woensdag 14 maart 2012

Stadsdichter (4)

Een halve week geleden mopperde ik dat de gemeente zweeg over het stadsdichterschap. Dat bleek niet terecht, want achter de schermen gebeurde er wel wat en intussen is er nieuws. Edese Post vertelt ons dat er op 18 april een verkiezingsavond is en dan wordt er gestreden om de titel Stadsdichter van Ede. Het publiek bepaalt welke dichters naar de finale gaan en in die finale heeft een jury het voor het zeggen.

Navraag bij de gemeente leert dat de jury zal bestaan uit Evert van Milligen, de wethouder dus, Jolinda van Alfen van Edese Post, (waarschijnlijk) Gerry Poelert van Cultura en een vierde persoon, een burger, die nog benaderd moet worden. Waarom juist deze personen deskundig worden geacht op het gebied van poëzie, weet ik niet. Laten we maar aannemen dat het enthousiaste poëzielezers zijn.

Veel is nog onduidelijk. Volgens de woordvoerder van de gemeente is er geen taakomschrijving voor de stadsdichter. Ook zijn beloning staat nog niet vast. In de gemeenteraadsvergadering werd een bedrag van vijfduizend euro genoemd, maar dat wordt het waarschijnlijk niet. Het zou honderdvijftig euro per gedicht kunnen zijn, wat bij vijf gedichten per jaar € 750,- zou zijn. Of er daarnaast nog een budget is, voor bijvoorbeeld het drukken van posters, banners, deurhangers, een bundel? De gemeente heeft er geen besluit over genomen.

Waarom is er nog zoveel onzeker? Waarom heeft de gemeente nog niet vastgelegd of het vier of vijf gedichten per jaar moeten worden? Waarom is er wel over een bedrag gesproken, maar is er nog geen besluit genomen? Mijn indruk is dat de gemeente nauwelijks nagedacht heeft over het stadsdichterschap.

Drie medewerkers van de gemeente bevestigden mijn vermoeden dat Edese Post bij de verkiezing van de stadsdichter het initiatief heeft gehad en dat de gemeente slechts 'aangehaakt' heeft. Het is mooi dat de plaatselijke krant het onderwerp zo belangrijk vindt dat die er actief mee aan de gang is gegaan, maar het lijkt me dat de gemeente de boel wel erg gemakkelijk uit handen heeft gegeven. In een gemeenteraadsvergadering heeft de wethouder verklaard dat hij aan de gang zou gaan met het stadsdichterschap. Politiek gezien lijkt me de wethouder dus verantwoordelijk.  Ik nam dan ook aan dat de stadsdichter door de gemeente benoemd zou worden, maar dat zag ik verkeerd. De stadsdichter wordt benoemd door de gemeenschap, kreeg ik te horen.

De dichters die zich aanmelden, krijgen een opdracht en moeten een gedicht (of meer gedichten?) voordragen, of in het tv-jargon van de krant: ze moeten gaan 'battlen' en het publiek beslist. Hoe dat uitpakt, zullen we zien en misschien maak ik mij voor niets ongerust, maar ik vraag mij af of dat nu de juiste weg is. Natuurlijk is het mooi als een stadsdichter zijn gedicht kan voordragen, maar als dat het belangrijkste criterium wordt, is het goed mogelijk dat verscheidene goede dichters de finale niet halen.

De stadsdichter wordt benoemd voor drie jaar, wat langer is dan gebruikelijk. In bijna alle steden is de termijn op twee jaar gesteld, al zijn er ook voorbeelden van steden waarbij dichters langer dan twee jaar aanblijven. In Amstelveen bijvoorbeeld. Deze dichter was overigens wel door de gemeenteraad benoemd.

Laat het duidelijk zijn: ik ben heel blij dat Ede eindelijk een stadsdichter krijgt. Het werd ook wel tijd. Alle begin is moeilijk en wellicht is het ook wel begrijpelijk als er bij het breien aan het stadsdichterschap hier en daar een steek valt. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de gemeente in dezen actiever had kunnen zijn en sommige zaken beter had kunnen doordenken.

