dinsdag 5 maart 2013

Dialect

Meestal praat ik Nederlands. Vaak menen mensen te kunnen horen waar ik vandaan kom, maar als ze gokken, gokken ze maar zelden de goede streek: de Betuwe. Meer nauwkeurig: de Overbetuwe.

Ik ben als dialectspreker opgegroeid. Nederlands was een taal die ik niet veel hoorde. In mijn omgeving spraken mensen de standaardtaal niet, tv hadden we niet en de radio werd, toen ik klein was, alleen aangezet voor de nieuwsberichten. Wel las ik veel en al die boeken waren natuurlijk in het Nederlands. Het praten van het Nederlands was echter behoorlijk onwennig.

Mijn klasgenoten spraken, voor zover ik mij dat herinner ook allemaal Betuws. In de klas moest Nederlands gesproken worden en dat was best lastig. Ik herinner mij nog de jongen die -we zaten in de eerste klas- tegen de juf zei: 'Ik heeft het in mijn fietstas laten zitten'. En ik was zelf aan het worstelen (in de derde klas of zo) tijdens een opstel. Ik zocht het woord 'struik', maar kon het niet vinden. In het dialect was het 'pol'. Wij hadden bessenpollen en bramenpollen. Ik wist dat dat niet het schoolwoord was, maar kwam niet op 'struik'. Ik liet toen maar 'pol' staan, wel wetend dat daar een streep doorheen zou komen.

Het dialect beheers ik nog, al zal het wel een beetje afgesleten zijn: ik spreek het nog alleen met mijn familie. Bij andere dialectsprekers is er verwarring: blijf ik Nederlands spreken of stap ik over op dialect? Ook een gemengd gezelschap is lastig. Als ik met mijn kinderen bij mijn moeder op bezoek ben, praat ik met mijn moeder Betuws, met mijn kinderen Nederlands. Maar wat doe je in een gesprek waar alle partijen aan deelnemen?

Ook het volgende is voorgekomen. Ik heb getelefoneerd met mijn moeder. Ik beëindig het gesprek en wil aan de kinderen vertellen wat oma 'had'. Ongemerkt vertel ik het in dialect.

Dat dialect suddert nog steeds in mij. Soms schrijf ik uitdrukkingen op die mij ineens weer te binnen schieten. Ik zie mijn moeder rondgaan met de koektrommel. Ze is nog niet bij de laatste, maar die roept al: 'Ik ook!'  Mijn moeder: 'Nie in mijn kraam schijten vur ik uitverkocht bin.'

Toen ik zestien was, kwam ik op een internaat terecht. Mijn kamergenoot kwam van Goeree-Overflakkee. Wij spraken Nederlands met elkaar en merkten daarin de glimpen van het dialect op. Zo gebruikte ik het bijvoeglijk naamwoord 'beestig': 'beestig lekker'. Ik had er geen idee van dat dat opmerkelijk was.

Sommige dialectwoorden kennen mijn kinderen ook. Ze weten wat een 'djern' (meisje) is. Na de maaltijd praten ze soms een (al overleden) oom van mij na: 'Hè, hè, ik heb hem weer goed strak getrokken'. Maar als ze 'ruren' (roeren) zeggen, kan een insider horen dat ze geen autochtone Betuwnaren zijn. En ze weten niet wat ik bedoel als ik snel zeg: 'bettieakkemaai?' (Bijt hij als ik hem aai).

Van de generatie van mijn kinderen zullen er al minder zijn die met een dialect opgegroeid zijn dan van mijn generatie. Kinderen van ouders die beiden dialect spreken, komen al veel vroeger en veel vaker met de standaardtaal in aanraking.

Hoe lang zal het duren voordat de dialecten verdwenen zijn? Aan het begin van de twintigste eeuw waren er in Amsterdam nog dertig dialecten te onderscheiden, heb ik mij wel eens laten vertellen. Ik denk dat we nu niet meer kunnen horen in welk deel van Amsterdam iemand is opgegroeid.

