zaterdag 25 februari 2012

Bijna compleet



Ach, moet ik nog iets over Joost Swarte zeggen? Mag ik ervan uitgaan dat iedereen het werk van Swarte wel zo'n beetje kent? Sommigen kennen misschien de serie 'Niet zo, maar zo', anderen wellicht de kinderpostzegels van een aantal jaren geleden, weer anderen De Toneelschuur in Haarlem die door Swarte ontworpen is en waarschijnlijk kent iedereen wel een tekening van Swarte. Op mijn schoorsteenmantel staat al een paar jaar een serie kaarten waarop Joost Swarte de gevaren van lezen aangeeft. Ze vervelen mij nog steeds niet.

De strips van Swarte zijn nu verzameld in een mooie, gebonden uitgave: Bijna compleet. We komen daar de bekende stripfiguren Anton Makassar en Jopo de Pojo tegen, maar ook minder bekende strips van Swarte. Bijna compleet is een prachtig boek geworden, vol met superieur tekenwerk.

De tekeningen van Swarte zijn altijd bijzonder 'leesbaar': ze zijn helder, overzichtelijk en je ziet meteen waarom het draait. Maar de tekeningen hoeven het niet te hebben van de eerste blik; bij nauwkeuriger beschouwing worden ze alleen maar beter. Ook al laat Swarte heel veel weg, wat altijd ruimte in de plaatjes creëert, er blijven altijd dingen te ontdekken.

Bij bijvoorbeeld het verhaal 'The Leafless Tree', is helemaal opgebouwd volgens de eis van Tsjechov die ons leerde dat het geweer al bij het begin van het toneelstuk aan de muur moet hangen als aan het eind iemand zich ermee een kogel door het hoofd jaagt.

Swarte begint het verhaal met het tekenen van een arm gezin aan tafel. Tegen het eind van het verhaal zal het gezin rijk worden. De spa waarmee de schat opgegraven zal worden, leunt in het eerste plaatje al tegen de muur en het silhouet van de boom waaronder die schat gevonden zal worden is al door het raam te zien.

Swarte is een grootmeester op tekengebied. Petten af en hoofden buigen. En daarna naar de winkel rennen om dit boek te kopen.



donderdag 23 februari 2012

Fatsoen

Job Cohen is opgestapt. Verschillende mensen zeiden en schreven dat Cohen ook eigenlijk te fatsoenlijk was voor de Haagse politiek. Daarop duidt ook de cartoon van Jos Collignon die vanochtend in de Volkskrant stond: Collignon tekent daarin Café Den Haag, met allerlei slempende politici en journalisten. Aan de bar drinkt Cohen met geheven pink een kopje thee en zegt: ‘Tijd om op te stappen’. Bij zoveel onfatsoen past Cohen blijkbaar niet.

Over fatsoen hoor je de laatste tijd niet zo heel veel meer, heb ik het idee. Premier Balkenende riep nog wel eens ‘Fatsoen moet je doen’, al bleef het daar dan ook bij. Ook onder zijn leiding bleven directeuren in allerlei sectoren zich schaamteloos verrijken en kregen asielzoekers het steeds moeilijker.

De enigen die het woord ‘fatsoen’ nog wel eens in de mond nemen, zijn de tegenstanders van Geert Wilders, die vinden dat je geen ‘kopvoddentaks’ mag zeggen, een politicus niet ‘bedrijfspoedel’ mag noemen en dat je tegen een premier niet mag zeggen: ‘Doe even normaal, man’.

Misschien werkt het zo wel altijd bij fatsoen: dat is iets waar anderen zich aan moeten houden. Wij zijn er als Nederland ook altijd heel goed in om verontwaardigd te doen over wat er in andere landen gebeurt. De Grieken moeten maar eens gaan bezuinigen en de Chinezen moeten maar eens zorgen dat ze serieus wat aan de mensenrechten gaan doen.

In 1993 kreeg de Duitse regering, 1,2 miljoen kaarten uit Nederland met daarop de tekst ‘Ik ben woedend’. Neo-nazi’s hadden een huis in Solingen aangestoken en daardoor waren er vier leden van een Turks gezin omgekomen. Niet dat de Duitse regering daar iets aan kon doen, maar veel Nederlanders wilden toch hun vinger heffen en ‘Foei!’ roepen.

