezin met vier kinderen ruïneerde. Hij was puur onbedachtzaam geweest en niet uit op belediging der Hervormde godsdienst. Goedertierenlijk permitteerde men hem zijn winkel al na drie weken te openen. De anekdote vond ik hier.

Een anekdote waarvan ik zelf getuige was, plaatste ik hier. Ook ooit opgevangen, maar waarschijnlijk verzonnen, is het verhaal over de predikant die vertelde dat er een collecte zou zijn 'ter bestrijding van deze dienst.'

Aangezien de collecte elke zondag terugkwam (en nog terugkomt) is er natuurlijk best eens wat vreemds voorgevallen. Iedere kerkganger zal dan ook wel zijn eigen verhalen hebben. Die hoor ik dan graag een keer.

zaterdag 3 oktober 2015

Frans Pointl (1933 - 1915) overleden


Voor mijn gevoel is het nog maar eventjes geleden dat ik een interview met Frans Pointl heb gehoord. Een mooi gesprek, dat Wim Brands met hem had. Ik had het indertijd gepodcast en ik beluisterde het toen ik met de auto naar een stripfestival reed, in Breda waarschijnlijk. Toch alweer twee jaar terug, merk ik nu ik het controleer. 

De naam Pointl riep indertijd meteen herinneringen bij me wakker. Meer aan de persoon dan aan wat hij geschreven heeft. Dat komt niet door het gesprek dat Adriaan van Dis ooit met Frans Pointl had, want dat heb ik nooit gezien. In de stukken die over zijn boeken verschenen, werd ook over de auteur geschreven en hij kwam natuurlijk ook in zijn verhalen naar voren.

Het leek me een eenzelvige man, sociaal wellicht niet zo handig. Zijn werkzame leven bestond uit kortdurende baantjes, hij woonde bij hospita's. In zijn verhalen leren we hem ook als jongen kennen.

Pointl debuteerde in mijn geboortejaar, 1959, met poëzie: Afscheid van laatste lente. Geen idee wat dat voor gedichten geweest zijn. Er zal nauwelijks aandacht aan besteed zijn. De bundel Ik raak aan je (1983) krijgt wel aandacht, bijvoorbeeld van Kees Bakker in De waarheid van 21 september 1983. Uit die recensie begrijp ik dat het in deze gedichten onder meer gaat over de moeder en hoe zij getraumatiseerd is door de oorlog. 
besefte ik
je waanzinnig dubbelleven
van overdag moeder
's nachts opbrandend
in de moffen-oven
In de jaren tachtig schrijft Point verhalen in het tijdschrift De Tweede Ronde. Als in kranten een signalering van een aflevering verschijnt, wordt Pointl soms genoemd. Margreet Hirs noemt Pointl waarderend in een stukje in de Leeuwarder Courant van 28 november 1986 als ze een bundel griezelverhalen (verzameld door Robert-Henk Zuidinga) bespreekt. Pointl leverde 'Poelie de Verschrikkelijke', een verhaal over een kat waarin Hitler gereïncaneerd lijkt te zijn. Het zou het slotverhaal worden in De aanraking (1983) en een bundel kattenverhalen (2008) zou dezelfde titel gaan dragen.

In 1989 verscheen de verhalenbundel De kip die over de soep vloog. Het deed aan als een debuut, omdat het vroege werk van Pointl zo ongeveer vergeten was. In het begin liep het nog niet zo hard met de recensies. Het werd wel al snel besproken door Dick Scheepstra in het Nederlands Dagblad van 27 november 1989, die er snel mee klaar was:
Ook al geen vrolijk stemmend boek. Het meeste wat de jongen/jongeman onderneemt, mislukt. En van enige troost in het geloof is geen sprake. Literair gezien is het wel een sterk debuut. Het taalgebruik en de sfeer zijn ethisch niet vlekkeloos. 
Maar in maart 1990 was Frans Pointl te gast bij Adriaan van Dis en dat was een succes. Nico Scheepmaker schreef erover in een Trijfel (Nieuwsblad van het noorden, 31 maart 1990):
Het publiek, allang blij dat het niet langer een sekonde te laat hoefde te lachen achter het Engels van Irene Dische en het Frans van Michel Tournier aan, sloot dat merkwaardige kantoormeneertje met zijn snorretje en zijn haakneus onmiddellijk in het hart en reageerde hinnikend op elke opmerking van Frans Pointl. Ik gunde het hem van harte. Zijn leven is nooit rozengeur en maneschijn geweest en is dat nog niet, dus een beetje succes kan geen kwaad.
Alleen... iedereen dacht dat hij de ene wise-crack na de andere humoristische repliek plaatste, terwijl hij in werkelijkheid met een wat naïeve maar grote ernst gewoon antwoord trachtte te geven op Adriaans vragen. 
De volgende dag lagen de stapels met exemplaren van De kip die over de soep vloog al bij de kassa en nog even later werd Pointl getipt voor de AKO-literatuurprijs. Hij werd wel genomineerd, maar de prijs ging naar Ferron, die weinig waardering had voor het werk van Pointl, zoals Jeroen Vullings nog onlangs memoreerde. Van De kip die over de soep vloog werden meer dan honderdduizend exemplaren verkocht.