Zal over honderd jaar iemand wel eens zeggen: 'Een boer en een zoeg hebben nooit genoeg'? Gaat er dan nog wel eens een jongen achter de 'vrullie' (vrouwlui) aan of achter een 'frommes' (vrouwmens, meisje)? Weten ze dan nog dat een 'keuje' niets met biljarten te maken heeft, maar dat het een beest is dat geslacht kan worden? Zal er nog een kind 'flutsen' (duimen)? Ik wittet nie, mar ik zou het noar jammer vijnden as niemand mir het Bètuws kon verstoan.


maandag 4 maart 2013

Samenzang


Herman van Veen zong ooit een tekst van Willem Wilmink: ‘Hilversum 3 bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem’. In het lied wordt beschreven hoe metselaars zongen op de steigers, hoe slagersjongens een stukje opera zongen en hoe meisjes in koor zongen ‘tussen het geratel van machines door.’ Er zit veel weemoed in het lied, want al dat zingen hoor je niet meer.

Er wordt inderdaad nog maar weinig gezongen in de openbare ruimte. Ik zing nog wel eens op de fiets, maar als ik met mijn kinderen door het dorp loop, mag ik van hen niet zingen. Dan gaan ze een paar meter verderop lopen. Fluiten en neuriën vinden ze op het randje.

En samen zingen, waar gebeurt dat nog? De professionele zangers, die in een koor zingen, laat ik even buiten beschouwing. Verder is er volgens mij alleen nog maar samenzang in het stadion en in de kerk.

Een paar jaar geleden publiceerde Dirk Zwart een ‘kerkmuzikaal dagboek’ met de titel Boven jezelf uit zingen. Ik denk dat dat gebeurt wanneer je samen zingt. Je maakt deel uit van de groep die samen zingt en de groep is belangrijker dan het individu: jij doet er niet meer toe, je zingt mee in een groter geheel.

Maar dat niet alleen. Door het zingen word je boven jezelf uit getild. Je zingt jezelf tot een hoogte die je anders niet zou bereiken. Samenzang kan dan ook een gevoel van euforie geven.

In de kerk komt dat natuurlijk ook doordat het over zaken gaat die onze aardse werkelijkheid ontstijgen. We zingen liederen over een hemelse werkelijkheid, over een God die het mensenverstand te boven gaat, over een werkelijkheid die boven ons leven hangt en er na ons leven er nog zal zijn. Het is onbegrijpelijk, maar door te zingen, boven jezelf uit te zingen, heb je het idee dat je er een glimp van kunt opvangen.  Samen zingen geeft een religieuze ervaring.

Mensen die samen in het stadion zingen, zullen een soortgelijke ervaring hebben. Ze zingen hun clublied, ze horen hoe dat uit alle monden klinkt en ze weten dat de club of beter nog: de idee van de club, veel groter is dan ze kunnen omschrijven. De supporters voelen zich onderling verbonden, maar dat is niet het enige. Ook hier stijgen ze boven zichzelf uit.

Dat gebeurt ook bij mensen die naar een popconcert gaan, idolaat van de zanger, zangeres of popgroep. Ze kennen alle nummers en zingen die mee, zwaaiend met hun aanstekers of het licht van hun mobieltjes.

Juist op dat soort momenten worden mensen emotioneel. Fans van Justin Bieber, Madonna of Lady Gaga gaan schreeuwen, huilen, vallen flauw. Ook voetbalsupporters staan soms met tranen in hun ogen. Het zijn religieuze ervaringen, vergelijkbaar met die van kerkgangers.

In de kerk wordt het samen zingen geconserveerd en dat lijkt me een goede zaak. Het geeft mensen ervaringen die ze buiten de kerk nog nauwelijks op kunnen doen. Ook mensen die niet meer geloven, spreken toch vaak met warme gevoelens over de liederen die ze als kind geleerd hebben en die ze in de kerk samen met anderen zongen.

Als er een zangdienst voor nietmeergelovigen gehouden zou worden, zou daar waarschijnlijk behoorlijk wat animo voor zijn. Natuurlijk zouden de geloofsverlaters er met ironie over spreken, maar ze zouden ook samen herinneringen ophalen en het zou me niets verbazen, als sommigen toch een traantje zouden moeten wegpinken als ze samen de liederen uit hun jeugd zingen.

Of mensen die zingen betere mensen zijn dan mensen die niet zingen, weet ik niet. Er is een canon met de volgende tekst: 
Wo man singt, da laß' dich ruhig nieder,
böse Menschen haben keine Lieder,
sondern nu rein Radio- oder Fernsehapparat.
Mocht er vanavond een lied uitgezonden worden dat u kent, zingt u dan mee, uit volle borst. Bedenk dat er bij duizenden radio’s duizenden mensen staan of zitten die met u meezingen. Ik weet dat het wel iets anders is dan zingen in een gevuld stadion of een volle kerk, maar het is beter dan alleen maar luisteren. U zult het merken.  

