Bezoekers komen langs allerlei dwaalwegen op deze site. Vaak heb ik me verbaasd over de zoekwoorden die naar Bunt Blogt blijken te leiden.
De meest gangbare zijn mijn naam, titels van boeken, stadsdichter Ede en namen van schrijvers. 'Kachelglans' blijkt trouwens ook een product, of althans een woord, waarnaar veel mensen op zoek zijn. Vlak na het overlijden van Anil Ramdas bleken mensen op zoek naar allerlei details uit zijn leven: eventuele ziekte, zelfmoord en gevangenschap.
Van tijd tot tijd zal ik een paar van de curieuze zoektermen in een berichtje plaatsen. Niet ter lering, doch slechts ter vermaak. Zo zag ik eerder deze week dat iemand bij het stukje over Sjors en Sjimmie uitkwam door te zoeken op 'George en Sjimmie'. Misschien heeft hij (het zal wel een man zijn) het ook geprobeerd met 'George en Jimmy', maar was het op die manier niet gelukt.
Vanochtend kwam ik de volgende zoekwoorden tegen:
- cholera in tijden van liefde
- foto van oude rimpelige vrouw
en misschien de leukste:
- wo kan man bunte papegai kaufen
zaterdag 7 april 2012
donderdag 5 april 2012
Schakers. Portretten
Onder Nederlandse schakers zitten nogal wat schrijvers. Tim Krabbé is waarschijnlijk de bekendste. Geen grootmeester, maar wel een schaker op hoofdklasseniveau. En Hein Donner, wiens geweldige boek De Koning ook wel tot de literatuur doorgedrongen is, evenals zijn korte stukjes, in bundels als Na mijn dood geschreven en Geen patiënten.
Donner was een man van grote gebaren en dat zie je ook terug in zijn barokke stijl. Indertijd nam ik een abonnement op het blad Schaakbulletin omdat Donner daarin schreef. Ook Hans Ree schrijft (met boeken als Een man merkt nooit iets en God is niet koppig). En dan hebben we natuurlijk Jan Timman.
Timman is misschien wel de meest talentvolle schaker die Nederland ooit heeft gehad. Hij is nooit wereldkampioen geweest, zoals Max Euwe, en hij schoot op beslissende momenten soms net tekort. Maar hij heeft een glanzende carrière gehad, waarin hij in schitterende stijl zijn partijen speelde. Hij speelt overigens nog steeds.
En hij kan schrijven. Zijn boek over de kwalificaties voor het wereldkampioenschap, Het smalle pad, was prachtig geschreven, ook voor niet-schakers. Nu is er een boek met portretten van scakers, met de eenvoudige titel Schakers en de ondertitel Portretten. Timman schetst daarin portretten van Aljechin, Botwinnik, Larsen, Tal, Spasski, Fischer, Andersson, Kasparov, Judith Polgar en de huidige nummer 1 van de wereld, Magnus Carlsen.
Toen ik de inhoudsopgave zag, verbaasde ik me over twee dingen. Allereerst verwonderde het mij dat er geen hoofdstuk aan Karpov was gewijd. Maar in het hoofdstuk over Kasparov komt al zoveel Karpov voor, dat ik wel begrijp dat een apart hoofdstuk niet meer zo nodig was.
Verder staat, voor mijn gevoel, Andersson een beetje vreemd in het rijtje. Waarom wel een hoofdstuk voor Andersson en niet voor bijvoorbeeld Kortsjnoi, Short of Anand? Ik denk dat Timman een correctie wilde geven op het beeld dat er van de Zweed bestaat. Bij Ulf Andersson denken veel schakers aan een remiseschuiver en daarmee doen we hem geen recht, al is het beeld begrijpelijk.
Timmans boek bevat prachtige portretten, die heel goed geschreven zijn. Mijn leerlingen mogen dit boek zo op hun literatuurlijst zetten. Hoogtepunten zijn voor mij de hoofdstukken over Aljechin en Tal. Alle portretten zijn eigenlijk ook een portret van Timman. Hij laat zien waarom hij van sommige schakers partijen bestudeerde en hoe hij hen in de dagelijkse omgang meemaakte. Soms maakt hij zijstapjes naar zijn eigen carrière, op een prettige reportageachtige manier, zonder opdeborstklopperij, maar ook zonder misplaatste bescheidenheid.
