vrijdag 11 mei 2012

Echte mannen scheiden niet



Ongeveer tegelijkertijd liepen de huwelijken van Erik Jan Harmens en Rick de Leeuw op de klippen. In die tijd waren zij elkaar tot steun. Nu hebben ze samen een dichtbundel geschreven: Echte mannen scheiden niet.

Eerlijk gezegd staan er niet zoveel goede gedichten in de bundel. Toch heb ik wel plezier beleefd aan het boekje, vooral door sommige zinnen. Ik kon wel genieten van bijvoorbeeld:
Dit was het dan, nu volgt het lange sloffende bergaf.
Of:
Ik werp mijn muntgeld in een vijver als kittens in een zak
Of:
Vroeger was het beter, weet je nog?
Toen kon je lachen, toen waren anderen de lul.
Ondanks de ellende waarover veel gedichten gaan, is er gelukkig veel te lachen. Misschien ook wel net iets te veel. Harmens en De Leeuw hebben de neiging nogal barokke beeldspraak te gebruiken ('Ik bracht stokken in het bos terug / met het enthousiasme van een landverrader'), maar vaak ook leidt die beeldspraak af. Grappig beeld, denk je dan, maar je staat nauwelijks meer stil bij waarvoor dat beeld staat.

Vaak ook buitelen de metaforen en vergelijkingen over elkaar heen, passen ze niet bij elkaar, sluiten ze niet op elkaar aan. Dan moet ik zinnen lezen als:
Plaagziek pritte je dan je bovenlip op de onder
en moest ik op de tast door de vuile was
tot ik jou vond als een vader zijn kind
in een doorrookte cruiseschipkajuit
Allemaal aardige beeldjes, maar bij elkaar werken ze niet.

Ook hebben de dichters de neiging alles nogal vet aan te zetten: grote gebaren, harde stemmen. Schmierend bedoeld, mag ik hopen. Dat maakt het voor de lezer wel onderhoudend, maar ik zou me als lezer ook wel eens wat minder gemakkelijk willen voelen. Maar dat zit er niet in. De lezer wordt geamuseerd, maar meestal niet geraakt.

Soms is er ineens een wat meer verstild gedeelte, bijvoorbeeld als de ik aan de ex-geliefde vraagt nog even aan hem te denken bij het verschonen van het bed. En ook dit slot vond ik fraai:
de kamer is mooi en het bed is mooi
het bezoek komt en gaat
al komt het steeds minder
en gaat het steeds sneller
en het fruit ruikt nog lekker, maar wat ziet het eruit

woensdag 9 mei 2012

De grasbijter




Uitgeverij Cossee bestaat tien jaar. Ter gelegenheid daarvan zijn er enkele boeken heruitgegeven die in de loop van die tien jaar zijn verschenen, in een mooi linnen kaft, voor een vriendenprijsje. De auteurs zijn niet de minste: bijvoorbeeld J.M. Coetzee, David Grossman en Jan van Mersbergen.

Van Mersbergen werd vooral bekend door zijn prachtige korte roman Naar de overkant van de nacht, die genomineerd werd voor de Libris Literatuurprijs. Daar schreef ik al eerder over. Nu heb ik zijn debuut De grasbijter gelezen.

Voor zover ik weet is indertijd het boek niet bijzonder opgevallen. Goed, het werd genomineerd voor de Debutantenprijs, maar ik heb er geen stapel van in de winkels zien liggen en ik heb nog nooit iemand gesproken die het gelezen heeft. Dat is vreemd.

De grasbijter speelt zich af op een boerderij, waar de wat eenzelvige jongeman Francis woont. Hij heeft wat schapen, wat kippen, een paar ganzen en een hond, maar je kunt hem eigenlijk geen boer noemen. Het ooft in de boomgaard plukt hij niet en hij rommelt wel wat op de boerderij, maar hij is niet bezig met het in stand houden van een boerenbedrijf.