(Column voor het radioprogramma 'Kerkvenster', Ede FM)

Walsen



De personages die Elma van Haren schept, zijn bepaald niet alledaags: een vrouw die een nieuw, vers kind wil, beter dan het eerste; een man die naaktfoto's van zijn vriendinnen maakt om zijn gehandicapte broer een plezier te doen; een vrouw die onder invloed van amfetaminen is en getuige is van een heftige ruzie; een vrouw die denkt dat ze boodschappen doorkrijgt via water. We ontmoeten deze personen in  haar prozadebuut, de verhalenbundel Walsen. 

Niet elk verhaal in die bundel is even sterk, maar de meeste zijn dat wel. Je gaat er moeiteloos in mee, je accepteert de personages zoals ze zijn en je staat niet te kijken van wat ze meemaken. Dat wil niet zeggen dat je ze altijd snapt, maar dat geeft niet. De personages snappen elkaar ook niet altijd.

Het merkwaardige koppel Boris en Beth bijvoorbeeld ziet elkaar in de loop van hun leven met grote tussenpozen. Boris denkt dat hun verhouding zo is, dat hij Beth wel kan zoenen. Vanuit Beth bezien:
Deze zichzelf idioot noemende man probeert haar te kussen. Het wordt een zachte natte kus die ergens onder haar oor terechtkomt, want ze heeft haar gezicht op tijd weggedraaid.
Het gaat niet altijd goed tussen die personen: als Kora de man opzoekt met wie ze vroeger een relatie heeft gehad, is hij niet eens meer aanspreekbaar; Jeanne en Marius bedriegen elkaar op een bijzondere manier; Claudia verzint Belangrijke Afspraken om af en toe weg te kunnen uit haar gezin.

Vaak gaat het in de verhalen over afhankelijkheid of onafhankelijkheid. De personages moeten een beslissing nemen en misschien kunnen ze daarmee hun leven een wending geven, of een duwtje de andere kant op. Soms lukt dat, soms niet. Maar altijd sympathiseer je als lezer met die personages, mede doordat ze zo overtuigend zijn neergezet, maar ook doordat de schrijfster een zekere mildheid bij ons oproept.  

Van Haren verloochent niet dat ze dichter is. In haar verhalen staan fraaie, rake zinnen. Enkele voorbeelden:
Het was echt koeler, ze voelde de energie door haar lichaam stuwen alsof ze vers gezette koffie was; water in het filter, koffie in de pot, al was het een wat prozaïsche vergelijking.
'Hij is net een paprika,' zegt ze. 'Veel zaad, verder leeg vanbinnen.'
Hij ziet er groot en sterk uit. Zijn benen en armen zijn zo hard en glad als glasvezel, zijn billen en nekspieren stevig en verend met een roze glans als een precies lang genoeg gesudderd stuk vlees. Hij is geweldig eetbaar.
Ze zag haar dromen en verwachtingen voor zich als augurken in een glazen pot. Ze hield de deksel er stevig op en ze lagen daar rustig tegen elkaar aan te wachten als kleine groene embryo's
De langere verhalen zijn beter geslaagd dan de korte, vind ik. Verhalen als 'Man&Minnaar' of 'Harry' zijn minder aan mij besteed dan 'Mickey Free', 'Wisselkind' en 'Achter de grens'. Een dichteres heeft over het algemeen maar weinig ruimte nodig, maar Van Haren laat zien dat zij het ook aankan als ze wat meer ruimte heeft. Juist in de langere verhalen weet ze de aandacht van de lezer goed vast te houden.

Heerlijk! De Nederlandse literatuur heeft er een verhalenschrijfster bij. Wanneer komt Van Harens volgende bundel?


zaterdag 2 maart 2013

Ezels, platsteken en wachtwoordkastjes


Foto: Thomas Bunt
In het dorp waarin ik opgroeide had alleen de familie Nijland een ezel. Soms hoorden we die balken. Het geluid deed me denken aan dat van een oude pomp. Als mijn broertje en ik ruzie hadden, riep een van ons soms: ‘Ge zij nog stommer as het pèrd van Nijland en dat is al een ezel!’ Verder speelde het dier in ons leven geen rol, geloof ik.