Meestal kan Timman aardig afstand houden en is hij mild in zijn oordeel, zonder overigens fouten van schakers (zoals het antisemitisme van Fischer) te vergoelijken. Alleen bij Kasparov proef je door alles heen de moeite die Timman had met de manier waarop de grote K. zijn zin altijd wilde doordrukken. Timman zal daar ook zelf veel vervelende ervaringen mee gehad hebben toen hij met Kasparov in het bestuur zat van Grand Masters Association.
Een enkele keer schiet Timman uit de bocht. In het portret van Polgar staat bijvoorbeeld het truttige zinnetje 'Uiteraard moest ik vreselijk lachen om haar snedige reactie'. Maar over het algemeen is Timmans stijl vlekkeloos. Mooie observaties, mooi verwoord. Zo vergelijkt hij Ulf Andersson met een tennisser: 'In het schaken had hij ook een soort baseline van waaruit hij zijn acties ondernam.'
Verder staat het boek ook vol met prachtige anekdotes, bijvoorbeeld over Mischa Tal, die na een winstpartij drie verschillende vrouwen belde om steeds hetzelfde te vertellen: 'Door aan jou te denken heb ik mijn partij gewonnen.'
Wie wil weten hoe goed Timman schrijft, leze het boek. Laat Timman vooral blijven schrijven.
dinsdag 3 april 2012
P.C. Hooftprijs 1959
In 1959 werd de P.C. Hooftprijs niet toegekend. De prijs wordt afwisselend aan een auteur van poëzie, verhalend proza en beschouwend proza uitgereikt. In 1959 was het verhalend proza aan de beurt. De jury, bestaande uit Gerard Knuvelder, Anna Blaman, C. Rijnsdorp, Emmy van Lokhorst en Jacques den Haan vond geen geschikte kandidaat.
In Het Boek van Nu verbaast Pierre H. Dubois zich daarover. Hij vraagt zich af of het wel nodig was dat de jury afzag van een advies aan de staatssecretaris. Hij legt uit dat de P.C. Hooftprijs weliswaar vaak als een oeuvreprijs wordt gezien, maar dat de prijs ook toegekend kan worden vanwege een enkel werk. Vestdijk kreeg hem bijvoorbeeld voor De Vuuraanbidders. (Dat was in 1950. In 1953 had Bordewijk de prijs gekregen, o.a. voor De doopvont en in 1956 Anna Blaman, toen al wel voor haar gehele oeuvre. T.B.)
Was er uit de afgelopen drie jaar niet zo'n werk te vinden? vraagt Dubois zich af. Hij geeft als voorbeeld De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Bij dit boek bijvoorbeeld kan een jury in deze samenstelling het moeilijk hebben, suggereert Dubois. Hermans' boek is 'door de overgrote meerderheid van de competente kritiek in Nederland beschouwd en besproken (...) als een boek van uitzonderlijke kwaliteit'. Maar het zou kunnen zijn dat het boek door de juryleden niet alleen op literaire gronden wordt beoordeeld.
Dubois kan zich voorstellen dat het katholieke jurylid (Knuvelder dus) en het 'christelijke' lid (Rijnsdorp) tegen een dergelijke roman inhoudelijke bezwaren hebben. Dan hoeft er nog maar één jurylid te zijn dat literaire bezwaren heeft en de meerderheid is tegen. Het is maar een gedachte, zegt Dubois: 'wij zeggen niet dat het zo geschiedde'.
Er kan, volgens Dubois, ook op een andere manier gestemd worden. Als er geen schrijver is die een meerderheid van de stemmen heeft, dan kun je toch van de mogelijke kandidaten er een paar elimineren, totdat je er eentje overhoudt? 'Wanneer de jury er dan alleen voor zorgt op de kandidatenlijst geen figuren te plaatsen, waarmee zij zich onder geen beding kunnen verenigen, zou het probleem althans iets eenvoudiger zijn geworden.'