Zo'n boerenomgeving, daar moeten de lezers toch pap van lusten, zou je denken. Mede dankzij zo'n setting werden Gerbrand Bakker en Franca Treur bekend bij het grote publiek. Van Mersbergen niet. Die moest eerst nog vijf andere boeken schrijven.

Francis heeft een zekere traagheid van denken en van leven. Misschien is ongehaastheid een beter woord. Hij heeft een baantje bij een fruitimporteur en verder kan hij gerust een halve nacht buiten zitten met zijn hond, kijkend naar de lucht en luisterend naar de geluiden. Er komt onrust in zijn leven als Cecile, een meisje dat op de middelbare school bij hem in de klas zat, zijn piano overneemt en een stukje Mendelsohn voorspeelt.

Ook die onrust is meer gewoel onder het oppervlak dan dat ze emotionele taferelen oplevert. Dat past niet bij Francis. Wel organiseert hij een auto, zodat hij naar de stad kan om een concert van haar mee te maken.

Het is goed dat De grasbijter herdrukt is. Het boek verdient een groter publiek. Mooi, sober geschreven, genoeg weggevend, genoeg achterhoudend. Een boek om buiten in de schaduw te lezen. Mee op vakantie dus!

dinsdag 8 mei 2012

Kroniek van een aangekondigde dood (Knipoog 11)



In De Volkskrant van vanochtend schrijft Mark van Driel een bijna paginagroot artikel over het boek Doodloper. Het tragische einde van olympisch kampioen Samuel Wanjiru van Frits Conijn en Simon Maziku. Boven het artikel staat de kop 'Kroniek van een mysterieuze dood'.

Nog nooit had ik gehoord van Samuel Wanjiru. Het moet een wonderlijke man geweest zijn. Van Driel: 'Hij bedroog zijn echtgenote Terezah vaak, soms zelfs thuis met de inwonende schoonmaakster. Hij bedreigde zijn echtgenote met een machinegeweer. Hij verwekte kinderen bij andere vrouwen en raakte betrokken bij verkeersongevallen. Eenmaal richtte hij na een botsing zelfs een wapen op een priester.'

Vorig jaar werd hij dood aangetroffen op de binnenplaats van zijn huis. Zelfmoord, zegt de een. Een ongeluk, zegt de ander. Maar misschien ook was het moord. De zaak ligt nog steeds erg gevoelig. Bij de boekpresentatie was er een persbijeenkomst in Nairobi en meteen erna moest Frits Conijn, om veiligheidsredenen het land verlaten.

Een wonderlijk verhaal, maar het gaat mij om de titel die Mark van Driel gebruikt: 'Kroniek van een mysterieuze dood'. Dat is een knipoog naar een boek van Gabriel Garcia Márquez naar wie ik al eerder een knipoog signaleerde. Hij schreef het boek Kroniek van een aangekondigde dood.


Eerlijk gezegd heb ik het boek niet gelezen. Ik ben nooit verder gekomen dan Honderd jaar eenzaamheid, waarvan ik overigens wel genoten heb. Goegje vertelt mij waarover het boek gaat. Angela wordt door haar bruidegom verlaten als in de huwelijksnacht blijkt dat ze geen maagd meer is. Ze wijst Santiago aan als degene die haar ontmaagd heeft. Haar broers gaan met messen op pad om Santiago te vermoorden. Onderweg vertellen ze aan iedereen wat ze gaan doen, maar niet komt op het idee om Santiago ervan op de hoogte te stellen. Uiteindelijk wordt hij vermoord.