Een ezel was het symbool van domheid, zoals de docent Engels ons op de middelbare school ook leerde als wij de woorden donkey en monkey verwisseld hadden: ‘Jongens, denk eraan: een donkey is dom. Nooit meer vergeten’.

Hoe de ezel aan zijn reputatie gekomen is, weet ik niet. Volgens mij is er geen enkele aanwijzing dat het dier daadwerkelijk dom zou zijn. Het moet wel een intrigerend dier zijn, anders had Jasper Hulshoff  Pol zich er niet zo in verdiept. Hij maakte een hele serie portretten van ezels.

Hier hangen alleen maar schilderijen van jonge ezels. Bij een oppervlakkige beschouwing zijn die beestjes vooral schattig, zoals veel jonge dieren dat zijn. Wie langer bij de portretten stil staat, ziet meer dan schattigheid: de beesten hebben karakter en ze lijken ook een gemoedsgesteldheid weer te geven: van sikkeneurigheid tot tevredenheid.

Soms vult zo’n ezel van Hulshoff Pol het hele doek, een andere keer staat hij in het hoekje en is er veel ruimte om hem heen, die hem naar die hoek lijkt te dringen. De ene keer zijn er okertinten in het dier verwerkt, de andere keer is er rood gebruikt. Kortom, er is heel wat te zien in deze ezels.

Zoals gezegd: het zijn alleen maar jonge ezels, wat me doet denken aan het echtpaar dat op zondagmiddag ruzie maakte, maar besloot om toch maar hun gebruikelijke zondagse fietstochtje. te gaan maken. Zoontje bij vader achterop, moeder zwijgend ernaast. Als ze langs een weitje met ezels komen, roept het jongetje: ‘Kijk eens, papa! Die twee kleine ezeltjes staan helemaal tegen elkaar aan! Zijn die getrouwd?’ Waarop moeder antwoordt: ‘Alleen grote ezels trouwen, jongen.’

De ezels van Hulshoff Pol zijn jong en moeten dus wel ongetrouwd zijn. Vandaag hebt u een ‘meet and greet’ met hen.

Pauline Nijenhuis maakt werk waarop aardig wat geborduurd is. Dat zou aan mij wel besteed moeten zijn. Het handwerken bloeide in mijn familie. Op verjaardagen, waarbij de sigaretten in glaasjes op de tafels stonden, zaten er altijd wel een paar tantes te breien, mijn oma haakte kleedjes en spreien, en er werd flink geborduurd. Zo kun je de Nachtwacht leggen in een puzzel van drieduizend stukjes, maar je kunt hem ook borduren. In priegelig kleine kruissteekjes.

Ook ik heb mij wel aan de naaldkunst gewaagd. Ik kreeg een blok met kartonnen tekeningen, die je moest borduren. Ze waren met dikke lijnen opgezet, met hier en daar een punt op de lijn en daar moest dan je naald doorheen. Uiteindelijk werd elke lijn bedekt door een draadje wol. Ik heb het wel gedaan, maar het is nooit een hobby geworden.

Mijn tantes behoorden niet tot de vlotste types. Dat heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat borduren voor mij altijd iets truttigs gehouden heeft. Borduren zat voor mij in de hoek van de handtasjes waarin een rolletje pepermunt en een flesje eau de cologne opgeborgen waren.  

Maar toen had ik het werk van Pauline Nijenhuis nog niet gezien. Haar werk is namelijk helemaal niet truttig. Er zit zelfs enorm veel vaart in. De grote platsteken waarmee ze borduurt laten de snelheid zien waarmee het landschap aan je voorbijzoeft als je er in een auto doorheen rijdt. In sommige werken is de achteruitkijkspiegel van de auto nog te zien.

Die auto’s komen in meer werken terug. Bijvoorbeeld het werk waarin de auto met een rotvaart door het doek lijkt te rijden. Nog nooit zag ik een auto die zo letterlijk kon scheuren.

Ik vroeg mij af waarom ik het zo aangenaam vond om naar die auto te kijken. Het moet te maken hebben met de stripverhalen waarmee ik opgegroeid ben. De albums van Michel Vaillant bijvoorbeeld. Daar kwamen mooie racewagens in voor en als die over het circuit schoten stond er met grote, vette letters ‘Vrrroap!’ op het plaatje. Ook de heldere kleuren die Nijenhuis gebruikt, bijvoorbeeld het egale groen in haar landschappen, doen mij denken aan strips.