Tot zover Dubois. Uit de notulen van de juryvergadering blijkt dat Hermans inderdaad een kandidaat was. Blaman en Den Haan waren voor Hermans. Ina Boudier-Bakker en Anton Koolhaas waren ook in de race en vooral ook Maria Dermoût, die de steun kreeg van Rijnsdorp en Van Lokhorst en bij de tweede vergadering stemde ook Knuvelder voor Dermoût. Deze informatie is te vinden in Willem Frederik Hermans in de prijzen van Rob Delvigne (2005).
In 1962 kreeg Theun de Vries de P.C. Hooftprijs, maar in 1965 ging het weer mis: de jury kwam er niet uit. Er waren drie schrijvers genomineerd: Gerard Reve (die toen nog G.K. van het Reve heette), Anton Koolhaas en Harry Mulisch.
Drie jaar later (1968) kreeg Reve de prijs alsnog. Mulisch moest tot 1977 wachten en Koolhaas tot 1992. Hermans kreeg de prijs in 1977, maar weigerde hem omdat hem bij vergissing een te hoog prijzengeld was toegezegd. Maria Dermoût heeft de prijs nooit gekregen.
Ook in later jaren was er nog wel gedoe om de prijs, maar in dit bestek laat ik dat even zitten.
In Het Boek van Nu verbaast Pierre H. Dubois zich daarover. Hij vraagt zich af of het wel nodig was dat de jury afzag van een advies aan de staatssecretaris. Hij legt uit dat de P.C. Hooftprijs weliswaar vaak als een oeuvreprijs wordt gezien, maar dat de prijs ook toegekend kan worden vanwege een enkel werk. Vestdijk kreeg hem bijvoorbeeld voor De Vuuraanbidders. (Dat was in 1950. In 1953 had Bordewijk de prijs gekregen, o.a. voor De doopvont en in 1956 Anna Blaman, toen al wel voor haar gehele oeuvre. T.B.)
Was er uit de afgelopen drie jaar niet zo'n werk te vinden? vraagt Dubois zich af. Hij geeft als voorbeeld De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Bij dit boek bijvoorbeeld kan een jury in deze samenstelling het moeilijk hebben, suggereert Dubois. Hermans' boek is 'door de overgrote meerderheid van de competente kritiek in Nederland beschouwd en besproken (...) als een boek van uitzonderlijke kwaliteit'. Maar het zou kunnen zijn dat het boek door de juryleden niet alleen op literaire gronden wordt beoordeeld.
Dubois kan zich voorstellen dat het katholieke jurylid (Knuvelder dus) en het 'christelijke' lid (Rijnsdorp) tegen een dergelijke roman inhoudelijke bezwaren hebben. Dan hoeft er nog maar één jurylid te zijn dat literaire bezwaren heeft en de meerderheid is tegen. Het is maar een gedachte, zegt Dubois: 'wij zeggen niet dat het zo geschiedde'.
Er kan, volgens Dubois, ook op een andere manier gestemd worden. Als er geen schrijver is die een meerderheid van de stemmen heeft, dan kun je toch van de mogelijke kandidaten er een paar elimineren, totdat je er eentje overhoudt? 'Wanneer de jury er dan alleen voor zorgt op de kandidatenlijst geen figuren te plaatsen, waarmee zij zich onder geen beding kunnen verenigen, zou het probleem althans iets eenvoudiger zijn geworden.'
Tot zover Dubois. Uit de notulen van de juryvergadering blijkt dat Hermans inderdaad een kandidaat was. Blaman en Den Haan waren voor Hermans. Ina Boudier-Bakker en Anton Koolhaas waren ook in de race en vooral ook Maria Dermoût, die de steun kreeg van Rijnsdorp en Van Lokhorst en bij de tweede vergadering stemde ook Knuvelder voor Dermoût. Deze informatie is te vinden in Willem Frederik Hermans in de prijzen van Rob Delvigne (2005).