Nog even over mijn vorige bijdrage: daar stelde ik dat een gesprek tussen de gemeente en een medewerker van de krant niet door kon gaan, vanwege diarree of een ander lichamelijk ongemak van de krantenmedewerker. Dat blijkt niet te kloppen. De medewerker van de gemeente was degene die diarree had. Of een ander lichamelijk ongemak.

Hieronder twee stadsdichters aan het werk: Ingmar Heytze uit Utrecht en Sylvia Hubers uit Haarlem (die overigens ook voor drie jaar is benoemd). Vorig jaar was er sprake van dat in Haarlem bezuinigd zou worden op de stadsdichter, maar daar waren verschillende politieke partijen tegen.

Binnen enkele maanden vinden we waarschijnlijk ook filmpjes van de Edese stadsdichter op YouTube en ik neem aan dat de gemeente ook een website voor de stadsdichter opent. Ik wrijf mij al in de handen.







zaterdag 10 maart 2012

Stadsdichter (3)

In november leek het erop dat Ede toch echt een stadsdichter zou krijgen: verschillende raadsfracties vonden het een goed idee, de wethouder zei dat hij ermee aan de slag zou gaan. Intussen lijkt iedereen weer ingedommeld.

Wel kreeg Wageningen een stadsdichter: Laurens van der Zee. Hij versloeg vier andere kandidaten (Arie de Groot, Wijnand Klaver, Remco Zijlstra en Kees van Vlastuin). De jury bestond uit een wethouder, iemand die schrijver/dichter genoemd wordt, een boekhandelaar en iemand van Uit in Wageningen. Of het publiek tegen een flink bedrag sms'jes kon sturen, is mij niet bekend.

In Ede gebeurt er niets. Over een procedure is nog niets bekend. Er zou over gepraat worden door twee politici (Wout Schotsman van de PvdA en Peter de Pater van Gemeentebelangen), door Victor Vroomkoning (ooit stadsdichter van Nijmegen, die ooit de Karel de Grote-penning kreeg voor zijn vele verdiensten) en ondergetekende. Ondanks verschillende mailtjes is daar niets van gekomen.

En van officiële zijde? Heeft de wethouder een voorstel? Heeft hij een commissie aan het werk gesteld? Heeft hij misschien zelfs ideeën? Mij is het niet bekend. Maar mij ontgaat wel meer van het Edese sinds ik in Doorwerth woon.

Wel is er sprake geweest van een afspraak van de Edese Post met de wethouder. Die afspraak ging niet door vanwege diarree of enig ander lichamelijk ongemak van de krantenmedewerker. Dat gesprek zou gaan over een verkiezing van een stadsdichter, waarbij wellicht ook Cultura zou participeren.

Mij lijkt het allemaal heel vreemd. Edese Post is een gerespecteerd medium, maar ik neem aan dat de gemeente toch niet de benoeming van een stadsdichter uit handen geeft aan een krant. Een beetje officieel en een beetje deskundig zou het toch wel mogen worden? Voor je het weet, staan er vijf dichters op een podium hun kunstje te vertonen. Het publiek blijkt dan het meest enthousiast over de dichter die op zijn handen kan lopen en tegelijk kan zingen ('I'm a poet and I know it!').

Heeft de wethouder al gedacht over de taken van de toekomstige stadsdichter? Over zijn missie? Zijn beloning? (Voor het gemak schrijf ik steeds 'zijn', maar u snapt dat het mij niet uitmaakt of het een mannelijke of een vrouwelijke stadsdichter wordt).

Wethouder, gebeurt er nog wat? Moeten we eerst een poëziemars door Ede organiseren? Moet de plakploeg op een nacht overal posters met gedichten gaan verspreiden? Moeten we onze stadsomroeper omkopen en hem elke zaterdag op de markt gedichten laten rondtoeteren? Of zullen we de wethouder elke nacht uit zijn bed bellen? Als hij opneemt, lezen we een gedicht voor. Dan is er tenminste nog iemand die wakker ligt van het stadsdichterschap.