Ik kocht het boek van Pointl in 1990. De gebonden uitgave, in de ECI-reeks 'Schrijvers van nu'. De afzonderlijke verhalen zijn me niet zo bijgebleven, meer de personen en de sfeer. Mooi sober geschreven, maar verder ook weer niet zo heel bijzonder. Wel heb ik meteen ook de volgende verhalenbundel gekocht, De aanraking, die in 1990 verscheen. Tom van Deel schreef daarover:
wie graag wat meer literatuur wil lezen, komt bij Pointl niet erg aan zijn trekken.
Dat lees ik tenminste in een artikel dat Jaap Goedegebuure in 1991 in Ons Erfdeel schreef.

Na die eerste twee boeken was het zo'n beetje over met Pointl, in mijn herinnering. Maar dat klopt helemaal niet. Hij schreef nog verschillende bundels, waaronder Rijke mensen hebben moeilijke maten (1993), De hospita's (1995), Poelie de Verschrikkelijke 2008) en De laatste kamer (2013). De recensies zal ik gezien hebben, maar ik heb er geen herinnering aan. Geen van de boeken heb ik gekocht of gelezen.

Het zou me niet verbazen als Pointl uiteindelijk herinnerd zal worden als de auteur van die ene bundel, De kip die over de soep vloog. En als 'dat merkwaardige kantoormeneertje', zoals Scheepmaker hem noemde. In het literaire woud was Pointl geen reuzeneik, maar berken mogen er ook zijn.

Frans Pointl overleed op 1 oktober. Hij werd tweeëntachtig jaar.

vrijdag 2 oktober 2015

Love in vain. Robert Johnson 1911 - 1938



Ach, wat weet ik van de blues? Niks eigenlijk. Nou ja, ik heb natuurlijk B.B. King in de kast staan en ik ken de namen van Muddy Waters en Howlin' Wolf, maar als je die een keer gehoord hebt, kun je ze eenvoudig niet meer vergeten.

Maar niet alles heb ik onthouden. Zo herinner ik me dat er een Amerikaanse artiest overleden was, een jaar of tien geleden, schat ik. Wie het was, weet ik niet meer. Wel weet ik dat enkele artiesten iets over hem zeiden. Ook B.B King wilde wat zeggen, maar hij was zo ontroerd, dat hij geen woord uit kon brengen. Toen sloeg hij een akkoord aan. Eén akkoord! En het was genoeg. Stom dat ik niet meer weet bij welke gelegenheid het was.

Nog geen maand geleden hoorde ik een uur lang Guido van Rijn op de radio, een interview over de blues. Na ongeveer een kwartier noemde hij Robert Johnson, de allergrootste blueszanger volgens Van Rijn. Die naam kende ik, want ik had Love in vain in huis, een getekende biografie van Johnson. Ik had er al bewonderend doorheen gebladerd, maar ik had nog niets gelezen. Dat moest ik dus maar eens doen.

De tekeningen in Love in vain zijn schitterend. Ze zijn van de hand van Mezzo, die we kennen van De vliegenkoning. Mezzo gebruikt grote zwartvlakken, met daarin oplichtende stukjes in wit. Het geheel heeft iets weg van van houtsneden, een effect dat we ook zien bij Charles Burns. Dat is intussen al meer mensen opgevallen.

Sherpa heeft er, zoals gebruikelijk, een mooi boek van gemaakt: gebonden, oblong formaat, het juiste, niet te witte papier, dat zwaar genoeg is. De tekeningen komen daarin goed tot hun recht. Vaak staan er een stuk of vier tekeningen op een pagina, maar soms mag een tekening een hele bladzij vullen. Onder die tekeningen bevinden zich verschillende juweeltjes, waar je minutenlang naar kunt staren, zonder je te vervelen.