Márquez is wereldberoemd. Zelfs zo beroemd dat Mark van Driel ervan uitgaat dat wij, als simpele krantenlezers, meteen aan hem moeten denken als hij varieert op een van Marquez' titels. Hij heeft gelijk.


zondag 6 mei 2012

Van oude mensen. De dingen die voorbijgaan (Knipoog 10)



In de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad van 5 mei, gisteren dus, staat een artikel van Ellen de Bruin,  'Ons gevreesde, oude zelf. Op de voorpagina wordt het bericht aangekondigd in een paar zinnen. Van de eerste zin zijn de de eerste drie woorden groot en vet gedrukt: 'Van oude mensen...', wat wordt aangevuld, in een bescheidener letter met: '...denken jonge mensen vaak dat ze zielig zijn. Waarom? Straks zijn ze zelf oud'. 

De redacteur die deze aandachttrekker verzon, heeft ongetwijfeld willen knipogen naar een boek van Louis Couperus uit 1906. Hoe de titel van dat boek precies luidt, is al moeilijk. De site van het Louis Couperus Genootschap houdt het op 'Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...'  Maar als ik de eerste drie  recensies bekijk waarnaar het Genootschap verwijst (alle uit 1906), zie ik de titel geciteerd als 'Van oude menschen. De dingen die voorbijgaan'. Met een punt in het midden en zonder de puntjes aan het einde.

Dat laatste lijkt mij het meest aannemelijk. De komma achter 'de dingen', zou duiden op een uitbreidende bijvoeglijke bijzin. Dat is een zin die in principe weggelaten zou kunnen worden. In dit geval zou het erop duiden dat dingen sowieso voorbijgaan. 

Als de komma weggelaten wordt, hebben we een beperkende bijvoeglijke bijzin. Dan gaat het niet meer over alle dingen (waarvan we ten overvloede vermelden dat ze voorbijgaan), maar over een subcategorie: alleen de dingen die voorbijgaan (de andere dingen niet). Tenminste, wanneer ik ervan uit mag gaan dat de regels voor de interpunctie in 1906 dezelfde waren als die van nu. Wellicht dat een taalkundige daar iets verstandigs over kan zeggen. 

Het 'van' in 'Van oude menschen' betekent 'over'. Zoals in Van den vos Reynaerde (over de vos Reynaert) en Van een klein meisje en een grote klok (W.G. van de Hulst). In 1906 was een dergelijk gebruik van 'van' zeker nog gangbaar, getuige de volgende titels: Eli Heimans, Van allerlei dieren (1902), Beata, Van allerlei hondjes (1903), Nellie van Kol, Van blond en bruin (1905), Alfred Listal, Van de wortelkindertjes (1920). Er zijn nog tientallen dergelijke titels te noemen.

Als ik ervan uitga dat Couperus in het midden van de titel een punt heeft geplaatst, dan heet het boek dus: 'Van oude menschen'. Over oude mensen. Als ondertitel heeft het dan 'De dingen die voorbijgaan'. Met een komma, zou de suggestie gewekt kunnen worden dat 'de dingen die voorbijgaan' een bijstelling is bij 'oude menschen'. De oude mensen zouden dan de dingen zijn die voorbijgaan. Hm. Zou Couperus van mensen gezegd hebben dat ze dingen zijn? Dat lijkt me sterk. 

Couperus vertelt in dit boek over oude mensen. Nader bepaald: over de dingen die voorbijgaan. Ook dat is nog niet eenduidig, omdat in het boek vooral geschreven wordt over de dingen die niet voorbijgaan. Steeds moeten de zeer oude mensen denken aan wat er vroeger gebeurd is, aan Het Ding. Dat blijft maar in hun hoofd bestaan en het gaat maar niet voorbij. 

Hoe dan ook, degene die de voorpagina van de wetenschapsbijlage in elkaar zette, had zijn hoofd even bij Couperus. Mooi dat dat nog bestaat. 


Hou me vast


Hans Münstermann heeft een serie mooie boeken geschreven, rondom zijn alter ego Andreas Klein. Het leverde titels op als Het gelukkige jaar 1940, Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf, De confrontatie en De bekoring. Mooi gedaan, fris van stijl, interessant spel met verbeelding en werkelijkheid soms. Van die boeken had hij er van mij nog wel meer mogen schrijven. Maar hij schreef Hou me vast.