Intussen zochten of vonden Kila en Babsie de publiciteit al. Bij Omroep Gelderland mochten ze zich nadrukkelijk presenteren en dus kandideren. Ook andere dichters zouden zich al aangemeld hebben. De gemeente zwijgt...

vrijdag 9 maart 2012

Piano in popmuziek

Af en toe beluister ik The Official Chart van de BBC, zodat ik ook een beetje op de hoogte blijf van de hedendaagse commerciële popmuziek. Gemiddeld genomen vind ik de hedendaagse popmuziek eigenlijk wel prettig om naar te luisteren.

Toen ik het lijstje van afgelopen week eens naging, viel me op dat in minder dan een kwart van de gevallen een piano te horen is. Nu is er natuurlijk altijd wel popmuziek met piano te horen geweest. Van Randy Newman tot Gilbert O'Sullivan en van Elton John tot Vanessa Carlton.

Maar zouden er, bijvoorbeeld in de jaren tachtig ook zoveel nummers in een top 40 hebben gestaan waarin de piano werd bespeeld? Geen idee, eigenlijk. Misschien lette ik er toen niet zo op. Nu ik even nadenk schieten mij allerlei titels te binnen. Van Heaven can wait van Meatloaf, She's always a woman to me van Billy Joel, Diary van Alicia Keys, Winter van Tori Amos, Wuthering Heights van Kate Bush, Come away with me van Norah Jones, Washing of the water van Peter Gabriel.

Misschien is het wel van alle tijden, maar nu viel het me op. Een paar recente voorbeelden:

Afgelopen week op nr. 39

nr. 31

 nr. 3

En verder bijvoorbeeld Demi Lovato, Flo Rida, Ed Sheeran, Lana del Rey. Als de piano al weg is geweest, is hij  in ieder geval weer terug.

Dromen van Schalkwijk



Ach, de muziek uit onze jeugd! Hoe kunnen we daarbij zwijmelen! Zelf struin ik ook graag rond op een site waar muziek uit de jaren zestig, zeventig, tachtig te beluisteren is. Wie Dromen van Schalkwijk van Victor Schiferli leest, kan niet om de muziek uit de jaren tachtig heen.

In de eerste plaats omdat die muziek in het boek voorkomt. De hoofdpersoon, Felix Swammerdam is als middelbare scholier zo'n beetje manager van een tegendraads bandje, New Dark Age. Hij praat met de leden van die band en vooral met frontman David, geregeld over muziek. Verder verwijzen alle hoofdstuktitels naar popsongs, is het boek verdeeld in 'Kant 1' en 'Kant 2', als ware het een elpee of een cassettebandje en lezen we achter in het boek dat we via Spotify naar muziek kunnen luisteren die bij het boek past.

Toch is Dromen van Schalkwijk niet een boek geworden dat druipt van het jeugdsentiment. Felix Swammerdam zou best een jonge uitvoering van Schiferli kunnen zijn, maar dat hoeft niet. Bovendien heeft de schrijver aardig wat ironie tot zijn beschikking, die ervoor zorgt dat het boek zeker niet week wordt: 'Ik vroeg me vaak af of het heelal zelf ook een omtrek had, of er ergens een eind kwam aan al dat zwart. En als er een einde aan het universum was: of er nog meer universums waren of dat het dan gewoon ophield. Kortom, ik was iemand die nog wel eens tegen een lantaarnpaal aan liep.'

Met zo'n laatste zinnetje houdt Schiferli het licht en door het hele boek zijn er van die zinnetjes die met een scheve glimlach verteld worden. Dat leest aangenaam.