Blijkbaar vinden wij het prettig om ons druk te maken over gedrag van anderen dat wij niet fatsoenlijk vinden. Strauss-Kahn vinden we een proleet, Berlusconi deugt niet, over Assad hoeven we het al helemaal niet te hebben. Of dichter bij huis: de directeur van Vestia mocht bedrijfsgelden niet gebruiken om mee te gokken, Diederik Stapel had geen onderzoeksgegevens mogen vervalsen, Kees Tulleken had zijn mond moeten houden over de medische situatie van Prins Johan Friso. Dat zal allemaal wel zo zijn, maar hoe fatsoenlijk zijn we in onze verontwaardiging?

Een pedofiel die zijn straf heeft uitgezeten kan nergens wonen, want de mensen staan bij hem in de tuin om te protesteren; de directeur van Het Hofnarretje krijgt doodsbedreigingen; Geert Wilders kan nog steeds niet zonder beveiliging. Misschien deugt er iets niet aan deze mensen, maar de heftigheid van de reactie op hen deugt in ieder geval ook niet.

De spotjes van SIRE kennen we allemaal. De laatste twee zijn: ‘Geef kinderen hun spel terug’ en ‘Handen af van hulpverleners’. We kijken ernaar, we schudden ons hoofd en mopperen over mensen voor wie die spotjes bedoeld zijn. Maar het feit dat die spotjes steeds weer nodig zijn, geeft al aan dat een grote bevolkingsgroep over de schreef gaat en waarom zouden wij daar niet toe behoren?

Omdat wij nu eenmaal weldenkende en dus fatsoenlijke mensen zijn? Was Willem Drees niet ook een respectabel man? Maar hij hield wel het deksel van de doofpot open, toen drie- tot vijfduizend executies weggestopt moesten worden.

Misschien is er op ons niet veel aan te merken. Maar zijn wij niet alleen maar fatsoenlijk omdat wij niet in de gelegenheid waren om ons te buiten te gaan of omdat wij daarvoor de moed niet hadden?

Zijn wij misschien zo verontwaardigd over anderen omdat we iets in hen herkennen? Zouden wij niet stiekem zo’n Strauss-Kahn of Berlusconi willen zijn, die seks heeft met wie en wanneer hem dat uitkomt? Zouden wij niet als Geert Wilders de middelvinger willen opsteken tegen de goede smaak en eruit willen gooien wat in ons opkomt? Zouden wij niet net als Diederik Stapel een beetje willen sjoemelen als ons dat roem opleverde?

Natuurlijk wel. Daarom zijn we zo verontwaardigd, daarom zwaaien we zo met onze vinger. Zo lang we naar anderen kunnen wijzen, hoeven we niet naar onszelf te kijken. We zouden de aanblik niet kunnen verdragen.

woensdag 22 februari 2012

Zondagavond



Als ik goed geteld heb, is Zondagavond het tiende boek van Vonne van der Meer dat ik lees. Bij haar debuut  in 1985 (Het limonadegevoel en andere verhalen) ben ik begonnen haar werk te volgen en dat heb ik volgehouden tot Laatste seizoen (2002). Toen is er de klad in gekomen.

Een deugende reden is daar eigenlijk niet voor, want ik las haar werk met plezier. Maar blijkbaar is je eigen leesgedrag niet altijd te verklaren. Alles wat na Laatste seizoen gekomen is, is aan mij voorbij gegaan. Ik heb de recensies gelezen en daar is het bij gebleven.

Achteraf bezien vind ik het raar dat het zo gelopen is. Na haar eilandboeken kwam er kritiek op Vonne van der Meer: vrouwenboeken, Libelleliteratuur zelfs. Daar ben ik het nooit mee eens geweest. Weliswaar borduren de drie eilandboeken voort op hetzelfde stramien, maar ze zijn wel goed geschreven. Vonne van der Meer kan als geen ander verhoudingen tussen mensen beschrijven. Ze neemt bijzonder scherp waar en verwoordt heel precies wat zich tussen mensen af kan spelen, waardoor je je in kunt leven in mensen die heel andere levens leiden dan jijzelf.

Ook Zondagavond is, in zijn bescheiden omvang (168 bladzijden) weer een degelijk geschreven boek, waar ik zeer van genoten heb. Een man wordt zijn hele leven al als een held gezien: hij heeft in de oorlog een baby in veiligheid gebracht. Dat hij daarbij niet zo dapper is geweest, heeft hij nooit kunnen vertellen. Van der Meer beschrijft het verhaal vanuit drie personages: de man, Robert, zijn dochter Freeke en de als baby geredde vrouw, Mila.