Ik heb de neiging om het boek als mislukt te beschouwen. Na honderd bladzijden wilde het nog steeds niet boeiend worden. Bij het derde deel werd dat beter, dat is waar, maar het was te laat. Het stemde me iets milder, maar dat was het dan.

Hoofdpersonen zijn Zelda, die een regieopleiding volgt en Matussek, een docent aan die opleiding. Matussek komt over als een cynisch persoon, die de studenten vooral wil testen. Maar ze raken wel gefascineerd door hem, vooral als Matussek vertelt dat hij thuis een brief heeft liggen van een geliefde en dat hij de envelop niet open zal maken.

In de eerste twee delen kijken we door de ogen van Zelda. Af en toe lezen we een brief van Zelda aan haar vriendin Ada, waarschijnlijk ter afwisseling; een stukje in de ik-vorm in plaats van in de zij-vorm. Die vriendin blijft verder buiten beeld. Het had ieder ander kunnen zijn.

In de volgende delen komen we meer te weten over Matussek, al ligt het pespectief ook daar van tijd tot tijd bij Zelda.

Ik kan de personages nog wel volgen, ik kan wel beredeneren waarom ze zich gedragen zoals ze doen, maar ik voel er zo weinig bij. Het boek pakt me niet, de personen interesseren me nauwelijks. En ik heb het idee dat dat aan het boek ligt. Dat het maakwerk is. Dat ze ook verder van Münstermann af staan, maar dat hij nu eenmaal ook eens een ander soort boek wilde schrijven. Of dat hij dat van de uitgever moest.

Jammer. Van Münstermann heb ik verscheidene boeken nog niet gelezen. Daar had ik beter naar kunnen grijpen dan naar Hou me vast. 


Hieronder een filmpje dat gemaakt is naar aanleiding van het mooie boek De bekoring (2006).







zaterdag 5 mei 2012

De kanonnen van Navarone (Knipoog 9)



Elke week verkent Pieter Steintz een soort canon van de Europese cultuur, in de serie 'Made in Europe'. Ook  vandaag stond er weer een aflevering in NRC Handelsblad, onder de titel 'De kanonnen van Chopin'. De titel verwijst naar een uitspraak van Robert Schumann, die in Chopins muziek 'kanonnen onder de bloemen' hoorde.

Van die uitspraak van Schumann was ik niet op de hoogte. Ik moest meteen denken aan De kanonnen van Navarone, een film uit 1961 (The guns of Navarone). Goegje leert me dat het een verfilming is van een boek van Alistair MacLean.

Film niet gezien, boek niet gelezen. Nooit iets gelezen van Alistair MacLean. En ik wist ook al niet waar de film over ging. Die blijkt zich in de Tweede Wereldoorlog af te spelen. Op het Griekse eiland Navarone staan Duitse kanonnen en die moeten onschadelijk gemaakt worden door Amerikaanse en Britse elite-militairen.

Hoewel ik zo weinig van de film afwist, schoot de titel mij meteen te binnen. Zou indertijd de film in Nederland bekend geworden zijn onder de vertaalde titel? Of zou het toch de boektitel zijn die bij mij is blijven hangen? Geen idee, maar ooit heeft zo'n titel zich in mij genesteld, om weer omhoog te ploppen bij het doorbladeren van de krant. Dat zal dan wel bij meer mensen gebeuren.



Gedicht Arjan Keene

Op de weblog van Arjan Keene trof ik het volgende gedicht aan:


Stil

Vandaag herdenken wij. We lezen namen
van mensen die we niet hebben gekend,
die na de oorlog niet meer thuis kwamen.
Wij bewaken hun laatste monument.

Voor even springt het glas terug in de ramen,
wordt gruis van kogelgaten weer cement.
In een oneindige momentopname
lichten er sterren op aan het firmament.