Niet alleen de tekeningen zijn goed, ook het scenario zit degelijk in elkaar. We weten niet heel veel over Robert Johnson: hij werd maar 27 jaar oud en nam maar enkele platen op. Hij speelde geweldig gitaar en al gauw ging het verhaal dat Johnson zijn ziel aan de duivel had verkocht. J.M. Dupont, de scenarist, laat de verteller daar een beetje schouderophalend over doen.

Ja, het verhaal wordt niet tegengesproken door Robert Johnson, maar waarschijnlijk heeft hij gewoon heel goed les gehad. En in die tijd wemelde het van verhalen over artiesten die hun ziel verkocht zouden hebben aan de duivel. Blijkbaar hing het in de lucht.


De stem van de verteller staat mij zeer aan. Hij lijkt van een afstandje toe te kijken terwijl Johnson zijn leventje leeft. Al bij het eerste plaatjes spreekt hij hem aan:
Arme Robert, het liep slecht met je af, en alle moraalridders vinden vast dat je het ernaar gemaakt had. Maar voor ze je veroordelen, moeten ze weten waarom je het kamp van de ongelovigen hebt gekozen en waarom je zo snel opbrandde Dat zal ik jullie vertellen. 
En daarmee richt hij zich direct tot de lezer. Daardoor is er meteen een connectie tussen de lezer en Robert Johnson: ze worden kort na elkaar direct aangesproken, alsof ze zich in dezelfde ruimte bevinden, wat in zekere zin ook zo is, als je ervan uitgaat dat Johnson leeft in de tekeningen van het boek dat we in handen hebben.

Je vraagt je wel af wie die verteller eigenlijk is. Robert Johnson wordt als kind 'een duivel' genoemd, waarna de verteller zegt:
Een jongen naar mijn hart. Ik verfoei engeltjes, behalve als ik ze slechte manieren kan bijbrengen.
Toen Robert Johnson negentien jaar oud was, verloor hij zijn vrouw en zijn kind. Het is dan ook niet vreemd dat hij in de blues terechtkwam. De verteller:
Sommigen zullen zeggen dat God hem in het ongeluk stortte om zijn geloof op de proef te stellen. Ik denk eerder dat God wist dat dit schaap niet voor hem bestemd was en dat hij het daarom tegen zich in het harnas heeft gejaagd om het uit de kudde te verdrijven. 

 De verteller heeft duidelijk geen hoge pet op van God. Aan het eind stelt hij zich voor:
Ik loop al heel wat jaren mee en heb menig mens van ziel en geloof beroofd. Aangenaam kennis te maken... Ik denk dat je mijn naam al geraden hebt. 
In het hoekje van het laatste plaatje zien we iemand op de rug. Zijn hoofd lijkt wel wat op de archetypische Jezusafbeelding, maar achter op zijn jack lezen we nog net 'Hell', wat het begin zal zijn van 'Hell's angel'.. Het is niemand minder dan de duivel zelf, de engel uit de hel, die Robert Johnson graag zou hebben ontmoet, maar dat is dus nooit gebeurd.

Na de dood van Robert Johnson (waarschijnlijk vergiftiging) zegt hij:
Ik heb altijd gedacht dat God spijt had dat hij Robert al had teruggeroepen voordat zijn genie werd herkend. Denk je dat het toeval is dat degene die hij opdracht gaf zijn lof te bezingen en zijn heiligverklaring te orkestreren een dergelijke bijnaam droeg?
'Clapton is God!' roept het publiek.

Robert Johnson is dood, maar zijn muziek leeft nog steeds. Niet alleen Eric Clapton zong werk van hem, maar ook The Rolling Stones. Zij zongen het titelnummer van deze beeldroman op het album Gimme Shelter. Op dezelfde kant van de LP staat 'Sympathy for the devil'. Dat zal de verteller van Love in vain goedgedaan hebben.

Als een soort toegift na een concert is achter in het boek nog een Song Book opgenomen: zeven teksten van Robert Johnson, met daarnaast een grote potloodtekening. Mooi werk. Mooi boek.



Titel: Love in vain. Robert Johnson 1911 - 1938
Tekeningen: Mezzo
Scenario: J.M. Dupont
Vertaling: Arend Jan van Oudheusden
Uitg. Sherpa, Haarlem 2005, gebonden, 72 blz. € 24,95

woensdag 30 september 2015

Frank Martinus Arion (1936 - 2015) overleden


Deze week overleed Frank Martinus Arion; ik zag het voorbijkomen in een paar berichtjes op Facebook en op dinsdagochtend las ik een aardig stuk in de Volkskrant van Arjan Peters en Daniëlle
Serdijn.