Ook in dit boek komt het geloof om de hoek kijken. Robert is gelovig geworden. Hij moet ergens heen met zijn dankbaarheid: 'Je kunt je dankbaarheid niet in een gat gooien. Je kunt het niets niet bedanken.' Als Robert de laatste sacramenten worden toegediend, wordt psalm 139 gelezen door Freeke en kleinzoon Jochem. Het lukt Van der Meer om een groot deel van die psalm te citeren zonder dat het obligaat wordt: de tekst doet helemaal mee in het boek.

Steeds als ik een boek lees waarvan ik geniet, neem ik me voor meer van die schrijver te gaan lezen en zo hoort het ook. Het is onmogelijk om al die voornemens uit te voeren, maar dat geeft niet. Een goed boek maakt je gretig naar meer en dat is een heerlijk gevoel.

dinsdag 21 februari 2012

The Holy Kama


Het lijkt wel een bijbeltje, dat verzamelboek van Kamagurka: dik, leeslint, goud-op-snee, 'holy' in de titel, engelenvleugels aan de binnenkant van het kaft. In het inleidinkje trekt Sam de Graeve de vergelijking nog even door: God heeft steeds meer moeite om zich goed te organiseren, maar Kamagurka is wél alomtegenwoordig.

Tja. Het zal commercieel misschien werken, deze positionering. Ik weet het niet. Wel denk ik dat aardig wat mensen zo'n grote verzameling cartoons willen hebben. Ik herinner me dat ik in de jaren tachtig ben begonnen met het kopen van albums van Kamagurka en er zijn nog steeds tekeningen waar ik heel erg om kan lachen.

Het absurde in Kama's tekeningen lijkt me meer Vlaams dan Nederlands. Een cabaretier als bijvoorbeeld Wim Helsen, die ook een tik van het absurdisme heeft gekregen, kun je je boven Antwerpen toch eigenlijk niet voorstellen.

Eerlijk gezegd vat ik niet elke tekening. Van sommige plaatjes weet ik niet waarom ze grappig zijn of wat de bedoeling ervan kan zijn. Erg is dat niet, lijkt me. Voor iedereen is er genoeg te genieten in The holy Kama. Hoe lang zou het duren voordat het boek op nachtkastjes van hotelkamers ligt? Dat zal wel niet gebeuren. Ik vermoed dat het meer gejat zal worden dan de gemiddelde bijbel. Het zal het toilet wel worden, zoals ook De Graeve suggereert.



Waarin we veranderen. Walking Dead, deel 10


Je moet ervan houden, denk ik - mensen met halfvergane hoofden, die dan door dat rotte hoofd geschoten worden. Over dat soort dingen gaat de serie Walking dead, geschreven door Robert Kirkman, getekend door Charlie Adlard. Intussen blijkt de strip ook als serie op tv te zijn of wellicht is de tv-serie verstript.

Ik geloof dat ik eerdere delen niet had gelezen, maar ik zal redelijk snel in het verhaal. Dat zit, geloof ik, nog wel aardig in elkaar ook, maar het interesseert mij niet zo. Ik mis misschien wel het gen om van horror te genieten. Het doel van de strip lijkt me dat de lezer gaat griezelen, dat hij zoveel mogelijk geweld te verstouwen krijgt. En dan moeten de personages liefst ook nog een menselijk trekje hebben, zodat je een beetje mee kunt leven.

Zoals gezegd: je moet ervan houden. Ik houd er niet van.

maandag 20 februari 2012

De wonderlijke reizen van Meelmuts en Roetkop (Zwart en wit 8)


Als er in een boek een personage voorkomt dat Roetkop heet, dan zal dat wel een racistisch boek zijn of op zijn minst een boek dat past in een tijd waarin er neergekeken werd op mensen die niet blank waren. Dacht ik.  Maar De wonderlijke avonturen van Meelmuts en Roetkop (1923?) blijkt een kinderboek te zijn waarin huidkleur eigenlijk geen rol speelt.

Na een schipbreuk ontmoet het koksmaatje Meelmuts het jongetje Roetkop. Die naam leek me niet zo prettig. Om te beginnen vanwege het woord 'kop', dat je meestal tegenkomt in weinig vleiende woorden als 'kaaskop', 'dikkop' en 'kopvoddentaks' en verder natuurlijk dat 'roet', dat de kleur aangeeft. Begin vorige eeuw stoorden mensen zich er blijkbaar niet aan, want anders had de schrijver wel een andere titel gekozen.

Wie die schrijver is, is niet zo duidelijk. Als schrijver van de gedichtjes wordt alleen 'Max' vermeld, de plaatjes zijn van Roland, die elders op het wereldwijde web O. Roland wordt genoemd. In ieder geval laat Max de beide vriendjes, hun hond en later de betoverde schildpad inderdaad wonderlijke avonturen beleven.