En morgen is een jaarlijks herexamen:
dat vrijheid kostbaar is, geen compromissen kent.
Want zonder hen waren wij niet samen,
was alles anders, was jij niet wie je bent. 


Het is duidelijk een gedicht voor 4 mei en het werd dan ook gisteren gepubliceerd in Edese Post. Daarom neem ik de vrijheid om het over te nemen. Dat het in de plaatselijke krant heeft gestaan, zou kunnen betekenen dat Arjan Keene het gedicht als stadsdichter heeft geschreven. Aan het gedicht zelf is niet te zien dat het voor Ede is bedoeld.

Het gedicht begint mooi. Keene laat zien dat herdenken verder gaat dan het eigen verleden. Die eerste twee regels zijn onberispelijk metrisch. In de rest van het gedicht komen nog maar drie regels voor (r. 5, 6, 9) die het metrum strak vasthouden. Of dat de bedoeling is, weet ik niet, maar doordat het gedicht afwijkt van het metrum en in enkele regels te veel lettergrepen heeft, krijgt het wel iets onhandigs.

Misschien hik ik zo tegen dat metrum aan, omdat in de derde regel voor mijn gevoel het gedicht ook inhoudelijk en stilistisch wat inzakt. Het bewaken van het monument in regel vier vind ik dan wel weer mooi, maar waarom het 'laatste' monument? Hoeveel monumenten zijn er dan waarop juist deze namen staan? Of moet hier ook het laatste moment waarop de mensen in leven waren meespelen?

De tweede strofe is inhoudelijk interessant. Door het herdenken gaan we terug in de tijd, naar de tijd voordat alles kapot was. Maar ook het herdenken zelf is helend. Gruis van kogelgaten is natuurlijk al cement, maar ik vermoed dat de meeste lezers bij 'cement' toch de keurig aangestreken muur voor zich zien.

Die 'oneindige momentopname' is een aardige paradox, maar de vierde regel ontstijgt het cliché niet.

In de derde strofe stappen we over naar 5 mei. Die dag is volgens het gedicht niet in de eerste plaats een feest, maar een opdracht. We moeten beseffen dat vrijheid kostbaar is en daar moeten we geen concessies aan doen. In ons achterhoofd speelt mee dat ook veel gevallenen juist voor die vrijheid hebben gestreden, compromisloos hebben geleefd.

In regel 11 verwijst 'hen' wel heel erg ver terug: naar regel 2. Dat lijkt me te veel gevraagd. Voor mijn gevoel zweeft dat 'hen' dan ook en had het een anker moeten krijgen. Het slot is overigens weer heel behoorlijk: ons verleden en het verleden dat nog verder achter ons ligt, vormt ons. Daarom herdenken wij dus mensen die we niet kennen.

Ongetwijfeld is het gedicht onder tijdsdruk ontstaan, maar dat is iets waarmee een stadsdichter heel vaak te maken zal krijgen. Het is dan ook onmogelijk om als stadsdichter alleen maar goede gedichten af te leveren. Dit gedicht heeft goede gedeelten, maar het had beter gekund en de dichter had er volgens mij dan ook nog wat langer aan moeten sleutelen. Laat ik nog wel even noemen dat het gebruik van slechts twee rijmklanken mooi is, maar misschien heeft ook dat het moeilijk gemaakt voor de dichter.

Ik snap dat het niet fijnzinnig is om kritiek te hebben op een gedicht over de dodenherdenking, juist omdat het onderwerp zo gevoelig ligt. Ik wil dan ook niets afdoen aan de intentie van de dichter en aan de inhoud van het gedicht. Het lijkt me alleen maar goed dat we ons af en toe afvragen waarom we eigenlijk herdenken en dat we niet alleen uit traditie enkele minuten stil zijn. Maar ik blijf wel technische bezwaren tegen het gedicht houden.