In 1962 kreeg Theun de Vries de P.C. Hooftprijs, maar in 1965 ging het weer mis: de jury kwam er niet uit. Er waren drie schrijvers genomineerd: Gerard Reve (die toen nog G.K. van het Reve heette), Anton Koolhaas en Harry Mulisch.
Drie jaar later (1968) kreeg Reve de prijs alsnog. Mulisch moest tot 1977 wachten en Koolhaas tot 1992. Hermans kreeg de prijs in 1977, maar weigerde hem omdat hem bij vergissing een te hoog prijzengeld was toegezegd. Maria Dermoût heeft de prijs nooit gekregen.
Ook in later jaren was er nog wel gedoe om de prijs, maar in dit bestek laat ik dat even zitten.
| Omslag van de eerste druk (1958) waarin 'Damocles' de c nog had. |
Mijn naam is Legioen
Er zijn te veel dichters van wie ik nauwelijks wat gelezen heb. Nou ja, wat losse gedichten. Het rare is: die vond ik ook nog goed en toch heb ik geen bundel gekocht van, pak hem beet, Astrid Lampe, Erik Menkveld, Pieter Boskma. Er is geen deugdelijke reden voor, maar het is zo. Zo had ik ook nooit een bundel gekocht van Menno Wigman. Maar nu wel: Mijn naam is Legioen.
Nachtrit
Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet
en met een onvervreemdbaar recht op seks
('Mijn naam is Legioen, wij zijn met velen'),
jaagt door de late nacht over de weg
en wil zijn lichaam met gevrouwte delen.
De pompen van de Shell. Het pooierslicht.
Vol moed een meisje achter glas betalen.
Vol moed aan nieuwe vrouwen denken, echt,
elektrisch, kil verhit, maar denken, denken -
een herdershond, onthand en underfucked,
al jaren in zichzelf verongelukt,
maar met drie namen in zijn telefoon,
drie namen vol belofte van geluk.
Hij belt. Zijn recht op seks. Op scherpe meiden.
Waarom heb ik toch medelijden?
Er komt een man het gedicht binnenrijden en meteen daarna is er de eenentwintigste eeuw. Daarmee zegt het gedicht niet alleen dat het om een hedendaagse man gaat, maar misschien geeft het ook wel een beeld van deze eeuw.
Het is geen schoonheid, deze man ('kaal, gezet'), maar hij vindt dat niemand hem het recht op seks kan afnemen. Zijn naam is Legioen, zoals tegen Jezus de man zei in wie een heel leger van duivels huisde. Zo'n uitspraak, die het ook tot de titel van de bundel heeft gebracht, kan wijzen op de bezetenheid van de man, maar ook op zijn versnipperdheid, lijkt me.
Door het woord 'gevrouwte' viel ik meteen voor dit gedicht. Prachtig woord, dat qua vorm lijkt op 'gebladerte' en 'gedierte'. Het ontpersoonlijkt: dondert niet welke vrouw het is, als het maar vlees is.
In de tweede strofe valt de herhaling op: twee keer 'Vol moed'. Dat doet Wigman vaker:
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,en:
we naderen de uitvaart van het boek.
Niets weet je van wie hier je asbak leegt.Het heeft iets onbeschaamds. Veel dichters zouden naar variatie zoeken, maar Wigman niet. Je moet het maar durven. Bij andere, mindere dichters zou het een teken van zwakte zijn. Bij Wigman is het een keuze.
Niets weet je van wie hier de lakens schikt.
Dat er twee keer verteld moet worden dat de man 'vol moed' is, duidt er wellicht op dat die moed wat opgeklopt wordt, dat hij die misschien toch heeft moeten verzamelen. Dat er een twijfeltje in hem schuilt en daardoor zijn gebaren net iets te breed te zijn.
Echt. Hij zoekt naar echte vrouwen, maar wel bij hoeren, die voor hun beroep mannen afwerken. Daarom kunnen 'kil' en 'verhit' ook gezusterlijk naast elkaar staan in dit gedicht.
De man blijft maar 'denken, denken'; het maalt door zijn kop. Bij de herdershond in de volgende regel zie ik de tong al uit de bek hangen. De man jaagt achter de vrouwen aan, maar doet dat 'onthand' en is 'al jaren in zichzelf verongelukt'.