Veel lijn zit er niet in het boek; je valt van het ene avontuur in het andere. De gedichtjes zijn ook al niet bijzonder, maar kinderen zullen ongetwijfeld genoten hebben van de dolle belevenissen. Die verhalen zijn niet altijd geloofwaardig, ook niet als je bereid bent mee te gaan in de fictie. Zo ligt er op het ene plaatje nog een zeehond aan de rand van het water te luieren op het ijs en een paar plaatjes later is het zo warm dat Roetkop gaat zwemmen in water dat ijskoud had moeten zijn.

Roetkop en Meelmuts zijn gelijkwaardig. Roetkop spreekt normaal Nederlands en niet een gebroken taaltje, zoals Sjimmie in de vroegste delen van Sjors van de rebellenclub. Hij is ook bepaald niet dommer dan Meelmuts. Als er een boot gemaakt moet worden, verdeelt Roetkop het werk: 'Bravo!' riep Roetkop, 'aangepakt!'/'IK zal gaan zagen, en JIJ hakt!'

Een enkele maal wordt Roetkop het 'arme zwartje' genoemd, waaruit een zekere vertedering spreekt, die me toch niet helemaal lekker zit. Verder speelt kleur geen rol in het boek.

Het boek ging voor mij wel te ver met alle onwaarschijnlijkheden en onmogelijkheden. Als Meelmuts en Roetkop door een 'heeten berg' moeten, liggen er (verrassing!) zomaar asbestpakken voor hen klaar, een draak wordt snel even doodgestoken, een schildpad doorgezaagd en met behangplaksel weer geheeld en als Meelmuts en Roetkop een toverstaf te pakken hebben, weten ze al snel hoe ze ermee moeten omgaan.


Het zal de kinderen in die tijd worst geweest zijn. Ze hebben genoten van een boek zonder gepreek. De goeden winnen natuurlijk en de kwaden gaan ten onder en verder is er alleen amusement. Eigenlijk is De wonderlijke reizen van Meelmuts en Roetkop de televisie van negentig jaar geleden. 


Blinde wereld



Er zijn nogal wat schrijvers die geschreven hebben over hun religieuze opvoeding. Veel van die schrijvers hebben afscheid genomen van het geloof van hun jeugd en soms lijkt het alsof ze juist schrijven om afstand van dat geloof te nemen. Zo worden de boeken van die schrijvers althans door gelovigen gelezen.

Ik denk dat schrijvers gewoon over hun jeugd schrijven. In die jeugd kan het gedraaid hebben om ouders die een trauma overgehouden hebben aan de oorlog (Carl Friedman), een sterke moeder (R.J. Peskens), een moeder die ervandoor ging (Hans Münstermann), een relatie met een volwassene (Ted van Lieshout, Rudi van Dantzig) of over een onoverzichtelijk gezin (Manon Uphoff). Als godsdienst een bepalend element in die jeugd was, zal die dus automatisch in die boeken ter sprake komen.

Sommige schrijvers zetten zich duidelijk af tegen het geloof uit hun jeugd. Maarten ’t Hart laat in Een vlucht regenwulpen het geloof van zijn moeder zien, maar ook de hypocriete  ouderlingen, die door zoon Maarten het huis uit gebonjourd worden. ’t Hart heeft een ambivalente houding ten aanzien van het geloof gehouden. Hij laat zien dat het geloof maar onzin is, evenals de Bijbel (Wie God verlaat heeft niets te vrezen), maar hij kan ook met weemoed praten over de psalmen uit zijn jeugd.

Jan Siebelink liet in Knielen op een bed violen zien hoe een vader zich zo in het geloof kan verliezen, dat het gezin eronder lijdt, maar Siebelink geeft aan dat hij ook jaloers is op het geloof van zijn vader. Franca Treur (Dorsvloer vol confetti) levert vooral schetsen van een jeugd, waar de godsdienst nu eenmaal ook bij hoort. Ton van Reen (In het donkere zuiden) beschrijft zijn katholieke jeugd met sympathie. Rick de Gier (Ninevé) kijkt kritisch naar het evangelisch christendom, maar laat in zijn boek het geloof niet los. Bij Josien Laurier (Een hemels meisje) lijkt de dominante moeder minstens net zo bepalend als het evangelische geloof.

Paulo van Vliet beschrijft in Uitgesloten en Elite de Jehova’s Getuigen. Het eerste is nog wel een aardig boek, in het tweede komt zo’n beetje elke Getuige karikaturaal over. In ieder geval is duidelijk dat hij krachtig afstand wil nemen van het sektarische geloof van zijn jeugd. In dit geval zal dat ermee te maken hebben dat de vader van de ik-figuur overleden is, doordat het verboden was hem een bloedtransfusie toe te dienen.