Nijenhuis speelt met plat en ruimtelijk. Er is een werk waarop je de rivier van je af ziet stromen. Je kijkt in de verte, het kunstwerk in, de ruimte in. Maar het blijft plat. Maar bijna aan de horizon staat een struik of een boom en die komt uit het platte vlak. Wat zo ongeveer het verst verwijderd is, komt daardoor het dichtst bij. Ook de struiken aan de overkant van de rivier, de kant die voor ons niet bereikbaar is, liggen op het platte vlak.

Bij de scheurende auto lijken de flarden van het linnen erbij te hangen, maar dat is juist allemaal tweedimensionaal. U zult het straks allemaal zien als u er met uw neus bovenop staat.

Gerlinde Habekotté moet wel een stoere vrouw zijn, dacht ik, toen ik gisteravond haar monumentale smeedwerken bekeek. Haar werk roept dat stoere ook wel op. Kijk maar eens hoe dik het metaal is in bijvoorbeeld haar ‘Open deur’.

Tegelijkertijd heeft haar werk iets luchtigs. De kronkelige uitsteeksels in sommige werken nemen de lege ruimte in beslag, omarmen de lucht en alle leegheid tussen het metaal doet volop mee.

Haar werk is daarmee tegelijkertijd stoer, luchtig, sierlijk en speels. Bovendien heeft het iets geheimzinnigs. Het raakt aan een werkelijkheid die niet de onze is. Een werkelijkheid waarin dingen mogelijk zijn die we niet meemaken in ons dagelijkse leven als we een halfje bruin halen, de hond uitlaten of de kliko aan de weg zetten.

Ik trof bijvoorbeeld vijf ‘wachtwoordkastjes’ aan, waarop letters en tekens staan, alsof het codes zijn. Wat gebeurt er als wij die codes kraken, als wij het juiste wachtwoord weten waarmee wij in de kastjes kunnen komen? In welke wereld komen we dan terecht? En als wij door de open deur gaan, welke werkelijkheid betreden we dan?

Habekotté legt het ons niet uit en dat maakt haar werk ook zo spannend. Er is gemompel en gefluister om haar beelden heen. Wat er precies is, weten we niet, maar er is meer dan we kunnen zien.

Ik moest denken aan een verhaal dat mijn moeder ooit vertelde. Haar opa had een klok met aan de bovenkant twee paardjes, in het hout uitgesneden. ‘Als de klok slaat en je kijkt niet, bewegen ze’, zei hij. Mijn moeder, een klein meisje nog, hield de paardjes scherp in de gaten. ‘Ze blijven stilstaan’, zei ze. ‘Dan heb je gekeken’, zei opa.

Met het werk van Gerlinde Habekotté is iets soortgelijks aan de hand. In het midden van de ruimte staat een ‘Gewervelde brug’. Ach ja, een brug, een bouwwerk. Maar hij rust op vier pootjes en als we even niet kijken, kunnen die pootjes zomaar gaan lopen en verandert de brug in een geheimzinnig dier, dat zich uitrekt en langzaam van de sokkel af stapt. Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat het gebeurt. Maar niet nu natuurlijk, nu iedereen kijkt.

En voor dat kijken wordt het onderhand wel tijd. We gaan de ezels van Jasper Hulshoff Pol begroeten, we gaan zien hoe op roerloze werken van Pauline Nijenhuis toch een landschap aan je voorbij kan flitsen en we stappen in de geheimzinnige wereld van Gerlinde Habekotté. De expositie is geopend.

(uitgesproken bij de opening van een expositie in De Kijkdoos in Bennekom)
Jasper Hulshoff Pol

Pauline Nijenhuis

Gerlinde Habekotté

Foto door Gerrit Jurg



donderdag 28 februari 2013

Nieuws

Ooit schreef Lévi Weemoedt een kort gedicht, dat hij een streekroman noemde. Het gaat over een vrouw, die na vijftig jaar het huis weer binnenkomt van de man die zij verlaten heeft. Ze schuift tegenover hem aan tafel onder de lamp en vraagt of er nog nieuws is sinds hun scheiding. De man denkt lang na en zegt dan: ‘De zeug het weer ‘ebigd’.