Dromen van Schalkwijk is een zorgvuldig geschreven boek, aangenaam van toon, dat goed het beeld van de eerste helft van de jaren tachtig weet op te roepen. Het boek is niet wereldschokkend, maar dat is niet erg. In zijn soort is het goed. Wel ben ik benieuwd naar wat Schiferli nog meer in zijn mars heeft.


Hieronder Joni Mitchell en Tom Waits, die beiden goed waren voor een hoofdstuktitel in Dromen van Schalkwijk. 


dinsdag 6 maart 2012

Snijderseiland


Een wolk
Eind maart, er wordt hard gewerkt
aan mooi weer, een hogedrukgebied bij Azoren
breidt men uit naar het noorden.
Er kan van alles gebeuren en het gebeurt.
Een sprekend hoofd waslijst de namen
van op- dan wel afgeblazen festijnen.
Niet te stoppen processen voltrekken zich
links en rechts in de wereld, men kan er de vinger
op leggen en niemand weet wat ze brengen,
voor wie en wanneer.
Zelfs de kat die hier woont is onrustig, volgt me
voortdurend, ik zet hem buiten.
Een wolk schudt zich uit als een drijfnatte hond.
Kinderen worden naar binnen geroepen.
Het rommelt al in de verte.
Dit is een gedicht uit Snijderseiland, de vijfde bundel van Juliën Holtrigter. Het is niet eens een opmerkelijk gedicht, maar ook bescheiden gedichten kunnen goed zijn.

Dat er gewerkt wordt aan mooi weer, is wel bijzonder. 'Men' is druk bezig om het voor elkaar te krijgen. Zo schrijft Holtrigter vaker over de dingen, die we gewoonlijk ervaren alsof ze vanzelf gaan. Het wordt donker en het wordt weer licht, de tijd verstrijkt. Maar niet bij Holtrigter. Daar is het duister 'voertuig naar ochtend en uitzicht', en over de tijd schrijft hij: 'De tijd is waarlijk een genie. / Spelenderwijs schept hij grootse creaties.' Over het leven: 'Knap van het leven dat je niet weet waar het / heen gaat.'

Ook houdt Holtrigter ervan om de omgeving te bezielen: 'De knie overlegt met de andere knie'; 'Oude luchten besluipen mijn neus'; 'een vlindernet slaapt'.

'Er kan van alles gebeuren en het gebeurt'. Een zin vol verwachting, en die verwachting wordt al voor een deel tijdens de zin ingelost. Nu gebeurt het al en er kan nog veel meer gebeuren. Door dat hogedrukgebied heb je het idee dat het boven je hoofd gebeurt. Daar werkt men aan het mooie weer. In de gedichten van Holtrigter wordt trouwens vaak naar boven geblikt. Veel luchten, al dan niet met sterren. Eigenlijk hangt het hele universum boven zijn gedichten.

Die op- en afgeblazen festijnen zijn misschien op het randje. Is het flauw? Misschien wel, maar toch ook wel grappig. Zoals meer zinnen van Holtrigter grappig zijn: 'terwijl je botten / ontkalken, verkalken je aderen' en 'Hij had zich buitengesloten om in te breken' en ook: 'Op afstand het meest nabije!'

In de derde strofe merk je dat het leven zijn gang gaat, dat er van alles gebeurt en dat je er eigenlijk geen invloed op hebt. De kleine mens in het grote heelal. Om hem heen voltrekt zich het leven en hij kan er niets aan doen. Niet dat dat erg is: 'Ik blaas mijn laatste rook naar omhoog / en ga slapen.'

De kat is onrustig. Er staan immers dingen op stapel, al weten we dan ook niet welke. Zo'n kat brengt maar onrust, dus je zet hem buiten. In de laatste strofe begint het te regenen. Een mooi beeld, zo'n wolk die zich als een natte hond uitschudt. Het zou me niet verbazen als de kat in de vorige strofe de hond in deze strofe heeft opgeroepen. Holtrigter houdt van associaties en in veel gedichten kun je de weg van zijn gedachten volgen. Mooie overstapjes, kleine sprongetjes. Als er een tongriem wordt genoemd, staat er in de zin erna 'snoer hem de mond'. Van de riem naar het snoer is het maar een klein stapje...