Misschien heeft een krachtige stellingname tegen het geloof uit je jeugd vooral te maken met de manier waarop gelovigen zich gedragen. Bij Maarten ’t Hart lijken de ouderlingen een breekpunt, bij Franca Treur tref je vooral aardige gelovigen aan, ook al heeft de hoofdpersoon wel haar twijfels omtrent sommige geloofswaarheden.

Ellen Heijmerikx moet zich in haar debuut Blinde wereld wel met heel veel kracht afzetten tegen de Noorse broeders. In verschillende hoofdstukken begint ze met een vervloeking: in hoofdstuk 1 is dat ‘Vandaag vervloek ik de Noorse broeders’ en via vervloekingen als ‘Vandaag vervloek ik de bekeringssamenkomsten en de wederkomst van Jezus’, ‘Vandaag vervloek ik de heerlijkheid in het hiernamaals’, ‘Vandaag vervloek ik de Bijbel van kaft tot kaft’ en ‘Vandaag vervloek ik Gods toorn en straf. Vandaag vervloek ik al de woorden die in Zijn naam zijn gesproken’ komt ze bij ‘Vandaag vervloek ik mijn kindertijd en jeugd’ om te eindigen met ‘Hier ben ik, Kieke, en vandaag vervloek ik mezelf’.

Met dat geloof en hoe het gepraktiseerd wordt is ook wel van alles mis, tot kindermishandeling (‘tuchtiging’) en seksueel misbruik toe. Ook de manier waarop vrouwen onderdanig gehouden worden strijkt Kieke behoorlijk tegen de haren in. Heijmerikx laat zien hoe moeilijk het desondanks is om van zo’n geloof weg te komen. Het geloof heeft voor een groot deel je manier van denken bepaald en daar kun je eigenlijk niet van af. Aangrijpend laat ze het zien aan de hand van Kiekes vriendin Liv, wie het uiteindelijk niet lukt om afstand te nemen en die het geloof van de Noorse broeders weer lijkt te omarmen.

Het boek van Heijmerikx is geen egodocument, zoals de boeken van de hierbovengenoemde schrijvers dat ook niet zijn; het is een roman. Daarbij geldt allereerst de vraag of het boek goed geschreven is en dat is het. Franca Treur heeft ervoor gekozen voornamelijk scènes uit een jeugd te tekenen en niet een doorgecomponeerde roman te schrijven. Dat laatste doet Heijmerikx wel. Al in het eerste hoofdstuk wordt Else-Marthe genoemd, wier dood cruciaal is in de plot in het laatste hoofdstuk.

Tijdens het lezen van het boek kun je je niet onttrekken aan de benauwende wereld die Heijmerikx oproept. Dat doet ze door nauwkeurig waar te nemen en niet meer te vertellen dan nodig is. In hoofdstuk 10 bijvoorbeeld probeert de kleine Kieke op een onhandige manier de juf te bekeren: 
‘Ik ben in de gemeente, het enige ware geloof op aarde, en jullie zijn in de wereld. Jullie zijn allemaal ziek en blind.’
Ik leunde tegen het bureau van juf en sprak de woorden na van de leider van de kindersamenkomst. Als ik Gods woord aan haar verkondigde, wilde ze misschien wel een keer mee naar de samenkomst. Want niemand wilde toch ziek en blind zijn en deze juf leek best gewillig.
Juf keek op van haar schrift. ze legde haar pen neer en vouwde bedachtzaam haar handen, waardoor ze even op mam leek. Haar zondige armbandjes rinkelden.
Zo’n laatste zinnetje is precies goed, een detail dat de kern raakt. Goed waargenomen en goed geschreven. Dat kenmerkt het hele boek en Blinde wereld is gewoon een goede roman. Aanvankelijk had ik het idee dat de titel sloeg op de wereld buiten de gemeenschap van de Noorse broeders, maar toen ik het boek uit had, vermoedde ik dat de titel vooral duidde op het wereldje van de Noorse broeders zelf.

Indertijd (2009) is dit boek aan mijn aandacht ontsnapt. Heijmerikx’ tweede boek, Wij dansen niet heeft intussen uitgebreid aandacht gekregen. Binnenkort schaf ik het aan. Wel ben ik ook benieuwd naar boeken van Heijmerikx over een ander onderwerp. Ze kan schrijven en hoeft zich niet tot haar autobiografie te beperken, lijkt me.