Na vijftig jaar is er geen ander nieuws dan dat de zeug weer gebigd heeft en zelfs dat zal nauwelijks nieuws zijn. De zeug bigt immers een paar keer per jaar. Voor de rest is er niets gebeurd.

Toen ik vanmorgen aan dit gedicht moest denken, leek het me opeens heel aantrekkelijk, zo weinig nieuws. Op de radio is elk heel uur nieuws en daartussendoor zijn actualiteitenprogramma’s die elk half uur hetzelfde vertellen. Op tv kan ik het kanaal Journaal 24 ontvangen, zodat er altijd nieuws is. Er is Facebook, dat je een paar keer op een dag moet checken, anders loop je hopeloos achter en aan Twitter ben ik niet eens begonnen. Dan kwettert en tsjilpt het de hele dag.

Het valt mij op dat tegenwoordig zo’n beetje alles nieuws is. Ik snap best dat een Rus twittert: ‘Meteoriet ingeslagen. Best wel schrikken’. Maar waarom moet ik op Facebook lezen: ‘Gezellig met de kinderen koekjes gebakken’? Ik had niets gemist als ik het niet geweten had. Nou ja, degene die het plaatst, wil natuurlijk een handvol ‘likes’. Pas dan heeft ze het idee dat ze een goede moeder is. Maar wat moet ik als argeloze lezer ermee? Niets.

Goed, dat particulieren het internet gebruiken als egodump, daarvoor kan ik nog wel begrip opbrengen. Maar ook mijn eigen krant plaatst allerlei berichten die nauwelijks nieuwswaarde hebben. In de Volkskrant staat vandaag, en dat ook nog op de voorpagina, wat de fractieleiders getwitterd hebben over het gesprek met minister Dijsselbloem. Wilders heeft gisteravond, even voor halfzeven, getwitterd: ‘Min. Dijsselbloem op bezoek gehad. Kop koffie gegeven en gezegd dat hij steun PVV voor asociaal beleid op zijn buik kan schrijven.’

Wie is hiervan rechtop gaan zitten? Heeft iemand gedacht: ‘Tjonge, Dijsselbloem drinkt geen thee maar koffie’? Of: ‘Vreemd dat een partij asociaal beleid niet wil steunen’?

Verderop in de krant: een foto van onze aanstaande koning en zijn vrouw. De foto blijkt genomen te zijn op 16 januari. Geen nieuwswaarde dus, maar blijkbaar moest er op de bladzijde nog een plaatje.

In de weekends passen de kranten nauwelijks door de brievenbus, maar hoeveel artikelen zijn werkelijk het lezen waard? Weinig. En dan is de krant nog heilig bij bijvoorbeeld de tv. Ik ben zo’n beetje gestopt met kijken. Programma’s als Pauw & Witteman en De wereld draait door bestaan uit meninkjes en emotietjes. Amusant, maar ik kan mij ook amuseren door met mijn lief over de hei te wandelen, een boek te lezen of een goede film te zien.

Het blijft, vind ik, een rare ontwikkeling. Eerst wordt zo ongeveer alles nieuws en dan moet het nieuws ook nog amusant worden. Als iets geen nieuws is, wordt er geen aandacht aan besteed.  Wat geen aandacht weet te trekken, bestaat niet.
En je krijgt alleen aandacht als je het leuk kunt brengen. Botheid is leuker dan nuance, de sneer is leuker dan de analyse, de oneliner is leuker dan de zoektocht naar de waarheid. En voor je het weet bestaat nieuws uit oneliners, sneren en botheden. Daar krijg je ‘likes’ mee.

En daarom kan ik soms met weemoed denken aan een tijd waarin nieuws een schaars goed was. Een tijd waarin we niet hoefden te praten over eieren die in een verkeerd doosje zitten, over twee voetballers die na een wedstrijd vervelend doen tegen elkaar en over de koekjes die iemand gebakken heeft, maar waarvan we niets mogen proeven.

Van tijd tot tijd onttrek ik mij graag aan de gebeurtenisjes en het geklets erover. Dan laat ik tv en radio uit en laat het internet aan mij voorbijgaan. Ik stommel naar de deur en schiet in mijn klompen. Even kijken of de zeug al gebigd heeft. 

Foto: Edwin Nieuwstraten


Als een tang op een varken (streekroman(

Toen zij na vijftig jaar, door Toeval's grillige leiding,
zijn stulp weer intrad, aanschoof in het licht
en vroeg of hij nog nieuws had sinds hun scheiding,
dacht hij lang na en sprak: 'De zeug het weer 'ebigd.'