Aan het eind van het gedicht, als het begint te regenen, zijn we ook weer bij het begint, waar hard gewerkt is aan mooi weer, maar waar 'men' het niet voor elkaar gekregen heeft. Tenminste als je regen lelijk weer vindt. 'Het rommelt al in de verte'. Nog steeds de verwachting, maar intussen is dat ook een dreiging. Het is inderdaad tijd om de kinderen binnen te roepen.

'Een wolk' is een eenvoudig gedicht, maar door de verwachting en de dreiging blijft er iets broeien, is er iets aan het rommelen, dat doorgaat als je het gedicht uit hebt. De gedichten doen zich voor als bescheiden, maar intussen weten ze precies wat we ze willen.

Ze zetten deuren open naar de nacht, naar de hemel, naar de kosmos. Ze laten een wind door ons hoofd waaien, duwen ons gezicht in de gewenste kijkrichting, knijpen ons in de arm. En troosten ons in onze nietigheid, in het eventjes dat wij hier zijn:
wij kwamen van ver, waren er even,
reflecteerden het schitterend licht
en verdampten alweer.
Of, aardser:
Wat gaat er boven de zwijgzame warmte van
armen die benen omhelzen, van billen die handen
verwarmen?
Niets, denk ik.

zondag 4 maart 2012

Pierre Dubois over Marnix Gijsen en Hugo Claus in 1958

Illustratie bij het artikel van Dubois
Al eerder en nog eerder schreef ik over het tijdschrift Het boek van nu, waarin in 1957 en 1958 boeken van Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans werden besproken. De recensent, Pierre H. Dubois, herkende het talent van de jonge schrijvers en verdedigde het.

In 1958 besprak hij ook de verhalenbundel De zwarte keizer, van Hugo Claus. In hetzelfde stuk waarin hij Mijn vriend, de moordenaar van Marnix Gijsen bespreekt. Het is wel heel lang geleden dat ik iets van Gijsen heb gelezen. Ik herinner mij dat ik indertijd, als vrij jonge lezer nog wel onder de indruk was van de verhalenbundel De diaspora en verder heb ik natuurlijk Klaaglied om Agnes en het boekenweekgeschenkje Overkomst dringend gewenst, dat ik minder geslaagd vond. Van Mijn vriend, de moordenaar had ik zelfs nog nooit gehoord.

Dubois typeert Gijsen als een moralist en als een romancier die ook iets van essayist in zich meedraagt. Over de verhalenbundel schrijft hij: 'Het boek bestaat uit een vijftal verhalen die uitstekend zijn geschreven en die een boeiend geheel vormen.'

Langs de verschillende verhalen doorwandelt Dubois Mijn vriend, de moordenaar. Hij eindigt met:
'Het merkwaardigst is misschien bij hem nog de paradoxale vermenging van een buitengewoon grote pudeur, een krampachtige verlegenheid met de behoefte aan een volstrekte openhartigheid. Het laatste wordt onder invloed van het eerste vrijwel nooit in werkelijkheid, slechts in schijn bereikt. Niet omdat Gijsen niet durft, maar omdat hij daartoe belet wordt door een eindeloos subtiel en geraffineerd besef van betrekkelijkheid. Zijn lezers behoeven dat niet te betreuren, zij danken er een proza aan vol van fijn genuanceerde geestelijke schakeringen. En waarom zou de grootste eerlijkheid van een zo tot zelfbespiegeling geneigd temperament niet de zuivere nuance zijn..'
 Een lovende recensie dus; Gijsen zal op zijn minst geglimlacht hebben. Hij was toen bijna zestig en had al in 1951 het boek geschreven dat zijn bekendste werk zou blijven: Klaaglied om Agnes. Mijn indruk is dat in de jaren zestig de jonge schrijvers hem snel voorbijgesneld zijn en hem ver achter zich hebben gelaten.