Arion was een Antilliaanse schrijver en het heeft nogal een tijd geduurd voordat ik iets van de Antillianen las. Misschien was Kinderen van de fraters (1986), van Jules de Palm, wel het eerste. Daarna heb ik boeken gelezen van Boelie van Leeuwen en Tip Marugg. Ik heb De morgen loeit weer aan (1988) zelfs twee keer gelezen en beide keren heb ik ervan genoten. Maar Arion las ik aanvankelijk niet.

Wel zag ik een keer documentaire waarin Arion voorkwam. Hij vertelde dat Ozewiezewoze geen onzinliedje was, maar dat de woorden iets betekenden. Christalla zou te maken hebben met de doop. Hier kun je er meer over lezen. De taalgeleerden vinden het over het algemeen die theorie van Arion niet zo aannemelijk.

Natuurlijk kende ik de titel Dubbelspel en ik wist dat het iets te maken had met het dominospel. Wat dat was, wist ik wel. Als kind al speelde ik het bij en met mijn oma, die het volgens mij het 'domineespel' noemde. We kenden twee spelvarianten: eentje waarbij de stenen in een rijtje onder elkaar lagen met de blinde kant naar boven en een waarin we konden zien welke stenen ons toebedeeld waren. Ik heb het spel als kind ook wel met andere mensen gespeeld. Met een oom, geloof ik, en waarschijnlijk ook wel met mijn zusje en broertje. Precies weet ik het niet meer.

Hoe dan ook, ik wist dat het boek van Arion er was en ook dat het bekendstond als een goed boek. Het stamt uit 1973 en toen ik de literatuur begon de volgen (zo rond 1980) was het, in mijn herinnering, al een klassieker. Maar ik kwam nooit iemand tegen die er enthousiast over vertelde. Lazen mensen het wel?

In 2006 kwam Dubbelspel opnieuw uit, in de campagne 'Nederland leest'. Ik heb het waarschijnlijk uitgedeeld in de klas indertijd, en ik zal er ook wel iets enthousiasts bij gezegd hebben, maar het boek las ik niet.

Dat gebeurde pas een jaar of vijf geleden. Er liggen in mijn huis altijd boeken die ik nog wil of moet lezen en bij het rommelen in die stapels kwam ik Dubbelspel tegen. Ik las het. En vond het mooi.

In Dubbelspel leren we vier mannen kennen, die op een zondagmiddag domino spelen. Er spelen ook nog twee vrouwen een rol. Ik herinner me de broeierigheid en de dreiging, die het tot een spannend boek maken, al zit er ook iets looms in. Het boek was zeker vijfendertig jaar oud toen ik het las, maar het verhaal rook niet muf; het was nog altijd niet verouderd.

Arion heeft natuurlijk meer geschreven dan alleen maar Dubbelspel. De volgende titels heb ik van Wikipedia geplukt: Afscheid van de koningin (1975), Nobele wilden (1979) en De laatste vrijheid (1995). Ik heb ze niet gelezen en misschien is dat wel jammer. Of misschien is het juist prettig, omdat ik ze altijd nog kan gaan lezen.

Uit de documentaire is me wel een beeld van Arion bijgebleven: een vrolijke man, met een brede glimlach, een gul, open gezicht. Misschien was dat maar een momentopname, misschien is dat kenmerkend voor de schrijver.

Voor zover ik weet, heeft Arion altijd wel waardering gekregen voor in ieder geval Dubbelspel. Ook ontving hij een lintje, maar dat leverde hij in 2008 weer in vanwege de 'rekolonisatie' van de Antillen. Enkele andere prominente Antillianen volgden zijn voorbeeld. Zie bijvoorbeeld hier.

In ieder geval zal Frank Martinus Arion bekend blijven als de schrijver van Dubbelspel. En heel misschien zal iemand nog aan hem denken als er 'Ozewiezewoze wieze walle christalla' gezongen wordt. Christoze wiezewozewieze wieswieswieswies.

Bron foto: eerlijkefoto.nl
Frank Martinus Arion deelt exemplaren van Dubbelspel uit in de trein (2006)

Mogelijk bent u ook geïnteresseerd in:
Joost Zwagerman overleden
Rogi Wieg overleden
Drs. P. overleden