Lévi Weemoedt

woensdag 27 februari 2013

Pierre Dubois over Bernlef, Wolkers en Krol (1961)

Ergens in 1961 schrijft Pierre H. Dubois in Het Boek van Nu een recensie over een stel dunne boekjes. Het dikste is 164 bladzijden. De prijzen lopen uiteen van twee gulden tot ƒ 4,50 voor de niet gebonden boeken. Het dikste, gebonden boek, van A.L. Schneiders kost ƒ 7,90.

De namen van de auteurs: A.L. Schneiders, J. Bernlef, J. Wolkers, P. van Gestel, Gerrit Krol en Gerdy Pendel. Ik licht in dit stukje alleen de gedeelten eruit die gewijd zijn aan Bernlef, Wolkers en Krol, auteurs die later bekend zouden worden bij een redelijk groot tot groot publiek. De namen van Schneiders en Van Gestel kunnen we waarschijnlijk ook nog wel plaatsen, Pendel is vergeten.

Bernlef had in 1959 de Reina Prinsen Geerligsprijs ontvangen voor zijn verhalenbundel Stenen spoelen en zijn dichtbundel Kokkels. Dubois noemt de verhalen in Stenen spoelen 'zeer kort; het zijn nauwelijks schetsen die vrijwel geen gelegenheid laten tot karakterisering van personages.' Het gaat in de deze bundel meer om de sfeer, 'een sfeer van wanhopig verzet tegen de dodelijke vereenzaming van het het isolement, een verzet dat soms op een vorm van krankzinnigheid uitloopt.'

Het eindoordeel van Dubois is positief:
Maar in de kort samengebalde anecdotes die Bernlef tot zijn verhalen ombouwt heeft hij toch kans gezien een talent te demonstreren dat niet zo gering is en dat, dunkt mij, wel dat van een echt verteller is, geen Scandinavische, maar eerder een Amerikaanse. Zijn gevoeligheid is misschien wat subtieler, maar zijn verteltrant even elliptisch, zakelijk en suggestief. Redenen te over om met belangstelling een verdere ontwikkeling te volgen waarvan de mogelijkheden ruimschoots voorhanden zijn. 
'Het meest oorspronkelijke talent van de jonge schrijvers die hier vermeld worden, lijkt mij zonder twijfel Jan Wolkers', schrijft Dubois. Hij bespreekt de verhalenbundel Serpentina's petticoat  en noemt het:
Een fascinerend, buitengewoon indringend boek, waarvan ieder verhaal een surrealistische obsessie bezit en geschreven is vanuit een bittere noodzaak.
Als onderwerpen noemt Dubois oorlog, ziekte en dood. Wolkers' verhalen doen hem denken aan die van Hermans in Paranoia.
Ze zijn glashard en helder en van de andere kant geladen met een bezwerende poëzie, die overigens niets liefelijks heeft, maar wreed en meedogenloos is. 
Dubois constateert dat van bijna alle verhalen 'een penetrant sadisme' uitgaat. Een indringend sadisme dus.
Of misschien moet men zeggen masochisme, want het is zo persoonlijk, zo dwingend, dat men zich afvraagt of het niet in de eerste plaats tegen de schrijver zelf gericht is.
Afrondend schrijft Dubois:
Het boekje van Jan Wolkers is een van de merkwaardigste publicaties van de laatste tijd. Niet alleen omdat het een oorspronkelijk en belangrijk talent is, maar ook omdat zich in zijn schrijverschap een geest symbolisch realiseert, die perspectieven opent op de psychologie van een tijd. Het zou de moeite waard zijn om uitvoerig studie te maken van deze eerste kleine bundel van Jan Wolkers, omdat die in wat hij openbaart zo verrassend veel doet vermoeden van wat hij verbergt.
Dubois herkent dus meteen het talent van Wolkers. Ik had altijd het idee dat het vroege werk van Wolkers ook morele oordelen opgeroepen heeft. Niet bij Dubois dus.