Dubois zal Hugo Claus in hetzelfde stuk besproken hebben, omdat hij nu eenmaal ook een Vlaming is en ook een verhalenbundel heeft geschreven. Van De zwarte keizer herinner ik me alleen het titelverhaal en ik vermoed dat ik de andere verhalen nooit gelezen heb.

In 1958 was Claus al geen onbekende schrijver meer. Hij de Oostakkerse gedichten al gepubliceerd, Een bruid in de morgen al en De metsiers, De hondsdagen en Een koele minaar. Allemaal boeken die ooit gelezen heb.

Dubois plaatst Claus tegenover Gijsen, al signaleert hij dat bij Claus de eerlijkheid ook door pudeur wordt geremd.
'De verhalen, die hij in de bundel "De Zwarte Keizer" heeft verzameld en die een periode van ongeveer tien jaar bestrijken, zijn in de gebruikelijke zin van het woord juist bijzonder openhartig. Hij schijnt geenszins geremd door bepaalde crue schilderingen en over de sexualiteit schrijft hij onomwonden. Maar men zou zich, dunkt mij, ernstig vergissen, wanneer men hem op grond daarvan een gebrek aan subtiliteit zou verwijten. De pudeur bij Claus zit elders: het is de schaamte over gevoelsuitstortingen, waarvan de openbaarmaking hem veel kwetsbaarder zou maken dan de man-en-paard noemende beschrijvingen in sommige van zijn verhalen.'
Gijsen duikt in zijn personages en probeert ze te duiden. Claus doet dat niet, hij blijft aan de buitenkant en beschrijft hoe ze zich gedragen. Dubois:
'Maar zijn subtiliteit is hier bepaald niet geringer dan bij Marnix Gijsen. Waar Gijsen zich in psychologische analyses verdiept en die uiterst nauwkeurig weet uit te drukken geeft Claus de weerspiegeling daarvan in de plastiek van zijn verhalen. Hij is in dat opzicht veel wezenlijker een dichter dan Gijsen, zonder ook maar enigszins te vervallen in lyrische pathetiek.' 
Dubois noemt Claus ook nog 'een verteller van een meesterlijke begaafdheid'. Hij vergelijkt hem nog een keertje met Gijsen:
'De verbeeldingskracht van het proza van Claus is op zijn beste ogenblikken buitengewoon sterk en bereikt dan een niveau dat aan Gijsen niet is voorbehouden. Maar ze komen zeldzamer voor, terwijl Gijsen zich vrijwel altijd gelijk blijft en ook waar zijn boeken niet gelijk in waarde zijn een proza schrijft van grote zuiverheid.'
Claus zou uitgroeien tot een gigant in zijn generatie, die zowel in zijn gedichten als zijn toneelstukken als zijn verhalen en romans de absolute top bereikte. Een jaar of tien geleden was hij eigenlijk de enige in het Nederlandse taalgebied die in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor literatuur. Hij heeft hem nooit gekregen, al gaat het verhaal dat de uitgeverij in een bepaald jaar er zo zeker van was dat de Grote Prijs toegekend zou worden aan Claus dat de kaartjes voor de receptie al gedrukt waren. Op dit moment lijkt me Nooteboom de Nederlandse hoop.

In ieder geval werd het talent van Claus aan het eind van de jaren vijftig onderkend door Dubois. Er wordt nog wel eens beweerd dat bij het begin van de de carrière van Mulisch, Hermans, Claus, Reve en Wolkers de gevestigde literatuur zeer geschokt was. Daar is bij Dubois niets van te merken.

Hugo Claus in 1958

De laatste patiënt




Soms heb ik vreemde gedachten. Zo dacht ik dat De laatste patiënt van Mirjam van der Vegt misschien wel een goed boek zou zijn. In het Nederlands Dagblad noemde Marion Woertink het boek 'een roman met lef' . Van der Vegt heeft dus lef. 'En echt niet alleen omdat ze haar hoofdpersoon Ava naakt laat poseren voor de oude Aron.'