Hier, en niet pas in de laatste regel, komt de deernis het gedicht al binnen, als een hond, kop gebogen, staart naar beneden. Ach, dat triomfantelijke vermelden van de drie namen in de telefoon. We halen onze schouders op. 'Scherpe meiden'. Ja, zo zul je er wel over moeten opscheppen denk ik.
Misschien had de dichter boven de man willen gaan staan, had hij diens belachelijkheid willen laten zien, maar het lukt hem niet. In de laatste regel kan hij zelf niet meer uit het gedicht blijven en dan kan hij de man alleen nog maar met medelijden bezien. Daarmee is hij met de man verbonden.
Zo schreef Wigman ook al over een man in de supermarkt ('een man, klein, dik, met onbemand gezicht / die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.'). Die man had hij ook graag onder uit de zak gegeven:
En ik was in verwachting van een scheef
gedicht, wou hem haten, kon het niet -
want alles wat hij droomt, dacht ik, droom ik
niet beter. Goed, gegroet dus, vale oom
die net zo magisch over lakens droomt.
Ook de naam van de dichter is Legioen. Hij blijkt niet alleen in zijn eigen lichaam te huizen, maar hij herkent zich ook in de ogen van de mensen om zich heen. In de man in de supermarkt, of de man met de drie namen in de telefoon. En wij moeten met de dichter meekijken. Ook onze naam is Legioen.
Er is natuurlijk meer, veel meer, over de bundel van Menno Wigman te zeggen. Dat gedicht over zijn moeder bijvoorbeeld, dat al in verschillende kranten heeft gestaan ('Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok / nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist, / en steeds dezelfde dag uitzit.'), maar ook het gedicht over Van der Lubbe ('Marinus heet ik, makker, en mijn naam / zal als een steekvlam boven Duitsland staan.') .
En wat te denken van zinnen als:
Ik zou wel willen dat het anders was.Of:
Dat is het ook. Je mist iets en verpleegt het.
De angst. De witte wimpers van de angstDat dus. Onder dat strakke metrum, dat uitgekiende rijm, die beheerste vorm, woelt altijd iets bij Wigman, wordt er getwijfeld en gewankeld. De gedichten staan als een huis, maar je 'hoort het water onder je vloeren woelen'. Poëzie waar de dichter zich aan vast moet houden, poëzie omdat het moet.
dat ik mijn leven heb verschreven.
En wij, jullie ook dus, moeten dat lezen. Vind ik.
maandag 2 april 2012
Tijd is niks. Plaats bestaat
Natuurmonumenten heeft aan dichters gevraagd om een gedicht te maken over een plaats op de Zuidwestelijke Veluwe. Het resulteerde in de bundel Tijd is niks. Plaats bestaat, waarin naast de gedichten ook foto's zijn opgenomen. De foto's lijken niet altijd verband te houden met het gedicht ernaast en ze zijn geplaatst op een hardgroene ondergrond, waar je van moet houden, denk ik.
Naast bekende dichters (bijvoorbeeld Eva Gerlach, Pieter Boskma, Astrid Lampe, Henk Knol en Victor Vroomkoning) leverden ook amateurs en zelfs basisschoolleerlingen gedichten. Dat heeft tot gevolg dat niet elk gedicht even goed is, maar de diversiteit is ook wel weer charmant. De inleiding werd geschreven door A.L. Snijders.
Achter in het boek is een kaart opgenomen met daarop aangegeven de fietsknooppunten en de locaties waarbij de gedichten zijn gemaakt. Wie dat wil, kan met de bundel in de hand de route langs de poëtische plaatsen volgen.
Als u dat van plan bent, doe dat dan op 22 april. Op die dag zullen de dichters langs de route staan om hun gedichten voor te dragen. Vanaf 11.00 uur kunt u binnenlopen op Oud Reemst (alleen bereikbaar via Otterlo). U kunt die dag ook workshops volgen.
Deelname is gratis. Wel even aanmelden op de site. Als u die dag verhinderd bent of als u geen zin hebt om te fietsen, kunt u de gedichten ook op de site beluisteren.