De rokken van Joy Scheepmaker van Gerrit Krol noemt Dubois: 'Niet zonder belang'. Nadat hij wat over de inhoud van het boek heeft verteld, schrijft hij:
In wezen is het boek een monoloog, de poging om uit de vereenzaming los te maken en weer contact met de mensen te krijgen.
Maar dit alles komt uit het boek wel los en het geeft er een sympathieke toon aan, terwijl Gerrit Krol erin geslaagd is om dit effect met literaire middelen te bewerken.
Dat klinkt vrij vaag, vind ik. Wat moeten we bijvoorbeeld met die 'sympathieke toon'? Zegt dat iets over de kwaliteit van het boekje? Het zou zomaar kunnen dat Dubois niet zo goed raad wist met Krol, maar er toch iets aardigs over wilde zeggen.

Ook voor de drie andere schrijvers is Dubois overigens behoorlijk vriendelijk. Over Van Gestel zegt hij nog wel dat diens verhalen 'op zichzelf niet zeer belangrijk' zijn, maar dat ze wel de capaciteiten tonen van een jong schrijver die tot belangrijker werk in staat is. Van Gestel zou later vooral geprezen worden om zijn werk voor jongeren, bijvoorbeeld de prachtige jeugdroman Winterijs. 

Dubois blijkt alweer aardig zicht te hebben op de schrijvers die later uit zouden groeien tot grotere of ronduit grote schrijvers. Zo onderkende hij ook het talent van Mulisch, Hermans, Claus en Haasse. Al constateerde hij ook dat niet al hun boeken even sterk waren. Tanchelijn van Mulisch kon op weinig genade rekenen. Dubois had een goede neus voor talent.

De foto die bij het artikel van Dubois afgedrukt was.


zaterdag 23 februari 2013

Een oudt liedeken

Wanneer ik het voor het eerst heb gelezen, weet ik niet precies meer, maar ik vermoed dat het was in de literatuurgeschiedenis van Frans Bastiaanse, waarvan ik het vierde deel indertijd voor een paar gulden kocht en dat me veel wijzer maakte over de literatuur in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Daar las ik een gedicht van  Victor de la Montagne:


Een oudt liedeken
naar Jean Richepin 
Tsagh eens een cnape stervensgeern
een valsche, vreede boose deern.
Sei totten cnape: "hael mi terstont
din moeders herte voor minen hont."
Hi ging en sloech sin moeder doot
vluchtte mettet herte root.
Mer twijl hi loopt, stuict oppen steen
en valt, - dat erme hert meteen.
Als botsen op de harde baen,
vingh plots dat herte te spreken aen.
Al weenen vinghet te spreken aen:
"Och jonghe, hebs di seer gedaen?"

Er staan veel onbegrijpelijke zaken in dit 'liedeken'. Waarom is deze knaap 'stervensgeern'? En waarom voldoet hij zonder vragen aan het verzoek van de wrede deern om het hart van zijn moeder te halen voor haar hond? De dichter doet of het allemaal vanzelfsprekend is en wij volgen hem in dit intrigerende verhaal.

Het hart spreekt als het gevallen is, zoals ook het afgehakte hoofd nog kan praten in 'Het lied van heer Halewijn'. Zelfs als de moeder doodgeslagen is, is haar hart nog bekommerd om haar zoon. Wij wrijven een traan weg.

Het gedicht was ik nooit meer vergeten, evenals de naam Victor de la Montagne. Vanochtend luisterde ik naar de Top 50 van Radio Noordzee, van 16 februari 1974, inclusief de Troef 20. Op nummer 6 staat daar de Zangers zonder Naam met de smartlap 'Een moederhart'. Hetzelfde verhaal, ongetwijfeld.

Hier is de jongen niet 'stervensgeern', maar 'zo moedig en trouw'. Ook hier wordt niet uitgelegd waarom die jongen moedig is en waaraan of aan wie hij dan zo trouw is. Maar in het lied wordt wel uitgelegd waarom de jongen het hart van zijn moeder gaat halen voor de deern: hij is op haar verliefd en zij moet niets van hem hebben. Als zij hem dan vraagt het hart van zijn moeder te halen, doet hij dat waarschijnlijk om te laten zien hoeveel hij voor haar overheeft.

Het lied blijkt ook te vinden te zijn op YouTube, zelfs twee keer in één 'filmpje'. Luister en huiver. En luister ook naar de tekst van Victor de la Montagne, fraai voorgelezen door Jeanine Schevernels.





Naschrift: na maanden (oktober 2013) hoor ik het lied terug en kom erachter dat de jongen volgens de Zangeres helemaal niet 'moedig en trouw' was, maar 'goedig en trouw'.