Een rare zin. Waarom zou er lef voor nodig zijn als je een model naakt laat poseren voor een schilder? Bovendien blijkt Van der Vegt nogal preuts. Vanuit de schilder schrijft ze: 'Hij keek hoe ze zich zonder schroom uitkleedde.' Als Ava wat naakten bekijkt, staat ze 'oog in oog met een vrouw met wulpse rondingen. Zonder gêne toonde ze haar achterwerk en keek met een open blik over haar schouder.' Als er gedanst wordt: 'Een donkere vrouw voor me deinde met haar heupen schaamteloos heen en weer.'

Het zijn maar drie voorbeelden, er zijn er meer te noemen: zonder schroom, zonder gêne, schaamteloos. Blijkbaar moet die schaamteloosheid genoemd worden omdat de schrijfster wel schroom ervaart of die op zijn minst bij haar lezers vermoedt. Dat is Van der Vegt overigens niet te verwijten, maar het maakt de zin van Woertink wel heel vreemd.

In het stukje Stijl heb ik uitgelegd dat het van onmacht getuigt als de schrijver bij dialogen te veel uit moet leggen hoe iets gezegd wordt. Bij Hermsen viel ik al over 'riep uit' en 'zei'. Van der Vegt maakt het nog heel wat bonter.  Een bloemlezinkje: ‘schamperde ik’, ‘was hij direct’, 'was ik direct', ‘voegde hij er enigszins spottend aan toe’, ‘durfde ik’, ‘gaf ik toe’, ‘daagde ik hem uit’, ‘probeerde ik’. En veel, veel meer.


Dat  doet onmachtig aan, maar misschien komt het doordat Van der Vegt zichzelf onderschat. Vermoedt ze dat ze zonder die toevoegingen het verhaal niet kan overbrengen op de lezer? Of onderschat ze de lezer? Ik gok op dat laatste. Zo vindt Van der Vegt ook dat er dingen herhaald moeten worden, blijkbaar omdat de lezer het anders niet oppikt. Ze begint met een motto dat ontleend is aan een lied van Stef Bos over de vrouw van Lot, die omkeek. Aron (een bejaarde neuroloog) schilderde zijn vrouw Japke terwijl ze omkeek en zelfs bij zijn begrafenis komt dat omkijken nog ter sprake. Tussendoor zijn er nog veel meer verwijzingen, zodat je als lezer al begint te zuchten als Van der Vegt weer eens over de vrouw van Lot of over omkijken/vooruitkijken begint.


Ava lijkt op Arons vrouw Japke of in ieder geval moet Aron aan Japke denken als hij Ava ziet. Ik heb er geen streepjes bij gezet, maar hoe vaak zou dat in het boek voorkomen? Vijf keer? Tien keer? Vaak, in ieder geval. 


Misschien vind ik het uitleggerige, het expliciete, nog storender dan de onmachtige stijl. Bijzonder ernstig is het bij een droom die de auteur construeert aan het einde van het boek. Daarin wordt alles nog eens uitgelegd wat de lezer al lang weet, omdat het allemaal al een keer uitgelegd is: Ava heeft haar kind verloren, maar ze klampt zich zo vast aan haar rouw, dat ze verwijderd raakt van haar man Erick. Dat weten we. Dat weten we heel goed. En dan hoeven we niet meer te lezen over Erick die in het water ligt en Ava die hem een touw toe moet gooien, maar alleen aandacht heeft voor een kind. 