Hanz Mirck leverde het onderstaande gedicht:
Aan de Rijn
Hier drijft het landschap golvend langs de rivier
Je zou er een huis kunnen bouwen, een raam om het uitzicht,
een muur om het raam, een dak van riet?
Maar wat zie je eigenlijk? Je kunt alleen kijken
naar het grote of naar het kleine, niets er tussenin,
blad of verte, je ogen als maartse hazen door het veld
Een ander zou in zijn plaats een ander huis bouwen, om
een andere vrouw, omdat een muur de stilte buitensluit
In de verte de gedachte aan steen, een dak
van rivierbodem. Geen mens bezit grond -
de aarde bezit ons
Maar ook als niemand dit uitzicht, dat voorbijgaat, ziet
als niemand ziet hoe zacht het is, is ze zacht,
daar heeft ze geen mens voor nodig
zondag 1 april 2012
Zomerhitte
Er zijn nogal wat leerlingen die Zomerhitte van Jan Wolkers lezen. Ik heb het boek indertijd gelezen toen het als boekenweekgeschenk verscheen. Dat was in 2005. Toen vond ik het een aardig boek. Later bekeek ik ook de film en die vond ik ook aardig. Geloof ik.
Wolkers heeft beroerde boeken geschreven, maar ook heel goede. Ik bewaar nog altijd mooie herinneringen aan bijvoorbeeld De junival dat ik in zijn bescheidenheid heel fraai vind. Ook aan een vrij onbekend boek als De perzik van onsterfelijkheid bewaar ik goede herinneringen en verder natuurlijk klassiekers als Terug naar Oegstgeest, Kort Amerikaans en De doodshoofdvlinder.
Toen Wolkers Zomerhitte schreef, was hij al wel over zijn hoogtepunt heen, maar het boekje blijft toch wel aardig. De ingrediënten van de boeken van de oude meester zijn er gemakkelijk in terug te vinden: liefde, seks, natuur, dood. Er zit ook nog iets spannends in en het is niet al te dik. Ideaal boek voor scholieren die iets gemakkelijks op de lijst willen zetten.
Meer dan 'aardig' wou het boek ook bij herlezing niet worden. Waarschijnlijk zal ik het nooit meer lezen en moet ik het de rest van mijn leven maar doen met de herinnering.
Scènes uit een huwelijk (Knipoog 5)
In Nederlands Dagblad van vrijdag 30 maart schreef Laurens Kok een stukje over het overleg tussen VVD, CDA en PVV dat al een tijdje gaande is in en rond het Catshuis. Boven het stukje zette hij de kop 'Scènes uit een huwelijkscrisis`. Daarmee knipoogde hij naar Scènes uit een huwelijk (1973).
Hoewel ik de film van Ingmar Bergman nooit heb gezien, pikte ik de knipoog meteen op. Laurens Kok had dus goed ingeschat dat veel mensen zouden zien waar hij impliciet naar verwees. Mensen die de film wel gezien hebben, zullen immers nog gemakkelijker het knipoogje beantwoorden.
Scènes uit een huwelijk loopt uit op een echtscheiding. In het slot van het artikel lijkt Laurens Kok er rekening mee te houden dat ook het huwelijk tussen het kabinet en gedoogpartner uiteindelijk geen stand houdt: 'Mocht het straks allemaal alsnog mislukken, dan weet Wilders alvast welke verwijten hem te wachten staan. Hij zal dan vast niet schromen ook zelf met modder te gooien.'
Scènes uit een huwelijk was aanvankelijk een tv-serie, van in totaal meer dan drie uur lengt. De film die naar aanleiding van de serie werd gemaakt, werd wereldberoemd. Liv Uhlman werd genomineerd voor een 1976 genomineerd voor een Bafta, maar won die niet. Wel wonnen de actrice en de film samen een handvol andere prijzen, waaronder een Golden Globe en in Duitsland een Gouden Camera.
Ook op het toneel was Scènes uit een huwelijk te zien. Hieronder de trailer.
Abonneren op:
Posts (Atom)