Van der Vegt werkt bij de EO en je verwacht dan een uitgesproken christelijk boek. Dat is De laatste patiënt uiteindelijk ook wel, maar het aardige is dat de ik-figuur, Ava, aanvankelijk met dat geloof niet zoveel opheeft. Dat voorkomt dat het een al te wee boek wordt. Ava komt in contact met Aurelie en Rubin, die door het geloof de moeilijkheden in hun leven overwonnen hebben en vanaf dan wordt het boek expliciet christelijk. Dat is overigens geen enkel bezwaar, maar wel dat de schrijfster het allemaal moet benoemen.

Nog even terug naar de stijl, waar Van der Vegt merkbaar mee geworsteld heeft. Als ze het over een gouden ring heeft, wil ze niet elke keer het woord 'ring' gebruiken. Daarom gebruikt ze drie zinnen later: 'dat kleine stukje goud' en nog weer drie zinnen verder: 'mijn bewijs van trouw'. Het is bijna aandoenlijk. 


Ook denkt Van der Vegt dat gewone woorden niet volstaan. Een paar keer in de roman moet iemand aanbellen. Dan wordt er niet op de bel gedrukt, maar dan beroeren vingers de bel. Er is zelfs een koperen bel, die je maar hoeft te beroeren of hij doet het al. Soms beroeren handen een deurknop. Twee handen? Ja, blijkbaar. En als er piano wordt gespeeld, worden de toetsen natuurlijk beroerd.


Clichés zijn er genoeg in De laatste patiënt. Als iemand moet glimlachen, glijdt er een glimlach over zijn gezicht of kan hij een glimlach niet onderdrukken. Aron proeft Ava's naam op zijn lippen en als je wijn drinkt heet dat - u raadt het al - 'onder het genot van een goed glas wijn'.


Soms is het taalgebruik onbedoeld nogal grappig. Er valt een glas wijn om. 'De wijn verspreidde zich als een vlek over de tafel.' Een vergelijking is bedoeld om een beeld krachtiger te maken, maar hier slaat de beeldspraak alles dood. 


Als Ava gaat dansen, gaat dat in het begin niet zo denderend. 'Als twee houten drenkelingen stonden we tegenover elkaar.' Natuurlijk snap ik wel dat Mirjam van der Vegt wil vertellen dat de bewegingen nogal houterig waren en dat de twee danspartners zich nogal verloren voelen, maar 'houten' is net iets anders dan 'houterige'. Volgens mij hebben houten drenkelingen het niet zo moeilijk: die blijven wel drijven.


Nog eentje dan: 'De wanhoop [...] hing als een tastbaar spook voor de ingang'. De wanhoop is zo duidelijk dat die bijna tastbaar is. Dat is niet origineel, maar het klopt nog. Dan wordt de wanhoop ook nog vergeleken met een spook en dan gaat het mis, omdat een spook juist niet tastbaar. Net als bij de drenkeling gaat het fout bij het door elkaar husselen van de beelden. 


De stijl van Van der Vegt is belabberd en het boek is slecht geredigeerd. Natuurlijk ontgaat ook de beste redacteur wel eens wat. Hij kan 'antieken dressoir' overzien of  'windkracht 4 op de schaal van Richter' en gevallen als 'de auto kwam de straat inrijden' en 'voor ze de winkel instapte' (de werkwoorden zijn 'rijden' en 'stappen', niet 'inrijden' en 'ínstappen'). 


Het is niet leuk, als er duidelijke fouten blijven staan, maar het is bijna onvermijdelijk. Maar een kritische redacteur had de auteur waarschijnlijk de opdracht gegeven om nog maar eens goed aan de stijl te schaven, om herhalingen te schrappen, overbodige uitleg te verwijderen. Dat is allemaal niet gebeurd en dat is jammer.


De laatste patiënt had het namelijk wel in zich om een aardig boek te worden en het leest ook helemaal niet vervelend. Het zou mij niet verbazen als Van der Vegt veel meer kan dan ze in dit boek laat zien. Hopelijk gaan we dat ooit nog merken. 


Wie het boek wil gaan lezen, bekijke de trailer:




Met excuses voor de gigantische interlinies. Ik krijg ze niet kleiner, merk ik.